Welnu, zou dat niet zijn circulus vitiosus deus?" [117]

Het was in Augustus 1881 te Sils Maria, dat in Nietzsche's brein als

een bliksemflits de hypothese van het "Eeuwig Wederkeeren" ontsproot,

die de basis en tevens de bekroning der leer van den Uebermensch

is. Men kan haar als volgt samenvatten:

De som der krachten, die het heelal vormen, blijkt vast en bepaald te

zijn. Het is ten minste niet denkbaar, dat zij afneemt, want in dat

geval, hoe gering de afname ook zij, zou zij zijn verzonken in den

oneindigen tijd, die den tegenwoordige is voorafgegaan; evenmin kunnen

wij ons voorstellen, dat zij onbepaald toeneemt, want om als organisme

voort te groeien zou zij gevoed moeten worden en wel zoodanig, dat zij

een overschot van krachten verkreeg; vanwaar dan zou dat voedsel, die

groeistof voortkomen? Een onbepaald toenemen van de krachten van het

heelal veronderstellen is dus zooveel als in een voortdurend wonder

gelooven. Er rest dus niets dan de hypothese der vaste en bepaalde

som van krachten, van eene niet oneindige som dus. Stellen wij ons

nu die krachten voor als volkomen bij toeval op elkander reageerende,

een zuiver combinatiespel, waarin de eene combinatie noodzakelijk de

volgende doet ontstaan; wat zal er dan in de eeuwigheid der tijden

gebeuren? In de eerste plaats moeten wij aannemen, dat die krachten

nooit den evenwichtstoestand hebben bereikt en dien ook nooit zullen

bereiken, want zoo die combinatie--die op zichzelf ons niet onmogelijk

toeschijnt--ooit voorkwam, zou zij er reeds geweest zijn in den

oneindigen tijd, die den onzen is voorafgegaan en de wereld zou voor

goed stil staan, daar het onmogelijk is zich voor te stellen, dat het

eenmaal verkregen evenwicht ooit weer verbroken zou worden. Wij staan

dus voor het feit, dat eene vaste som van krachten eene onafgebroken

reeks van combinaties voortbrengt. Daar nu de tijd oneindig en de

som van krachten bepaald is, moet er een oogenblik komen, dat, hoe

groot men ook de som dier krachten stelle en hoe reusachtig men zich

het getal combinaties ook denke, de natuurlijke en onberekenende

kansrekening eene reeds voorgekomen combinatie zal doen ontstaan,

maar die combinatie zal tengevolge van het algemeen determinisme de

geheele serie der reeds voorgekomen combinaties meeslepen, zoodat de

wereldevolutie tot in het oneindige dezelfde phasen terugbrengt en

eeuwig een reusachtigen cirkel doorloopt.

Elk afzonderlijk leven is slechts een onmerkbaar fragment van den

geheelen cirkel en elk individu heeft dus reeds oneindig vele malen

hetzelfde leven doorleefd en zal het eeuwig opnieuw herleven.

"Alle toestanden, waarin de menschheid verkeeren kan, heeft zij

reeds doorgemaakt en niet éénmaal maar ontelbare malen. Zoo ook

dit oogenblik: het was al eens en al vele malen en zoo zal het ook

terugkomen zoodra alle krachten weer verdeeld zijn evenals nu;

en evenzoo gaat het met het oogenblik, dat het tegenwoordige

voortbracht en met het oogenblik, dat het tegenwoordige zal

voortbrengen. Mensch! uw geheele leven zal als een zandlooper steeds

omgekeerd worden en zal steeds opnieuw verloopen, daar elk een

dier levens van het andere slechts gescheiden wordt door de groote

minuut, die noodig is om al de toestanden, die u deden ontstaan, in

den wereldcirkel weer te doen voorkomen. Dan zult gij elke smart en

elke vreugde, elken vriend en elken vijand, elke verwachting en elke

dwaling, elken grashalm en elken zonnestraal en de geheele regeling

aller dingen terugvinden. Die cyclus, waarvan gij een korrel zijt,

schittert opnieuw en in elken cyclus van het menschelijk bestaan komt

altijd een uur, waarin eerst bij een individu, vervolgens bij velen

en eindelijk bij allen de machtigste gedachte, die van het "Eeuwige

Wederkeeren van alle dingen ontwaakt--dat is voor de menschheid

telkens weer het middaguur."

Die hypothese omtrent de wereldevolutie vervulde tegelijk Nietzsche,

van af het oogenblik, dat zij aan zijn denkershorizon verscheen, van

groot enthousiasme en onbeschrijfelijken afschuw. Eerst hield hij die

gedachte voor zich en een algemeen overzicht van zijn nieuwe leer,

het Eeuwig Wederkeeren, dat hij in den zomer van 1881 reeds geschetst

had, bleef onafgemaakt. In een aphorisme van Die fröhliche Wissenschaft

sprak Nietzsche voor het eerst het denkbeeld van een Eeuwig Wederkeeren

uit als eene soort verontrustend paradox. Hij veronderstelt daarin, dat

een demon in een eenzaam uur die hypothese in het oor van den denker

komt fluisteren. "Zoudt gij u niet ter aarde werpen," zoo besluit hij,

"zoudt gij niet tandenknarsend den demon vervloeken, die zoo tot u

gesproken had? Of hebt gij het onbeschrijfelijk oogenblik doorleefd,

waarin gij hem antwoorden kondt: "Gij zijt een god en nooit vernam ik

goddelijker woord!" Zoo die gedachte zich meester maakte van u, zooals

gij zijt, zou zij u vervormen en wellicht verpletteren. De vraag: "wilt

gij dat nog eens en eeuwig?" op elk oogenblik van uw leven gesteld,

zou als een loodzware last op geheel uw werkvermogen drukken, tenzij

gij uzelf en het leven zoozeer liefhadt, dat gij niets anders meer

dan die hooge en eeuwige wijding en bevestiging verlangdet!" [118]

Nietzsche dacht er in dien tijd aan tien jaar van zijn leven te

wijden aan de studie der natuurlijke historie te Weenen of Parijs om

voor zijn hypothese een wetenschappelijke basis te vormen en na een

jarenlang stilzwijgen als de profeet van het Eeuwig Wederkeeren weer

ten tooneele te verschijnen. Al heel spoedig echter besloot hij dat

plan op te geven om verschillende redenen, waaronder voornamelijk

deze, dat een oppervlakkig onderzoek van het vraagstuk van uit een

wetenschappelijk oogpunt hem dadelijk deed inzien, dat het onmogelijk

was zijne leer van het "Eeuwig Wederkeeren" volgens de atomische

theorie te verklaren; [119] maar zijne onverklaarde en onverklaarbare

hypothese bleef toch het middenpunt van zijn denken en het Eeuwig

Wederkeeren is het grootsche denkbeeld, dat Zarathustra in bedekte

termen en met eene soort heiligen afschuw aan de menschheid verkondigt.

Het is inderdaad te begrijpen, dat een vreeselijke angst zich van

Nietzsche's ziel meester maakte, zoodra hij in het Eeuwig Wederkeeren

geloofde en de volle beteekenis van die hypothese begreep, want men

kan zich geen oplossing van het levensprobleem denken, dat op het

eerste gezicht zoo ontmoedigend is. De wereld beteekent niets; zij is

het werk van het blinde noodlot en spruit voort uit het mathematisch

en zinneloos spel der krachten, die zich onderling combineeren

en bij toeval een zeker getal mogelijke groepeeringen vormen; de

wereldevolutie leidt tot niets, maar gaat oneindig voort, zich steeds

bewegende in denzelfden cirkel, en het leven dat wij thans leiden,

zullen wij eeuwig opnieuw beginnen zonder hoop op eenige verandering;

elk oogenblik van droefheid, smart of walging zullen wij ontelbare

malen juist zoo opnieuw doorleven. Denkt eens aan welk eene uitwerking

die openbaring op ontaarden, zieken, pessimisten, op al diegenen moet

hebben, wier smarten werkelijk veel meer zijn dan hunne vreugden? Voor

de meeste menschen is weliswaar een denkbeeld als dat van het Eeuwig

Wederkeeren, zelfs wanneer het niet a priori verworpen wordt, volkomen

onschuldig, daar het een zuiver abstract en intellectueel iets blijft,

omdat onze verbeelding niet sterk genoeg is om het te verwezenlijken

en de begrippen, die ons verstand opneemt ons gevoelsleven over het

algemeen weinig of niet aandoen. Nietzsche daarentegen "leefde" zijne

theorieën; hij philosopheerde met zijn geheele wezen en dan is het

te begrijpen, dat het Eeuwig Wederkeeren hem bij oogenblikken als

eene nachtmerrie was, die hem het bloed in de aderen deed stollen

en het hart deed stilstaan. En nu ook zien wij zijn "hardheid"

voor de ongelukkigen en onterfden van het leven onder een geheel

ander daglicht; nu begrijpen wij, dat hij bij de gedachte aan die

ongelukkigen uitriep: Mogen zij gauw sterven! mochten zij zich dooden

of gauw gedood worden, die ongelukkigen, voordat zij de algeheele

diepte van den lijdensafgrond, die hen wacht, gepeild hebben en het

monsterachtig lot, dat hen dwingt eeuwig en zonder mogelijke verlossing

hun kruis mee te slepen, hebben leeren kennen! En men begrijpt ook, dat

hij zich afgevraagd heeft of de menschheid in haar geheel in staat zou

zijn zich die leer eigen te maken zonder plotseling in eene duizeling

van wanhoop en afschuw ten onder te gaan en dat hij het denkbeeld van

het Eeuwig Wederkeeren beschouwd heeft als een toetssteen, die door

zijne aanraking allen zou vernietigen, wier levenskracht niet sterk

genoeg is om de openbaring van zulk eene waarheid te dragen.

Er is inderdaad eene bijzondere mate van zielskracht, eene zeldzame

levensenergie noodig om zonder angst het denkbeeld van het Eeuwig

Wederkeeren te verdragen en hij alleen heeft daartoe de macht, wiens

persoonlijkheid sterk genoeg is om te kunnen zeggen: zoo het leven op

zichzelf geen beteekenis heeft, weet ik er een aan te geven. Ik ben

een stukje van de natuur, die zichzelve steeds opnieuw wil en zonder

ophouden eeuwig denzelfden cirkel doorloopt: ik wil mij dus verheffen

tot het punt, waarop ik als kunstenaar van de onvergelijkelijke pracht

van het vruchtbare leven genieten kan als van het schoonste aller

schouwspelen. Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel,

waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgesproten,

waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat éénmaal wellicht

den Uebermensch zal voortbrengen. Met hart en ziel wil ik wenschen,

dat het blind toeval eenmaal moge slagen in de schepping van een of

ander wonderbaar, verblindend, boven den mensch staand wezen; in die

verwachting wil ik althans leven en mijn geheele bestaan zal door die

ééne gedachte geleid worden; ik wil, dat de cirkel, waarin het leven

zich eeuwig beweegt, een zoo schitterend en wonderbaar diadeem zij als

mogelijk is en zal dus in vreugde en vol bewustzijn mijn leven op het

spel zetten, hopende, dat mijn worp eene mooi resultaat moge opleveren

en zoo ik verlies, zal ik mij troosten met de gedachte, dat een ander

ten minste den mooien worp gooit of zal gooien, dien ik verwachtte en

dat zoodoende de pracht van het leven niet verminderen zal. Door dat

visioen verblind en koortsig opgewonden door de reusachtige partij,

die hij met het toeval speelt, zal de mensch al zijn nederlagen, zijne

smart en ellende leeren beschouwen als het noodige losgeld voor zijne

overwinningen en zijne vreugde, als den prikkel, die hem dwingt steeds

vooruit te streven, zichzelf te overtreffen en de verwezenlijking

van hoogere combinaties na te jagen. En wanneer hij dan het totaal

van zijn bestaan opmaakt, zal hij zien, dat de som zijner vreugden

die zijner smarten overtreft en zal hij de gedachte aan het eeuwig

weer doorleven van het reeds doorleefde vol geestdrift aannemen.

Tot die gevolgtrekking komen de verheven menschen, die Zarathustra in

zijn hol heeft verzameld. Nadat hij hun zijne nieuwe waardetafel heeft

voorgehouden en hun de ware schoonheid en grootheid van het leven

heeft aangetoond, nadat hij hen van hun pessimisme genezen heeft en

hunne ziel, die onder den last van walging en droefheid dreigde te

bezwijken, heeft verlicht, vereenigt hij hen bij het vallen van den

avond voor zijne grot onder den schitterenden sterrenhemel.

"En zij stonden stilzwijgend bij elkander--allen waren oud, maar hun

hart was getroost en vol moed en elk voor zich was verbaasd, dat het

op aarde zoo goed was. En het stilzwijgen van den geheimzinnigen nacht

sprak steeds duidelijker tot hun hart. Toen geschiedde het grootste

wonder van dien dag zoo rijk aan wonderen; de afzichtelijkste mensch

begon nog eens, en nu voor het laatst, te blazen en te borrelen en

toen hij eindelijk woorden kon uiten, ontvloeide eene ronde, zuivere,

eene juiste, diepe vraag aan zijne lippen--en allen, die haar hoorden,

voelden hun hart in den boezem kloppen.

"O gij allen, mijne vrienden, zeide de afzichtelijkste mensch, wat

dunkt u er van? Uit liefde voor dezen dag gevoel ik mij voor de eerste

maal gelukkig het leven geleefd te hebben.

En het is niet genoeg die getuigenis af te leggen. Het doet goed op

aarde te leven; een enkele dag, een enkel feest met Zarathustra heeft

mij de aarde leeren liefhebben.

"Is dàt het Leven?" zal ik aan den Dood vragen. "Welnu--dan nog eens!"

Mijne vrienden, wat dunkt u er van? Wilt gij niet met mij tot den

Dood zeggen: "Is dat het leven? Dan, uit liefde voor Zarathustra--nog

eens!" [120]

Zarathustra is dus geslaagd; de afzichtelijkste mensch,

het afschuwelijk monster, wiens haat God vermoord heeft, de

vertegenwoordiger van alle ellenden, van alle nederlagen en

afzichtelijkheden der menschheid, heeft de schoonheid van het leven

ontdekt, hij heeft begrepen, dat de smart het noodige losgeld is voor

alle geluk en heeft "ja" gezegd tot het bestaan.

Terwijl de profeet, door zijne discipelen omringd, het hooge genot

van dat uur der overwinning smaakt, slaat een oude klok met zware

stem langzaam middernacht; plechtig uur, waarop de scheidende en

de aanbrekende dag elkander ontmoeten en de dood het leven de hand

reikt; middernacht, uur van diep stilzwijgen, waarin de ernstige

ziel zich aan diepe, innerlijke overpeinzingen overgeeft en de meest

verborgen geheimen ontcijfert. En terwijl de oude torenklok, de stille

vertrouweling van alle smarten en vreugden der menschheid, met hare

twaalf slagen het oogenblik verkondigt, waarop opnieuw de geheimzinnige

overgang van den dood in het leven plaats vindt, openbaart Zarathustra

in raadselachtige verzen als eene soort mystieke psalm, het grootsch

denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren aan de hoogere menschen:

Eins!

O Mensch! Gieb Acht!

Zwei!

Was spricht die tiefe Mitternacht!

Drei!

"Ich schlief, ich schlief,--

Vier!

"Aus tiefem Traum bin ich erwacht:--

Fünf!

"Die Welt ist tief,

Sechs!

"Und tiefer als der Tag gedacht.

Sieben!

"Tief ist ihr Weh--,

Acht!

"Lust--tiefer noch als Herzeleid:

Neun!

"Weh spricht: Vergeh!

Zehn!

"Doch alle Lust will Ewigkeit--

Elf!

"--Will tiefe, tiefe Ewigkeit!"

Zwölf! [121]

Nietzsche's Philosophie · 第 39 / 45 题