Het was in Augustus 1881 te Sils Maria, dat in Nietzsche's brein als
een bliksemflits de hypothese van het "Eeuwig Wederkeeren" ontsproot,
die de basis en tevens de bekroning der leer van den Uebermensch
is. Men kan haar als volgt samenvatten:
De som der krachten, die het heelal vormen, blijkt vast en bepaald te
zijn. Het is ten minste niet denkbaar, dat zij afneemt, want in dat
geval, hoe gering de afname ook zij, zou zij zijn verzonken in den
oneindigen tijd, die den tegenwoordige is voorafgegaan; evenmin kunnen
wij ons voorstellen, dat zij onbepaald toeneemt, want om als organisme
voort te groeien zou zij gevoed moeten worden en wel zoodanig, dat zij
een overschot van krachten verkreeg; vanwaar dan zou dat voedsel, die
groeistof voortkomen? Een onbepaald toenemen van de krachten van het
heelal veronderstellen is dus zooveel als in een voortdurend wonder
gelooven. Er rest dus niets dan de hypothese der vaste en bepaalde
som van krachten, van eene niet oneindige som dus. Stellen wij ons
nu die krachten voor als volkomen bij toeval op elkander reageerende,
een zuiver combinatiespel, waarin de eene combinatie noodzakelijk de
volgende doet ontstaan; wat zal er dan in de eeuwigheid der tijden
gebeuren? In de eerste plaats moeten wij aannemen, dat die krachten
nooit den evenwichtstoestand hebben bereikt en dien ook nooit zullen
bereiken, want zoo die combinatie--die op zichzelf ons niet onmogelijk
toeschijnt--ooit voorkwam, zou zij er reeds geweest zijn in den
oneindigen tijd, die den onzen is voorafgegaan en de wereld zou voor
goed stil staan, daar het onmogelijk is zich voor te stellen, dat het
eenmaal verkregen evenwicht ooit weer verbroken zou worden. Wij staan
dus voor het feit, dat eene vaste som van krachten eene onafgebroken
reeks van combinaties voortbrengt. Daar nu de tijd oneindig en de
som van krachten bepaald is, moet er een oogenblik komen, dat, hoe
groot men ook de som dier krachten stelle en hoe reusachtig men zich
het getal combinaties ook denke, de natuurlijke en onberekenende
kansrekening eene reeds voorgekomen combinatie zal doen ontstaan,
maar die combinatie zal tengevolge van het algemeen determinisme de
geheele serie der reeds voorgekomen combinaties meeslepen, zoodat de
wereldevolutie tot in het oneindige dezelfde phasen terugbrengt en
eeuwig een reusachtigen cirkel doorloopt.
Elk afzonderlijk leven is slechts een onmerkbaar fragment van den
geheelen cirkel en elk individu heeft dus reeds oneindig vele malen
hetzelfde leven doorleefd en zal het eeuwig opnieuw herleven.
"Alle toestanden, waarin de menschheid verkeeren kan, heeft zij
reeds doorgemaakt en niet éénmaal maar ontelbare malen. Zoo ook
dit oogenblik: het was al eens en al vele malen en zoo zal het ook
terugkomen zoodra alle krachten weer verdeeld zijn evenals nu;
en evenzoo gaat het met het oogenblik, dat het tegenwoordige
voortbracht en met het oogenblik, dat het tegenwoordige zal
voortbrengen. Mensch! uw geheele leven zal als een zandlooper steeds
omgekeerd worden en zal steeds opnieuw verloopen, daar elk een
dier levens van het andere slechts gescheiden wordt door de groote
minuut, die noodig is om al de toestanden, die u deden ontstaan, in
den wereldcirkel weer te doen voorkomen. Dan zult gij elke smart en
elke vreugde, elken vriend en elken vijand, elke verwachting en elke
dwaling, elken grashalm en elken zonnestraal en de geheele regeling
aller dingen terugvinden. Die cyclus, waarvan gij een korrel zijt,
schittert opnieuw en in elken cyclus van het menschelijk bestaan komt
altijd een uur, waarin eerst bij een individu, vervolgens bij velen
en eindelijk bij allen de machtigste gedachte, die van het "Eeuwige
Wederkeeren van alle dingen ontwaakt--dat is voor de menschheid
telkens weer het middaguur."
Die hypothese omtrent de wereldevolutie vervulde tegelijk Nietzsche,
van af het oogenblik, dat zij aan zijn denkershorizon verscheen, van
groot enthousiasme en onbeschrijfelijken afschuw. Eerst hield hij die
gedachte voor zich en een algemeen overzicht van zijn nieuwe leer,
het Eeuwig Wederkeeren, dat hij in den zomer van 1881 reeds geschetst
had, bleef onafgemaakt. In een aphorisme van Die fröhliche Wissenschaft
sprak Nietzsche voor het eerst het denkbeeld van een Eeuwig Wederkeeren
uit als eene soort verontrustend paradox. Hij veronderstelt daarin, dat
een demon in een eenzaam uur die hypothese in het oor van den denker
komt fluisteren. "Zoudt gij u niet ter aarde werpen," zoo besluit hij,
"zoudt gij niet tandenknarsend den demon vervloeken, die zoo tot u
gesproken had? Of hebt gij het onbeschrijfelijk oogenblik doorleefd,
waarin gij hem antwoorden kondt: "Gij zijt een god en nooit vernam ik
goddelijker woord!" Zoo die gedachte zich meester maakte van u, zooals
gij zijt, zou zij u vervormen en wellicht verpletteren. De vraag: "wilt
gij dat nog eens en eeuwig?" op elk oogenblik van uw leven gesteld,
zou als een loodzware last op geheel uw werkvermogen drukken, tenzij
gij uzelf en het leven zoozeer liefhadt, dat gij niets anders meer
dan die hooge en eeuwige wijding en bevestiging verlangdet!" [118]
Nietzsche dacht er in dien tijd aan tien jaar van zijn leven te
wijden aan de studie der natuurlijke historie te Weenen of Parijs om
voor zijn hypothese een wetenschappelijke basis te vormen en na een
jarenlang stilzwijgen als de profeet van het Eeuwig Wederkeeren weer
ten tooneele te verschijnen. Al heel spoedig echter besloot hij dat
plan op te geven om verschillende redenen, waaronder voornamelijk
deze, dat een oppervlakkig onderzoek van het vraagstuk van uit een
wetenschappelijk oogpunt hem dadelijk deed inzien, dat het onmogelijk
was zijne leer van het "Eeuwig Wederkeeren" volgens de atomische
theorie te verklaren; [119] maar zijne onverklaarde en onverklaarbare
hypothese bleef toch het middenpunt van zijn denken en het Eeuwig
Wederkeeren is het grootsche denkbeeld, dat Zarathustra in bedekte
termen en met eene soort heiligen afschuw aan de menschheid verkondigt.
Het is inderdaad te begrijpen, dat een vreeselijke angst zich van
Nietzsche's ziel meester maakte, zoodra hij in het Eeuwig Wederkeeren
geloofde en de volle beteekenis van die hypothese begreep, want men
kan zich geen oplossing van het levensprobleem denken, dat op het
eerste gezicht zoo ontmoedigend is. De wereld beteekent niets; zij is
het werk van het blinde noodlot en spruit voort uit het mathematisch
en zinneloos spel der krachten, die zich onderling combineeren
en bij toeval een zeker getal mogelijke groepeeringen vormen; de
wereldevolutie leidt tot niets, maar gaat oneindig voort, zich steeds
bewegende in denzelfden cirkel, en het leven dat wij thans leiden,
zullen wij eeuwig opnieuw beginnen zonder hoop op eenige verandering;
elk oogenblik van droefheid, smart of walging zullen wij ontelbare
malen juist zoo opnieuw doorleven. Denkt eens aan welk eene uitwerking
die openbaring op ontaarden, zieken, pessimisten, op al diegenen moet
hebben, wier smarten werkelijk veel meer zijn dan hunne vreugden? Voor
de meeste menschen is weliswaar een denkbeeld als dat van het Eeuwig
Wederkeeren, zelfs wanneer het niet a priori verworpen wordt, volkomen
onschuldig, daar het een zuiver abstract en intellectueel iets blijft,
omdat onze verbeelding niet sterk genoeg is om het te verwezenlijken
en de begrippen, die ons verstand opneemt ons gevoelsleven over het
algemeen weinig of niet aandoen. Nietzsche daarentegen "leefde" zijne
theorieën; hij philosopheerde met zijn geheele wezen en dan is het
te begrijpen, dat het Eeuwig Wederkeeren hem bij oogenblikken als
eene nachtmerrie was, die hem het bloed in de aderen deed stollen
en het hart deed stilstaan. En nu ook zien wij zijn "hardheid"
voor de ongelukkigen en onterfden van het leven onder een geheel
ander daglicht; nu begrijpen wij, dat hij bij de gedachte aan die
ongelukkigen uitriep: Mogen zij gauw sterven! mochten zij zich dooden
of gauw gedood worden, die ongelukkigen, voordat zij de algeheele
diepte van den lijdensafgrond, die hen wacht, gepeild hebben en het
monsterachtig lot, dat hen dwingt eeuwig en zonder mogelijke verlossing
hun kruis mee te slepen, hebben leeren kennen! En men begrijpt ook, dat
hij zich afgevraagd heeft of de menschheid in haar geheel in staat zou
zijn zich die leer eigen te maken zonder plotseling in eene duizeling
van wanhoop en afschuw ten onder te gaan en dat hij het denkbeeld van
het Eeuwig Wederkeeren beschouwd heeft als een toetssteen, die door
zijne aanraking allen zou vernietigen, wier levenskracht niet sterk
genoeg is om de openbaring van zulk eene waarheid te dragen.
Er is inderdaad eene bijzondere mate van zielskracht, eene zeldzame
levensenergie noodig om zonder angst het denkbeeld van het Eeuwig
Wederkeeren te verdragen en hij alleen heeft daartoe de macht, wiens
persoonlijkheid sterk genoeg is om te kunnen zeggen: zoo het leven op
zichzelf geen beteekenis heeft, weet ik er een aan te geven. Ik ben
een stukje van de natuur, die zichzelve steeds opnieuw wil en zonder
ophouden eeuwig denzelfden cirkel doorloopt: ik wil mij dus verheffen
tot het punt, waarop ik als kunstenaar van de onvergelijkelijke pracht
van het vruchtbare leven genieten kan als van het schoonste aller
schouwspelen. Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel,
waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgesproten,
waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat éénmaal wellicht
den Uebermensch zal voortbrengen. Met hart en ziel wil ik wenschen,
dat het blind toeval eenmaal moge slagen in de schepping van een of
ander wonderbaar, verblindend, boven den mensch staand wezen; in die
verwachting wil ik althans leven en mijn geheele bestaan zal door die
ééne gedachte geleid worden; ik wil, dat de cirkel, waarin het leven
zich eeuwig beweegt, een zoo schitterend en wonderbaar diadeem zij als
mogelijk is en zal dus in vreugde en vol bewustzijn mijn leven op het
spel zetten, hopende, dat mijn worp eene mooi resultaat moge opleveren
en zoo ik verlies, zal ik mij troosten met de gedachte, dat een ander
ten minste den mooien worp gooit of zal gooien, dien ik verwachtte en
dat zoodoende de pracht van het leven niet verminderen zal. Door dat
visioen verblind en koortsig opgewonden door de reusachtige partij,
die hij met het toeval speelt, zal de mensch al zijn nederlagen, zijne
smart en ellende leeren beschouwen als het noodige losgeld voor zijne
overwinningen en zijne vreugde, als den prikkel, die hem dwingt steeds
vooruit te streven, zichzelf te overtreffen en de verwezenlijking
van hoogere combinaties na te jagen. En wanneer hij dan het totaal
van zijn bestaan opmaakt, zal hij zien, dat de som zijner vreugden
die zijner smarten overtreft en zal hij de gedachte aan het eeuwig
weer doorleven van het reeds doorleefde vol geestdrift aannemen.
Tot die gevolgtrekking komen de verheven menschen, die Zarathustra in
zijn hol heeft verzameld. Nadat hij hun zijne nieuwe waardetafel heeft
voorgehouden en hun de ware schoonheid en grootheid van het leven
heeft aangetoond, nadat hij hen van hun pessimisme genezen heeft en
hunne ziel, die onder den last van walging en droefheid dreigde te
bezwijken, heeft verlicht, vereenigt hij hen bij het vallen van den
avond voor zijne grot onder den schitterenden sterrenhemel.
"En zij stonden stilzwijgend bij elkander--allen waren oud, maar hun
hart was getroost en vol moed en elk voor zich was verbaasd, dat het
op aarde zoo goed was. En het stilzwijgen van den geheimzinnigen nacht
sprak steeds duidelijker tot hun hart. Toen geschiedde het grootste
wonder van dien dag zoo rijk aan wonderen; de afzichtelijkste mensch
begon nog eens, en nu voor het laatst, te blazen en te borrelen en
toen hij eindelijk woorden kon uiten, ontvloeide eene ronde, zuivere,
eene juiste, diepe vraag aan zijne lippen--en allen, die haar hoorden,
voelden hun hart in den boezem kloppen.
"O gij allen, mijne vrienden, zeide de afzichtelijkste mensch, wat
dunkt u er van? Uit liefde voor dezen dag gevoel ik mij voor de eerste
maal gelukkig het leven geleefd te hebben.
En het is niet genoeg die getuigenis af te leggen. Het doet goed op
aarde te leven; een enkele dag, een enkel feest met Zarathustra heeft
mij de aarde leeren liefhebben.
"Is dàt het Leven?" zal ik aan den Dood vragen. "Welnu--dan nog eens!"
Mijne vrienden, wat dunkt u er van? Wilt gij niet met mij tot den
Dood zeggen: "Is dat het leven? Dan, uit liefde voor Zarathustra--nog
eens!" [120]
Zarathustra is dus geslaagd; de afzichtelijkste mensch,
het afschuwelijk monster, wiens haat God vermoord heeft, de
vertegenwoordiger van alle ellenden, van alle nederlagen en
afzichtelijkheden der menschheid, heeft de schoonheid van het leven
ontdekt, hij heeft begrepen, dat de smart het noodige losgeld is voor
alle geluk en heeft "ja" gezegd tot het bestaan.
Terwijl de profeet, door zijne discipelen omringd, het hooge genot
van dat uur der overwinning smaakt, slaat een oude klok met zware
stem langzaam middernacht; plechtig uur, waarop de scheidende en
de aanbrekende dag elkander ontmoeten en de dood het leven de hand
reikt; middernacht, uur van diep stilzwijgen, waarin de ernstige
ziel zich aan diepe, innerlijke overpeinzingen overgeeft en de meest
verborgen geheimen ontcijfert. En terwijl de oude torenklok, de stille
vertrouweling van alle smarten en vreugden der menschheid, met hare
twaalf slagen het oogenblik verkondigt, waarop opnieuw de geheimzinnige
overgang van den dood in het leven plaats vindt, openbaart Zarathustra
in raadselachtige verzen als eene soort mystieke psalm, het grootsch
denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren aan de hoogere menschen:
Eins!
O Mensch! Gieb Acht!
Zwei!
Was spricht die tiefe Mitternacht!
Drei!
"Ich schlief, ich schlief,--
Vier!
"Aus tiefem Traum bin ich erwacht:--
Fünf!
"Die Welt ist tief,
Sechs!
"Und tiefer als der Tag gedacht.
Sieben!
"Tief ist ihr Weh--,
Acht!
"Lust--tiefer noch als Herzeleid:
Neun!
"Weh spricht: Vergeh!
Zehn!
"Doch alle Lust will Ewigkeit--
Elf!
"--Will tiefe, tiefe Ewigkeit!"
Zwölf! [121]