Ons modern Europa is, volgens Nietzsche, zeer ziek; overal doen
zich teekenen van een niet te ontkennen verval voor; het is alsof
eene drukkende moeheid zich van den hedendaagschen mensch heeft
meester gemaakt en hij, na den langen weg, die van den aardworm tot
den aap en van den aap tot den mensch voert, te hebben afgelegd,
in den tegenwoordigen tijd bestendigheid en rust zoekt, hetzij
in verachtelijke middelmatigheid of in den dood. Hier wil de
gelijkheidlievende democraat hem tot het leelijk en verachtelijk dier
der kudde maken; daar willen de Christelijke priester, de wijsgeer, de
moralist hem van de aarde losmaken door hem een denkbeeldig hiernamaals
voor te houden, waaraan hij zijn leven offeren moet. De democratische
staat is een ontaarde vorm van den staat; de godsdienst van het
lijden is eene ziekenmoraal en de Wagneriaansche kunst, die in onze
dagen zegeviert, eene kunst van verval. Verdorvenheid en pessimisme
komen op alle sporten, zelfs op de hoogste, der moderne beschaving
voor en de exemplaren der hoogere menschheid, wien Zarathustra in
zijne grot gastvrijheid verleent, zijn alle, zonder uitzondering,
decadenten, onwelkome wezens, die om hun eigen bestaan lijden,
verregaande walging gevoelen bij het zien van den modernen mensch,
en zich zelve verachten. Zoo b.v. de "pessimistische profeet", die
overal verschijnselen van dood ziet en zegt: "Alles is ijdelheid,
niets dient tot iets meer, het is overbodig te zoeken, er zijn
geen gelukzalige eilanden meer!" Voorts de "twee koningen", die
hun koninkrijk verlaten hebben, omdat zij, waar zij niet de eerste
onder de menschen waren, niet langer anderen wilden regeeren. Dan de
"nauwgezette van geest", de "objectieve geleerde", die zijn leven
offert aan de studie van de hersens van den bloedzuiger; en de
"oude toovenaar", de eeuwige komediant, die alle rollen speelt
en alle menschen bedriegt, maar zichzelf niet meer misleiden kan,
die, het hart vol walging en droefheid, een echt genie zoekt; of de
"laatste Paus", die zich niet troosten kan over Gods dood; voorts de
"afzichtelijkste mensch", de moordenaar Gods,--want God is gestorven,
van het diepste medelijden vervuld, toen hij de afzichtelijkheid
en ellende der menschheid zag; dan de "vrijwillige bedelaar", die,
van den overdreven beschaafden mensch walgende, het geluk zocht bij de
koeien, die vreedzaam in hunne weide liggen te herkauwen; en eindelijk
de "schaduw", de scepticus, die op zijn tocht door alle rijken der
gedachten, zichzelf verloren heeft en voortaan doelloos door het
heelal zwerft. Al die vertegenwoordigers der hoogste Europeesche
beschaving lijden aan eene vreeselijke kwaal en kruipen onrustig,
somber en ontdaan door het leven als een tijger, die zijn sprong gemist
heeft of een dobbelaar, die een slechten worp gedaan heeft. Het "volk"
en al wat het volk "geluk" noemt, staat hun tegen en aan den anderen
kant bestaan al de hoogste waarden, die de menschheid vroeger onder
den naam van "God", "Waarheid", "Plicht" vereerde, voor hen niet meer;
materiëele voldoening bevredigt hen niet langer en zij gelooven aan
geen ideaal meer. Zal dus de menschheid haren loop moeten staken,
zich van het leven losmaken en tot het niet overhellen?
Neen, zegt Nietzsche, verval leidt niet noodzakelijk tot nietzijn;
het kan ook de toestand zijn, die aan een nieuw leven en een hoogeren
graad van gezondheid voorafgaat.
Het is natuurlijk onmogelijk terug te gaan en de menschheid
terug te voeren tot hetgeen zij in vroegere tijden was: "men moet
steeds vooruitgaan, d.w.z. stap voor stap verder in het verval
doordringen". [101] Maar evenals de bladeren in den herfst
geel worden en afvallen om in de lente nieuw groen te geven,
kan ook het hedendaagsch verval het voorspel zijn van herleving
en kan de menschheid door haren dood een hoogeren levensvorm
doen ontstaan. Uit dat oogpunt kan men, volgens Nietzsche, de
woorden "verval", "ontbinding," "verderf" wellicht beschouwen als
onverdiend verachtelijke termen om den herfst der beschaving aan
te duiden; de menschheid, die zwanger gaat van een nieuwe wereld,
lijdt barenssmarten en daarom ook is het Zarathustra's doel niet het
lijden der "hoogstaande menschen" te verzachten, want hij weet, dat de
mensch steeds meer lijden moet, wil hij de hoogste toppen beklimmen,
en dat de innerlijke droefheid van den verheven mensch en zijn afkeer
van de menigte en van zichzelf noodig zijn om hem aan te sporen en
hem hooger op te drijven. Dat hijzelf een gebrekkig voortbrengsel der
menschheid is, doet er niet toe, want hoe kostbaarder van gehalte een
voorwerp is, hoe zeldzamer het is en hoeveel te meer waardeverlies
er noodig zal wezen om er een volkomen geslaagd exemplaar van te
verkrijgen. De hoogere mensch is als eene vaas, waarin de toekomst
der menschheid wordt bereid, waarin alle kiemen, die eenmaal in het
volle daglicht zullen ontluiken, stil gisten, koken en werken,--en
meer dan één van die kostbare vazen barst of breekt....
Maar dat zegt niets, want zoo die mensch mislukt is, behoeft de
menschheid het nog niet te zijn--en wat nog, wanneer ook de menschheid
mislukt is! De mensch is, volgens Nietzsche's beroemde vergelijking,
een koord, dat tusschen het dier en den Uebermensch gespannen is; hij
is geen doel, maar een brug, een doorgang. Dat de mensch dus verga,
opdat de Uebermensch leve.
"Ik onderwijs u den Uebermensch, zegt Zarathustra tot het verzamelde
volk. De mensch is iets, dat overtroffen moet worden. Wat hebt gij
gedaan om het te overtreffen?
Alle wezens hebben tot nog toe iets hoogers geschapen dan zijzelve
waren, en gij zoudt de ebbe van dat reusachtig getij willen zijn en
liever tot het dier teruggaan dan den mensch overtreffen.
Wat is de aap voor den mensch? Een voorwerp van spot of van schaamte
en smart. En zoo moet de mensch voor den Uebermensch een voorwerp
van spot, schaamte en smart worden.
Ziet, ik leer u den Uebermensch kennen.
De Uebermensch is de reden van bestaan der aarde. Uw wil moet zeggen:
"Dat de Uebermensch de reden van bestaan der aarde zij." [102]