Adventavit asinus pulcher et fortissimus. [95]

M.a.w. elk wijsgeer tracht zijn systeem als eene zuiver logische

schepping, als het werk van de zuivere rede voor te stellen. Dat nu

is eene illusie, want het bewust leven wortelt bij elk mensch in zijn

onbewust leven en zijne begeerte om de waarheid te leeren kennen,

hoe belangeloos zij ook schijnen moge, staat in werkelijkheid slechts

ten dienste en onder den invloed van eene machtiger en meer verborgen

neiging. In elk systeem, hoe onpersoonlijk en meetkundig juist ook voor

het oog, schuilt eene geloofsbekentenis; de theorieën van een wijsgeer

zijn zooveel als zijne biecht en zijn gedenkschrift. In waarheid is hij

niet een zuiver intellectueel, maar een listig advokaat, die de zaak

van zijne vooroordeelen, en meestal van zijne moreele vooroordeelen

bepleit; en zelfs is hij een weinig nauwgezet advokaat en bezit hij

minder eerlijkheid dan de priester, daar hij zijne "overtuigingen"

voor vastgestelde "waarheden" wil laten doorgaan. Die "overtuigingen"

nu, die op den bodem van elk philosophisch systeem voorkomen en er

om zoo te zeggen het levensbeginsel van uitmaken, zijn eenvoudig

aan het ascetisch ideaal ontleend en de priester en de wijsgeer zijn

doorgaans zonder het te weten, geen vijanden, maar bondgenooten.

Neemt b.v. Kant, den vader der Duitsche philosophie: Kant is voor

Nietzsche slechts een nauwelijks vermomd Christen. Hij staaft,

dat zijn geheele philosophische arbeid tot strekking heeft twee

der gevaarlijkste dwalingen van de menschheid voor een aanval der

rede te vrijwaren, t. w. het begrip van eene werkelijke wereld in

tegenstelling met de schijnwereld, en het geloof in de absolute waarde

van de moreele wet, van het categorisch imperatief. Die beide begrippen

nu zijn eigenlijk niets anders dan de metaphysische verklaring der

voornaamste leerstellingen van het Christendom. Want wat is, om te

beginnen, het geloof in eene werkelijke wereld afgescheiden van eene

schijnwereld? Niets anders immers dan het philosophisch equivalent

van het grondbegrip van alle theologie: God is de eerste oorzaak van

het heelal, dat de zinnen waarnemen en het ware leven van den mensch

is het leven in God.

In het brein der metaphysici heeft het bestaand begrip van den

goeden God, den God der lijdende menschheid, eene fijne, hooge en

minder gekleurde gedaante aangenomen; zij hebben het veranderd in een

reusachtige spin, die uit eigen stoffen de wereld weeft; zij hebben er

het ideaal, den zuiveren geest, het absolute, het wezen op zichzelf

van gemaakt. [96] Dat wezen op zichzelf, die wezenlijke wereld nu

zijn eenvoudig het niet, eene illusie, wier heengaan Nietzsche in de

volgende woorden vertelt:

Hoe de echte wereld eindelijk een sprookje werd.

Geschiedenis eener dwaling.

1. De ware wereld, die voor den Wijze, den Vrome en den Deugdzame

toegankelijk is, leeft in hem, hij is die wereld.

(De oudste vorm van dat begrip, die betrekkelijk vernuftig, eenvoudig

en overtuigend is. Omschrijving van dat axioma: Ik, Plato, ben de

waarheid).

2. De ware wereld, die nu nog ontoegankelijk is, maar den Wijze, den

Vrome en den Deugdzame ("den berouwhebbenden zondaar") beloofd werd.

(Voortgang van dat idee: het wordt fijner, misleidend,

onbegrijpelijker, het wordt vrouw, het wordt Christin).

3. De ware wereld, ontoegankelijk, onbewijsbaar, raadselachtig,

die evenwel, in gedachten slechts bestaand, toch eene troost, eene

verplichting, een gebod is.

(Op den achtergrond nog steeds de oude zon, maar nu gezien door

den nevel van de critiek; het begrip fijn, bleek, noordelijk,

"Königsbergsch" geworden).

4. De ware wereld, ontoegankelijk? In ieder geval nooit bereikt,

en omdat zij nooit bereikt werd, is zij onbekend. Haar verdwijnen

geeft ons troost noch verlossing of verplichting, want waartoe zou

iets onbekends ons kunnen verplichten?

(Morgenschemering. Eerste geeuw der rede. Gekraai van den haan van

het positivisme).

5. "De ware wereld," een begrip, dat nergens toe dient en niet eens

eene verplichting oplegt, een onnut en overbodig geworden begrip:

in zijn verdwijnen een wederlegd begrip: laten wij het afschaffen.

(Klaarlichte dag. Ontbijt: terugkeer van gezond verstand en

vroolijkheid; ontsteld blozen van Plato; sabbath van alle vrije

geesten).

6. Wij hebben de "ware wereld" afgeschaft: welke wereld houden wij

nu over? Zal het de schijnwereld zijn? Welneen! Tegelijk met de ware

wereld hebben wij de schijnwereld afgeschaft.

(Middag, oogenblik van de kortste schaduw; einde van de langste

dwaling; toppunt der menschheid: Incipit Zarathustra). [97]

De Christengod was, zooals wij gezien hebben, de God van al wat lijdt

en tot den dood overhelt. In plaats van evenals de heidensche goden

de vreugdevolle toejuiching van het bestaan, den wil tot macht, die

"ja" zegt tot al wat het leven geeft te verpersoonlijken, stelde hij

al datgene voor, dat in het hart van den ontaarden mensch wrok tegen

het werkelijk leven en hoop op een denkbeeldig bestaan hiernamaals

aanwakkert. De "ware wereld" der metaphysici is eigenlijk geheel

hetzelfde: zij is een klank zonder eenigen reëelen inhoud. De

Christengod is het symbool van eene negatie, die der wijsgeeren is

het zuiver Niet.

Zoo is ook de wil, die dien God zoekt, niet anders dan de zucht

naar het niet. Nu nog hebben de meest vooruitstrevende wijsgeeren,

zij, die zich vrij van allen godsdienst en alle vooroordeel wanen,

een onverzettelijk geloof in de waarheid en al die sceptici, die

"objectieven", die agnostici, die zich op stoicynsche wijze alle

onbewijsbare hypothesen ontzeggen, die zich aan het vaststellen

van kleinigheden houden om alle haastige generalisatie en de

daaruitvolgende fouten te vermijden, die geen "ja" of "neen" willen

uitspreken over alle vraagstukken, die aan twijfel onderhevig

zijn--al die goede geesten, die "nauwgezetten van geest" die de

intellectueele en moreele keur der menschheid voorstellen, zijn

eigenlijk asceten. Laten wij hun geloof slechts ontleden. De wil om tot

elken prijs de waarheid te bereiken kan op twee manieren verklaard

worden; het kan beduiden: "Ik wil onder geen enkele voorwaarde

bedrogen worden," of: "Ik wil onder geen voorwaarde anderen of

mijzelven bedriegen." De eerste verklaring nu is onwaarschijnlijk. De

mensch zou zeker uit voorzichtigheid en uit vrees naar waarheid

kunnen verlangen, zoo het hem duidelijk was, dat waarheid bovenal

weldadig werkt; maar dat is niet zoo en wanneer ooit eene "waarheid"

zich gaandeweg aan verlichte geesten opdringt, is het wel deze,

dat illusie minstens even weldadig en even noodzakelijk voor de

menschheid is als "waarheid." Voor Nietzsche is illusie en leugen

wellicht de hoofdvoorwaarde van het leven. "Het verkeerde van een

oordeel," zegt hij, "is voor ons niet een bezwaar tegen dat oordeel,

en juist op dat punt klinkt onze taal wellicht het zonderlingst in

moderne ooren. Voor ons is de quaestie als volgt: in hoeverre is

dat oordeel nuttig voor het behoud en de ontwikkeling van het leven,

voor het behoud of de verbetering van de soort? En in beginsel zijn

wij geneigd te beweren, dat de meest onjuiste meeningen (in de eerste

plaats behooren daartoe de synthetische meeningen) in onze oogen het

onmisbaarst zijn; dat, wanneer de menschheid weigerde de verzinsels

der logica aan te nemen, de werkelijkheid naar de zuiver denkbeeldige

wereld van het onvoorwaardelijke, het absolute te meten en het leven

voortdurend naar die waarde te vervalschen, zij niet zou kunnen leven;

dat afzien van verkeerde begrippen zooveel als afzien van het leven,

de ontkenning van het leven zou zijn." [98] Zoo evenwel leugen weldadig

en waarheid noodlottig kan zijn--wat ook de moderne belijder van de

waarheid tot elken prijs wel voelt--streeft de man der wetenschap dus

niet naar waarheid uit eigenbelang of uit vrees, maar alleen, omdat

hij onder geen voorwaarde zichzelf of anderen bedriegen wil. In zijne

ziel en in zijn geweten kent hij de waarheid een zoo hoogen prijs

toe, dat alles, tot zelfs het geluk en het bestaan der menschheid

er aan onderworpen moeten worden. Hij gelooft in de waarheid als in

eene absolute, metaphysische waarde, of om het duidelijk te zeggen:

hij noemt "waarheid" wat de Christen "God" noemt. En Nietzsche besluit:

"Het lijdt geen twijfel, dat de waarheidlievende mensch,

waarheidlievend in den uitersten, gevaarlijken zin, dien het geloof

in de wetenschap veronderstelt, dat die mensch daardoor zijn geloof in

eene andere wereld dan die van het leven, de natuur en de geschiedenis

bevestigt; en van af, dat hij die andere wereld aanneemt, wat blijft

hem dan over voor het tegenovergestelde, voor deze wereld, voor onze

wereld--niet anders dan haar te ontkennen! Men begrijpt evenwel wat

ik zeggen wil: n.l. dit, dat ons geloof in de wetenschap altijd op

eene metaphysische overtuiging berust en dat ook wij, de hedendaagsche

denkers, de atheïsten, de anti-metaphysici het vuur, dat in ons gloeit

aan den brand ontleenen, dien eene veelduizendjarige overtuiging

ontstoken heeft, aan het Christelijk geloof, dat ook Plato's geloof

was, dat God waarheid is en dat waarheid goddelijk is." [99] De moderne

apostel der waarheid heeft de hoogste waarden van onze oude waardetafel

niet in twijfel durven trekken; hij heeft zich niet durven afvragen:

"Wat is de waarde der waarheid?" of, wat op hetzelfde neerkomt:

"Wat is de waarde van het categorisch imperatief, van de moraal,

die ons gebiedt de waarheid te achtervolgen?" Op den drempel van het

ontzettend probleem van Waarheid en Moraal is hij stil blijven staan;

hij heeft zich niet afgevraagd: Waarom moet de mensch tot elken prijs

die Natuur leeren kennen, waarin wij thans eene eeuwig blinde, domme

kracht vermoeden, die volkomen ongevoelig voor goed of kwaad is en

zeer vruchtbaar steeds nieuwe levens voortbrengt en dan weer opoffert,

die hardvochtig is en zonder eenig verstand samenstelt.

Waarom inderdaad zou de mensch alles aan eene dergelijke godheid

opofferen?

Van uit dat oogpunt gezien komt de zucht naar waarheid Nietzsche voor

als de moderne vorm van die ascetische wreedheid, die den mensch te

allen tijde gedreven heeft het kostbaarste dat hij bezat, aan zijnen

God te offeren.

Oorspronkelijk bestonden die offeranden aan de godheid in menschelijke

wezens, b.v. het offeren van den eerstgeborene; later, onder het

Christendom offerde de asceet hem al zijne natuurlijke neigingen. En

wat bleef er ten slotte nog over te offeren? Moest men niet eindigen

met God alles te offeren wat troost geeft, wat heiligt en geneest,

alle hoop, alle geloof in eene verborgen harmonie, in zaligheid en

in toekomstige rechtvaardigheid?

Heeft men niet God zelf ten offer moeten brengen en uit wreedheid voor

zichzelf den steen, het onverstand, de traagheid, het noodlot en het

niet moeten aanbidden? God aan het niet offeren--voor het geslacht,

dat in onze dagen tot rijpheid komt, was het weggelegd zich tot dat

paradoxaal mysterie van uiterste wreedheid te verheffen.

Nietzsche's Philosophie · 第 31 / 45 题