M.a.w. elk wijsgeer tracht zijn systeem als eene zuiver logische
schepping, als het werk van de zuivere rede voor te stellen. Dat nu
is eene illusie, want het bewust leven wortelt bij elk mensch in zijn
onbewust leven en zijne begeerte om de waarheid te leeren kennen,
hoe belangeloos zij ook schijnen moge, staat in werkelijkheid slechts
ten dienste en onder den invloed van eene machtiger en meer verborgen
neiging. In elk systeem, hoe onpersoonlijk en meetkundig juist ook voor
het oog, schuilt eene geloofsbekentenis; de theorieën van een wijsgeer
zijn zooveel als zijne biecht en zijn gedenkschrift. In waarheid is hij
niet een zuiver intellectueel, maar een listig advokaat, die de zaak
van zijne vooroordeelen, en meestal van zijne moreele vooroordeelen
bepleit; en zelfs is hij een weinig nauwgezet advokaat en bezit hij
minder eerlijkheid dan de priester, daar hij zijne "overtuigingen"
voor vastgestelde "waarheden" wil laten doorgaan. Die "overtuigingen"
nu, die op den bodem van elk philosophisch systeem voorkomen en er
om zoo te zeggen het levensbeginsel van uitmaken, zijn eenvoudig
aan het ascetisch ideaal ontleend en de priester en de wijsgeer zijn
doorgaans zonder het te weten, geen vijanden, maar bondgenooten.
Neemt b.v. Kant, den vader der Duitsche philosophie: Kant is voor
Nietzsche slechts een nauwelijks vermomd Christen. Hij staaft,
dat zijn geheele philosophische arbeid tot strekking heeft twee
der gevaarlijkste dwalingen van de menschheid voor een aanval der
rede te vrijwaren, t. w. het begrip van eene werkelijke wereld in
tegenstelling met de schijnwereld, en het geloof in de absolute waarde
van de moreele wet, van het categorisch imperatief. Die beide begrippen
nu zijn eigenlijk niets anders dan de metaphysische verklaring der
voornaamste leerstellingen van het Christendom. Want wat is, om te
beginnen, het geloof in eene werkelijke wereld afgescheiden van eene
schijnwereld? Niets anders immers dan het philosophisch equivalent
van het grondbegrip van alle theologie: God is de eerste oorzaak van
het heelal, dat de zinnen waarnemen en het ware leven van den mensch
is het leven in God.
In het brein der metaphysici heeft het bestaand begrip van den
goeden God, den God der lijdende menschheid, eene fijne, hooge en
minder gekleurde gedaante aangenomen; zij hebben het veranderd in een
reusachtige spin, die uit eigen stoffen de wereld weeft; zij hebben er
het ideaal, den zuiveren geest, het absolute, het wezen op zichzelf
van gemaakt. [96] Dat wezen op zichzelf, die wezenlijke wereld nu
zijn eenvoudig het niet, eene illusie, wier heengaan Nietzsche in de
volgende woorden vertelt:
Hoe de echte wereld eindelijk een sprookje werd.
Geschiedenis eener dwaling.
1. De ware wereld, die voor den Wijze, den Vrome en den Deugdzame
toegankelijk is, leeft in hem, hij is die wereld.
(De oudste vorm van dat begrip, die betrekkelijk vernuftig, eenvoudig
en overtuigend is. Omschrijving van dat axioma: Ik, Plato, ben de
waarheid).
2. De ware wereld, die nu nog ontoegankelijk is, maar den Wijze, den
Vrome en den Deugdzame ("den berouwhebbenden zondaar") beloofd werd.
(Voortgang van dat idee: het wordt fijner, misleidend,
onbegrijpelijker, het wordt vrouw, het wordt Christin).
3. De ware wereld, ontoegankelijk, onbewijsbaar, raadselachtig,
die evenwel, in gedachten slechts bestaand, toch eene troost, eene
verplichting, een gebod is.
(Op den achtergrond nog steeds de oude zon, maar nu gezien door
den nevel van de critiek; het begrip fijn, bleek, noordelijk,
"Königsbergsch" geworden).
4. De ware wereld, ontoegankelijk? In ieder geval nooit bereikt,
en omdat zij nooit bereikt werd, is zij onbekend. Haar verdwijnen
geeft ons troost noch verlossing of verplichting, want waartoe zou
iets onbekends ons kunnen verplichten?
(Morgenschemering. Eerste geeuw der rede. Gekraai van den haan van
het positivisme).
5. "De ware wereld," een begrip, dat nergens toe dient en niet eens
eene verplichting oplegt, een onnut en overbodig geworden begrip:
in zijn verdwijnen een wederlegd begrip: laten wij het afschaffen.
(Klaarlichte dag. Ontbijt: terugkeer van gezond verstand en
vroolijkheid; ontsteld blozen van Plato; sabbath van alle vrije
geesten).
6. Wij hebben de "ware wereld" afgeschaft: welke wereld houden wij
nu over? Zal het de schijnwereld zijn? Welneen! Tegelijk met de ware
wereld hebben wij de schijnwereld afgeschaft.
(Middag, oogenblik van de kortste schaduw; einde van de langste
dwaling; toppunt der menschheid: Incipit Zarathustra). [97]
De Christengod was, zooals wij gezien hebben, de God van al wat lijdt
en tot den dood overhelt. In plaats van evenals de heidensche goden
de vreugdevolle toejuiching van het bestaan, den wil tot macht, die
"ja" zegt tot al wat het leven geeft te verpersoonlijken, stelde hij
al datgene voor, dat in het hart van den ontaarden mensch wrok tegen
het werkelijk leven en hoop op een denkbeeldig bestaan hiernamaals
aanwakkert. De "ware wereld" der metaphysici is eigenlijk geheel
hetzelfde: zij is een klank zonder eenigen reëelen inhoud. De
Christengod is het symbool van eene negatie, die der wijsgeeren is
het zuiver Niet.
Zoo is ook de wil, die dien God zoekt, niet anders dan de zucht
naar het niet. Nu nog hebben de meest vooruitstrevende wijsgeeren,
zij, die zich vrij van allen godsdienst en alle vooroordeel wanen,
een onverzettelijk geloof in de waarheid en al die sceptici, die
"objectieven", die agnostici, die zich op stoicynsche wijze alle
onbewijsbare hypothesen ontzeggen, die zich aan het vaststellen
van kleinigheden houden om alle haastige generalisatie en de
daaruitvolgende fouten te vermijden, die geen "ja" of "neen" willen
uitspreken over alle vraagstukken, die aan twijfel onderhevig
zijn--al die goede geesten, die "nauwgezetten van geest" die de
intellectueele en moreele keur der menschheid voorstellen, zijn
eigenlijk asceten. Laten wij hun geloof slechts ontleden. De wil om tot
elken prijs de waarheid te bereiken kan op twee manieren verklaard
worden; het kan beduiden: "Ik wil onder geen enkele voorwaarde
bedrogen worden," of: "Ik wil onder geen voorwaarde anderen of
mijzelven bedriegen." De eerste verklaring nu is onwaarschijnlijk. De
mensch zou zeker uit voorzichtigheid en uit vrees naar waarheid
kunnen verlangen, zoo het hem duidelijk was, dat waarheid bovenal
weldadig werkt; maar dat is niet zoo en wanneer ooit eene "waarheid"
zich gaandeweg aan verlichte geesten opdringt, is het wel deze,
dat illusie minstens even weldadig en even noodzakelijk voor de
menschheid is als "waarheid." Voor Nietzsche is illusie en leugen
wellicht de hoofdvoorwaarde van het leven. "Het verkeerde van een
oordeel," zegt hij, "is voor ons niet een bezwaar tegen dat oordeel,
en juist op dat punt klinkt onze taal wellicht het zonderlingst in
moderne ooren. Voor ons is de quaestie als volgt: in hoeverre is
dat oordeel nuttig voor het behoud en de ontwikkeling van het leven,
voor het behoud of de verbetering van de soort? En in beginsel zijn
wij geneigd te beweren, dat de meest onjuiste meeningen (in de eerste
plaats behooren daartoe de synthetische meeningen) in onze oogen het
onmisbaarst zijn; dat, wanneer de menschheid weigerde de verzinsels
der logica aan te nemen, de werkelijkheid naar de zuiver denkbeeldige
wereld van het onvoorwaardelijke, het absolute te meten en het leven
voortdurend naar die waarde te vervalschen, zij niet zou kunnen leven;
dat afzien van verkeerde begrippen zooveel als afzien van het leven,
de ontkenning van het leven zou zijn." [98] Zoo evenwel leugen weldadig
en waarheid noodlottig kan zijn--wat ook de moderne belijder van de
waarheid tot elken prijs wel voelt--streeft de man der wetenschap dus
niet naar waarheid uit eigenbelang of uit vrees, maar alleen, omdat
hij onder geen voorwaarde zichzelf of anderen bedriegen wil. In zijne
ziel en in zijn geweten kent hij de waarheid een zoo hoogen prijs
toe, dat alles, tot zelfs het geluk en het bestaan der menschheid
er aan onderworpen moeten worden. Hij gelooft in de waarheid als in
eene absolute, metaphysische waarde, of om het duidelijk te zeggen:
hij noemt "waarheid" wat de Christen "God" noemt. En Nietzsche besluit:
"Het lijdt geen twijfel, dat de waarheidlievende mensch,
waarheidlievend in den uitersten, gevaarlijken zin, dien het geloof
in de wetenschap veronderstelt, dat die mensch daardoor zijn geloof in
eene andere wereld dan die van het leven, de natuur en de geschiedenis
bevestigt; en van af, dat hij die andere wereld aanneemt, wat blijft
hem dan over voor het tegenovergestelde, voor deze wereld, voor onze
wereld--niet anders dan haar te ontkennen! Men begrijpt evenwel wat
ik zeggen wil: n.l. dit, dat ons geloof in de wetenschap altijd op
eene metaphysische overtuiging berust en dat ook wij, de hedendaagsche
denkers, de atheïsten, de anti-metaphysici het vuur, dat in ons gloeit
aan den brand ontleenen, dien eene veelduizendjarige overtuiging
ontstoken heeft, aan het Christelijk geloof, dat ook Plato's geloof
was, dat God waarheid is en dat waarheid goddelijk is." [99] De moderne
apostel der waarheid heeft de hoogste waarden van onze oude waardetafel
niet in twijfel durven trekken; hij heeft zich niet durven afvragen:
"Wat is de waarde der waarheid?" of, wat op hetzelfde neerkomt:
"Wat is de waarde van het categorisch imperatief, van de moraal,
die ons gebiedt de waarheid te achtervolgen?" Op den drempel van het
ontzettend probleem van Waarheid en Moraal is hij stil blijven staan;
hij heeft zich niet afgevraagd: Waarom moet de mensch tot elken prijs
die Natuur leeren kennen, waarin wij thans eene eeuwig blinde, domme
kracht vermoeden, die volkomen ongevoelig voor goed of kwaad is en
zeer vruchtbaar steeds nieuwe levens voortbrengt en dan weer opoffert,
die hardvochtig is en zonder eenig verstand samenstelt.
Waarom inderdaad zou de mensch alles aan eene dergelijke godheid
opofferen?
Van uit dat oogpunt gezien komt de zucht naar waarheid Nietzsche voor
als de moderne vorm van die ascetische wreedheid, die den mensch te
allen tijde gedreven heeft het kostbaarste dat hij bezat, aan zijnen
God te offeren.
Oorspronkelijk bestonden die offeranden aan de godheid in menschelijke
wezens, b.v. het offeren van den eerstgeborene; later, onder het
Christendom offerde de asceet hem al zijne natuurlijke neigingen. En
wat bleef er ten slotte nog over te offeren? Moest men niet eindigen
met God alles te offeren wat troost geeft, wat heiligt en geneest,
alle hoop, alle geloof in eene verborgen harmonie, in zaligheid en
in toekomstige rechtvaardigheid?
Heeft men niet God zelf ten offer moeten brengen en uit wreedheid voor
zichzelf den steen, het onverstand, de traagheid, het noodlot en het
niet moeten aanbidden? God aan het niet offeren--voor het geslacht,
dat in onze dagen tot rijpheid komt, was het weggelegd zich tot dat
paradoxaal mysterie van uiterste wreedheid te verheffen.