De slavenmoraal, het ascetisch ideaal, de priesterlijke heerschappij
berusten, de een zoowel als de ander, op een waarlijk grootsch
geheel van leugens, wat niet zeggen wil, dat Nietzsche daarin
eene wederlegging van het Christendom ziet, want de waarheid op
zichzelve heeft voor hem geen waarde; maar hij ziet er een gevaar
en een dreigenden ondergang in. De kudde ontaarden en haar herder,
de ascetische priester immers zijn gedwongen voor de duidelijkheid
der feiten de oogen te sluiten, willen zij tegenover de herhaalde
logenstraffingen der werkelijkheid hunne valsche waardetafel en hunne
fantastische verklaring van het heelal staande houden; want zoo de
zieke zich zijnen werkelijken toestand bewust werd en leerde inzien
waar gezondheid schuilt, zoo hij bemerkte, dat de geheele geneeswijze
van den priester daarin bestaat, dat hij hem misleidt omtrent den
waren aard zijner ziekte door hem eene kunstmatige opwekking te geven,
die in werkelijkheid de kwaal verergert in plaats van haar weg te
nemen, dan zou het geheele Christelijk gebouw onmiddellijk instorten;
de ontaarde zou werkelijke genezing zoeken bij den medicus of in den
dood. De priester vermoedt nu instinctmatig dat gevaar en daarom tracht
hij steeds het "geloof" staande te houden onder zijne volgelingen,
d.w.z. de onberedeneerde, instinctmatige overtuiging, die met feiten
geen rekening houdt. Dat geloof is eigenlijk niets anders dan de wil
om, tot elken prijs, eene illusie, die men voor het leven noodig acht,
te behouden; het is de vrees, dat de werkelijkheid wellicht slecht
mocht zijn en, dat zij zich den mensch mocht openbaren, voordat hij
sterk genoeg is haar te dragen. Te allen tijde heeft de priester dus
de leekenwijsheid, de positieve wetenschap, die de wereld buiten
alle godsdienstgeloof om wil bestudeeren, als zijn ergsten vijand
beschouwd en alle middelen kwamen hem veroorloofd voor om den mensch te
verhinderen zich zonder eenige vooringenomenheid tegenover de dingen
te plaatsen, de werkelijkheid, zooals zij is, hare macht op hem te
laten uitoefenen en oprecht en waar tegenover zichzelf te zijn. Dat
juist is wat Nietzsche hem niet vergeven kan. Wil men den bitteren
toon vol haat begrijpen, die uit elke bladzijde van de Antichrist
spreekt en zich niet tevreden stellen met een symptoom van naderenden
waanzin in de vinnige woorden van dat heftig requisitoir te zien,
(wat trouwens eene gemakkelijke, maar misschien wat korte manier is
om zich van een moeilijk vraagstuk af te maken) dan moet men nagaan,
hoezeer Nietzsche in zijne diepste gevoelens getroffen werd door
den geest van het Christendom, zooals hij het zag. Hij vergeeft het
Christendom gaarne al het leed, dat het de menschheid berokkend heeft,
want, waarom zou de mensch niet lijden, zoo het leed hem veredelt
en het is trouwens een feit, dat het godsdienstig geloof menige
bijzonder belangwekkende ziel gevormd heeft. Ook erkent hij zonder
eenig bezwaar, dat over het geheel genomen de opstand der slaven
in de moraal het menschelijk type noemenswaardig verrijkt heeft en
het voornaamste feit, het aangrijpendst drama der wereldgeschiedenis
blijft, en gaarne zelfs bewondert hij de meesterlijke logica, die uit
de leugens van den Christelijken priester spreekt en de ongeloofelijke
dosis geestkracht, die hij bezitten moest om gedurende twee duizend
jaren eene denkbeeldige waardetafel staande te houden, en nog meer zou
hij hem bewonderen, zoo hij in hem een verdorven, maar zich daarvan
zelfbewusten wil kon zien, die zich geen illusies maakt omtrent het
doel, dat hij beoogt, noch omtrent de middelen, die hij daartoe te
baat neemt. Wat Nietzsche evenwel tegenstond en hem geheel in opstand
bracht, zoodra hij het beeld, dat hij zich van het Christendom gevormd
had, aanschouwde, was die gansche omgeving van onoprechtheid, die
het omhult, die dubbelzinnige mengeling van bedrog en verblindheid,
die leugenachtige onschuld, die, volgens hem, den geloofsmensch
kenteekent. De diepste gevoelens van zijn aristocratischen aard,
zijn onhandelbaar geweten, zijne liefde voor physieke en moreele
"netheid", zijn moed om zijne gedachten tot het einde toe uit te
denken, kwamen op tegen die dubbelzinnigheid; vol walging keerde
hij zich af van die menschen, wier vrijwillige illusie zulk een
integreerend deel van hun bestaan is geworden, dat zij zelve niet
meer onderscheiden, wanneer zij zich bedriegen of wanneer zij oprecht
zijn, die in alle onschuld, zonder zich eenig kwaad bewust te zijn,
liegen en vrijwillige of meerendeels onvrijwillige gevangenen zijn
van de illusie, waarin zij leven, en hij verklaarde dan ook plechtig
het Christendom schuldig aan de vergiftiging van de intellectueele en
moreele atmosfeer in Europa. Ondanks al hare pogingen heeft de Kerk
evenwel de wetenschap niet kunnen verhinderen zich te ontwikkelen en
het menschelijk denken niet kunnen weerhouden de werkelijkheid der
dingen in het gelaat te zien.
In Europa bestaat tegenwoordig een geheel leger van geleerden,
bijna alle materialisten, positivisten of atheïsten, die buiten alle
geloof leven en dikwijls zelfs op alle godsdienstgevoel minachtend
neerzien. Die schijnen ons op het eerste gezicht de natuurlijke
tegenstanders van de priesterlijke heerschappij toe en hoe komt het
dan, dat hunne levensopvatting, die op de waarneming der werkelijkheid
berust, niet reeds lang een einde aan de christelijke illusie heeft
gemaakt? hoe komt het, dat de vrienden van natuur en gezondheid er
niet in geslaagd zijn den bijna algemeenen triomf van de door het
Christendom vastgestelde waarden te beletten?
Nietzsche's antwoord is vindingrijk en origineel. De mannen der
wetenschap, zegt hij, gelooven niet in de wetenschap en stellen
dus tegenover het godsdienstig ideaal geen nieuw ideaal; of,
wanneer zij wel in de wetenschap gelooven en het levensprobleem
willen oplossen, ontleenen zij de stof voor die oplossing aan het
ascetisch ideaal. Met andere woorden: de mannen der wetenschap zijn of
middelmatige werklieden, die niet in staat zijn eene nieuwe waardetafel
te maken, of geraffineerde, verheven asceten, wier ideaal eigenlijk
niet verschilt van dat van den priester.
Zoo om te beginnen de "gewone" geleerde, de eerzame werkman in
de wetenschap. Nietzsche vergelijkt hem oneerbiedig met eene oude
jongejuffrouw, want evenals zij is hij onvruchtbaar, hoogst eerbaar,
eenigszins belachelijk en in zijn hart weinig ingenomen met zijn
lot. "Laten wij eens van nabij zien, voegt hij er bij, wat de man
der wetenschap beduidt. In de eerste plaats behoort hij tot een
niet edel geslacht, dat de deugden der niet edele geslachten bezit,
m.a.w. de deugden der geslachten, die niet heerschen, die geen macht
hebben en zichzelve niet kunnen bevredigen; hij is een arbeider, die
zich gewillig laat indeelen, weet altijd zijn evenwicht te bewaren
en overschrijdt de middelmaat niet, in kunde noch in behoeften; hij
ontdekt instinctmatig zijne gelijken en begrijpt wat zij noodig hebben,
als b.v. het kleine hoekje onafhankelijkheid, waar buiten men niet
rustig werken kan, de noodige schatting van eerbetoog en goedkeuring,
den zonnestraal van roem en de voortdurende toewijding van eigen
waarde en nut, die onvermijdelijk is, wil men het zelfwantrouwen,
dat diep in het hart van alle afhankelijke menschen, van alle "dieren
eener kudde" schuilt, steeds opnieuw bedwingen. De geleerde heeft
billijkerwijze ook de kwalen en gebreken van een niet edel geslacht:
hij is vervuld van kleinzieligen nijd en ontdekt met den blik van den
lynx al wat laag is in eene natuur wier grootheid voor hem onbereikbaar
is. En wat bovenal den geleerde slecht en gevaarlijk maken kan is
zijn geheim bewustzijn van de middelmatigheid van zijn geslacht,
dat jezuïtisme der middelmatigheid, dat instinctmatig den ondergang
van den uitzonderingsmensch bevordert en steeds elken gespannen boog
tracht te breken of eigenlijk te ontspannen, wel heel voorzichtig
met zorgzame hand en een indringerig medelijden, maar niettemin te
ontspannen, want het jezuïtisme houdt er de bijzondere kunst op na
steeds het uiterlijk van den godsdienst van het medelijden aan te
kunnen nemen." [91] De geleerde is, over het algemeen, ongetwijfeld
geheel los van alle positief geloof en vooral den Duitschen geleerde
kost het moeite het probleem van den godsdienst ernstig op te vatten;
hij is geneigd neer te zien op den godsdienst en ondervindt een
natuurlijken afkeer van de intellectueele onoprechtheid, die hij
bij alle geloovigen veronderstelt; alleen door de geschiedenis te
bestudeeren wordt het hem mogelijk zich tot een zekeren eerbied,
vermengd met vrees of dankbaarheid voor het werk, dat de godsdienstige
mensch verricht heeft, te verheffen, maar die eerbied blijft geheel
intellectueel, want zijne eigen gevoelens maken hem alle sympathie voor
den persoon onmogelijk en doen hem in de practijk den godsdienstigen
mensch en zijns gelijken ontwijken; in den grond van zijn hart is hij
doordrongen van het idee, dat de geloofsmensch een "lager" menschelijk
type is, dat verre wordt overtroffen door den man der wetenschap.
Hoe groot is zijne dwaling! welk een afgrond scheidt niet dat schoone
type, den godsdienstmensch met zijn sterken wil, den mensch, die
weliswaar ziek is, maar dank zij dien wil zegerijk tegen zijne ziekte
strijdt, dien schepper van waarden, die zich zeker voelt van het
doel, waarnaar hij streeft--en den braven geleerde, "den verwaanden
dwerg," die in zichzelf noch in wetenschap gelooft en werktuigelijk,
mechanisch werkt om zich te bedwelmen, om niet tot nadenken te komen
en alle lastige problemen van zich af te schuiven, die weliswaar een
geschikt arbeider, nuttig in zijne soort als landman, metselaar of
schrijnwerker, maar tevens door en door middelmatig blijkt te zijn,
goed om door anderen geleid en gedrild te worden, maar volkomen de
kracht missende om eene nieuwe waarde te scheppen en lang en krachtig
een wil te willen. [92] En zelfs wanneer wij ons dat middelmatig type
in zijne hoogste volkomenheid denken en ons de verwezenlijking van
den objectieven mensch, in wien zich het zuiverste wetenschappelijk
instinct, geheel onbezoedeld ontwikkeld heeft, voorstellen--wat
verkrijgen wij dan nog? Niets meer dan eenen spiegel, d.w.z. een
werktuig en geen wil. "De objectieve mensch, zegt Nietzsche, is een
spiegel, steeds klaar staande om den indruk op te vangen van al wat
gekend wil worden; voor geen andere vreugde toegankelijk dan kennen en
"weerspiegelen", wacht hij, totdat de dingen naar hem toe komen en dan
ontplooit hij zich tot eene zoo effen, gevoelige oppervlakte, dat de
lichtste voetstappen en het schuiven van een spook zelfs eenen indruk
moeten achterlaten op de zachte huid. Wat hij dan nog overhoudt aan
"persoonlijkheid" komt hem toevallig, willekeurig en dikwijls lastig
voor, zoozeer is hij er aan gewoon geraakt niets meer te zijn dan eene
halte, waar vreemde vormen en dingen hunnen indruk achterlaten. Hij
heeft geen wil en geen tijd meer om zich met zijn eigen ik bezig te
houden en hij is kalm, niet bij gebrek aan zorgen, maar omdat hij zijne
persoonlijke zorgen niet durft aanraken en behandelen. Eischt men van
hem liefde of haat,--ik bedoel liefde of haat, zooals God, de vrouw en
het dier die opvatten,--dan doet en geeft hij wat hij kan, maar het
moet u niet verbazen zoo het niet veel is en zoo hij, juist op dat
punt, "zwak getint", broos, raadselachtig en onstandvastig blijkt te
zijn. Zijne liefde is gewild en zijn haat is een kunstmatig product,
eene handigheid, iets ijdels en overdrevens. Hij is alleen "juist
getint", naarmate hij objectief kan blijven en alleen in zijn kalm
universalisme is hij nog "natuur" en "natuurlijk". Zijne steeds effen
gladgestreken ziel kan geen "ja" of "neen" meer zeggen; hij beveelt
niet en vernietigt evenmin: "Ik veracht bijna niets," zegt hij met
Leibniz." [93] Kortom, de objectieve mensch is ook niets meer dan een
werktuig, een zeldzaam zuiver, fijn, zeer verstelbaar en zeer kostbaar
werktuig, maar, evenals de arbeider der wetenschap "eene soort slaaf,"
want hij heeft een meester noodig, die hem voor een of ander doel
gebruikt. Door zichzelf is hij niets, "bijna niets"; hij is het doel
niet, dat de menschheid beoogt en evenmin het uitgangspunt van eene
nieuwe beweging; hij is geen eerste oorzaak en evenmin een meester,
maar alleen een leege, buigzame vorm, die zich naar elke soort inhoud
kan wijzigen, een veronpersoonlijkt mensch "in het geheel niet iemand
voor eene vrouw, tusschen twee haakjes," eindigt Nietzsche ironisch.
Al even onmachtig, maar om eene andere reden zijn alle soorten van
sceptici. De mannen der wetenschap zijn werkers, betere of mindere
werktuigen, maar de sceptici zijn temperamenten, die verzwakt zijn
door eene overdreven cultuur, zielen, die geen kracht meer bezitten
om te willen, bijgevolg decadenten. Er bestaan trouwens ontelbare
variëteiten van sceptici, van af den middelmatigen verwaande, den
liefhebberijdenker, die de voordeelige en "gedistingeerde" houding
van den dilettant tracht aan te nemen, tot de smartbewogen ziel,
die het geheim van het heelal heeft willen ontcijferen en die op
hare zwerftochten door het rijk van den geest zoodanig verwelkt,
afgesleten en verminderd is, dat er niets van haar overbleef dan
eene ijdele schim zonder eenige vastheid. Zarathustra, de profeet
van den Uebermensch, sleept ook een van die arme, zwervende schimmen
achter zich aan; zij heeft hem op al zijne wetenschappelijke tochten
vergezeld en hem volgend, alle troostend geloof afgezworen, alle
afgoden vernield, het geloof in alle groote namen en groote woorden
prijsgegeven en ten slotte haar doel uit het oog verloren; nu dwaalt
zij zonder liefde, zonder verlangen of vaderland, droef en zwijgend
rond in het heelal. En de anders zoo harde profeet slaat jegens haar
een zacht medelijdenden toon aan:
"Gij zijt mijne schim," zegt hij treurig.
"Het gevaar, dat gij loopt, is niet gering, gij vrije geest, gij
reiziger! Gij hebt een slechten dag gehad; pas op, dat de avond
niet nog slechter voor u worde! Voor lichtzinnigen als gij wordt
ten slotte eene gevangenis nog eene weldaad. Zaagt gij ooit, hoe
opgesloten misdadigers slapen? Zij slapen rustig, want zij genieten
van hunne nieuwe veiligheid.
"Waak vooral, dat gij niet eindigt met u gevangen te geven aan een
bekrompen geloof, aan een harde en strenge illusie! Want voor u is
voortaan al wat klein en hecht is, eene verzoeking, eene verleiding.
"Gij hebt uw doel verloren!.... En zoo hebt gij ook uwen weg verloren!
"Arme, dwalende, fladderende ziel, arme vermoeide vlinder!...." [94]
De wetenschap brengt echter niet alleen "objectieve" menschen en
sceptici voort--zij heeft ook hare geloovigen. En niet altijd stelt
zij zich tevreden met feiten te constateeren en te zeggen: wat
weet ik er van? Zij wil ook somtijds eenen wil doen gelden en eene
waardetafel uitschrijven. Op welke wijze gaat zij dan te werk? In
elke wijsbegeerte, zegt Nietzsche, komt een oogenblik, waarop de
overtuiging van den wijsgeer voor den dag komt of, om het in de
woorden van een oud mysterie uit te drukken: