V.

De slavenmoraal, het ascetisch ideaal, de priesterlijke heerschappij

berusten, de een zoowel als de ander, op een waarlijk grootsch

geheel van leugens, wat niet zeggen wil, dat Nietzsche daarin

eene wederlegging van het Christendom ziet, want de waarheid op

zichzelve heeft voor hem geen waarde; maar hij ziet er een gevaar

en een dreigenden ondergang in. De kudde ontaarden en haar herder,

de ascetische priester immers zijn gedwongen voor de duidelijkheid

der feiten de oogen te sluiten, willen zij tegenover de herhaalde

logenstraffingen der werkelijkheid hunne valsche waardetafel en hunne

fantastische verklaring van het heelal staande houden; want zoo de

zieke zich zijnen werkelijken toestand bewust werd en leerde inzien

waar gezondheid schuilt, zoo hij bemerkte, dat de geheele geneeswijze

van den priester daarin bestaat, dat hij hem misleidt omtrent den

waren aard zijner ziekte door hem eene kunstmatige opwekking te geven,

die in werkelijkheid de kwaal verergert in plaats van haar weg te

nemen, dan zou het geheele Christelijk gebouw onmiddellijk instorten;

de ontaarde zou werkelijke genezing zoeken bij den medicus of in den

dood. De priester vermoedt nu instinctmatig dat gevaar en daarom tracht

hij steeds het "geloof" staande te houden onder zijne volgelingen,

d.w.z. de onberedeneerde, instinctmatige overtuiging, die met feiten

geen rekening houdt. Dat geloof is eigenlijk niets anders dan de wil

om, tot elken prijs, eene illusie, die men voor het leven noodig acht,

te behouden; het is de vrees, dat de werkelijkheid wellicht slecht

mocht zijn en, dat zij zich den mensch mocht openbaren, voordat hij

sterk genoeg is haar te dragen. Te allen tijde heeft de priester dus

de leekenwijsheid, de positieve wetenschap, die de wereld buiten

alle godsdienstgeloof om wil bestudeeren, als zijn ergsten vijand

beschouwd en alle middelen kwamen hem veroorloofd voor om den mensch te

verhinderen zich zonder eenige vooringenomenheid tegenover de dingen

te plaatsen, de werkelijkheid, zooals zij is, hare macht op hem te

laten uitoefenen en oprecht en waar tegenover zichzelf te zijn. Dat

juist is wat Nietzsche hem niet vergeven kan. Wil men den bitteren

toon vol haat begrijpen, die uit elke bladzijde van de Antichrist

spreekt en zich niet tevreden stellen met een symptoom van naderenden

waanzin in de vinnige woorden van dat heftig requisitoir te zien,

(wat trouwens eene gemakkelijke, maar misschien wat korte manier is

om zich van een moeilijk vraagstuk af te maken) dan moet men nagaan,

hoezeer Nietzsche in zijne diepste gevoelens getroffen werd door

den geest van het Christendom, zooals hij het zag. Hij vergeeft het

Christendom gaarne al het leed, dat het de menschheid berokkend heeft,

want, waarom zou de mensch niet lijden, zoo het leed hem veredelt

en het is trouwens een feit, dat het godsdienstig geloof menige

bijzonder belangwekkende ziel gevormd heeft. Ook erkent hij zonder

eenig bezwaar, dat over het geheel genomen de opstand der slaven

in de moraal het menschelijk type noemenswaardig verrijkt heeft en

het voornaamste feit, het aangrijpendst drama der wereldgeschiedenis

blijft, en gaarne zelfs bewondert hij de meesterlijke logica, die uit

de leugens van den Christelijken priester spreekt en de ongeloofelijke

dosis geestkracht, die hij bezitten moest om gedurende twee duizend

jaren eene denkbeeldige waardetafel staande te houden, en nog meer zou

hij hem bewonderen, zoo hij in hem een verdorven, maar zich daarvan

zelfbewusten wil kon zien, die zich geen illusies maakt omtrent het

doel, dat hij beoogt, noch omtrent de middelen, die hij daartoe te

baat neemt. Wat Nietzsche evenwel tegenstond en hem geheel in opstand

bracht, zoodra hij het beeld, dat hij zich van het Christendom gevormd

had, aanschouwde, was die gansche omgeving van onoprechtheid, die

het omhult, die dubbelzinnige mengeling van bedrog en verblindheid,

die leugenachtige onschuld, die, volgens hem, den geloofsmensch

kenteekent. De diepste gevoelens van zijn aristocratischen aard,

zijn onhandelbaar geweten, zijne liefde voor physieke en moreele

"netheid", zijn moed om zijne gedachten tot het einde toe uit te

denken, kwamen op tegen die dubbelzinnigheid; vol walging keerde

hij zich af van die menschen, wier vrijwillige illusie zulk een

integreerend deel van hun bestaan is geworden, dat zij zelve niet

meer onderscheiden, wanneer zij zich bedriegen of wanneer zij oprecht

zijn, die in alle onschuld, zonder zich eenig kwaad bewust te zijn,

liegen en vrijwillige of meerendeels onvrijwillige gevangenen zijn

van de illusie, waarin zij leven, en hij verklaarde dan ook plechtig

het Christendom schuldig aan de vergiftiging van de intellectueele en

moreele atmosfeer in Europa. Ondanks al hare pogingen heeft de Kerk

evenwel de wetenschap niet kunnen verhinderen zich te ontwikkelen en

het menschelijk denken niet kunnen weerhouden de werkelijkheid der

dingen in het gelaat te zien.

In Europa bestaat tegenwoordig een geheel leger van geleerden,

bijna alle materialisten, positivisten of atheïsten, die buiten alle

geloof leven en dikwijls zelfs op alle godsdienstgevoel minachtend

neerzien. Die schijnen ons op het eerste gezicht de natuurlijke

tegenstanders van de priesterlijke heerschappij toe en hoe komt het

dan, dat hunne levensopvatting, die op de waarneming der werkelijkheid

berust, niet reeds lang een einde aan de christelijke illusie heeft

gemaakt? hoe komt het, dat de vrienden van natuur en gezondheid er

niet in geslaagd zijn den bijna algemeenen triomf van de door het

Christendom vastgestelde waarden te beletten?

Nietzsche's antwoord is vindingrijk en origineel. De mannen der

wetenschap, zegt hij, gelooven niet in de wetenschap en stellen

dus tegenover het godsdienstig ideaal geen nieuw ideaal; of,

wanneer zij wel in de wetenschap gelooven en het levensprobleem

willen oplossen, ontleenen zij de stof voor die oplossing aan het

ascetisch ideaal. Met andere woorden: de mannen der wetenschap zijn of

middelmatige werklieden, die niet in staat zijn eene nieuwe waardetafel

te maken, of geraffineerde, verheven asceten, wier ideaal eigenlijk

niet verschilt van dat van den priester.

Zoo om te beginnen de "gewone" geleerde, de eerzame werkman in

de wetenschap. Nietzsche vergelijkt hem oneerbiedig met eene oude

jongejuffrouw, want evenals zij is hij onvruchtbaar, hoogst eerbaar,

eenigszins belachelijk en in zijn hart weinig ingenomen met zijn

lot. "Laten wij eens van nabij zien, voegt hij er bij, wat de man

der wetenschap beduidt. In de eerste plaats behoort hij tot een

niet edel geslacht, dat de deugden der niet edele geslachten bezit,

m.a.w. de deugden der geslachten, die niet heerschen, die geen macht

hebben en zichzelve niet kunnen bevredigen; hij is een arbeider, die

zich gewillig laat indeelen, weet altijd zijn evenwicht te bewaren

en overschrijdt de middelmaat niet, in kunde noch in behoeften; hij

ontdekt instinctmatig zijne gelijken en begrijpt wat zij noodig hebben,

als b.v. het kleine hoekje onafhankelijkheid, waar buiten men niet

rustig werken kan, de noodige schatting van eerbetoog en goedkeuring,

den zonnestraal van roem en de voortdurende toewijding van eigen

waarde en nut, die onvermijdelijk is, wil men het zelfwantrouwen,

dat diep in het hart van alle afhankelijke menschen, van alle "dieren

eener kudde" schuilt, steeds opnieuw bedwingen. De geleerde heeft

billijkerwijze ook de kwalen en gebreken van een niet edel geslacht:

hij is vervuld van kleinzieligen nijd en ontdekt met den blik van den

lynx al wat laag is in eene natuur wier grootheid voor hem onbereikbaar

is. En wat bovenal den geleerde slecht en gevaarlijk maken kan is

zijn geheim bewustzijn van de middelmatigheid van zijn geslacht,

dat jezuïtisme der middelmatigheid, dat instinctmatig den ondergang

van den uitzonderingsmensch bevordert en steeds elken gespannen boog

tracht te breken of eigenlijk te ontspannen, wel heel voorzichtig

met zorgzame hand en een indringerig medelijden, maar niettemin te

ontspannen, want het jezuïtisme houdt er de bijzondere kunst op na

steeds het uiterlijk van den godsdienst van het medelijden aan te

kunnen nemen." [91] De geleerde is, over het algemeen, ongetwijfeld

geheel los van alle positief geloof en vooral den Duitschen geleerde

kost het moeite het probleem van den godsdienst ernstig op te vatten;

hij is geneigd neer te zien op den godsdienst en ondervindt een

natuurlijken afkeer van de intellectueele onoprechtheid, die hij

bij alle geloovigen veronderstelt; alleen door de geschiedenis te

bestudeeren wordt het hem mogelijk zich tot een zekeren eerbied,

vermengd met vrees of dankbaarheid voor het werk, dat de godsdienstige

mensch verricht heeft, te verheffen, maar die eerbied blijft geheel

intellectueel, want zijne eigen gevoelens maken hem alle sympathie voor

den persoon onmogelijk en doen hem in de practijk den godsdienstigen

mensch en zijns gelijken ontwijken; in den grond van zijn hart is hij

doordrongen van het idee, dat de geloofsmensch een "lager" menschelijk

type is, dat verre wordt overtroffen door den man der wetenschap.

Hoe groot is zijne dwaling! welk een afgrond scheidt niet dat schoone

type, den godsdienstmensch met zijn sterken wil, den mensch, die

weliswaar ziek is, maar dank zij dien wil zegerijk tegen zijne ziekte

strijdt, dien schepper van waarden, die zich zeker voelt van het

doel, waarnaar hij streeft--en den braven geleerde, "den verwaanden

dwerg," die in zichzelf noch in wetenschap gelooft en werktuigelijk,

mechanisch werkt om zich te bedwelmen, om niet tot nadenken te komen

en alle lastige problemen van zich af te schuiven, die weliswaar een

geschikt arbeider, nuttig in zijne soort als landman, metselaar of

schrijnwerker, maar tevens door en door middelmatig blijkt te zijn,

goed om door anderen geleid en gedrild te worden, maar volkomen de

kracht missende om eene nieuwe waarde te scheppen en lang en krachtig

een wil te willen. [92] En zelfs wanneer wij ons dat middelmatig type

in zijne hoogste volkomenheid denken en ons de verwezenlijking van

den objectieven mensch, in wien zich het zuiverste wetenschappelijk

instinct, geheel onbezoedeld ontwikkeld heeft, voorstellen--wat

verkrijgen wij dan nog? Niets meer dan eenen spiegel, d.w.z. een

werktuig en geen wil. "De objectieve mensch, zegt Nietzsche, is een

spiegel, steeds klaar staande om den indruk op te vangen van al wat

gekend wil worden; voor geen andere vreugde toegankelijk dan kennen en

"weerspiegelen", wacht hij, totdat de dingen naar hem toe komen en dan

ontplooit hij zich tot eene zoo effen, gevoelige oppervlakte, dat de

lichtste voetstappen en het schuiven van een spook zelfs eenen indruk

moeten achterlaten op de zachte huid. Wat hij dan nog overhoudt aan

"persoonlijkheid" komt hem toevallig, willekeurig en dikwijls lastig

voor, zoozeer is hij er aan gewoon geraakt niets meer te zijn dan eene

halte, waar vreemde vormen en dingen hunnen indruk achterlaten. Hij

heeft geen wil en geen tijd meer om zich met zijn eigen ik bezig te

houden en hij is kalm, niet bij gebrek aan zorgen, maar omdat hij zijne

persoonlijke zorgen niet durft aanraken en behandelen. Eischt men van

hem liefde of haat,--ik bedoel liefde of haat, zooals God, de vrouw en

het dier die opvatten,--dan doet en geeft hij wat hij kan, maar het

moet u niet verbazen zoo het niet veel is en zoo hij, juist op dat

punt, "zwak getint", broos, raadselachtig en onstandvastig blijkt te

zijn. Zijne liefde is gewild en zijn haat is een kunstmatig product,

eene handigheid, iets ijdels en overdrevens. Hij is alleen "juist

getint", naarmate hij objectief kan blijven en alleen in zijn kalm

universalisme is hij nog "natuur" en "natuurlijk". Zijne steeds effen

gladgestreken ziel kan geen "ja" of "neen" meer zeggen; hij beveelt

niet en vernietigt evenmin: "Ik veracht bijna niets," zegt hij met

Leibniz." [93] Kortom, de objectieve mensch is ook niets meer dan een

werktuig, een zeldzaam zuiver, fijn, zeer verstelbaar en zeer kostbaar

werktuig, maar, evenals de arbeider der wetenschap "eene soort slaaf,"

want hij heeft een meester noodig, die hem voor een of ander doel

gebruikt. Door zichzelf is hij niets, "bijna niets"; hij is het doel

niet, dat de menschheid beoogt en evenmin het uitgangspunt van eene

nieuwe beweging; hij is geen eerste oorzaak en evenmin een meester,

maar alleen een leege, buigzame vorm, die zich naar elke soort inhoud

kan wijzigen, een veronpersoonlijkt mensch "in het geheel niet iemand

voor eene vrouw, tusschen twee haakjes," eindigt Nietzsche ironisch.

Al even onmachtig, maar om eene andere reden zijn alle soorten van

sceptici. De mannen der wetenschap zijn werkers, betere of mindere

werktuigen, maar de sceptici zijn temperamenten, die verzwakt zijn

door eene overdreven cultuur, zielen, die geen kracht meer bezitten

om te willen, bijgevolg decadenten. Er bestaan trouwens ontelbare

variëteiten van sceptici, van af den middelmatigen verwaande, den

liefhebberijdenker, die de voordeelige en "gedistingeerde" houding

van den dilettant tracht aan te nemen, tot de smartbewogen ziel,

die het geheim van het heelal heeft willen ontcijferen en die op

hare zwerftochten door het rijk van den geest zoodanig verwelkt,

afgesleten en verminderd is, dat er niets van haar overbleef dan

eene ijdele schim zonder eenige vastheid. Zarathustra, de profeet

van den Uebermensch, sleept ook een van die arme, zwervende schimmen

achter zich aan; zij heeft hem op al zijne wetenschappelijke tochten

vergezeld en hem volgend, alle troostend geloof afgezworen, alle

afgoden vernield, het geloof in alle groote namen en groote woorden

prijsgegeven en ten slotte haar doel uit het oog verloren; nu dwaalt

zij zonder liefde, zonder verlangen of vaderland, droef en zwijgend

rond in het heelal. En de anders zoo harde profeet slaat jegens haar

een zacht medelijdenden toon aan:

"Gij zijt mijne schim," zegt hij treurig.

"Het gevaar, dat gij loopt, is niet gering, gij vrije geest, gij

reiziger! Gij hebt een slechten dag gehad; pas op, dat de avond

niet nog slechter voor u worde! Voor lichtzinnigen als gij wordt

ten slotte eene gevangenis nog eene weldaad. Zaagt gij ooit, hoe

opgesloten misdadigers slapen? Zij slapen rustig, want zij genieten

van hunne nieuwe veiligheid.

"Waak vooral, dat gij niet eindigt met u gevangen te geven aan een

bekrompen geloof, aan een harde en strenge illusie! Want voor u is

voortaan al wat klein en hecht is, eene verzoeking, eene verleiding.

"Gij hebt uw doel verloren!.... En zoo hebt gij ook uwen weg verloren!

"Arme, dwalende, fladderende ziel, arme vermoeide vlinder!...." [94]

De wetenschap brengt echter niet alleen "objectieve" menschen en

sceptici voort--zij heeft ook hare geloovigen. En niet altijd stelt

zij zich tevreden met feiten te constateeren en te zeggen: wat

weet ik er van? Zij wil ook somtijds eenen wil doen gelden en eene

waardetafel uitschrijven. Op welke wijze gaat zij dan te werk? In

elke wijsbegeerte, zegt Nietzsche, komt een oogenblik, waarop de

overtuiging van den wijsgeer voor den dag komt of, om het in de

woorden van een oud mysterie uit te drukken:

Nietzsche's Philosophie · 第 30 / 45 题