IV.

Het voornaamste feit in de geschiedenis van Europa is de tegenwoordig

bijna algemeene triomf van de slavenmoraal op de heerenmoraal: bijna

overal erkent de mensch de waardetafel, die ontstaan is uit den

wrok der slaven, uit het physiologisch en psychologisch bederf der

ontaarden en uit de bewuste of onbewuste leugen van hunne natuurlijke

hoofden, de ascetische priesters. Gedurende tweeduizend jaren heeft

er een verwoede strijd geheerscht tusschen Rome, de erfgename van

de Grieksche traditie en haar aristocratisch ideaal, de bakermat

van het sterkste en edelste ras, dat ooit bestaan heeft, en Judea,

het land van wrok en haat, het vaderland van den priesterlijken

geest. Judea overwon. De Renaissance, die in hare vlucht door Luther

en het Protestantisme wordt tegengehouden; het Fransch aristocratisch

en klassiek ideaal, dat na twee eeuwen van grootheid in de bloedige

Revolutieplaag ten onder gaat; Napoleon, dat eenig, bovenmenschelijk

en wellicht onmenschelijk heerschertype, die door het Heilig Verbond

overwonnen wordt; dat zijn de opeenvolgende feiten, die het ideaal

der slaven ter overwinning hebben geleid. Heden ten dage verkeert

Europa geheel in verval: overal doen zich onweerlegbare verschijnselen

voor van verminderende levenskracht en het staat te vreezen, dat het

menschelijk geslacht zal ophouden te groeien en langzamerhand tot

eene verachtelijke middelmatigheid zal vervallen.

De slavenmoraal beheerscht in onzen tijd het modern geweten onder

den weidschen naam van "godsdienst der lijdende menschheid". Laat

ons eens van nabij zien wat die naam in werkelijkheid inhoudt.

De psychologische analyse van het medelijden toont ons in de eerste

plaats, dat dat gevoel, dat door onze tegenwoordige moralisten zoo hoog

geroemd wordt, volstrekt niet zoo belangeloos en zoo bewonderenswaardig

is als het ons voorkomt, want in werkelijkheid schuilt in medelijden

eene groote mate van zelfzuchtig genoegen. Wij doen anderen goed

zooals wij hun kwaad doen, uitsluitend om ons het gevoel van onze

macht bewust te zijn en hen om zoo te zeggen aan onze heerschappij

te onderwerpen. De mensch, die sterke, edele neigingen heeft, zoekt

zijnen gelijke op om tegen hem te strijden en hem door zijne kracht

het hoofd te doen buigen voor zijne overmacht; daarentegen ziet hij

neer op een al te gemakkelijke prooi en verwijdert hij minachtend hen,

die hij niet waard acht zich met hem te meten. De zwakke echter stelt

zich juist tevreden met eene middelmatige prooi en eene gemakkelijke

overwinning; nu is een zieke of een ongelukkige niet erg te duchten

en daarbij neemt de mensch altijd liever eene weldaad dan eene smart

aan; bijgevolg weet de barmhartige zeker, dat hij een minimum van

weerstand zal ontmoeten en zonder het minste gevaar eene overwinning

zal behalen. Het medelijden is dus eene deugd voor middelmatige zielen

en levert trouwens geen enkel bezwaar op, zoolang het ook slechts op

middelmatige zielen wordt toegepast; daarentegen wordt het een gebrek

aan achting en bijna eene laagheid, zoodra het zich tot eene edele

ziel wendt, want eene edele ziel verbergt haar verdriet, hare smart en

hare gebreken en verdedigt zich zoowel tegen welwillendheid als tegen

kwaadwillendheid; de lijdende, misdeelde, afzichtelijke mensch heeft

dus het recht de onbescheiden getuigen van zijne ellende en leelijkheid

te haten en hen te verfoeien, die zich niet schamen naar iets, dat

voor aller blik verborgen moest blijven, te kijken en den ongelukkige

met een medelijden te overstelpen, dat hij niet gevraagd heeft.

Maar dat niet alleen: het medelijden is niet enkel een weinig

belangrijk gevoel, maar het is tevens een neerdrukkend gevoel. Laten

wij ons eens den godsdienst van het lijden der menschheid algemeen

voorstellen onder de menschen. Wat zal er dan gebeuren? De totale som

van leed zal verre van minder te zijn geworden, juist vermeerderd zijn,

daar een ieder bij zijne eigen smarten nog een deel der smarten van

anderen zal moeten dragen. Zoodoende is het medelijden een beginsel,

dat de levenskracht verzwakt, want het verergert het verlies aan

krachten, dat het leed reeds meebrengt en maakt de smart aanstekelijk.

Een nog ernstiger nadeel van den godsdienst van het medelijden is,

dat hij de normale wet der uitkiezing, wier doel het is de misdeelde

wezens, die weinig kans hebben als overwinnaar uit den strijd om het

bestaan te komen, te doen verdwijnen, tegenwerkt. Alle godsdienst van

het medelijden, als b.v. het Christendom, strekt tot bescherming van

het bestaan der ontaarden, en daarin ligt trouwens de voornaamste reden

van het succes, dat die soorten van godsdienst te allen tijde behaald

hebben, want zwakken en zieken komen in overvloed voor, terwijl de

volkomen gezonde mensch, die in alle opzichten goed geslaagd is,

eene uitzondering maakt. Bij alle hoogere diersoorten vindt men

eene meerderheid van misdeelde, ontaarde wezens, die noodlottig tot

lijden gedoemd zijn en het menschelijk geslacht maakt daarop geen

uitzondering, eer het tegendeel, want daar de mensch op de ladder

van het bestaan een hooger type is, wel voor volmaking het meest

vatbaar, maar dat nog licht verandert en nog geen vasten, beslisten

vorm heeft aangenomen, staat juist hij in het bijzonder aan het toeval

blootgesteld en is bij zijne soort de verhouding tusschen de mislukte

en de goed geslaagde exemplaren nog grooter dan bij alle andere

diersoorten. De godsdienst van het medelijden begaat dus de fout van

eene menigte onnutte levens, die door de wet der uitkiezing veroordeeld

zijn, te verlengen; hij behoudt en vermeerdert de ellende dezer wereld,

maakt dientengevolge het heelal leelijker en het leven waard "ontkend"

te worden; en is eigenlijk niet anders dan een practische vorm van

het nihilisme. Die godsdienst is daarbij gevaarlijk voor het bestaan

van de moreele gezondheid van de schoone exemplaren der menschheid,

want het zien van ellende, misvorming en afzichtelijkheid is het

meest te duchten gevaar voor den hoogstaanden mensch: het leidt hem

tot afschuw van het leven hetzij door verregaande walging of door

diep medelijden. Het medelijden kan eene verwoestende ziekte worden,

die eene edelmoedige natuur, die de noodige hardheid mist om het te

weerstaan, geheel verdelgen kan.

Het Christendom en de godsdienst van het medelijden hebben met

goed gevolg het verval van het Europeesch ras bevorderd en de

voortbrenging van verheven menschen, de evolutie van de menschheid

naar den Uebermensch belemmerd.

Zoo wij nu den godsdienst van het lijden niet langer naar zijn

gevolgen beoordeelen, maar als een symptoom beschouwen, begrijpen

wij onmiddellijk wat de beteekenis er van is. Dat overvloeien van

medelijden van den tegenwoordigen tijd is een duidelijk bewijs, dat

de mensch de smart hoe langer hoe meer vreest, dat hij verweekt en

verwijfd is en dat hij, beheerscht door zijn instinct als lid der

kudde, steeds banger wordt voor al wat zijne veiligheid en rust

zou kunnen verstoren. Hij ontvlucht niet alleen eigen smart maar

kan ook niet langer de gedachte aan smart bij anderen verdragen en

zelfs durft hij niet eens meer in naam van het recht doen lijden, wat

wel degelijk aan de zwakheid van zijn karakter en volstrekt niet aan

zielegrootheid of aan edelmoedige minachting van het geleden onrecht

is toe te schrijven. De barmhartige strekt zijn medelijden uit tot

over schuldigen en misdadigers. "In het leven der volken komt een

oogenblik, waarop de maatschappij zoodanig gezonken en ontzenuwd is,

dat zij zelfs partij trekt voor den mensch, die haar schendt, voor

den misdadiger en dat nog wel met de meeste ernst. Straffen! het

feit op zichzelf van straffen houdt voor hem iets onrechtvaardigs

in; en zeker is het, dat de gedachte aan "straf" en aan de

"noodzakelijkheid van straffen" hem pijn doet en vrees aanjaagt; zou

het niet voldoende zijn den misdadiger onschadelijk te maken? Waarom

dan hem straffen!.... "Straffen is zoo pijnlijk!" [85] Het ideaal,

dat het lid der kudde najaagt, is, dat een ieder de zekerheid van

een klein deel geluk met zoo min mogelijk smart verkrijge; het

leed wordt beschouwd als "iets, dat afgeschaft moest worden." [86]

Nietzsche daarentegen--en dat is misschien eene der schoonste zijden

van zijne leer--heeft de overtuiging, dat lafhartigheid, de vrees

voor smart eene der verachtelijkste hoedanigheden ter wereld is,

want de smart is juist de groote opvoedster der menschheid en heeft

haar hare schoonste titels bezorgd: "Gij zoudt zoo mogelijk"--en dat

"zoo mogelijk" is de grootste dwaasheid--de smart willen afschaffen. En

wij? Wij willen, naar het schijnt, het leven harder en slechter zien

worden dan het ooit geweest is! Het welzijn zooals gij het opvat, is

geen doel--neen, in onze oogen is dat een einde; een toestand, die den

mensch onvermijdelijk tot een belachelijk, verachtelijk wezen en zijne

vernietiging wenschelijk zou maken! In de levensschool der smart, der

groote smart--weet gij het niet?--onder dien harden leermeester alleen

heeft de mensch al zijne vorderingen gemaakt. De spanning van de ziel,

die zich onder het gewicht der smart stram zet en sterk leert worden,

de siddering, die zich van haar meester maakt als zij voor groote

rampen staat, hare vindingrijkheid en haar moed om het ongeluk te

dragen, om het uit te staan, het te verklaren en het zich ten nutte te

maken, al hare diepte, hare geheimzinnigheid, hare geveinsdheid, hare

wijsheid, list en grootheid: heeft zij die niet alle te danken aan de

leerschool der smart, gevormd en gefatsoeneerd door de groote smart. In

den mensch woont een schepsel en een schepper; er is in hem iets, dat

materie, fragment, overbodig, klei, modder, onzin en chaos is; maar er

is ook in hem een schepper, een beeldhouwer, de hardheid van den hamer,

de bespiegeling van den kunstenaar, de vreugde van den zevenden dag:

begrijpt gij die tegenstelling? En ook, dat uw medelijden tot het

schepsel in den mensch gaat, tot dat, wat gevormd, gebroken, gesmeed,

verscheurd, verbrand, door het vuur gehaald en gezuiverd moet worden,

tot dat wat noodzakelijk lijden moet en tot lijden is geschapen? En

ons medelijden--begrijpt gij niet, waarheen juist ons medelijden gaat

als het zich verzet tegen uw medelijden als zijnde de grootste zwakheid

en lafhartigheid? Voortaan dus: medelijden tegen medelijden." [87]

Een tweede ernstig teeken van verval is de bijna algemeene triomf

van het democratisch ideaal in Europa. Ondanks de oogenschijnlijke

tegenstelling tusschen dat ideaal en het Christelijk godsdienstig

ideaal staan die beide door hunne hoofdstrekking in werkelijkheid

gelijk. In het Christendom, den godsdienst van het menschelijk leed,

zoowel als in den godsdienst der gelijkheid vindt men de volgende

zelfde hoofdtrekken: haat van den zwakke tegen den sterke en verlangen

naar een leven zonder smart. Het Christendom maakt alle menschen gelijk

voor God en belooft hen een volkomen geluk aan de andere zijde van

het graf; de democraat wil de gelijkheid der menschen voor de wet en

spoort hen aan op aarde hun droom van volkomen geluk te verwezenlijken;

zijn doel is eene maatschappij te vormen, waaruit alle ongelijkheid

gebannen zou zijn en waarin alle menschen dezelfde rechten, dezelfde

plichten en een gelijk aandeel in het geluk zouden hebben, waarin

geen heerschappij meer zou bestaan en niemand meer te gehoorzamen

of te bevelen had, waarin geen meesters of slaven, geen rijken of

armen meer zouden voorkomen, maar enkel eene vormlooze massa geheel

gelijkstaande "burgers". Dat is het eenige ideaal van alle democraten,

onverschillig of zij zich republikeinen, socialisten of anarchisten

noemen. Zij streven er alle naar elke hoogere autoriteit te verdrijven,

"God noch heer" te erkennen en alle voorrechten af te schaffen; de

anarchisten zijn op dat punt alleen logischer dan de socialisten en

toonen meer haast om hun doel te bereiken. Zij allen verbroederen zich

in een zelfden afkeer van het straffend recht en zijn geneigd alle

straffen als onrechtvaardig te beschouwen; ook deelen zij dezelfde

gevoelens omtrent den godsdienst van het medelijden, den afschuw van

alle smart en de overtuiging, dat het leed afgeschaft moet worden. Zij

gelooven alle in de kudde "zelve" en meenen, dat elk individu zijn

eigen, bijzonder geluk kan en moet vinden in het geluk van het

geheele maatschappelijke lichaam en dat dat maatschappelijk geluk

alleen te bereiken is door het medelijden van elk afzonderlijk voor

allen en door algemeene verbroedering. Die ideeën hebben zoo vasten

voet gekregen in het modern geweten, dat Europa reeds bijna geen

menschen meer voortbrengt, die in hooge mate het heerschersinstinct

bezitten; zoo is het karakter van een echten meester als Napoleon

een hoogst zeldzame uitzondering in onze dagen en het heeft dan ook

eene buitengewone bewondering gewekt bij de menschheid, die zich van

zelve altijd tot de meesters wendt, die in staat zijn haar te leiden.

Over het algemeen voeren de regeerende personen van den tegenwoordigen

tijd hunne macht slechts met eene soort stille wroeging uit, zoo

algemeen worden de waarden der slavenmoraal erkend. Om zich tegen

hun slecht geweten te waarborgen, zoeken zij hunne toevlucht in

huichelachtige sophismen en trachten zij hunne bevoorrechte positie

met de voorschriften der heerschende moraal overeen te brengen: zij

beschouwen zich als de uitvoerders van bevelen, die van eene hoogere

macht uitgaan (de traditie, de wet, God), als de "eerste dienaren

van het land" of als de "werktuigen van het algemeene goed." [88]

Dezelfde neiging tot gelijkmaking uit zich ook in de wijze, waarop de

hedendaagsche Europeaan de verhouding tusschen man en vrouw beschouwt.

Voor Nietzsche is de natuurlijke ongelijkheid der geslachten eene

noodzakelijke wet, want volgens hem is de oorzaak dier ongelijkheid,

dat de liefde voor den man van minder belang is dan voor de

vrouw. Liefde is in het leven van den man slechts eene episode;

zijn sterkste neiging is het verlangen naar macht, de wil om zijne

heerschappij steeds verder uit te strekken; een onafgebroken strijd

tegen de krachten der natuur en tegen den wedijverenden wil van

anderen, de voortdurende bevestiging van zijne persoonlijkheid--ziedaar

de groote taak, waaraan hij zijne krachten wijden moet. Zoo hij zich

alleen aan liefde overgaf en zijn geheele leven, al zijne gedachten

en werkkracht aan de vrouw zijner liefde offerde, zou hij niets meer

zijn dan een slaaf en een lafaard, die niet waard was man te heeten en

de liefde eener vrouw te bezitten. In het leven der vrouw daarentegen

zijn de liefde en het kind alles." Alles in het leven der vrouw is

een raadsel, leert Zarathustra, en alles in de vrouw heeft slechts

ééne oplossing, die baring heet.

De liefde is in haar bestaan dus de beslissende gebeurtenis. In

tegenstelling met den man moet zij haar eer en roem er in leggen

de "eerste in de liefde" te zijn en zich geheel en volkomen naar

lichaam en ziel te geven aan den meester, dien zij gekozen heeft;

in die verloochening van haar eigen wil moet zij haar geluk zoeken en

zij zal des te meer bewondering verdienen en des te volkomener zijn

naarmate zij zich meer volkomen en beslist geeft. "Het geluk van den

man, zegt ook Zarathustra, heet: ik wil. Het geluk van de vrouw heet:

hij wil." De vrouw, die liefheeft, moet zich geheel aan den man geven

en hij moet die gave mannelijk aanvaarden: zoo is de wet der liefde,

die tragische en somtijds smartelijke wet, die beide geslachten tot

een niet op te heffen antagonisme dringt. De vrouw is geschapen om te

beminnen en te gehoorzamen, maar wee haar zoo de man uit verveling

of onbestendigheid genoeg van zijne verovering krijgt, de gave, die

zij hem offerde, gering vindt en nieuwe liefde, nieuwe aandoeningen

zoekt! De man moet heerschen en beschermen; hij moet rijk en machtig

genoeg van aard zijn om zoo te zeggen twee levens te leven, om zijn

eigen geluksdeel te veroveren en tevens haar, die alle hoop op hem

gevestigd heeft, gelukkig te maken; wee hem, zoo die zware taak

hem te veel wordt en zoo hij, waar liefde tot hem kwam de kracht

miste om de vlam dier liefde aan te wakkeren; bedrogen liefde gaat

over in verachting en de vrouw draagt hem, dien zij harer onwaardig

vindt en dien zij beschuldigt haar haar doel te hebben doen missen,

een onverzoenlijken haat toe.

De tegenwoordige tijd neemt even ongaarne dat natuurlijk antagonisme

tusschen man en vrouw als de even natuurlijke tegenstelling tusschen

man en slaaf aan, en evenals men getracht heeft den slaaf te verheffen,

zoo tracht men de vrouw te vergoden. Nietzsche nu is verre van den

eeredienst van het "ewig weibliche" als wettig te erkennen en in de

vrouw een hooger wezen met meer verfijnde neigingen en een juister

moreel gevoel te zien, een wezen, dat de macht heeft de menschheid

tot haar hoogste doel te voeren. Volgens hem behoort den man de

hoofdrol; hij moet de meester en de gevreesde meester zijn, want hij

heeft de grootste physieke kracht, het meest ontwikkeld verstand,

het edelmoedig hart en den vasten, energischen wil. De vrouw is

"bedachtzaam"; zij bezit in hoogere mate dan de man een zeker

practisch verstand, dat haar de dingen naar waarde doet schatten en

haar vlug de middelen doet vinden om het gegeven doel te bereiken;

maar haar aard is minder rijk en minder diep dan die van den man;

zij blijft meer aan de oppervlakte der dingen, is beuzelachtig en

somtijds bekrompen en pedant. "De man moet voor den strijd worden

opgeleid, leert Zarathustra, en de vrouw voor de ontspanning van

den strijder; al het overige is dwaasheid." [89] De vrouw is geen

afgod; zij is slechts een breekbaar en kostbaar stuk speelgoed,

dat evenwel ook gevaarlijk is en daardoor voor den man des te meer

waarde heeft. Zij is te duchten zoodra hartstocht, hetzij liefde

of haat, haar verteert, want in haar meer dan in den man bleef de

oorspronkelijke ongebondenheid der neigingen behouden; men vindt

bij haar de sluwe lenigheid van de kat, den klauw van den tijger,

die zich plotseling onder den fluweelen poot doet gevoelen, de naïeve

zelfzucht, de onhandelbare, tegenstrevende natuur en de verwarrende,

onlogische zonderlingheid van hartstochten en verlangens. Daarom heeft

zij een sterken meester noodig, die in staat is haar te leiden en zoo

noodig hare buitensporigheden tegen te gaan. Maar al boezemt zij aan

den eenen kant vrees in, aan den anderen kant kan zij ook betooveren

door hare teere, fijne bevalligheid, door de gave om zich te tooien,

zich physiek en moreel onder duizend verschillende vormen te vertoonen;

en bovenal boezemt zij medelijden in, heel veel medelijden, omdat

zij meer blootgesteld schijnt te zijn aan smart, omdat zij lichter te

treffen is, meer liefde behoeft en tot meer ontgoocheling is gedoemd

dan alle andere schepselen.

Het is trouwens niet de verafgoode vrouw, die Nietzsche's toorn het

meest gaande maakt; hij verfoeit bovenal en vervolgt met zijn wreedst

sarcasme de "geëmancipeerde" vrouw, de vrouw, die geen vrees meer

voor den man gevoelt, die er niet meer aan denkt zich te geven,

maar met hem op gelijken voet wil staan, de vrouw, die de hulde

en het ontzag van het sterke geslacht voor de zwakkere vrouw bijna

als eene beleediging beschouwt en in den strijd om het bestaan met

den man wil wedijveren. Geen vrouw staat hem zoozeer tegen als de

pedante blauwkous, die het waagt zich met litteratuur, wetenschap of

politiek te bemoeien, zoo niet nog erger de vrouwelijke "ambtenaar",

die in de moderne maatschappij, waarin de geest van nijverheid den

aristocratischen geest van strijd heeft overwonnen, naar juridische en

economische onafhankelijkheid streeft, luidruchtig tegen de slavenrol

opkomt, die men haar opdringt en drukke veldtochten organiseert om

dezelfde rechten als de man te verkrijgen. Nietzsche waarschuwt de

vrouw, dat zij op den verkeerden weg is, zoo zij zich met den man wil

meten en dat zij bezig is haren invloed te verliezen en in de publieke

achting hare eigen waarde te verminderen. Haar belang bestaat daarin,

dat zij den mannen verschijnt als een wezen van eene geheel andere

orde, als een verafstaand, moeilijk te bereiken, te begrijpen en

te regeeren wezen, dat flauw te vreezen en tevens zeer teer is,

dat medelijden opwekt en ontzien moet worden.

En daarentegen berooft zij zichzelve van dien stralenkrans van

geheimzinnigheid en ontwent zij het vrouwelijk schaamtegevoel, dat bij

de minste aanraking van het leelijke en gemeene siddert; zij begeeft

zich vrijwillig onder de menigte en tracht er zich doorheen te wringen

en haar weg te banen door het gedrang der egoïste begeerten. De vrouw

verliest hare poëzie! zij brengt onder den naam van kunstcultuur,

vooral door het misbruik van Wagneriaansche muziek, haar zenuwgestel

in de war en wordt hare natuurlijke roeping, het ter wereld brengen

van schoone kinderen, ontrouw.

Om kort te gaan: gansch Europa wordt leelijk; het dreigt een groot

ziekenhuis te worden, waarin eene weinig belangwekkende menigte

wemelt, die geen groote smart, maar ook geen groote vreugde kent, die

in middelmatigheid en onmacht gelijk staat en op aarde een doodsch,

hopeloos en doelloos bestaan voortsleept.

"Ziet! zoo leert Zarathustra, ik toon u den laatsten mensch.

"Wat is liefde, schepping, begeerte? Wat is eene ster?" Zoo vraagt

de laatste mensch en hij knipoogt.

De aarde is klein geworden en op de aarde huppelt de laatste mensch,

die alles verkleint. Zijn geslacht is even onuitroeibaar als de

bladluis; de laatste mensch leeft het langst.

"Wij hebben het geluk ontdekt," zeggen de laatste menschen en zij

knipoogen.

Zij hebben de streken, waar men een moeilijk leven leidt, verlaten,

want zij hebben behoefte aan warmte. Men heeft ook zijnen buurman

lief en drukt zich tegen hem aan, omdat men behoefte aan warmte heeft.

Ziek worden en wantrouwen is in hunne oogen eene zonde: men loopt er

voorzichtig. Wel dwaas, die over steenen of menschen struikelt.

Een weinig vergif van tijd tot tijd: dat geeft schoone droomen. En

veel vergif tot slot om aangenaam te sterven.

Men werkt nog wel, want werken geeft afleiding, maar men zorgt er voor,

dat die afleiding geen inspanning wordt.

Armoede of rijkdom duldt men niet langer, want beide geven te veel

zorgen. Wie zou nu nog willen bevelen? En wie gehoorzamen? Beide

kosten te veel moeite.

Geen herder en éene groote kudde! Allen willen hetzelfde; allen

staan gelijk en wie anders denkt, begeeft zich vrijwillig in het

krankzinnigengesticht.

"Wij hebben het geluk ontdekt," zeggen de laatste menschen en zij

knipoogen. [90]

Nietzsche's Philosophie · 第 29 / 45 题