Wij zullen nu de waardetafel, die de slaven erkennen, van meer nabij
bekijken, want in hun midden ontstonden de Christelijke moraal en
godsdienst, waarop het geheele systeem der moderne waarden berust.
De bende slaven, de kudde zwakken en onterfden, alle soorten van
ontaarden vinden hunnen natuurlijken meester in den priester. Wat nu
is een priester?
De priester moet zelf een ontaarde zijn om de behoeften van zijne zieke
stamgenooten te kennen en in hun midden te kunnen leven, maar hij moet
zijn heerschersinstinct intact hebben gehouden om het vertrouwen der
lijders te kunnen winnen, hun vrees in te boezemen en hun hoeder,
hun steun, hun tiran en hun god te worden. In de eerste plaats
dwingt zijn zending hem de zwakken tegen de sterken te verdedigen en
dientengevolge wordt hij de gezworen vijand der meesters; tegenover
hen maakt hij zonder gewetensbezwaren van alle middelen gebruik, in
het bijzonder van de wapens der zwakken, list en leugen; hij wordt
zelf een "verscheurend dier", dat bijna evenzeer te duchten is als
dat, welk hij bestrijdt. Maar daarbij blijft het niet: hij moet ook
de kudde tegen zichzelf, tegen de verkeerde gevoelens, die zich van
zelf uit alle ophoopingen van zieken ontwikkelen, verdedigen; met
wijsheid en hardheid moet hij alle begin van anarchie en elk teeken
van ontbinding bestrijden; ook moet hij handig omgaan met den licht
ontplofbaren wrok, die steeds te midden der scharen ontstaat en de
ontploffing zoo leiden, dat zij kudde noch herder beschadigt. Dat is
dus de historische zending van den priester: aan den eenen kant is
zij nuttig omdat zij onheilen voorkomt door de menigte ontaarden aan
tucht te gewennen, maar aan den andere is zij eigenlijk noodlottig,
omdat zij den loop der natuurlijke evolutie belemmert. De natuurlijke
haven voor zwakken, zieken en alle soort van pessimisten is de
weldadige dood, die alle lijden verdooft, het vreedzaam rustoord,
de onschendbare wijkplaats van alle onwelkome wezens; maar juist bij
hen, wier levenskracht verminderd is, verdedigt de "wil tot macht"
zich instinctmatig tegen vernietiging: door hun de werkelijkheid
valsch voor te stellen, blaast hij hun nieuwe redenen tot leven in,
hij geeft hun middelen aan om hun lijden te bedriegen en misleidt
hen in de oorzaak van hunne kwaal. De priester nu maakt zeer handig
gebruik van die natuurlijke neiging: hij leidt haar, spoort haar aan,
overdrijft haar en maakt haar tot zijn heerscherstaf en zoo wordt
hij de beschermer van eene bende tallooze zieken, maar tot welken
prijs? Dat zullen wij verder zien.
Onder de Joden, dat priesterras, dat zich ondanks de kwade
levensomstandigheden, waarin het verkeert, door wonderen van taaiheid
staande heeft gehouden, is wat Nietzsche noemt de "slavenopstand" in
de moraal begonnen. De Joden, zegt hij, zijn de ergste tegenstanders
van de vereffening der aristocratische waarden geweest (goed = edel =
machtig = schoon = gelukkig = godwelgevallig); met eene verbijsterende
logica hebben zij getracht haar omver te werpen; zij hebben haar met
de haken van den diepsten haat, den haat van den onmachtige aangegrepen
en niet meer losgelaten. Alleen de ongelukkigen, zeggen zij, zijn goed,
alleen de armen, de onmachtigen en de zwakken; en alleen de lijdenden,
de ellendigen, de zieken en leelijken zijn vroom en godwelgevallig;
hun alleen behoort het geluk. Maar gij, edelen en machtigen, die in
alle eeuwigheid slecht, wreed, zinnelijk, onverzadigbaar en goddeloos
zijt, gij zult ook te eeuwigen dage ongelukkig, verdoemd en verworpen
blijven!" [83] Het Christendom heeft die nieuwingestelde waardetafel
van het Jodendom geërfd: de Christelijke priester heeft niets anders
te doen gehad dan het werk van den Joodschen priester voort te zetten
en is nu, na een strijd van tweeduizend jaren, overwinnaar gebleven.
De eerste daad van de groote omkeering der waarden is de hypothese
van de ziel en den vrijen wil geweest. In werkelijkheid bestaat er
geen ziel afgescheiden van het lichaam, en ook geen vrije wil, evenmin
als er trouwens een niet vrije wil bestaat; er bestaan alleen sterke
willen, die zich in krachtige uitwerkingen openbaren en zwakke willen,
wier handelingen minder krachtig zijn. Uitspraken als "de bliksem
verplettert" of "de machtige overwint zijne tegenstanders" zijn
eigenlijk noodelooze herhalingen, want de bliksem is geen wezen, dat
al of niet kan verpletteren; hij is alleen bliksem op het oogenblik,
dat hij verplettert; zoo ook bestaat de som der krachten, die zich in
de daden van een machtig mensch openbaren, uitsluitend in en door die
openbaringen zelve. Het algemeen bewustzijn heeft echter krachtens
een volkomen willekeurige hypothese het wezen van het verschijnsel:
den wil van zijne uitingen gescheiden; het veronderstelt achter de
menschelijke daden, achter de zichtbare uitwerkingen van den wil tot
macht, een wezen, eene ziel, die de oorzaak is van die uitwerkingen
en die ziel wordt beschouwd als eene wezenlijkheid, aan wie het vrij
staat zich naar willekeur te openbaren en zus of zoo te handelen. Toen
nu eenmaal de illusie van den vrijen wil ontstaan was en erkend werd,
kon de slaaf zich, in zijne verbeelding althans, gelijk stellen met
den meester en kon hij dien zelfs overtreffen, want zoo de waarde
van een mensch niet in de som zijner beschikbare krachten ligt, maar
alleen in het gebruik, dat hij van zijn vrijen wil maakt, is er niets,
dat den zwakke verhinderen kan het van den sterke te winnen en wel
om de volgende reden: de machtige handelt als machtige, maar daarmee
handelt hij verkeerd, want het is "slecht" als machtige te handelen;
de zwakke wil als zwakke handelen (hij zou trouwens niet anders kunnen)
en hij heeft gelijk, want het is "goed" als zwakke te handelen waaruit
volgt, dat de zwakke beter is dan de sterke.
Met bewonderenswaardigen gloed heeft Nietzsche de geheimzinnige en
bedriegelijke wijze beschreven, waarop de slaven in hun diepen wrok
er in slaagden, in gedachte de meesters te verkleinen en zichzelve
als martelaren en heiligen voor te doen:
"Wil iemand afdalen in den geheimzinnigen afgrond, waar men zien
kan hoe op aarde een ideaal wordt gemaakt! Wie heeft er den moed
toe!.... Komaan: van hier uit daalt de blik op die sombere werkplaats
neer. Wacht even, gij vermetele: uw gezicht moet eerst wennen aan dat
valsch en twijfelachtig licht!.... Zoo! nu is het goed! Spreek! Wat
gebeurt daar in de diepte. Zeg mij nu wat gij ziet, gevaarlijk
nieuwsgierig mensch, nu ben ik het, die luister.
"Ik zie niets, maar ik hoor des te meer. Uit alle hoeken en gaten komt
een geheimzinnig, geniepig zacht gemurmel en gefluister. Het is alsof
men er liegt, want eene honigachtige zoetheid omkleeft elk geluid. De
zwakheid wordt er door een of anderen goocheltoer in deugd veranderd,
daaraan valt niet te twijfelen, gij hadt wel gelijk."
En verder!
"En de onmacht, die zich niet verweren kan, wordt "goedheid", bange
laagheid wordt "nederigheid"; onderwerping aan hen, die men haat,
"gehoorzaamheid" (en die gehoorzaamheid, zoo zeggen zij, geldt
een wezen, dat die onderwerping eischt en dat zij God noemen). De
lijdzaamheid der zwakken, de lafhartigheid, waarvan zij overloopen, de
gedweeheid, die aan de deur blijft staan en vreedzaam blijft wachten,
worden bestempeld met den fraaien naam "geduld"--dat zeker ook al voor
deugd doorgaat; hun "ik kan mij niet wreken" wordt "ik wil mij niet
wreken", of zelfs "ik vergeef het hun" "(want zij weten niet wat zij
doen--maar wij weten wel degelijk wat zij doen!") Zij spreken ook van
"hunne vijanden liefhebben"--en zij zweten er van....
En verder!
"Zij gevoelen zich ongetwijfeld ellendig, al die kuipers en
valschemunters, al houden zij elkander zoo warm mogelijk, maar zij
vertellen mij, dat hunne ellende het teeken is, dat God hen heeft
onderscheiden en uitverkoren, want slaat men niet juist de honden,
waarvan men het meest houdt; misschien ook is die ellende slechts
eene voorbereiding, een proeftijd, eene school.... misschien zelfs nog
meer: iets, dat eenmaal met reusachtigen interest zal worden afgelost,
niet met goud, maar met geluk. Dat noemen zij de "zaligheid".
En verder!
"Nu geven zij mij te kennen, dat zij niet alleen beter zijn dan
de machtigen en de meesters der aarde, wier spuwsel zij moeten
oplikken (niet uit angst, o neen, volstrekt niet uit angst, maar,
omdat God beveelt alle oppermacht te eerbiedigen) maar dat zij
veel beter bedeeld zijn of éénmaal althans beter bedeeld zullen
zijn dan zij. Genoeg! genoeg! ik houd het niet langer uit. Geef mij
lucht! lucht! Die kraam, waarin het ideaal gemaakt wordt, lijkt mij
van leugenstank vervuld.
Neen! een oogenblik nog! Gij hebt ons niets verteld van het kunstwerk
van die toovenaars, die alle zwart in wit, in melk en onschuld weten te
veranderen. Hebt gij niet opgemerkt, waarin hunne grootste geslepenheid
bestaat, wat hun brutaalste, gekste, leepste en kunstigste greep
is? Let op! Die duizendpooten vol nijd en haat--wat maken die juist van
nijd en haat? Hebt gij die woorden in hunnen mond gehoord? Zoudt gij,
naar hunne gesprekken te oordeelen, vermoeden te midden van menschen
vol wrok te zijn?....
"Ik begrijp u en nog eenmaal houd ik mijne ooren open (helaas! en mijn
neus dicht). Nu begrijp ik eerst wat zij sedert lang reeds zeiden:
"Wij, de Goeden, wij zijn de Rechtvaardigen"; wat zij vragen noemen
zij niet wraak, maar "den triomf van het recht"; wat zij haten,
heet niet hun vijand, neen! zij haten het onrecht, de goddeloosheid;
het geloof, dat hen bezielt, is niet de hoop op wraak, de verrukking
der zoete wraak ("zoeter dan honing", zeide reeds Homerus), maar de
zegepraal van God, van "den rechtvaardigen God over de goddeloozen";
en zij, die zij liefhebben op aarde, zijn niet hunne broeders in
den haat, maar "hunne broeders in de liefde", zooals zij hen noemen,
"alle Goeden en Rechtvaardigen der aarde."
En hoe betitelen zij dat verdichtsel, dat hen troost over al het leed
van het leven, hun zinsbedrog van een toekomstgeluk, waarop zij bij
voorbaat reeds korting krijgen?
"Wat? Hoor ik goed? Dat noemen zij: het "laatste oordeel"; en de
komst van hunne heerschappij: het "koninkrijk Gods"; in afwachting
daarvan leven zij "in geloof", "in liefde" en "in hoop".
"Genoeg! genoeg!" [84]
Zoo wordt nu het ideaal van den slaaf gevormd en zijne tafel van
moreele waarden opgesteld. Hij leeft al naar het uitkomt, opgehouden
door de troostende verdichtsels, die hij verzonnen heeft, maar zijne
physiologische depressie, de oorspronkelijke oorzaak van zijne zwakte
blijft hem drukken en hij lijdt en mort over zijne kwaal. Dan treedt de
priester op, niet om de ziekte, die hem plaagt, te genezen en evenals
de medicus de ware, physieke oorzaak te bestrijden, maar uitsluitend
om den patiënt de smart, die hij lijdt, te doen vergeten.
Met dat doel maakt hij eerst gebruik van narcotische middelen,
die de pijn verdooven, maar niet de minste genezing aanbrengen
voor de physiologische kwaal, waaruit die pijn voortvloeit. Hij
behandelt den zieke hypnotisch en schrijft hem eene leefregel voor,
die geschikt is om zijn physiek zoowel als zijn intellectueel leven
tot een strict minimum terug te brengen; met behulp van ascetische
middelen, van lichamelijke kastijding, van systematische "versuffing"
brengt hij zijn patiënt in eene soort physieke en moreele verdooving,
die hem minder gevoelig voor smart maakt en gelukt het somtijds zelfs
hem tot bijna totale ongevoeligheid te brengen. Door die behandeling
maakt hij van den ontaarde een fakir, een "heilige". In vele gevallen
stelt de priester zich ook tevreden met den patiënt eene geregelde,
machinale werkzaamheid voor te schrijven, die zijne aandacht in beslag
neemt en hem in eene soort automaat verandert, die geen tijd heeft
aan zichzelf te denken. Of wel hij schrijft hem eene gemakkelijk te
verkrijgen aangename bezigheid voor, als "naastenliefde" in elken vorm:
welwillendheid, barmhartigheid, wederkeerige hulp, enz. En eindelijk
vindt hij nog een middel in het verzamelen van zijne zieken tot eene
groote kudde, waarin zij door de vele kleine afleidingen, die in het
maatschappelijk leven voorkomen, hunne persoonlijke kwalen vergeten.
Maar naast die onschuldige middelen gebruikt hij in zijne behandeling
een geneesmiddel, dat even gevaarlijk als doeltreffend is, een
vreeselijk vergif, dat den zieke zijne pijn doet vergeten, maar
tegelijkertijd meer dan ooit zijn organisme vernielt. Dat vergif is
het bewustzijn van "zonde".
Het begrip van zonde vindt zijn natuurlijken oorsprong in twee spontaan
en buiten alle priesterlijke tusschenkomst ontstane gevoelens van
het menschelijk hart: het "slechte geweten" en het geloof in eene
"schuld", die de mensch aan de godheid heeft.
Het slechte geweten is, volgens Nietzsche, het gevolg van de diepe
neerslachtigheid, die zich van den mensch meester maakte, toen hij van
den staat van wilde, eenzame dierlijkheid, waarin hij oorspronkelijk
verkeerde, overging tot eene georganiseerde maatschappij en deel van
eene kudde uitmaakte. De staat is oorspronkelijk waarschijnlijk eene
vreeselijke dwingelandij geweest, die eene bende roofzieke, machtige
menschen, die slechts op plundering en oorlog uit waren, aan een
vreedzaam ras hebben opgelegd. Op eenmaal werden de levensvoorwaarden
der overwonnenen totaal verstoord en niet langer konden hen de
natuurlijke neigingen, die zij tot nog toe gevolgd hadden, tot
leiddraad in het leven strekken; voortaan moesten zij zelfbeheersching
genoeg bezitten om zich geduldig te gedragen en hun wil te bedwingen,
zoodra hij dreigde hunne meesters te mishagen; zij moesten nu met
overleg en nadenken gaan handelen. Alle neigingen te zamen maken
evenwel een totaal van kracht uit, dat zich noodzakelijk in uitingen
openbaren moet; wordt die kracht nu zoodanig samengeperst, dat zij niet
meer naar buiten werken kan door onmiddellijke reactie, zoo zal zij in
eene latente kracht veranderen en haar bestaan door inwendige werking
uiten. Door eene dergelijke metamorphose nu is het "slechte geweten"
ontstaan; het is het gevolg van de drukking, die de natuurlijke
neigingen van den mensch moesten doorstaan ten tijde van hunnen
overgang van onafhankelijkheid tot slavernij. Evenals een wild dier,
gemarteld door heimwee naar het vrije woestijnleven, zichzelf aan de
traliën van zijne kooi pijnigt, zoo martelde de oorspronkelijke mensch
zich in zijne dienstbaarheid en gevangenschap. Zijn levensinstinct,
belemmerd in zijne uitingen naar buiten, openbaarde zich in eene
soort innerlijke gisting, en van af dat oogenblik bezat de mensch een
innerlijk leven, dat hem tot een veel belangwekkender wezen maakte
dan de zegevierende, redelooze mensch maar dat hem tevens tot een
zieke stempelde.
Het besef van een "schuld" jegens de godheid is aan den anderen kant
eene der vroegste uitingen van den godsdienstigen geest. Oorspronkelijk
meende elk geslacht, dat het zijn voorspoed aan de voorgaande
geslachten te danken had, en dat de voorvaderen, die na hunnen dood
machtige geesten geworden waren, een weldadigen invloed op het lot
hunner nakomelingen bleven uitoefenen. Maar alle diensten moeten
betaald worden en zoo kregen de menschen het gevoel dat zij eene
schuld jegens hunne voorouders hadden aangegaan en hun, in ruil
voor hunne bescherming, offeranden verschuldigd waren; vandaar de
vereering der voorvaderen, die men in het begin van elke beschaving
terugvindt. Langzamerhand echter nam die vereering, die de mensch
oorspronkelijk voor al zijne voorvaderen gevoelde, een anderen vorm aan
en gold zij weldra uitsluitend den eersten voorvader van zijn geslacht;
daarna werd die eerste voorvader tot een god verheven en die god was
des te machtiger en te meer te vreezen, naarmate het volk, dat hem
vereerde, in voorspoed leefde. Naarmate nu, dat de grootheid van dien
god steeg, moest ook het gevoel van de schuld jegens hem grooter worden
en bijgevolg de angst om hem niet genoeg te geven, toenemen. Krachtens
die logica steeg in den mensch het besef van afhankelijkheid van zijnen
god tot het maximum van intensiteit, toen de eenige Christengod alle
heidensche goden had overwonnen en zich als overheerscher van het
grootste gedeelte van Europa deed gelden. Toen begon de mensch te
denken, dat de schuld te groot was om ooit afgedaan te kunnen worden
en dat hij tegenover zijnen God stond als een insolvent schuldenaar
tegenover zijnen schuldeischer en bijgevolg blootgesteld was aan de
hevigste straffen. In zijnen angst trachtte de mensch toen op alle
wijzen de verantwoording van die schuld van zich af te schuiven; hij
wierp hem op zijn eersten voorvader, die zich, volgens hem, den vloek
van God op den hals gehaald had; hij vond "de erfzonde" en het dogma
van "de voorbeschikking" uit; hij beschuldigde de natuur òm zich en
de neigingen ìn zich en beschouwde hen als de oorsprong van het kwaad;
hij vervloekte het heelal en verlangde naar het niet of naar een ander
leven en ten slotte gaf hij aan het vraagstuk, dat hem vervolgde,
de volgende paradoxale oplossing: De schuld, die de mensch aan God
heeft, is te groot om ooit door hem afgelost te kunnen worden. God
alleen kan God voldoen. In zijne liefde voor de menschheid nu heeft
God zichzelf geofferd om zijnen insolventen schuldenaar te verlossen;
hij is mensch geworden en heeft zich opgeofferd en door die liefdedaad
heeft hij die menschen verlost, die hij zijner waardig achtte.
Wanneer men nu in gedachte dat tragisch besef van eene schuld jegens
de godheid samensmelt met het gevoel van een "slecht geweten",
verkrijgt men de "zonde". De mensch, die een "slecht geweten" heeft,
ondervindt eene ziekelijke behoefte om zichzelf leed te bezorgen;
hij ziet natuurlijk niet in, dat de ware oorzaak van die behoefte
in de hevige en plotselinge samenpersing van zijnen wil tot macht,
van zijne natuurlijke neigingen ligt, maar hij weet daarentegen wel,
dat hij jegens de godheid eene groote schuld draagt en nooit in staat
zal zijn die af te lossen; daaruit volgt vanzelf, dat hij die schuld
als de reden beschouwt, waarom hij zichzelf die smarten oplegt, want
hij wil door pijnen zijne vertoornde schuldeischers vermurwen en zijne
"zonde" boeten.
Dat besef van zonde, dat nu was ontstaan, werd de staf, waarmee
de priester de zielen beheerschte. Door dat besef had hij vat op
de ongelukkige menigte en maakte hij zich meester van alle lijdende
schapen, die hij op zijnen weg ontmoette. Hij ging naar de ontaarden,
die, ten prooi aan eene physieke kwaal, waarvan de aard hun onbekend
was, angstig naar de reden er van, of meer nog naar den schepper
zochten, die voor de depressie, waarin zij verkeerden, verantwoordelijk
was, en hij schonk al dien ongelukkigen de overtuiging, dat zijzelve
de eigenlijke oorzaak van hun lijden waren, dat dat lijden beschouwd
moest worden als eene geringe boete voor al de "zonden", waaraan
zij schuldig waren en dat zij het bijgevolg niet met gelatenheid,
maar met vreugde, als zijnde eene door God gezonden beproeving,
moesten aanvaarden. De ongelukkigen geloofden het; in hunne wanhoop
namen zij de verklaring aan, die hij hen van hun lijden gaf en lieten
zij zich gedwee het verschrikkelijk vergif van het geloof in de zonde
inenten. Toen heerschte er door vele eeuwen heen eene sombere theorie
van boetvaardige "zondaren", die door een langdurig martelaarschap
den dood tegemoet gingen met een ziek lichaam, verslapte zenuwen en
een kranken zielstoestand, die ten prooi waren aan hevige buien van
wanhoop of aan waanzinnige vervoering, naar martelingen dorstten en
door het vaste beeld van zonde en eeuwige vervloeking werden vervolgd.
Wat ten slotte volgens Nietzsche het Christendom kenteekent, is, dat
het als godsdienst en als zedelijk ideaal eindigt in het nihilisme. Het
heeft eene geheele wereld van zuivere hersenschimmen in het leven
geroepen: het heeft denkbeeldige oorzaken, als "God", "de ziel",
"de geest", "de vrije wil", denkbeeldige gevolgen, "de zonde",
"de genade" en verhoudingen tusschen denkbeeldige wezens, "God",
de "geesten", de "zielen" verzonnen; het heeft eene denkbeeldige
natuurlijke wetenschap uitgevonden, gegrond op de miskenning der
natuurlijke oorzaken; eene fictieve psychologie, die eene onjuiste
verklaring der physiologische verschijnselen (als de verklaring van
het lijden als gevolg der zonde) tot basis had en eene denkbeeldige
theologie, het "koninkrijk Gods", het "eeuwige leven". Terwijl
de Christen zijne denkbeeldige wereld schiep, vervloekte hij het
werkelijk heelal en stelde hij de "natuur", als bron van alle kwaad,
tegenover "God", bron van alle goed. De oorsprong van de Christelijke
illusie laat zich dus gemakkelijk verklaren: die illusie ontstond uit
den haat tegen de werkelijkheid en is de vrucht van eene ontaarde
menschheid, die meer smart dan vreugde kent, van eene vermoeide,
lijdende menschheid, die naar pessimisme en ontkenning van het leven
overhelt, die naar terugkeer tot het niet verlangt.