III.

Wij zullen nu de waardetafel, die de slaven erkennen, van meer nabij

bekijken, want in hun midden ontstonden de Christelijke moraal en

godsdienst, waarop het geheele systeem der moderne waarden berust.

De bende slaven, de kudde zwakken en onterfden, alle soorten van

ontaarden vinden hunnen natuurlijken meester in den priester. Wat nu

is een priester?

De priester moet zelf een ontaarde zijn om de behoeften van zijne zieke

stamgenooten te kennen en in hun midden te kunnen leven, maar hij moet

zijn heerschersinstinct intact hebben gehouden om het vertrouwen der

lijders te kunnen winnen, hun vrees in te boezemen en hun hoeder,

hun steun, hun tiran en hun god te worden. In de eerste plaats

dwingt zijn zending hem de zwakken tegen de sterken te verdedigen en

dientengevolge wordt hij de gezworen vijand der meesters; tegenover

hen maakt hij zonder gewetensbezwaren van alle middelen gebruik, in

het bijzonder van de wapens der zwakken, list en leugen; hij wordt

zelf een "verscheurend dier", dat bijna evenzeer te duchten is als

dat, welk hij bestrijdt. Maar daarbij blijft het niet: hij moet ook

de kudde tegen zichzelf, tegen de verkeerde gevoelens, die zich van

zelf uit alle ophoopingen van zieken ontwikkelen, verdedigen; met

wijsheid en hardheid moet hij alle begin van anarchie en elk teeken

van ontbinding bestrijden; ook moet hij handig omgaan met den licht

ontplofbaren wrok, die steeds te midden der scharen ontstaat en de

ontploffing zoo leiden, dat zij kudde noch herder beschadigt. Dat is

dus de historische zending van den priester: aan den eenen kant is

zij nuttig omdat zij onheilen voorkomt door de menigte ontaarden aan

tucht te gewennen, maar aan den andere is zij eigenlijk noodlottig,

omdat zij den loop der natuurlijke evolutie belemmert. De natuurlijke

haven voor zwakken, zieken en alle soort van pessimisten is de

weldadige dood, die alle lijden verdooft, het vreedzaam rustoord,

de onschendbare wijkplaats van alle onwelkome wezens; maar juist bij

hen, wier levenskracht verminderd is, verdedigt de "wil tot macht"

zich instinctmatig tegen vernietiging: door hun de werkelijkheid

valsch voor te stellen, blaast hij hun nieuwe redenen tot leven in,

hij geeft hun middelen aan om hun lijden te bedriegen en misleidt

hen in de oorzaak van hunne kwaal. De priester nu maakt zeer handig

gebruik van die natuurlijke neiging: hij leidt haar, spoort haar aan,

overdrijft haar en maakt haar tot zijn heerscherstaf en zoo wordt

hij de beschermer van eene bende tallooze zieken, maar tot welken

prijs? Dat zullen wij verder zien.

Onder de Joden, dat priesterras, dat zich ondanks de kwade

levensomstandigheden, waarin het verkeert, door wonderen van taaiheid

staande heeft gehouden, is wat Nietzsche noemt de "slavenopstand" in

de moraal begonnen. De Joden, zegt hij, zijn de ergste tegenstanders

van de vereffening der aristocratische waarden geweest (goed = edel =

machtig = schoon = gelukkig = godwelgevallig); met eene verbijsterende

logica hebben zij getracht haar omver te werpen; zij hebben haar met

de haken van den diepsten haat, den haat van den onmachtige aangegrepen

en niet meer losgelaten. Alleen de ongelukkigen, zeggen zij, zijn goed,

alleen de armen, de onmachtigen en de zwakken; en alleen de lijdenden,

de ellendigen, de zieken en leelijken zijn vroom en godwelgevallig;

hun alleen behoort het geluk. Maar gij, edelen en machtigen, die in

alle eeuwigheid slecht, wreed, zinnelijk, onverzadigbaar en goddeloos

zijt, gij zult ook te eeuwigen dage ongelukkig, verdoemd en verworpen

blijven!" [83] Het Christendom heeft die nieuwingestelde waardetafel

van het Jodendom geërfd: de Christelijke priester heeft niets anders

te doen gehad dan het werk van den Joodschen priester voort te zetten

en is nu, na een strijd van tweeduizend jaren, overwinnaar gebleven.

De eerste daad van de groote omkeering der waarden is de hypothese

van de ziel en den vrijen wil geweest. In werkelijkheid bestaat er

geen ziel afgescheiden van het lichaam, en ook geen vrije wil, evenmin

als er trouwens een niet vrije wil bestaat; er bestaan alleen sterke

willen, die zich in krachtige uitwerkingen openbaren en zwakke willen,

wier handelingen minder krachtig zijn. Uitspraken als "de bliksem

verplettert" of "de machtige overwint zijne tegenstanders" zijn

eigenlijk noodelooze herhalingen, want de bliksem is geen wezen, dat

al of niet kan verpletteren; hij is alleen bliksem op het oogenblik,

dat hij verplettert; zoo ook bestaat de som der krachten, die zich in

de daden van een machtig mensch openbaren, uitsluitend in en door die

openbaringen zelve. Het algemeen bewustzijn heeft echter krachtens

een volkomen willekeurige hypothese het wezen van het verschijnsel:

den wil van zijne uitingen gescheiden; het veronderstelt achter de

menschelijke daden, achter de zichtbare uitwerkingen van den wil tot

macht, een wezen, eene ziel, die de oorzaak is van die uitwerkingen

en die ziel wordt beschouwd als eene wezenlijkheid, aan wie het vrij

staat zich naar willekeur te openbaren en zus of zoo te handelen. Toen

nu eenmaal de illusie van den vrijen wil ontstaan was en erkend werd,

kon de slaaf zich, in zijne verbeelding althans, gelijk stellen met

den meester en kon hij dien zelfs overtreffen, want zoo de waarde

van een mensch niet in de som zijner beschikbare krachten ligt, maar

alleen in het gebruik, dat hij van zijn vrijen wil maakt, is er niets,

dat den zwakke verhinderen kan het van den sterke te winnen en wel

om de volgende reden: de machtige handelt als machtige, maar daarmee

handelt hij verkeerd, want het is "slecht" als machtige te handelen;

de zwakke wil als zwakke handelen (hij zou trouwens niet anders kunnen)

en hij heeft gelijk, want het is "goed" als zwakke te handelen waaruit

volgt, dat de zwakke beter is dan de sterke.

Met bewonderenswaardigen gloed heeft Nietzsche de geheimzinnige en

bedriegelijke wijze beschreven, waarop de slaven in hun diepen wrok

er in slaagden, in gedachte de meesters te verkleinen en zichzelve

als martelaren en heiligen voor te doen:

"Wil iemand afdalen in den geheimzinnigen afgrond, waar men zien

kan hoe op aarde een ideaal wordt gemaakt! Wie heeft er den moed

toe!.... Komaan: van hier uit daalt de blik op die sombere werkplaats

neer. Wacht even, gij vermetele: uw gezicht moet eerst wennen aan dat

valsch en twijfelachtig licht!.... Zoo! nu is het goed! Spreek! Wat

gebeurt daar in de diepte. Zeg mij nu wat gij ziet, gevaarlijk

nieuwsgierig mensch, nu ben ik het, die luister.

"Ik zie niets, maar ik hoor des te meer. Uit alle hoeken en gaten komt

een geheimzinnig, geniepig zacht gemurmel en gefluister. Het is alsof

men er liegt, want eene honigachtige zoetheid omkleeft elk geluid. De

zwakheid wordt er door een of anderen goocheltoer in deugd veranderd,

daaraan valt niet te twijfelen, gij hadt wel gelijk."

En verder!

"En de onmacht, die zich niet verweren kan, wordt "goedheid", bange

laagheid wordt "nederigheid"; onderwerping aan hen, die men haat,

"gehoorzaamheid" (en die gehoorzaamheid, zoo zeggen zij, geldt

een wezen, dat die onderwerping eischt en dat zij God noemen). De

lijdzaamheid der zwakken, de lafhartigheid, waarvan zij overloopen, de

gedweeheid, die aan de deur blijft staan en vreedzaam blijft wachten,

worden bestempeld met den fraaien naam "geduld"--dat zeker ook al voor

deugd doorgaat; hun "ik kan mij niet wreken" wordt "ik wil mij niet

wreken", of zelfs "ik vergeef het hun" "(want zij weten niet wat zij

doen--maar wij weten wel degelijk wat zij doen!") Zij spreken ook van

"hunne vijanden liefhebben"--en zij zweten er van....

En verder!

"Zij gevoelen zich ongetwijfeld ellendig, al die kuipers en

valschemunters, al houden zij elkander zoo warm mogelijk, maar zij

vertellen mij, dat hunne ellende het teeken is, dat God hen heeft

onderscheiden en uitverkoren, want slaat men niet juist de honden,

waarvan men het meest houdt; misschien ook is die ellende slechts

eene voorbereiding, een proeftijd, eene school.... misschien zelfs nog

meer: iets, dat eenmaal met reusachtigen interest zal worden afgelost,

niet met goud, maar met geluk. Dat noemen zij de "zaligheid".

En verder!

"Nu geven zij mij te kennen, dat zij niet alleen beter zijn dan

de machtigen en de meesters der aarde, wier spuwsel zij moeten

oplikken (niet uit angst, o neen, volstrekt niet uit angst, maar,

omdat God beveelt alle oppermacht te eerbiedigen) maar dat zij

veel beter bedeeld zijn of éénmaal althans beter bedeeld zullen

zijn dan zij. Genoeg! genoeg! ik houd het niet langer uit. Geef mij

lucht! lucht! Die kraam, waarin het ideaal gemaakt wordt, lijkt mij

van leugenstank vervuld.

Neen! een oogenblik nog! Gij hebt ons niets verteld van het kunstwerk

van die toovenaars, die alle zwart in wit, in melk en onschuld weten te

veranderen. Hebt gij niet opgemerkt, waarin hunne grootste geslepenheid

bestaat, wat hun brutaalste, gekste, leepste en kunstigste greep

is? Let op! Die duizendpooten vol nijd en haat--wat maken die juist van

nijd en haat? Hebt gij die woorden in hunnen mond gehoord? Zoudt gij,

naar hunne gesprekken te oordeelen, vermoeden te midden van menschen

vol wrok te zijn?....

"Ik begrijp u en nog eenmaal houd ik mijne ooren open (helaas! en mijn

neus dicht). Nu begrijp ik eerst wat zij sedert lang reeds zeiden:

"Wij, de Goeden, wij zijn de Rechtvaardigen"; wat zij vragen noemen

zij niet wraak, maar "den triomf van het recht"; wat zij haten,

heet niet hun vijand, neen! zij haten het onrecht, de goddeloosheid;

het geloof, dat hen bezielt, is niet de hoop op wraak, de verrukking

der zoete wraak ("zoeter dan honing", zeide reeds Homerus), maar de

zegepraal van God, van "den rechtvaardigen God over de goddeloozen";

en zij, die zij liefhebben op aarde, zijn niet hunne broeders in

den haat, maar "hunne broeders in de liefde", zooals zij hen noemen,

"alle Goeden en Rechtvaardigen der aarde."

En hoe betitelen zij dat verdichtsel, dat hen troost over al het leed

van het leven, hun zinsbedrog van een toekomstgeluk, waarop zij bij

voorbaat reeds korting krijgen?

"Wat? Hoor ik goed? Dat noemen zij: het "laatste oordeel"; en de

komst van hunne heerschappij: het "koninkrijk Gods"; in afwachting

daarvan leven zij "in geloof", "in liefde" en "in hoop".

"Genoeg! genoeg!" [84]

Zoo wordt nu het ideaal van den slaaf gevormd en zijne tafel van

moreele waarden opgesteld. Hij leeft al naar het uitkomt, opgehouden

door de troostende verdichtsels, die hij verzonnen heeft, maar zijne

physiologische depressie, de oorspronkelijke oorzaak van zijne zwakte

blijft hem drukken en hij lijdt en mort over zijne kwaal. Dan treedt de

priester op, niet om de ziekte, die hem plaagt, te genezen en evenals

de medicus de ware, physieke oorzaak te bestrijden, maar uitsluitend

om den patiënt de smart, die hij lijdt, te doen vergeten.

Met dat doel maakt hij eerst gebruik van narcotische middelen,

die de pijn verdooven, maar niet de minste genezing aanbrengen

voor de physiologische kwaal, waaruit die pijn voortvloeit. Hij

behandelt den zieke hypnotisch en schrijft hem eene leefregel voor,

die geschikt is om zijn physiek zoowel als zijn intellectueel leven

tot een strict minimum terug te brengen; met behulp van ascetische

middelen, van lichamelijke kastijding, van systematische "versuffing"

brengt hij zijn patiënt in eene soort physieke en moreele verdooving,

die hem minder gevoelig voor smart maakt en gelukt het somtijds zelfs

hem tot bijna totale ongevoeligheid te brengen. Door die behandeling

maakt hij van den ontaarde een fakir, een "heilige". In vele gevallen

stelt de priester zich ook tevreden met den patiënt eene geregelde,

machinale werkzaamheid voor te schrijven, die zijne aandacht in beslag

neemt en hem in eene soort automaat verandert, die geen tijd heeft

aan zichzelf te denken. Of wel hij schrijft hem eene gemakkelijk te

verkrijgen aangename bezigheid voor, als "naastenliefde" in elken vorm:

welwillendheid, barmhartigheid, wederkeerige hulp, enz. En eindelijk

vindt hij nog een middel in het verzamelen van zijne zieken tot eene

groote kudde, waarin zij door de vele kleine afleidingen, die in het

maatschappelijk leven voorkomen, hunne persoonlijke kwalen vergeten.

Maar naast die onschuldige middelen gebruikt hij in zijne behandeling

een geneesmiddel, dat even gevaarlijk als doeltreffend is, een

vreeselijk vergif, dat den zieke zijne pijn doet vergeten, maar

tegelijkertijd meer dan ooit zijn organisme vernielt. Dat vergif is

het bewustzijn van "zonde".

Het begrip van zonde vindt zijn natuurlijken oorsprong in twee spontaan

en buiten alle priesterlijke tusschenkomst ontstane gevoelens van

het menschelijk hart: het "slechte geweten" en het geloof in eene

"schuld", die de mensch aan de godheid heeft.

Het slechte geweten is, volgens Nietzsche, het gevolg van de diepe

neerslachtigheid, die zich van den mensch meester maakte, toen hij van

den staat van wilde, eenzame dierlijkheid, waarin hij oorspronkelijk

verkeerde, overging tot eene georganiseerde maatschappij en deel van

eene kudde uitmaakte. De staat is oorspronkelijk waarschijnlijk eene

vreeselijke dwingelandij geweest, die eene bende roofzieke, machtige

menschen, die slechts op plundering en oorlog uit waren, aan een

vreedzaam ras hebben opgelegd. Op eenmaal werden de levensvoorwaarden

der overwonnenen totaal verstoord en niet langer konden hen de

natuurlijke neigingen, die zij tot nog toe gevolgd hadden, tot

leiddraad in het leven strekken; voortaan moesten zij zelfbeheersching

genoeg bezitten om zich geduldig te gedragen en hun wil te bedwingen,

zoodra hij dreigde hunne meesters te mishagen; zij moesten nu met

overleg en nadenken gaan handelen. Alle neigingen te zamen maken

evenwel een totaal van kracht uit, dat zich noodzakelijk in uitingen

openbaren moet; wordt die kracht nu zoodanig samengeperst, dat zij niet

meer naar buiten werken kan door onmiddellijke reactie, zoo zal zij in

eene latente kracht veranderen en haar bestaan door inwendige werking

uiten. Door eene dergelijke metamorphose nu is het "slechte geweten"

ontstaan; het is het gevolg van de drukking, die de natuurlijke

neigingen van den mensch moesten doorstaan ten tijde van hunnen

overgang van onafhankelijkheid tot slavernij. Evenals een wild dier,

gemarteld door heimwee naar het vrije woestijnleven, zichzelf aan de

traliën van zijne kooi pijnigt, zoo martelde de oorspronkelijke mensch

zich in zijne dienstbaarheid en gevangenschap. Zijn levensinstinct,

belemmerd in zijne uitingen naar buiten, openbaarde zich in eene

soort innerlijke gisting, en van af dat oogenblik bezat de mensch een

innerlijk leven, dat hem tot een veel belangwekkender wezen maakte

dan de zegevierende, redelooze mensch maar dat hem tevens tot een

zieke stempelde.

Het besef van een "schuld" jegens de godheid is aan den anderen kant

eene der vroegste uitingen van den godsdienstigen geest. Oorspronkelijk

meende elk geslacht, dat het zijn voorspoed aan de voorgaande

geslachten te danken had, en dat de voorvaderen, die na hunnen dood

machtige geesten geworden waren, een weldadigen invloed op het lot

hunner nakomelingen bleven uitoefenen. Maar alle diensten moeten

betaald worden en zoo kregen de menschen het gevoel dat zij eene

schuld jegens hunne voorouders hadden aangegaan en hun, in ruil

voor hunne bescherming, offeranden verschuldigd waren; vandaar de

vereering der voorvaderen, die men in het begin van elke beschaving

terugvindt. Langzamerhand echter nam die vereering, die de mensch

oorspronkelijk voor al zijne voorvaderen gevoelde, een anderen vorm aan

en gold zij weldra uitsluitend den eersten voorvader van zijn geslacht;

daarna werd die eerste voorvader tot een god verheven en die god was

des te machtiger en te meer te vreezen, naarmate het volk, dat hem

vereerde, in voorspoed leefde. Naarmate nu, dat de grootheid van dien

god steeg, moest ook het gevoel van de schuld jegens hem grooter worden

en bijgevolg de angst om hem niet genoeg te geven, toenemen. Krachtens

die logica steeg in den mensch het besef van afhankelijkheid van zijnen

god tot het maximum van intensiteit, toen de eenige Christengod alle

heidensche goden had overwonnen en zich als overheerscher van het

grootste gedeelte van Europa deed gelden. Toen begon de mensch te

denken, dat de schuld te groot was om ooit afgedaan te kunnen worden

en dat hij tegenover zijnen God stond als een insolvent schuldenaar

tegenover zijnen schuldeischer en bijgevolg blootgesteld was aan de

hevigste straffen. In zijnen angst trachtte de mensch toen op alle

wijzen de verantwoording van die schuld van zich af te schuiven; hij

wierp hem op zijn eersten voorvader, die zich, volgens hem, den vloek

van God op den hals gehaald had; hij vond "de erfzonde" en het dogma

van "de voorbeschikking" uit; hij beschuldigde de natuur òm zich en

de neigingen ìn zich en beschouwde hen als de oorsprong van het kwaad;

hij vervloekte het heelal en verlangde naar het niet of naar een ander

leven en ten slotte gaf hij aan het vraagstuk, dat hem vervolgde,

de volgende paradoxale oplossing: De schuld, die de mensch aan God

heeft, is te groot om ooit door hem afgelost te kunnen worden. God

alleen kan God voldoen. In zijne liefde voor de menschheid nu heeft

God zichzelf geofferd om zijnen insolventen schuldenaar te verlossen;

hij is mensch geworden en heeft zich opgeofferd en door die liefdedaad

heeft hij die menschen verlost, die hij zijner waardig achtte.

Wanneer men nu in gedachte dat tragisch besef van eene schuld jegens

de godheid samensmelt met het gevoel van een "slecht geweten",

verkrijgt men de "zonde". De mensch, die een "slecht geweten" heeft,

ondervindt eene ziekelijke behoefte om zichzelf leed te bezorgen;

hij ziet natuurlijk niet in, dat de ware oorzaak van die behoefte

in de hevige en plotselinge samenpersing van zijnen wil tot macht,

van zijne natuurlijke neigingen ligt, maar hij weet daarentegen wel,

dat hij jegens de godheid eene groote schuld draagt en nooit in staat

zal zijn die af te lossen; daaruit volgt vanzelf, dat hij die schuld

als de reden beschouwt, waarom hij zichzelf die smarten oplegt, want

hij wil door pijnen zijne vertoornde schuldeischers vermurwen en zijne

"zonde" boeten.

Dat besef van zonde, dat nu was ontstaan, werd de staf, waarmee

de priester de zielen beheerschte. Door dat besef had hij vat op

de ongelukkige menigte en maakte hij zich meester van alle lijdende

schapen, die hij op zijnen weg ontmoette. Hij ging naar de ontaarden,

die, ten prooi aan eene physieke kwaal, waarvan de aard hun onbekend

was, angstig naar de reden er van, of meer nog naar den schepper

zochten, die voor de depressie, waarin zij verkeerden, verantwoordelijk

was, en hij schonk al dien ongelukkigen de overtuiging, dat zijzelve

de eigenlijke oorzaak van hun lijden waren, dat dat lijden beschouwd

moest worden als eene geringe boete voor al de "zonden", waaraan

zij schuldig waren en dat zij het bijgevolg niet met gelatenheid,

maar met vreugde, als zijnde eene door God gezonden beproeving,

moesten aanvaarden. De ongelukkigen geloofden het; in hunne wanhoop

namen zij de verklaring aan, die hij hen van hun lijden gaf en lieten

zij zich gedwee het verschrikkelijk vergif van het geloof in de zonde

inenten. Toen heerschte er door vele eeuwen heen eene sombere theorie

van boetvaardige "zondaren", die door een langdurig martelaarschap

den dood tegemoet gingen met een ziek lichaam, verslapte zenuwen en

een kranken zielstoestand, die ten prooi waren aan hevige buien van

wanhoop of aan waanzinnige vervoering, naar martelingen dorstten en

door het vaste beeld van zonde en eeuwige vervloeking werden vervolgd.

Wat ten slotte volgens Nietzsche het Christendom kenteekent, is, dat

het als godsdienst en als zedelijk ideaal eindigt in het nihilisme. Het

heeft eene geheele wereld van zuivere hersenschimmen in het leven

geroepen: het heeft denkbeeldige oorzaken, als "God", "de ziel",

"de geest", "de vrije wil", denkbeeldige gevolgen, "de zonde",

"de genade" en verhoudingen tusschen denkbeeldige wezens, "God",

de "geesten", de "zielen" verzonnen; het heeft eene denkbeeldige

natuurlijke wetenschap uitgevonden, gegrond op de miskenning der

natuurlijke oorzaken; eene fictieve psychologie, die eene onjuiste

verklaring der physiologische verschijnselen (als de verklaring van

het lijden als gevolg der zonde) tot basis had en eene denkbeeldige

theologie, het "koninkrijk Gods", het "eeuwige leven". Terwijl

de Christen zijne denkbeeldige wereld schiep, vervloekte hij het

werkelijk heelal en stelde hij de "natuur", als bron van alle kwaad,

tegenover "God", bron van alle goed. De oorsprong van de Christelijke

illusie laat zich dus gemakkelijk verklaren: die illusie ontstond uit

den haat tegen de werkelijkheid en is de vrucht van eene ontaarde

menschheid, die meer smart dan vreugde kent, van eene vermoeide,

lijdende menschheid, die naar pessimisme en ontkenning van het leven

overhelt, die naar terugkeer tot het niet verlangt.

Nietzsche's Philosophie · 第 28 / 45 题