II.

"In den loop van mijne zwerftochten door de talrijke soorten

van verfijnde of grove moraal, die tot nu toe op aarde geheerscht

hebben of er nog heerschen, heb ik enkele trekken opgemerkt, die mij

samenhangend voorkwamen en die steeds tegelijk te voorschijn traden,

zoodat zich ten slotte twee grondtypen aan mij openbaarden, die door

een aanzienlijk verschil gescheiden waren. Er bestaat een "Herrnmoral"

en een "Sklavenmoral". De bepaling der waarden is tot stand gekomen òf

in een ras van overheerschers, dat zich bewust was van den afstand,

die het van het onderdrukte geslacht scheidde en daarop trotsch was,

òf te midden van onderdanen, slaven en minderen van alle soort." [81]

In het begin van de Europeesche beschaving ziet men telkens opnieuw

het feit zich voordoen, dat die beide typen der moraal in het leven

roept: een oorlogzuchtig geslacht, eene bloeddorstige bende valt een

vreedzamer en minder strijdvaardig geslacht aan, onderwerpt het en

gebruikt het ten eigen bate. Op die wijze ontstonden de Grieksche

en de Romeinsche beschaving en vestigden zich in dagen van nog

jongeren datum de Germaansche koninkrijken op de overblijfselen van

het Romeinsche keizerrijk. De bloeddorstige mensch, de aristocraat,

weet zelf de waarde van menschen en zaken te bepalen: hij weet wat

voor hem op zichzelf nuttig of schadelijk, goed of slecht is en

zijne moraal is niet anders dan het vreugdevol bewustzijn van zijne

volmaaktheid en zijne kracht. Hij noemt "goed" al wie zijn gelijke

is, den edelman, den meester, en "slecht" noemt hij zijn mindere, den

boer, den slaaf, dien hij veracht. Het "goede" is in zijne oogen dus

niet anders dan het totaal van de physieke en moreele hoedanigheden,

die hij bij zichzelf en zijne gelijken hoogschat; hij is er trotsch op

sterk en machtig te zijn, anderen en zichzelf te kunnen beheerschen

en voor zichzelf en anderen hard te kunnen zijn; en daarom huldigt

hij diezelfde hoedanigheden ook in anderen. Daarentegen veracht hij

zwakheid en lafhartigheid onder welken vorm ook, hetzij bangheid,

vleierij, laagheid, nederigheid en bovenal leugen; hij gevoelt niets

voor medelijden of belangeloosheid, die deugden, die juist in onze

dagen zoo hoog staan, want in zijn oogen zijn die gevoelens eenigszins

misplaatst en zelfs in zekeren zin belachelijk in een meester of chef;

maar kracht, stoutmoedigheid, list en zelfs wreedheid bewondert hij,

omdat die hoedanigheden hem het overwicht in den strijd verzekeren,

en wat het modern geweten het meest kwetst, is dat hij bovenal de

vaste overtuiging bezit jegens niemand anders dan zijne gelijken

plichten te hebben en tegenover den slaaf en den vreemdeling geheel

naar willekeur te kunnen handelen en zonder eenig bezwaar zoo hard of

zacht voor hem te kunnen zijn als hem goeddunkt. Daarentegen heeft

hij strenge verplichtingen jegens zijne gelijken: hij moet zich in

dankbaarheid, zoowel als in wraak getrouw betoonen en het goede,

zoowel als het kwade in gelijke mate beantwoorden; hij is algeheele

verknochtheid schuldig aan zijn vriend en aan zijn meester en moet

toegevend zijn voor den ouderdom; eerbied voor de traditie is hem

aangeboren en verre van in vooruitgang te gelooven, huldigt hij het

verleden en ziet hij onwelwillend op de jongere geslachten neer. De

aristocratische moraal is hard en onverdraagzaam, want daar de adel

zich over het algemeen in de minderheid weet te midden van een stil

vijandelijke omgeving, moet hij tot elken prijs die hoedanigheden van

zijn geslacht, die hem de overwinning bezorgd hebben, in ongeschonden

staat behouden; voor hem is dat eene quaestie van leven of dood. Daarom

zijn ook gewoonten, die betrekking hebben op de opvoeding der jeugd,

op het huwelijk en op de verhouding tusschen jongeren en ouderen zeer

streng, want alles is er op berekend om ontaarding te voorkomen en

het oorspronkelijk type van het ras zoo zuiver en zoo vast mogelijk in

stand te houden. En eindelijk heeft een aristocratisch ras zijn god,

die alle deugden verpersoonlijkt, waaraan het zijne macht te danken

heeft en aan wien het door offeranden zijne dankbaarheid betoont voor

hetgeen het geworden is. Die god, dien de aristocraat naar zijn eigen

beeld schept, moet bijgevolg nuttig of schadelijk, vriend of vijand,

slecht of weldoend zijn, want hij is in werkelijkheid de "wil tot

macht", die de meesters ter overwinning heeft geleid en hen sterk

en gelukkig heeft gemaakt, de eeredienst, dien zij hem wijden is dan

ook de uiting van hunne vreugde om te leven, van hunne zelfvoldoening

over hun schoonheid en macht.

Geheel verschillend is het tweede groote moreele type, het type van

de slavenmoraal, de moraal van den zwakke, den overwonnene. Terwijl

in den meester trots en vreugde over het leven de overheerschende

gevoelens zijn, heeft juist de zwakke eene pessimistische neiging om

het leven te wantrouwen en haat hij instinctmatig den machtige, die

hem onderdrukt, want men moet inderdaad niet vergeten, dat de "edele"

rassen voor de minderen verschrikkelijke vijanden zijn geweest; zoo

vol ontzag en toegevendheid als zij voor elkander waren, zoo weinig

erkenden zij een wet, zoodra het den vreemdeling gold; op hem wreekten

zij de zelfbeheersching, die zij in acht moesten nemen tegenover hunne

gelijken; tegen hem was alles geoorloofd, geweld, moord, plundering,

pijniging; tegenover hem werden de edelen weer verscheurende dieren,

grootsch en verschrikkelijk in hunne kracht, vroolijk en welgemoed

terugkeerende van hunne bloedige tochten, overtuigd van den roem

hunner daden, die waard waren door de dichters bezongen te worden. In

de oogen van hunne slachtoffers waren zij afschuwelijke, vreeselijke

monsters: "Die dwaze, belachelijke vermetelheid der edele rassen, die

zich zoo plotseling openbaarde, het onverwachte en onwaarschijnlijke

van hunne ondernemingen, hunne onverschilligheid en verachting voor

alle veiligheid, voor hun leven en hun welzijn, hunne verbazende

zielekalmte, hun groot genot om te vernietigen, te overwinnen en

wreed te zijn, dat alles te zamen maakte voor de slachtoffers hunner

ondernemingen het beeld uit van den "barbaar", "den boozen vijand", van

den "Goth" of den "Vandaal" b.v. [82] Zoo wordt de sterke en machtige

mensch, de "goede" in de meestermoraal, de "booze" in de slavenmoraal.

Het "booze" is in de oogen van den zwakke al wat gewelddadig en hard

is, al wat schrik en vrees aanjaagt; het "goede" moet dus omgekeerd

al die deugden in zich sluiten, die door de meesters veracht worden en

voor de verdrukten en lijdenden het bestaan verzachten, als medelijden,

zachtheid, geduld, nijverheid, nederigheid en welwillendheid; de

"goede", die in de Herrnmoraal door den schrikwekkenden en sterken

krijgsman wordt vertegenwoordigd, wordt in de slavenmoraal de vreedzame

en zachtmoedige mensch, waarop men zelfs in zekeren zin neerziet,

omdat hij al te onschadelijk en te goedhartig is.

Nietzsche's Philosophie · 第 27 / 45 题