I.

Elk tijdperk, elke beschaving bezit, wat Nietzsche noemt, zijne

"waardetafel", wat zeggen wil, dat het de hierarchie der waarden

erkent, de eene zaak boven de andere stelt en de eene daad boven

de andere verkiest; zoo staat, om een voorbeeld te noemen, naar het

oordeel van dat tijdperk waarheid boven dwaling en gaat een daad van

medelijden boven een wreede daad. De bepaling van die waardetafel

nu, en in het bijzonder het vaststellen der hoogste waarden, is

het hoofdfeit der wereldgeschiedenis, omdat die rangschikking der

waarden de bewuste of onbewuste handelingen van elk individu bepaalt

en ons oordeel over die handelingen rechtvaardigt. Het vraagstuk der

waardebepaling staat dus voor den wijsgeer bovenaan en Nietzsche heeft

er zijne beste krachten aan gewijd. De slotsom zijner overpeinzingen

was als volgt: de waardetafel, die door de hedendaagsche Europeesche

beschaving erkend wordt, is verkeerd opgesteld en moet van onderen

tot boven herzien worden; men moet beginnen met het "omwerken van

alle waarden" (Umwerthung aller Werthe), bijgevolg moet men de

orientatie van ons geheele leven veranderen en de hoofdbeginselen,

waarop al onze meeningen berusten, wijzigen. Tegen het einde van

zijn bewust leven zag Nietzsche's verbeelding, die door de steeds

toenemende duisternis, die hem omringde, of wellicht ook door de

nadering van de crisis, waarin zijn verstand ten onderging, ten hoogste

overspannen was, in die philosophische revolutie het uitgangspunt van

eene ontzaglijke omwenteling der menschheid. "Ik zweer u, zoo schreef

hij aan Brandes op 20 Nov. 1888, dat de gansche aarde over twee jaren

in stuiptrekkingen zal terneerliggen. Ik ben een noodlot.... Ich bin

ein Verhängniss." [79]

De moderne mensch plaatst aan het hoofd zijner waardetafel een zeker

getal absolute waarden, die hij boven alle bespreking acht en die hem

tot maatstaf voor de waardeering der werkelijkheid dienen. Onder die

algemeen erkende waarden zijn b.v. het Ware en het Goede begrepen,

want zoo een feit ons ooit onbetwistbaar voorkomt, is het wel, dat

waarheid beter is dan leugen; kan men van eene of andere bewering

of theorie bewijzen, dat zij onjuist is, dan ontneemt men haar alle

geloofwaardigheid en het geloof in waarheid en oprechtheid ten koste

van alles is wellicht een van onze meest gevestigde overtuigingen. Zoo

hebben zelfs de stoutste denkers bevreesd stilgestaan voor het probleem

van goed en kwaad: Kant zag de waarheid, die boven alle rede en alle

bespreking stond, in het bestaan van zijn categorisch imperatief,

"handel zoo, dat uw gedrag tot algemeenen regel gesteld kan worden." En

zelfs Schopenhauer, al critiseerde hij de Kantsche theorie van den

plicht, erkende toch, dat alle menschen het praktisch er over eens

zijn, den inhoud der moreele wet samen te vatten in: Neminum laede,

immo omnes, quantum potes, juva: "Doe niemand kwaad en help anderen

zooveel gij kunt." De wijsgeeren hebben de wettigheid der moreele

overtuigingen nooit in twijfel durven trekken en hebben zich alleen

opgehouden met het zoeken naar "den grondslag der moraal", naar het

redelijk waarom (dat er praktisch niets toe doet) van het oordeel,

dat voortdurend over alle menschelijke daden uit naam van het "moreel

geweten" geveld wordt en waarvoor de geheele wereld vol eerbied

buigt. Tegen die overtuigingen nu, die in onzen tijd het innerlijk

leven van bijna alle menschen beheerschen, tegen de vereering van

de waarheid en den godsdienst der moreele wetten trekt Nietzsche ten

strijde; in plaats van die overtuigingen eerbiedig aan te nemen als

een feit, waarover niet valt te twisten, en te erkennen als eene

autoriteit, wier bevoegdheid men zonder heiligschennis niet kan

onderzoeken, beschouwt hij haar eenvoudig als een vraagstuk en ziet

hij er niet tegen op zich helder af te vragen: Waarom liever waarheid

dan dwaling? waarom liever goed dan kwaad? En na het vraagstuk aldus

gesteld te hebben, lost hij het met dezelfde stoutmoedigheid op en

kiest als gedragsregel voor den waarlijk vrijen mensch de leus van

die geheimzinnige orde der "Moordenaars", die de kruisvaarders in

het Heilige Land ontmoetten: "Niets is waar; alles mag."

Voor Nietzsche zijn dan ook al die metaphysische, geheimzinnige en

bovenmenschelijke wezenlijkheden, wier bestaan de mensch te allen

tijde om zich heen heeft verondersteld en die hij onder verschillende

namen als "God", de wereld der "Dingen op zichzelf", de "Waarheid"

en het "Categorisch Imperatief" vereerd heeft, niet anders dan

spoken onzer verbeelding. De onmiddellijke en eenige werkelijkheid,

die het ons gegeven is te kennen, is de wereld van onze verlangens

en hartstochten. Al onze daden, onze luimen en onze gedachten worden

ten slotte door onze neigingen beheerscht en die neigingen komen

alle weer voort uit één enkele oorspronkelijke neiging, de wil

tot macht, die, volgens Nietzsche's hypothese, op zichzelf alleen

voldoende is om alle levensuitingen, waarvan wij getuige zijn, te

verklaren. Elk levend wezen, hetzij plant, dier of mensch, tracht

in eigen kracht te winnen door andere wezens en andere krachten aan

zijn heerschappij te onderwerpen en die aanhoudende poging nu, die

voortdurende strijd, waarin elk wezen telkens weer zijn eigen leven

op het spel zet om in kracht toe te nemen, is de grondwet van ons

bestaan. Alle openbaringen van het leven worden zonder uitzondering

door neigingen bestuurd; streeft de mensch naar deugd, waarheid

of kunst, zoo heeft hij dat alleen te danken aan eene natuurlijke

neiging, die hem ter eigen voldoening tot eene bepaalde wijze van

handelen drijft en zoo is ook de waarheid, waaraan de geleerde zijn

leven offert, oorspronkelijk te danken aan den wil tot macht, die

zijne heerschappij wil vergrooten. Door eene zonderlinge afwijking

echter is de mensch er toe gekomen dat, wat hij ter bevrediging van

eigen behoeften zelf geschapen had, als zijn ideaal te aanbidden en

in plaats van te zeggen: "Ik leef om mijne neigingen te bevredigen

en krachtens die wet zal ik het goede en de waarheid zoeken naarmate

mijn wil tot macht het mij toestaat", neemt hij als beginsel aan: "Het

goede en de waarheid moeten ter wille van henzelve gezocht worden; men

moet het goede doen, omdat het het goede is en naar waarheid streven

uit liefde voor de waarheid; het leven van den mensch heeft slechts

waarde naarmate hij zijn eigen belangen aan dat ideaal doel weet te

onderwerpen en hij moet dus in naam van dat ideaal zijne persoonlijke

neigingen beteugelen en zelfzucht als een kwaad beschouwen."

De mensch nu, die aldus redeneert en daarnaar handelt, wordt in

werkelijkheid ook door zijn neigingen daartoe gedreven, want neiging

is ten slotte de drijfveer van al onze handelingen, alleen zijn zijne

neigingen bedorven.

De neigingen der menschen zijn trouwens niet alle even gezond; enkele

zijn normaal en helpen de levenskracht vermeerderen, maar andere weer

zijn ziekelijk en werken verzwakkend. Lichamelijke ziekten hebben

natuurlijke oorzaken en ontwikkelen zich volgens de wetten van het

organisme, maar zij eindigen toch met het lichaam te verwoesten en

moeten dus door den medicus bestreden worden. Evenzoo gaat het met de

ziekten der persoonlijkheid: zij hebben een natuurlijken oorsprong,

maar hunne gevolgen zijn er niet minder noodlottig om. Naarmate nu in

het gegeven individu normale of ziekelijke neigingen den boventoon

voeren, zal hij een schoon exemplaar der menschheid of een ontaarde

worden. Men vindt dus aan den eenen kant menschen, die gezond naar

lichaam en ziel zijn, die "ja" zeggen tot het bestaan, die zich

gelukkig gevoelen in het leven en waardig zijn dat leven te doen

voortduren, en aan den anderen kant vindt men zieken, onmachtigen,

decadenten, wier levensinstinct verminderd is en die "neen" zeggen tot

het bestaan, menschen, die tot den dood en het niet-zijn overhellen

en niet langer trachten, of althans niet moesten trachten, het leven

te doen voortduren.

Dat is een natuurlijke physiologische waarheid, waartegen niets te

zeggen valt: het leven verkeert inderdaad in een staat van vooruitgang

of van verval en het neemt toe of af in kracht; de mensch is een plant,

die het eene oogenblik ellendig voortsukkelt en het andere schitterend

ontluikt, van alle kanten krachtige loten uitwerpend. Op die waarheid

nu grondt Nietzsche zijn waardetafel.

Hij redeneert als volgt: "Ik weet niet of het leven op zichzelf goed of

slecht is; niets is feitelijk zoo onnut als het eeuwigdurend getwist

tusschen optimisten en pessimisten en wel om de goede reden, dat

niemand ter wereld in staat is de waarde van het leven te beoordeelen:

de levende mensch niet, omdat hij deel van het debat uitmaakt en zelf

het voorwerp van het geschil is, en de doode evenmin, omdat hij dood

is. [80] Niemand kan dus zeggen wat het leven in zijn geheel waard

is en ik zal te eeuwigen dage niet te weten komen of het beter voor

mij ware te zijn of niet te zijn. Van af het oogenblik echter, dat ik

leef, wil ik, dat het leven in en om mij zoo overvloedig, zoo weelderig

en zoo tropisch mogelijk zij. Ik zal dus "ja" zeggen tot al wat het

leven schooner maakt en het meer waarde en intensiteit geeft. Zoo het

mij duidelijk wordt, dat dwaling en illusie tot ontwikkeling van het

leven dienen kunnen, zal ik "ja" zeggen tot dwaling en illusie en zoo

ik de overtuiging heb, dat neigingen, die door de actueele moraal met

den naam "slecht" bestempeld worden, als hardheid, wreedheid, sluwheid,

brutale vermetelheid, een twistziek humeur, strekken tot vermeerdering

der menschelijke levenskracht, zal ik "ja" zeggen tot kwaad en zonde;

en zoo mij bewezen wordt, dat leed zoowel als genoegen de opvoeding

van het menschelijk geslacht bevordert, zal ik "ja" zeggen tot het

leed. Daarentegen zal ik "neen" zeggen tot al wat de levenskracht der

menschelijke plant vermindert en zoo ik ontdek, dat waarheid, deugd,

het goede, alle waarden in één woord, die tot nog toe door den mensch

gehuldigd en eerbiedigd zijn, het leven benadeelen, zal ik "neen"

zeggen tot de wetenschap en de moraal."

In het volgend hoofdstuk zullen wij nagaan op welke wijze zich,

volgens Nietzsche, de hedendaagsche waardetafel gevormd heeft,

vanwaar die waarden afkomstig zijn en welken zielstoestand zij bij

den modernen Europeaan openbaren.

Nietzsche's Philosophie · 第 26 / 45 题