II.

"Mijne formule voor de grootheid van een mensch," schreef Nietzsche

in zijn dagboek van 1888, is amor fati: geen enkel feit willen

veranderen. Noch in het verleden, noch in de toekomst, tot in de

eeuwigheid niet; niet alleen het noodlot verdragen, nog minder het

verhelen--alle idealisme is een leugen tegen het noodlot--maar het

"lief hebben." Zoo leert ook Zarathustra aan zijne volgelingen:

"De wil is eene scheppende kracht. Al "dat is zoo" blijft slechts

een fragment, een raadsel, een verontrustend toeval tot den dag,

waarop de scheppende wil zegt: "Ik wilde het zoo!", tot den dag,

waarop de scheppende wil zegt: "Ik wil het zoo! Ik zal het altijd

zoo willen!" Overeenkomstig deze moraal wist Nietzsche zijne ziekte

te willen; hij leed zonder zwakheid of zwetserij, zonder te pronk te

loopen met zijne smarten, zonder tragischdoenerij en zonder wanhoop;

zijn eenig streven was zooveel mogelijk voordeel te trekken uit de

smarten, die hij leed en zoo goed mogelijk het leven, zooals het hem

gegeven was, te ontginnen. Het staat niet aan ons hem te beklagen,

want niets geeft ons het recht hem ons medelijden op te dringen,

maar hij heeft recht op onzen eerbied.

De eerste weldaad, die hij in zijne ziekte vond was, dat zij hem

verloste van zijn professoraal en philologisch "vak", want sedert

lang reeds was hem zijne levenswijze te Bazel te veel en hij gevoelde

duidelijk, dat niet de philologie, maar de philosophie zijn levensdoel

was. "Dat is zeker, schreef hij in 1875, dat het feit van een enkelen

regel geschreven te hebben, die waard is door de toekomstige geleerden

verklaard te worden, mij veel zwaarder weegt dan de lof van den

grootsten criticus."

En naarmate zijne ware bestemming hem duidelijker werd, gevoelde

Nietzsche, dat zijn werkkring aan de universiteit hem tot last werd,

want om plichtmatig zijne betrekking te vervullen, offerde hij zijne

beste uren op aan eene studie, die van weinig of geen belang was voor

de groote taak, die hij zich ten doel had gesteld.

Zijne ziekte bespaarde hem de pijn, die alle breken met het verleden

meebrengt en dwong hem tot een geheel ander leven; voortaan verkeerde

hij in de grootste eenzaamheid en alle lezen werd hem jarenlang

onmogelijk; hij was gedwongen tot rust en nietsdoen en dientengevolge

keerde hij in tot zichzelve en stond alleen tegenover zijne ikheid. En

die ikheid, die vroeger verstoord werd door het uitwendige leven, die

begraven werd onder eene opeenhooping van geleerdheid en door vreemde

invloeden werd belemmerd, die ikheid begon opnieuw te spreken, eerst

zacht fluisterend, dan luider en luider: "Nooit, zegt Nietzsche in

zijn dagboek van 1888, heb ik mijzelve meer vreugde geschonken dan

gedurende mijne smartelijkste lijdensjaren.... Die "terugkeer tot

mijzelve" was mij als eene hoogere genezing! De physieke genezing

was er slechts een gevolg van."

Ook nog uit een ander oogpunt wist Nietzsche partij te trekken

van de levensvoorwaarden, die zijne ziekte hem voorschreef; hij

heeft n.l. genoeg geestkracht gehad om in zijn zorgwekkenden

gezondheidstoestand een bijzonder belangrijk psychiologisch

verschijnsel te zien en zichzelf waar te nemen met de koelbloedigheid

en de objectiviteit van den geleerde, die een merkwaardig "object"

onderzoekt. Gewoon als hij was eene philosophie niet als een geheel van

abstracte, onpersoonlijke waarheden te beschouwen, maar als de uiting

van een temperament, van eene persoonlijkheid, overwoog hij van zelf

met bijzondere belangstelling het volgend vraagstuk: Welken invloed

oefenen gezondheid of ziekte op het denken van den wijsgeer uit, want

wanneer het lichaam, onze "groote rede" lijdt, moet onze "kleine rede"

onvermijdelijk het gevolg van dat lijden ondervinden; dientengevolge

kan men de verschillende philosophische leerstellingen niet langer

beoordeelen naar de hoeveelheid objectieve waarheid, die zij inhouden,

maar moet men ze beschouwen als pathologische verschijnselen; men kan

zich dan afvragen of deze of gene theorie of overtuiging een teeken

van gezondheid of wel van verval is bij hem, die haar verkondigt.

Nu zal het natuurlijk een denker des te gemakkelijker vallen dat

vraagstuk op te lossen, naarmate hij bij ondervinding meer of

minder verschillende gezondheidstoestanden heeft doorgemaakt en

dientengevolge in zekeren zin meer of minder philosophieën heeft

"doorleefd". Nietzsche ging dus met wetenschappelijke nieuwsgierigheid,

die in zijn geval van zekere grootheid getuigde, na welke de uitwerking

was, die zijne ziekte op zijne denkbeelden veroorzaakte en op welke

wijze het physiek lijden in zijn denken weerklank vond.

In de eerste plaats merkte hij op, dat het lijden hem wantrouwend

stemde ten opzichte van het leven en hem weerspannig maakte tegen de

troostende en verfraaiende droombeelden, die zoo welkom zijn aan hen,

die het leven goedertieren behandelt. "Ik twijfel er aan, zegt hij,

dat de smart ons "beter" maakt, maar ik weet, dat zij ons diepzinniger

maakt." Om langdurige lichamelijke kwellingen te weerstaan, moet de

mensch eene zeer groote mate van zelfbedwang uitoefenen, hetzij door

de wilskracht van den Indiaan, die ondanks de hevigste folteringen

tot het einde toe zijne zegevierende vijanden trotseert, hetzij

door zich als de heilige of de fakir over te geven aan eene volkomen

zelfverloochening in eene algeheele verzaking van den wil. De mensch,

die zonder bezwijken een dergelijke beproeving doorstaat, leert de

levensproblemen met een steeds helderder ziend wantrouwen beschouwen

en meedoogenloos weigert hij de werkelijkheid mooi te vinden; hij

weert alle verfraaiende en troostende hypothesen af en gevoelt een

boosaardigen dorst naar wraak tegen het leven, naar vergelding; hij wil

vergoeding zoeken voor al het leed, dat het leven hem berokkent door

het vlak in de oogen te zien en het alle sluiers en bedriegelijke

sieraden, die dienen moeten om de menschheid te verleiden en te

bedriegen, te ontrukken. Mocht hij het leven nog liefhebben, dan is

zijne liefde als die van den jaloerschen minnaar, die de vrouw nog

liefheeft, die hem bedrogen heeft en hem wantrouwen inboezemt.

Verder merkte Nietzsche op, dat het lijden--zij het ook door

eene schijnbaar paradoxale gevolgtrekking--hem tot optimisme had

gebracht. Zijne ziekte leerde hem n.l. bij ondervinding de uitwerking

kennen, die physiologische depressie op den geest van den denker

veroorzaakt. Hij zag hoe het lijden langzamerhand den trots der

wijsgeerige rede tracht te knakken, hoe het die rede wil brengen

tot zwakheid, gelatenheid en droefheid en hij zoekt de oorden van

toevlucht en rust op, de "zonneplekjes" in het rijk van den geest,

waar het denken der zieken en ontaarden eenige verzachting voor

zijne ellende vindt. En uit zijne opmerkingen besloot hij, dat alle

philosophie, die vrede boven oorlog stelt, alle moraal, die van

het geluk eene negatieve verklaring geeft, alle metaphysica, die

een staat van evenwicht en bepaalde rust beschouwt als het einddoel

van de evolutie en alle aesthetisch of godsdienstig verlangen naar

eene betere wereld, naar een of ander hiernamaals, in den grond

waarschijnlijk niets anders is dan een teeken van ontaarding;

hij meende te begrijpen, dat alle pessimistische of quietistische

theorieën slechts aantoonden, dat degenen, die haar uitvonden, aan

een of andere physiologische kwaal leden. En daar hij genezen wilde,

wilde hij ook optimisme. De ondervindingen, die hij gedurende zijne

ziekte had opgedaan, maakten hem de ware oorzaak van het pessimisme

duidelijk en daarom verzamelde hij alle levenskracht, die in hem was

om zich tegen het leed te verzetten en physiek, zoowel als moreel

een beslissenden strijd tegen zijne ziekte te voeren. Dank zij zijn

geestkracht bleef hij overwinnaar; hij werd optimist en herwon

zijne gezondheid: "In zekeren zin ontdekte ik het leven opnieuw,

schreef Nietzsche in zijn dagboek van 1888, ik vond mijzelve terug en

genoot van al het goede, zelfs van het kleinste zooals een ander het

moeilijk zou kunnen doen,--van mijn wil om te genezen en te leven

maakte ik mijne wijsbegeerte. Men merke dan ook op, dat de jaren,

waarin mijne levenskracht tot zijn minimum daalde, dezelfde waren,

waarin ik ophield pessimist te zijn; de drang naar zelfbehoud verbood

mij eene philosophie van ontzegging en ontmoediging."

Nietzsche's Philosophie · 第 21 / 45 题