I.

Gedurende de negen jaren, die op zijn afscheid van de Baselsche

universiteit volgden, was Nietzsche's leven slechts één lange strijd

tegen de ziekte, die zijne gezondheid ondermijnde en ten slotte zijn

hardnekkigen weerstand overwon: in de eerste dagen van 1889 werd

Nietzsche door waanzin aangetast; zijn worstelen duurde elf jaren,

die hij, zonder eenige hoop op beterschap, te Jena, te Nauenburg

en te Weimar doorleefde zonder zijnen arbeid te kunnen vervolgen en

zonder zich bewust te zijn van het jaarlijksch toenemen van zijnen

roem; eindelijk op 26 Augustus 1900 stierf hij te Weimar. Daar men

somtijds getracht heeft zijne geheele philosophie af te breken door

haar voor het werk van een krankzinnige te doen doorgaan, is het onze

plicht naar de documenten, die Mevr. Förster-Nietzsche uitgaf, een

kort overzicht te geven van de voornaamste feiten, die in staat zijn

ons den geestestoestand van Nietzsche gedurende de jaren van respijt,

die hij had in zijne ziekte, te verklaren.

Nietzsche behoorde tot eene familie, waarin een hooge ouderdom

bijzonder veel voorkwam. Het meerendeel der broeders, zusters en

oudere bloedverwanten van zijnen vader werden ouder dan zeventig,

tachtig of zelfs negentig jaren en diezelfde hooge ouderdom kwam voor

in de familie zijner moeder, terwijl onder al zijne voorgangers geen

enkel geval van waanzin voorkwam. Daarentegen stierf zijn vader op

36 jarigen leeftijd aan hersenverweeking--zoo meldt een dagboek uit

Nietzsche's kinderjaren, en volgens mevrouw Förster-Nietzsche was

die ziekte uitgebroken ten gevolge van een val, dien haar vader elf

maanden te voren van eene trap had gedaan.

Nietzsche schijnt een buitengewoon sterk gestel gehad te hebben,

evenals allen van zijn geslacht en zijn eenig gebrek was eene groote

bijziendheid, die hem zoowel gedurende zijne studie als in zijne

militaire dienstjaren zeer hinderlijk was. Zijne gezondheid schijnt

eerst verminderd te zijn naar aanleiding van de ernstige ziekte, die

hij in 1870 uit Frankrijk meebracht. Van af dat oogenblik openbaarden

zich bij hem periodieke hoofdpijnen, gepaard gaande met braken,

maag- en oogpijnen. Reeds in 1875 werden die aanvallen ernstiger en

gedurende den winter, vooral tegen December en Januari deden zij zich

zeer hevig gevoelen. De winter van 1876 op 1877, dien Nietzsche in het

Zuiden doorbracht, schonk zijne ziekte geen duurzame beterschap. In

1879 keerden de aanvallen menigvuldiger en heviger terug dan te

voren: van af Januari 1879 tot Januari 1880 telde Nietzsche honderd

achttien dagen van vreeselijke pijnen. Zoo bracht hij drie jaren

tusschen leven en dood door zonder zich te laten ontmoedigen in den

strijd tegen de pijn, die hem martelde, besloten om te leven en zijne

philosophische taak af te maken; gedurende het ergste zijner ziekte

werkte hij zelfs aan een deel aphorismen Morgenröthe (1880-1881), dat,

zooals hij later zei, geschreven werd "met een minimum van kracht en

gezondheid." En in zijne energische kracht slaagde hij er in zijne

pijn te overwinnen. Van af 1882 kwam er eene merkbare verbetering

in zijnen toestand; zijne winters bracht hij in het Zuiden door bij

Genua of Nice en zijne zomers in den hoogen Engadin, waar hij zich

zeer hechtte aan het dorpje Sils-Maria. Dank zij die voorzorgen leidde

hij een vrij dragelijk leven, dat hij aan eene intense letterkundige

productie wijdde. Hij schreef en gaf achter elkander de volgende

werken uit: Die fröhliche Wissenschaft (1881-1882), de vier deelen

van Also sprach Zarathustra (1881-1885), Jenseits von Gut und Böse

(1885-1886), Zur Genealogie der Moral. Eine Streitschrift (1887). En

in 1888 verdubbelde zijn intellectueele ijver: al werkende aan het

groote werk, waarin hij de besliste uiting zijner denkbeelden wilde

weergeven, Der Wille zur Macht. Versuch einer Umwerthung aller Werthe,

schreef hij in het voorjaar Der Fall Wagner (Mei en Juni), 's zomers

de Dithyramben an Dionysos (Augustus) en Götzen-Dämmerung oder wie

man mit dem Hammer philosophirt (einde Augustus, begin September);

van 3 tot 30 September schreef hij het eerste deel van Der Wille

zur Macht, Der Anti-Christ en tegen half December redigeerde hij nog

Nietzsche contra Wagner.... Eenigen tijd daarna, in de eerste dagen

van Januari brak de waanzin uit.

Niet met juistheid kennen wij de ziekte, waaraan Nietzsche geleden

heeft en zij schijnt ook de doktoren, die hem behandelden, in

verlegenheid gebracht te hebben. Zijne zuster, die hem meermalen

met bewonderenswaardige toewijding heeft opgepast, geloofde, dat

zijne ziekte accidenteel en niet aangeboren was: naar haar oordeel

lag de oorzaak in de ziekte, die hij in 1870 in de ambulance had

opgedaan en waarna hij, in plaats van langen tijd rust te zoeken

tot herstel van de ondervonden physieke en moreele schokken, slechts

half beter zijnde, opnieuw aan het werk was getogen. Volgens mevrouw

Förster-Nietzsche was de gezondheid van haren broeder langzamerhand

vernietigd door overwerking, gepaard aan slechte hygiène en misbruik

van medicamenten. Toch is het moeilijk, wanneer men den aard van

Nietzsche's ziekte kent, geheel de hypothese van een erfelijken invloed

van zich af te zetten, en Nietzsche zelf bedroog zich daaromtrent

niet, want hij was er van overtuigd, dat de kiem zijner ziekte van

zijnen vader kwam en gedurende zijn hevige crisis in 1880 verwachtte

hij elk oogenblik "de cerebrale congestie" die hem uit zijn lijden

zou verlossen. [68] Hieruit mag men echter niet besluiten, dat in

Nietzsche de waanzin verborgen gehuisd heeft gedurende zijn geheele

leven en op al zijne werken invloed heeft uitgeoefend. Weliswaar heeft

het gerucht geloopen, dat Nietzsche herhaalde malen in een gesticht

werd geïnterneerd en "dat hij zijne voornaamste werken geschreven

zou hebben tusschen twee verblijven in een krankzinnigengesticht"

[69], maar die praatjes zijn zoowel door Nietzsche zelf in het laatste

jaar van zijn bewust leven [70] als door de personen zijner omgeving

aan wier getuigenis men zonder bepaalde tegenbewijzen moeilijk zou

kunnen twijfelen, categorisch weerlegd. Zelfs schijnt de ziekte, ook

gedurende de hevigste aanvallen, bij hem geen enkele intellectueele

dwaling te hebben veroorzaakt, welk feit herhaaldelijk door Nietzsche,

zoowel als door zijne zuster bevestigd werd. Zoo schreef hij in 1888:

"Gedurende de martelingen, die mijn hoofd mij deed ondergaan, gepaard

met brakingen drie dagen achtereen, behield ik eene buitengewone

helderheid van denken en kon ik met groote koelbloedigheid vraagstukken

oplossen, waarvoor ik in normalen toestand, de noodige vlugheid of

scherpzinnigheid, de noodige koelheid van hoofd mis.... Alle ziekelijke

troebelen van het verstand, zelfs die halve verdooving, die koorts

meebrengt, zijn mij tot den huidigen dag vreemd gebleven." [71] "Mijn

pols," schreef hij ook, "was even langzaam als die van Napoleon I (=

60)." Toch dient gezegd te worden dat Nietzsche's voornaamste werken

behooren tot de dagen tusschen 1882 en 1887 toen zijn toestand veel

beter werd. En ten slotte blijkt het, dat zijn waanzin zeer plotseling

is uitgebroken. Noch in zijne geschriften, noch in de brieven, die

hij einde 1888 tot den beroemden Deenschen criticus Brandes richtte,

kan men het minste teeken van waanzin vinden: hoogstens vindt men in de

allerlaatsten eenige symptomen van ziekelijke opwinding. Daarentegen

liet een briefje, dat hij op 4 Januari 1889 aan Brandes schreef,

geen twijfel meer toe omtrent Nietzsche's geestestoestand: [72]

dat was wel het werk van een krankzinnige.

Bovenstaande feiten vernietigen m.i. allen twijfel: Nietzsche's werken

werden geschreven ten tijde, dat hij nog in het volle genot zijner

vermogens verkeerde. Wil men niettemin toch geen waarde hechten aan

zijne leerstellingen onder voorwendsel, dat zijn verstand, alvorens

geheel tot waanzin over te slaan, reeds aangetast kon wezen door

die ziekte, dan blijft dat toch niets meer dan eene mogelijkheid,

die door geen enkel positief feit gestaafd wordt. Hoogstens kan

men er uit afleiden, dat men Nietzsche's theorieën met buitengewone

omzichtigheid moet onderzoeken alvorens die aan te nemen; maar dwingt

de meest elementaire intellectueele eerlijkheid ons niet tot een

zelfde onderzoek bij elke philosophische theorie? Of wil men reeds

bij voorbaat Nietzsche's theorieën verzwakken onder voorwendsel,

dat zij het werk waren van een zieke, een "ontaarde" en dat zij

bijgevolg niet anders kunnen zijn dan "ongezond"? Niets komt mij

echter onvruchtbaarder voor dan twee soorten van genieën te willen

onderscheiden, de "gezonde" en de "ziekelijke" genieën, daar het mij

toch geheel onmogelijk schijnt de juiste grenslijn tusschen beide

categorieën te bepalen. "Er bestaat geen gezondheid op zichzelve,"

zegt Nietzsche, "en alle pogingen om een dergelijk iets te bepalen,

hebben jammerlijk gefaald. Gij moet rekening houden met uw doel,

uwen horizon, uwe krachten, uwe neigingen en uwe dwalingen en bovenal

met de innige overtuiging en de droombeelden van uwe ziel; dan eerst

kunt gij beslissen wat, ook voor uw lichaam, het woord gezondheid

beduidt. Er bestaan dus ontelbaar veel soorten van gezondheid van het

lichaam en hoe grooter de mogelijkheid wordt voor het individu om het

hoofd op te heffen, zooveel te meer zal het dogma van "de gelijkheid

aller menschen", het begrip van eene "normale gezondheid" te niet

gaan en bij de medici dat van een "normale hygiëne" en den "normalen

loop eener ziekte" verflauwen. Dan eerst zal de tijd gekomen zijn om

over de gezondheid en de ziekte der ziel na te denken en in beginsel

vast te stellen, dat ieders eigen deugd de gezondheid zijner ziel is

en in dat geval zal het zeer wel mogelijk zijn, dat die gezondheid

bij den een gelijkt op datgene, dat bij den ander juist ongezond

is. Dan nog rest de groote vraag, te weten of wij zonder ziekte zouden

kunnen leven, juist met het oog op de ontwikkeling van onze deugd,

en of de zieke ziel niet even onmisbaar is voor onze dorst naar

zelfkennis en zelfbewustzijn als de gezonde, kortom, of het willen

van uitsluitend gezondheid niet een vooroordeel en eene lafheid zou

zijn, wellicht een zeer verflauwd overblijfsel van barbaarschheid,

een reactionnaire neiging." Onder bovenstaande voorwaarden zullen

wij geheel onpartijdig Nietzsche's theorieën kunnen bestudeeren; wij

weten alleen, dat zij het werk van eene buitengewone natuur waren,

en zijn besloten dat werk met evenveel onafhankelijkheid van geest

te onderzoeken als wij gedaan zouden hebben wanneer de schrijver

in plaats van lange jaren aan waanzin te hebben geleden, in 1889

neergeveld ware door de beroerte, die hij reeds negen jaren vroeger

verwachtte, in welk geval waarschijnlijk niemand er aan gedacht zou

hebben in zijn werk de hersenschimmen van een krankzinnige te zien.

Nietzsche's Philosophie · 第 20 / 45 题