III.

De eerste daad in Nietzsche's philosophisch leven, zijne "Geburt der

Tragödie" is de schitterende bevestiging van een nieuw, n.l. het

tragisch ideaal en tevens een opgetogen lofspraak op Aeschylus,

Schopenhauer en Wagner, in wie hij de voornaamste vertegenwoordigers

van dat ideaal erkent. En evenzoo eindigde Nietzsche in de laatste

jaren van zijn bewust leven opnieuw met de nog meer zegepralende en

bezielde bevestiging van zijn ideaal, van datzelfde ideaal, dat hij

reeds als jongeling in zich had bespeurd, want de philosophie van

den Uebermensch, die Zarathustra onderwijst, komt in den grond bijna

geheel overeen met de tragische philosophie. Tusschen die twee zelfde

perioden nu van een bevestigen vol vreugde en vertrouwen, strekt zich

een tijd van ontkennen en uitermatige critiek uit als eene depressie,

die twee bergtoppen scheidt. Nietzsche was overijld aan het bouwen

gegaan en moest inzien dat zijne bouwmaterialen niet sterk waren. Wij

hebben opgemerkt, dat hij aan het einde van zijne eerste levensperiode

staafde, dat Schopenhauers pessimisme en Wagners decadente kunst niets

met zijn eigen innerlijke en oorspronkelijke overtuiging hadden uit

te staan en dat hij begreep hoe noodig het was al zijne ideeën zonder

onderscheid aan een strenge critiek te onderwerpen om er met vaste

hand de vreemde elementen en parasieten, die er in geslopen waren, uit

te roeien. In de tweede helft van zijn leven doorliep Nietzsche nog

éénmaal, doch nu in omgekeerde richting, den weg, dien hij gedurende

de eerste helft had gevolgd. Na meedoogenloos alle valsche waarden,

die hij nog in zijne eerste werken erkende, te hebben vernietigd,

verhief hij zich opnieuw van ontkennen tot bevestigen en ging hij over

van de koele onversaagdheid van den criticus tot de quasi mystieke

vervoering van den profeet.

De eerste werken uit Nietzsche's eigenlijk philosophische periode,

Menschliches Allzumenschliches, Vermischte Meinungen und Sprüche,

Der Wandrer und sein Schatten, Morgenröthe, die, zooals wij zeiden,

geschreven werden gedurende den tijd dat zijne gezondheid het ernstigst

bedreigd werd, spreken van het diepe wantrouwen in het leven, dat zijne

ziekte in hem gewekt had; de geest, die er uit spreekt, is scherp

en koud en Nietzsche doet zich er in kennen als de onbarmhartige

verwoester, die tegen alle godsdienstige, metaphysieke en moreele

begrippen stormloopt; hij vergelijkt zich daarin bij een mijnwerker,

die de basis der meest vaststaande dogmen ondermijnt en langzaam,

geduldig en zeker zijne onderaardsche gangen uitbreidt, ver van

het daglicht en ver van het menschelijk oog. Menschliches is een

verwoede aanval op het romantisch pessimisme, en in het bijzonder op

Schopenhauer, wiens leerstellingen Nietzsche, als hij zijne vroegere

meening verloochent, hooghartig verstoot; hij verwerpt nu de hypothese

van den wil als een "op zichzelf staand iets", terwijl hij die nog

aannam in Die Geburt der Tragödie en ontkent in het algemeen de

noodzakelijkheid van het geloof in een "op zichzelf staand iets";

hij bestrijdt de moraal van het medelijden, de verheerlijking van

de zelfverloochening, de leer, die den mensch voorhoudt, dat hij

van alle persoonlijke en egoïste verlangens afstand moet doen en hij

neemt zelfs niet langer aan, dat het doel van de menschheid bestaat

in het voortbrengen van het genie, zooals hij nog in Schopenhauer als

Erzieher schreef, maar verkondigt, dat zij over het geheel genomen

geen bepaald doel voor oogen heeft.

In Der Wandrer und sein Schatten tracht Nietzsche "die schaduw te

onderzoeken, die uit alle dingen vloeit zoodra de zon der kennis

ze beschijnt" [73]; want al te goed weet hij welk eene verkeerde

voorstelling men zich van alles maakt, wanneer men het alleen onder

het licht der idealistische kennis bestudeert, daar men dan alleen

de verlichte zijden ziet, terwijl de schaduwzijden voor den blik

verborgen blijven, en daarom moet de denker, die zich een volledig

beeld der werkelijkheid wil scheppen, haar ook van de donkere zijde

leeren bezien. In de Morgenröthe eindelijk onderwerpt Nietzsche die

waarde aan de critiek, die door den mensch te allen tijde als de

hoogste waarde wordt beschouwd, n.l. het geloof aan de moraal. Hij

toont aan, dat het gevoel van plicht niet uit een bovennatuurlijken

oorsprong voortkomt en evenmin van overheerschende of besliste waarde

is, dat er geen eeuwige en onverzettelijke wet bestaat voor goed en

kwaad en dat de moraal, die den mensch dwingt jegens zichzelf waar te

zijn ten koste van alles, ten slotte zichzelve vernietigt: de mensch

wordt "immoralist" door de moraal, evenals hij atheïst wordt door den

godsdienst: zijn intellectueele eerlijkheid dwingt hem er toe zijne

critiek op de moraal zelve toe te passen en de wettigheid van hare

leerstellingen in twijfel te trekken.

Het ideaal van het leven, zooals Nietzsche het zich voorstelt, komt in

die dagen eenigszins het ideaal van den positivist nabij. Hij neemt

aan, dat zich in de eerste dertig levensjaren van elk sterveling

in zekeren zin eene evolutie herhaalt, die de geheele menschheid

wellicht dertig duizend jaren heeft gekost. In zijne kinderjaren

is de moderne mensch godsdienstig; dan verliest hij het geloof

in God en de onsterfelijkheid en vindt hij gedurende eenigen tijd

zijn steun in de strengere bekoring der metaphysica, doch ook deze

bevredigt hem weldra niet meer en wordt hem gaandeweg slechts een

aesthetisch geloof, eene warme vereering van de kunst. Ten slotte

laat de wetenschappelijke geest zich meer en meer gelden en drijft

den mensch tot een nauwkeurige studie van geschiedenis en natuur,

en in den man der wetenschap, "den vrijen geest", die zich van alle

illusie en vooroordeel heeft losgemaakt, ziet Nietzsche gedurende

eenigen tijd het schoonste type der hoogstaande menschheid. De vrije

geest is een "intellectueel pessimist" en moet eene sterke, moreele

gezondheid bezitten om zich niet tot wanhoop en nihilisme te laten

gaan, want niet ongestraft kan de mensch den sluier der dwaling,

die hem van alle kanten omringt, verscheuren en de werkelijkheid

in de oogen zien. "Het geheele menschelijk leven is diep in dwaling

verzonken en het individu kan het uit die put niet verlossen zonder

door en door vijandig gestemd te worden tegen zijn verleden, zijne

tegenwoordige drijfveeren bespottelijk te vinden en met smaad en

verachting neer te zien op de hartstochten, die ons doen hopen op de

toekomst en op een toekomstig geluk." [74] Hij kan evenwel, zoo hij

een moedig en energisch temperament bezit, in zijne wetenschap zelve de

beweegredenen vinden om niet aan wanhoop toe te geven: pessimistische

kennis bevrijdt hem n.l. van de zorgen, die den alledaagschen mensch

vervolgen en, waar hij geen belang meer stelt in datgene, dat waarde

heeft voor alle anderen, geniet hij te meer en te vrijer van het

aanschouwen der dingen; vrij van alle vrees is het hem een genot

boven de menschelijke beweging, boven gewoonten, vooroordeelen en

wetten te zweven; hij leeft uitsluitend om zijne kennis te verrijken

en vindt zijne grootste belooning in het begrijpen in en om zich van de

noodzakelijke wetten der wereld-evolutie en wellicht een voorgevoel te

hebben van wat de toekomst van het menschelijk geslacht beduidt. "Meent

gij, dat zulk een leven met een dergelijk doel te moeilijk en van

alle bekoring ontbloot is? Welnu, dan hebt gij nog niet ondervonden,

dat er geen honig zoo zoet is als de honig der wetenschap en dat de

drukkende wolken der droefheid als de zware borsten zijn, waaruit

gij de versterkende melk zult putten. Wanneer dan de ouderdom komt,

zult gij het begrijpen waarom gij de stem van die natuur zijt gevolgd,

en hoe die natuur de wereld door het genoegen leidt. Het leven, welks

toppunt de ouderdom is, heeft nog een tweede toppunt in de wijsheid,

die de uitstraling van eene bestendige vreugde is en beide, wijsheid

en ouderdom zult gij vinden op den top van uwen laatsten opgang,

want zoo heeft de natuur het gewild. Dan slaat de ure,--berust er

in--dat de nevel des doods nadert. Moge dan uwe laatste beweging een

oprichten naar het licht en uw laatste zucht een zegelied der wijsheid

zijn!" [75]

Van af 1882 echter begint de toon van Nietzsche's werken onmerkbaar

te veranderen; wel zet hij tot het einde toe den strijd voort tegen

de meeningen van zijn tijd en zoo draagt een zijner laatste werken,

Götzendämmerung, den beteekenisvollen bijtitel: Wie man mit dem Hammer

philosophirt en komen in de Genealogie der Moral en in de Antichrist

somtijds ongehoorde aanvallen op het Christendom en op diens ascetisch

ideaal voor, maar tusschen het oorlogzuchtig trompetgeschal, de kreten

van woede en haat en de uitingen van bitteren spot door klinken nu de

lyrische, geestdriftvolle tonen van een zegelied. Na vele jaren van

ziekte en lijden, waarin hij van den eenen dag op den andere leefde in

voortdurende afwachting van den dood, herademt hij en droomt hij weer

van betere dagen. "Dit boek, zeide hij, sprekende van Die fröhliche

Wissenschaft, dat in 1882 geschreven was, is slechts de vreugdekreet,

die op lange dagen van ellende en onmacht volgde, het is de juichende

zang van de wederkeerende krachten, het herlevend geloof in een

morgen en een overmorgen, het plotseling besef en voorgevoel van

een toekomst, die zich voor mij opende, van aanstaande avonturen,

ruime zeeën en nieuwe doeleinden, waarnaar ik streven kon, waarin ik

gelooven kon." [76] Hij ontkwam aan de heerschappij zoowel van de

ziekte, die den horizon van zijn leven verduisterde, als van zijn

onhandelbaren trots, die niet buigen wilde voor smart en zichzelf

dwong het hoofd op te houden krachtens het fiere grondbeginsel,

"dat een zieke het recht niet heeft pessimist te zijn." [77] Nu

gevoelde hij de vreugdevolle opwinding van herwonnen gezondheid

en het was hem als eene zonnige lente na een strengen winter. Die

gemoedsstemming stond hem niet toe zich langer tevreden te stellen met

het ideaal van den "vrijen geest", zooals hij het in zijn Menschliches

beschreven had; want dien "vrijen geest" ontbrak het aan vreugde;

het leed had hem eenigszins somber gestemd en hij had zich nog niet

geheel losgemaakt van den geest der traagheid, van "dien hoogen,

almachtigen demon, dien men als den meester der wereld beschouwt"

[78]; hij kon nog niet "dansen" en zich vrij en vroolijk op den

stroom van het leven bewegen. Dan ontwaakt in Nietzsche's denken

een nieuw visioen van de toekomst en zijne kunstenaarsverbeelding

toovert hem de schitterende figuur van den profeet Zarathustra voor,

van den man, die, na een tienjarig verblijf in de woestijn, "waarin

hij opging in het genot van zijn denken en zijne eenzaamheid", zich

tot de menschheid begeeft om haar den godsdienst van den "Uebermensch"

en den leer van het "Eeuwig Wederkeeren" te verkondigen, den man,

die in zijn eenzame grot de zuiverste exemplaren der verhevene,

maar lijdende menschheid, de "menschen van het groot verlangen,

van de diepe verachting en van de grootste walging", die eenmaal

plaats moeten maken voor den "Uebermensch", om zich heen vereenigt,

hen van hun pessimisme geneest door hun het visioen der toekomst voor

oogen te houden en ten slotte sterft op het oogenblik, dat hij den

hoogsten graad van wijsheid bereikt en dat de zon van zijn bestaan

in het zenith staat, op het groote "middaguur" den zegepraal van zijn

leer met zijn dood bekrachtigende.

Het is ons doel in de beide volgende hoofdstukken een kort begrip van

Nietzsche's philosophie te geven door eerst het negatieve gedeelte van

zijne leer te verklaren, zijnde de kritiek over den hedendaagschen

mensch en over diens overtuigingen en gevoelens, en daarna het

positieve gedeelte: den godsdienst van den "Uebermensch" en van het

"Eeuwig Wederkeeren". Ik weet, dat deze wijze van te werk gaan aan

ernstige tegenwerpingen bloot staat, en wel in de eerste plaats,

omdat Nietzsche's ideeën, onder systematischen vorm verklaard, een

dogmatischen schijn verkrijgen, dien zij eigenlijk niet hebben en ook

niet bedoelen. Zeker is het althans, dat Nietzsche's denken van 1878

tot 1888 niet onveranderd is gebleven; hierboven toonde ik aan, dat er

tegen 1882 een groote keer in kwam en zonder moeite zou men tusschen

de tijdruimten van 1878 tot 1882 en die van 1882 tot 1888 nog andere

meer of minder belangrijke afwijkingen kunnen aantoonen. Daarbij

is Nietzsche geen schoolphilosoof en wil hij het ook niet zijn. De

waarheid op zichzelve is hem geheel onverschillig; het is hem niet

te doen om stellingen te bewijzen door logische argumenten en nog

minder om een fraai samenhangend, goed geordend systeem ineen te

zetten en evenmin geeft hij zich de moeite de meeningen, die hij

als fout beschouwt, door beredeneering te weerleggen. Zijn wijze

van procedeeren is steeds dezelfde; hij zegt: "Mijn gevoel doet mij

in dezen of genen mensch of menschengroep ontaarde of verachtelijke

wezens zien of wel in een of andere theorie of meening een ziekelijk

beginsel vinden en ik strijd er tegen zooals men tegen een natuurlijke

plaag of eene ziekte strijdt. Wanneer het dan waar is, dat ik een

levensbeginsel vertegenwoordig en mijn tegenstanders daarentegen een

stervensbeginsel, komt mij noodzakelijk de overwinning toe; in het

tegenovergesteld geval moet ik niet minder noodzakelijk vallen en daar

ik slechts één ding wil, den triomf van het leven, zal ik mij zoowel

over mijne overwinning als over mijne nederlaag kunnen verheugen;

al het overige is mij onverschillig."

Is het dus niet onvoorzichtig een "systeem" van Nietzsche te vormen,

zooals men er een van Kant of Schopenhauer vormt, terwijl men opmerkt

hoe weinig plaats de logische waarheid innam in zijne overwegingen?

Zoo ik er dan toch toe overging, in plaats van Nietzsche's werken

stuk voor stuk te beschouwen, een algemeen overzicht te geven van de

voornaamste vraagstukken, die hij behandelde, en van de oplossingen,

die hij er aan gaf, is dat in de eerste plaats omdat Nietzsche

herhaalde malen op dezelfde vraagstukken terugkwam; eerst gaf hij

het probleem vluchtig aan, om het daarna weer op te nemen, het te

onderzoeken en er zich in te verdiepen, totdat hij er een besliste

oplossing voor gevonden had. Door nu zijne werken elk afzonderlijk te

ontleden, loopt men kans telkens weer aan de uiteenzetting van dezelfde

onderwerpen te beginnen. En daarenboven, wat voor mij trouwens de

voornaamste reden is, al schat Nietzsche de logica niet hoog en al

hecht hij niet aan het zoeken naar de waarheid op zichzelf, zoo wil

dat geenszins zeggen, dat zijn denken onsamenhangend en onlogisch

was--verre van dien. Ik ben er zelfs van overtuigd, dat Nietzsche

wel degelijk een systeem van nauw samenhangende denkbeelden heeft

uitgedacht en dat hij het alleen niet onder systematischen vorm

heeft gebracht, omdat zijn gezondheidstoestand hem dwong zijne

gedachten te uiten in den vorm van aphorismen, die hij uit het

hoofd en al loopende, zonder schrijven, kon opstellen, terwijl

het hem om zuiver materieele redenen onmogelijk was de uitvoering

van groote werken te ondernemen. Het is trouwens opmerkelijk, dat

de werken uit het laatste gedeelte van Nietzsche's leven van eene

veel nauwkeuriger bewerking getuigen dan die van 1872 tot 1882: Zur

Genealogie der Moral is ondanks de uitwendige verdeeling in aphorismen

wel degelijk een "verhandeling", en zoo zou ook Der Wille zur Macht,

te oordeelen naar het eerste gedeelte, dat alleen afgemaakt werd,

een veel systematischer werk zijn geworden dan al de vorige. Ik

meen dus Nietzsche's denken niet verkeerd voor te stellen door

het onder den van zelf eenigszins kunstmatigen vorm van eene soort

philosophisch leerstelsel weer te geven, ook al heeft hij zelf die

wijze van verklaring nooit gekozen. Ik zal trouwens trachten mijnen

lezers door menigvuldige citaten eene sprekende voorstelling te geven

van dat werk zoo vol kleur en leven en zoo vrij van alle schoolsche

pedanterie, waarin men bij elke bladzijde gevoelt, dat de schrijver

hart en ziel gelegd heeft in de studie der vraagstukken, die, volgens

zijn schilderachtige uitdrukking, een borstelige huid vol stekels

hebben, weinig geschikt om geaaid en gestreeld te worden.

Nietzsche's Philosophie · 第 22 / 45 题