De eerste daad in Nietzsche's philosophisch leven, zijne "Geburt der
Tragödie" is de schitterende bevestiging van een nieuw, n.l. het
tragisch ideaal en tevens een opgetogen lofspraak op Aeschylus,
Schopenhauer en Wagner, in wie hij de voornaamste vertegenwoordigers
van dat ideaal erkent. En evenzoo eindigde Nietzsche in de laatste
jaren van zijn bewust leven opnieuw met de nog meer zegepralende en
bezielde bevestiging van zijn ideaal, van datzelfde ideaal, dat hij
reeds als jongeling in zich had bespeurd, want de philosophie van
den Uebermensch, die Zarathustra onderwijst, komt in den grond bijna
geheel overeen met de tragische philosophie. Tusschen die twee zelfde
perioden nu van een bevestigen vol vreugde en vertrouwen, strekt zich
een tijd van ontkennen en uitermatige critiek uit als eene depressie,
die twee bergtoppen scheidt. Nietzsche was overijld aan het bouwen
gegaan en moest inzien dat zijne bouwmaterialen niet sterk waren. Wij
hebben opgemerkt, dat hij aan het einde van zijne eerste levensperiode
staafde, dat Schopenhauers pessimisme en Wagners decadente kunst niets
met zijn eigen innerlijke en oorspronkelijke overtuiging hadden uit
te staan en dat hij begreep hoe noodig het was al zijne ideeën zonder
onderscheid aan een strenge critiek te onderwerpen om er met vaste
hand de vreemde elementen en parasieten, die er in geslopen waren, uit
te roeien. In de tweede helft van zijn leven doorliep Nietzsche nog
éénmaal, doch nu in omgekeerde richting, den weg, dien hij gedurende
de eerste helft had gevolgd. Na meedoogenloos alle valsche waarden,
die hij nog in zijne eerste werken erkende, te hebben vernietigd,
verhief hij zich opnieuw van ontkennen tot bevestigen en ging hij over
van de koele onversaagdheid van den criticus tot de quasi mystieke
vervoering van den profeet.
De eerste werken uit Nietzsche's eigenlijk philosophische periode,
Menschliches Allzumenschliches, Vermischte Meinungen und Sprüche,
Der Wandrer und sein Schatten, Morgenröthe, die, zooals wij zeiden,
geschreven werden gedurende den tijd dat zijne gezondheid het ernstigst
bedreigd werd, spreken van het diepe wantrouwen in het leven, dat zijne
ziekte in hem gewekt had; de geest, die er uit spreekt, is scherp
en koud en Nietzsche doet zich er in kennen als de onbarmhartige
verwoester, die tegen alle godsdienstige, metaphysieke en moreele
begrippen stormloopt; hij vergelijkt zich daarin bij een mijnwerker,
die de basis der meest vaststaande dogmen ondermijnt en langzaam,
geduldig en zeker zijne onderaardsche gangen uitbreidt, ver van
het daglicht en ver van het menschelijk oog. Menschliches is een
verwoede aanval op het romantisch pessimisme, en in het bijzonder op
Schopenhauer, wiens leerstellingen Nietzsche, als hij zijne vroegere
meening verloochent, hooghartig verstoot; hij verwerpt nu de hypothese
van den wil als een "op zichzelf staand iets", terwijl hij die nog
aannam in Die Geburt der Tragödie en ontkent in het algemeen de
noodzakelijkheid van het geloof in een "op zichzelf staand iets";
hij bestrijdt de moraal van het medelijden, de verheerlijking van
de zelfverloochening, de leer, die den mensch voorhoudt, dat hij
van alle persoonlijke en egoïste verlangens afstand moet doen en hij
neemt zelfs niet langer aan, dat het doel van de menschheid bestaat
in het voortbrengen van het genie, zooals hij nog in Schopenhauer als
Erzieher schreef, maar verkondigt, dat zij over het geheel genomen
geen bepaald doel voor oogen heeft.
In Der Wandrer und sein Schatten tracht Nietzsche "die schaduw te
onderzoeken, die uit alle dingen vloeit zoodra de zon der kennis
ze beschijnt" [73]; want al te goed weet hij welk eene verkeerde
voorstelling men zich van alles maakt, wanneer men het alleen onder
het licht der idealistische kennis bestudeert, daar men dan alleen
de verlichte zijden ziet, terwijl de schaduwzijden voor den blik
verborgen blijven, en daarom moet de denker, die zich een volledig
beeld der werkelijkheid wil scheppen, haar ook van de donkere zijde
leeren bezien. In de Morgenröthe eindelijk onderwerpt Nietzsche die
waarde aan de critiek, die door den mensch te allen tijde als de
hoogste waarde wordt beschouwd, n.l. het geloof aan de moraal. Hij
toont aan, dat het gevoel van plicht niet uit een bovennatuurlijken
oorsprong voortkomt en evenmin van overheerschende of besliste waarde
is, dat er geen eeuwige en onverzettelijke wet bestaat voor goed en
kwaad en dat de moraal, die den mensch dwingt jegens zichzelf waar te
zijn ten koste van alles, ten slotte zichzelve vernietigt: de mensch
wordt "immoralist" door de moraal, evenals hij atheïst wordt door den
godsdienst: zijn intellectueele eerlijkheid dwingt hem er toe zijne
critiek op de moraal zelve toe te passen en de wettigheid van hare
leerstellingen in twijfel te trekken.
Het ideaal van het leven, zooals Nietzsche het zich voorstelt, komt in
die dagen eenigszins het ideaal van den positivist nabij. Hij neemt
aan, dat zich in de eerste dertig levensjaren van elk sterveling
in zekeren zin eene evolutie herhaalt, die de geheele menschheid
wellicht dertig duizend jaren heeft gekost. In zijne kinderjaren
is de moderne mensch godsdienstig; dan verliest hij het geloof
in God en de onsterfelijkheid en vindt hij gedurende eenigen tijd
zijn steun in de strengere bekoring der metaphysica, doch ook deze
bevredigt hem weldra niet meer en wordt hem gaandeweg slechts een
aesthetisch geloof, eene warme vereering van de kunst. Ten slotte
laat de wetenschappelijke geest zich meer en meer gelden en drijft
den mensch tot een nauwkeurige studie van geschiedenis en natuur,
en in den man der wetenschap, "den vrijen geest", die zich van alle
illusie en vooroordeel heeft losgemaakt, ziet Nietzsche gedurende
eenigen tijd het schoonste type der hoogstaande menschheid. De vrije
geest is een "intellectueel pessimist" en moet eene sterke, moreele
gezondheid bezitten om zich niet tot wanhoop en nihilisme te laten
gaan, want niet ongestraft kan de mensch den sluier der dwaling,
die hem van alle kanten omringt, verscheuren en de werkelijkheid
in de oogen zien. "Het geheele menschelijk leven is diep in dwaling
verzonken en het individu kan het uit die put niet verlossen zonder
door en door vijandig gestemd te worden tegen zijn verleden, zijne
tegenwoordige drijfveeren bespottelijk te vinden en met smaad en
verachting neer te zien op de hartstochten, die ons doen hopen op de
toekomst en op een toekomstig geluk." [74] Hij kan evenwel, zoo hij
een moedig en energisch temperament bezit, in zijne wetenschap zelve de
beweegredenen vinden om niet aan wanhoop toe te geven: pessimistische
kennis bevrijdt hem n.l. van de zorgen, die den alledaagschen mensch
vervolgen en, waar hij geen belang meer stelt in datgene, dat waarde
heeft voor alle anderen, geniet hij te meer en te vrijer van het
aanschouwen der dingen; vrij van alle vrees is het hem een genot
boven de menschelijke beweging, boven gewoonten, vooroordeelen en
wetten te zweven; hij leeft uitsluitend om zijne kennis te verrijken
en vindt zijne grootste belooning in het begrijpen in en om zich van de
noodzakelijke wetten der wereld-evolutie en wellicht een voorgevoel te
hebben van wat de toekomst van het menschelijk geslacht beduidt. "Meent
gij, dat zulk een leven met een dergelijk doel te moeilijk en van
alle bekoring ontbloot is? Welnu, dan hebt gij nog niet ondervonden,
dat er geen honig zoo zoet is als de honig der wetenschap en dat de
drukkende wolken der droefheid als de zware borsten zijn, waaruit
gij de versterkende melk zult putten. Wanneer dan de ouderdom komt,
zult gij het begrijpen waarom gij de stem van die natuur zijt gevolgd,
en hoe die natuur de wereld door het genoegen leidt. Het leven, welks
toppunt de ouderdom is, heeft nog een tweede toppunt in de wijsheid,
die de uitstraling van eene bestendige vreugde is en beide, wijsheid
en ouderdom zult gij vinden op den top van uwen laatsten opgang,
want zoo heeft de natuur het gewild. Dan slaat de ure,--berust er
in--dat de nevel des doods nadert. Moge dan uwe laatste beweging een
oprichten naar het licht en uw laatste zucht een zegelied der wijsheid
zijn!" [75]
Van af 1882 echter begint de toon van Nietzsche's werken onmerkbaar
te veranderen; wel zet hij tot het einde toe den strijd voort tegen
de meeningen van zijn tijd en zoo draagt een zijner laatste werken,
Götzendämmerung, den beteekenisvollen bijtitel: Wie man mit dem Hammer
philosophirt en komen in de Genealogie der Moral en in de Antichrist
somtijds ongehoorde aanvallen op het Christendom en op diens ascetisch
ideaal voor, maar tusschen het oorlogzuchtig trompetgeschal, de kreten
van woede en haat en de uitingen van bitteren spot door klinken nu de
lyrische, geestdriftvolle tonen van een zegelied. Na vele jaren van
ziekte en lijden, waarin hij van den eenen dag op den andere leefde in
voortdurende afwachting van den dood, herademt hij en droomt hij weer
van betere dagen. "Dit boek, zeide hij, sprekende van Die fröhliche
Wissenschaft, dat in 1882 geschreven was, is slechts de vreugdekreet,
die op lange dagen van ellende en onmacht volgde, het is de juichende
zang van de wederkeerende krachten, het herlevend geloof in een
morgen en een overmorgen, het plotseling besef en voorgevoel van
een toekomst, die zich voor mij opende, van aanstaande avonturen,
ruime zeeën en nieuwe doeleinden, waarnaar ik streven kon, waarin ik
gelooven kon." [76] Hij ontkwam aan de heerschappij zoowel van de
ziekte, die den horizon van zijn leven verduisterde, als van zijn
onhandelbaren trots, die niet buigen wilde voor smart en zichzelf
dwong het hoofd op te houden krachtens het fiere grondbeginsel,
"dat een zieke het recht niet heeft pessimist te zijn." [77] Nu
gevoelde hij de vreugdevolle opwinding van herwonnen gezondheid
en het was hem als eene zonnige lente na een strengen winter. Die
gemoedsstemming stond hem niet toe zich langer tevreden te stellen met
het ideaal van den "vrijen geest", zooals hij het in zijn Menschliches
beschreven had; want dien "vrijen geest" ontbrak het aan vreugde;
het leed had hem eenigszins somber gestemd en hij had zich nog niet
geheel losgemaakt van den geest der traagheid, van "dien hoogen,
almachtigen demon, dien men als den meester der wereld beschouwt"
[78]; hij kon nog niet "dansen" en zich vrij en vroolijk op den
stroom van het leven bewegen. Dan ontwaakt in Nietzsche's denken
een nieuw visioen van de toekomst en zijne kunstenaarsverbeelding
toovert hem de schitterende figuur van den profeet Zarathustra voor,
van den man, die, na een tienjarig verblijf in de woestijn, "waarin
hij opging in het genot van zijn denken en zijne eenzaamheid", zich
tot de menschheid begeeft om haar den godsdienst van den "Uebermensch"
en den leer van het "Eeuwig Wederkeeren" te verkondigen, den man,
die in zijn eenzame grot de zuiverste exemplaren der verhevene,
maar lijdende menschheid, de "menschen van het groot verlangen,
van de diepe verachting en van de grootste walging", die eenmaal
plaats moeten maken voor den "Uebermensch", om zich heen vereenigt,
hen van hun pessimisme geneest door hun het visioen der toekomst voor
oogen te houden en ten slotte sterft op het oogenblik, dat hij den
hoogsten graad van wijsheid bereikt en dat de zon van zijn bestaan
in het zenith staat, op het groote "middaguur" den zegepraal van zijn
leer met zijn dood bekrachtigende.
Het is ons doel in de beide volgende hoofdstukken een kort begrip van
Nietzsche's philosophie te geven door eerst het negatieve gedeelte van
zijne leer te verklaren, zijnde de kritiek over den hedendaagschen
mensch en over diens overtuigingen en gevoelens, en daarna het
positieve gedeelte: den godsdienst van den "Uebermensch" en van het
"Eeuwig Wederkeeren". Ik weet, dat deze wijze van te werk gaan aan
ernstige tegenwerpingen bloot staat, en wel in de eerste plaats,
omdat Nietzsche's ideeën, onder systematischen vorm verklaard, een
dogmatischen schijn verkrijgen, dien zij eigenlijk niet hebben en ook
niet bedoelen. Zeker is het althans, dat Nietzsche's denken van 1878
tot 1888 niet onveranderd is gebleven; hierboven toonde ik aan, dat er
tegen 1882 een groote keer in kwam en zonder moeite zou men tusschen
de tijdruimten van 1878 tot 1882 en die van 1882 tot 1888 nog andere
meer of minder belangrijke afwijkingen kunnen aantoonen. Daarbij
is Nietzsche geen schoolphilosoof en wil hij het ook niet zijn. De
waarheid op zichzelve is hem geheel onverschillig; het is hem niet
te doen om stellingen te bewijzen door logische argumenten en nog
minder om een fraai samenhangend, goed geordend systeem ineen te
zetten en evenmin geeft hij zich de moeite de meeningen, die hij
als fout beschouwt, door beredeneering te weerleggen. Zijn wijze
van procedeeren is steeds dezelfde; hij zegt: "Mijn gevoel doet mij
in dezen of genen mensch of menschengroep ontaarde of verachtelijke
wezens zien of wel in een of andere theorie of meening een ziekelijk
beginsel vinden en ik strijd er tegen zooals men tegen een natuurlijke
plaag of eene ziekte strijdt. Wanneer het dan waar is, dat ik een
levensbeginsel vertegenwoordig en mijn tegenstanders daarentegen een
stervensbeginsel, komt mij noodzakelijk de overwinning toe; in het
tegenovergesteld geval moet ik niet minder noodzakelijk vallen en daar
ik slechts één ding wil, den triomf van het leven, zal ik mij zoowel
over mijne overwinning als over mijne nederlaag kunnen verheugen;
al het overige is mij onverschillig."
Is het dus niet onvoorzichtig een "systeem" van Nietzsche te vormen,
zooals men er een van Kant of Schopenhauer vormt, terwijl men opmerkt
hoe weinig plaats de logische waarheid innam in zijne overwegingen?
Zoo ik er dan toch toe overging, in plaats van Nietzsche's werken
stuk voor stuk te beschouwen, een algemeen overzicht te geven van de
voornaamste vraagstukken, die hij behandelde, en van de oplossingen,
die hij er aan gaf, is dat in de eerste plaats omdat Nietzsche
herhaalde malen op dezelfde vraagstukken terugkwam; eerst gaf hij
het probleem vluchtig aan, om het daarna weer op te nemen, het te
onderzoeken en er zich in te verdiepen, totdat hij er een besliste
oplossing voor gevonden had. Door nu zijne werken elk afzonderlijk te
ontleden, loopt men kans telkens weer aan de uiteenzetting van dezelfde
onderwerpen te beginnen. En daarenboven, wat voor mij trouwens de
voornaamste reden is, al schat Nietzsche de logica niet hoog en al
hecht hij niet aan het zoeken naar de waarheid op zichzelf, zoo wil
dat geenszins zeggen, dat zijn denken onsamenhangend en onlogisch
was--verre van dien. Ik ben er zelfs van overtuigd, dat Nietzsche
wel degelijk een systeem van nauw samenhangende denkbeelden heeft
uitgedacht en dat hij het alleen niet onder systematischen vorm
heeft gebracht, omdat zijn gezondheidstoestand hem dwong zijne
gedachten te uiten in den vorm van aphorismen, die hij uit het
hoofd en al loopende, zonder schrijven, kon opstellen, terwijl
het hem om zuiver materieele redenen onmogelijk was de uitvoering
van groote werken te ondernemen. Het is trouwens opmerkelijk, dat
de werken uit het laatste gedeelte van Nietzsche's leven van eene
veel nauwkeuriger bewerking getuigen dan die van 1872 tot 1882: Zur
Genealogie der Moral is ondanks de uitwendige verdeeling in aphorismen
wel degelijk een "verhandeling", en zoo zou ook Der Wille zur Macht,
te oordeelen naar het eerste gedeelte, dat alleen afgemaakt werd,
een veel systematischer werk zijn geworden dan al de vorige. Ik
meen dus Nietzsche's denken niet verkeerd voor te stellen door
het onder den van zelf eenigszins kunstmatigen vorm van eene soort
philosophisch leerstelsel weer te geven, ook al heeft hij zelf die
wijze van verklaring nooit gekozen. Ik zal trouwens trachten mijnen
lezers door menigvuldige citaten eene sprekende voorstelling te geven
van dat werk zoo vol kleur en leven en zoo vrij van alle schoolsche
pedanterie, waarin men bij elke bladzijde gevoelt, dat de schrijver
hart en ziel gelegd heeft in de studie der vraagstukken, die, volgens
zijn schilderachtige uitdrukking, een borstelige huid vol stekels
hebben, weinig geschikt om geaaid en gestreeld te worden.