Nietzsche stelt zich echter in zijne "Unzeitgemäsze Betrachtungen" niet
tevreden met den strijd tegen de hedendaagsche strekkingen, die hij te
veroordeelen en gevaarlijk acht, maar hij begint tegelijkertijd aan
het gebouw der toekomst te arbeiden. In de beschaving van onzen tijd
zoekt hij de voorboden van eene nieuwe richting, van eene hervorming
van den publieken geest en eene herleving van den Dionysischen geest;
hij zoekt moderne genieën, die in staat zijn de jeugd naar een nieuw
doel te leiden en haar te onttrekken aan het ontzenuwend optimisme
en den neerdrukkenden cultus van het stoffelijk welzijn; en voor
zich zoekt hij opvoeders, die hem helpen zichzelf begrijpen en hem
openbaren wie hij is en waarheen hij gaat. In de eerste plaats meende
Nietzsche die meesters gevonden te hebben in Schopenhauer en Wagner.
Einde 1865, toen hij te Leipzig in de philologie studeerde, werd
hij in Schopenhauers philosophie ingewijd. Het toeval wilde, dat
hij bij Rohn, den opkooper van oude boeken "Die Welt als Wille und
Vorstellung" kocht en van het eerste oogenblik af werd hij ingepalmd
door de grootsche vooruitzichten, die dat boek hem openbaarde en meer
nog door de persoonlijkheid van den philosoof, die hij uit het werk
leerde kennen. [49] Later zeide hij: "Ik behoor tot die lezers van
Schopenhauer, die nadat zij eene enkele bladzijde van hem gelezen
hebben, met vaste zekerheid weten, dat zij eiken regel door hem
geschreven, van den eerste tot den laatste zullen lezen en naar elk
woord zullen luisteren, dat van zijne lippen vloeit. Mijn vertrouwen
in hem was dadelijk onbegrensd en na het verloop van negen jaren is
het onveranderd gebleven." [50]
Hij erkende, zij het ook voorloopig en onder benefice van inventaris,
Schopenhauers voornaamste hypothesen.
Hierboven is gezegd, dat Nietzsche in "Die Geburt der Tragödie" tot
basis van zijne uiteenzetting Schopenhauers theorieën aanneemt over den
Wil als "een op zichzelfstaand iets," over de wereld als voorstelling,
over de indivíduatie als oorzaak van alle lijden en over de muziek
als de directe uiting van den wil. In dat zelfde werk begroet hij
Schopenhauer als den Messias van eene tragische cultuur, die bestemd
is om de "socratische" cultuur van den modernen tijd te vervangen en
wier hoofdtrek als volgt wordt geteekend: "In plaats van de Wetenschap
wordt voortaan de Wijsheid het hoogste doel--de Wijsheid, die zich niet
laat misleiden door de bedriegelijke hersenschimmen der Wetenschappen,
maar den blik vestigt op het gansche wereldbeeld en in eene opwelling
van sympathie en liefde het universeel lijden tracht te beseffen als
haar eigen leed." [51] In 1872 geeft hij hetzelfde idee weer in een
klein artikel over het verband tusschen Schopenhauer's philosophie
en de Duitsche cultuur, waarin hij in beginsel de hoofdgedachten der
eerste drie "Unzeitgemäsze Betrachtungen" neerlegt. [52] In 1874,
in zijn derde "Unzeitgemäsze", "Schopenhauer als Erzieher" spreekt
Nietzsche zijne innige dankbaarheid uit tot den denker, die hem in
de wereld van den geest heeft ingewijd en verklaart hij den heilzamen
invloed, dien de ideeën van den grooten pessimist op de hedendaagsche
ziel kunnen uitoefenen.
De hedendaagsche mensch, zegt hij, zoekt zichzelf, en om nu uit te
vinden wat zijne ware natuur, zijne ware ikheid is, kan niemand hem
beter helpen dan een goede meester, d.w.z. niet een meester, die
hem voorschrijft dezen of genen bepaalden weg te volgen of hem meer
uitgebreide arbeidsmiddelen ten dienste stelt, maar een opvoeder,
die hem van alles bevrijdt, wat hem belemmert in het doordringen
tot die ikheid, die diep in ons aller aard verscholen ligt. Dien
meester vond Nietzsche in Schopenhauer. In hem zag hij dadelijk den
philosoof, die intellectueel volkomen rechtschapen en in al zijne
geschriften geheel oprecht was. "Schopenhauer spreekt tot zichzelf,
of, wil men hem een toehoorder toedichten, zoo zij het een zoon, die
door zijn vader onderwezen wordt. Zijne woorden klinken vrij, flink
en welwillend; zij zijn blijkbaar gericht tot een toehoorder, die met
liefde naar hem luistert. Zijne redevoeringen, waarin zich een sterke
ziel openbaart, eene ziel, die zeker is van zichzelve, boeien ons van
af het eerste woord; het is ons alsof wij in een dennenbosch komen;
in lange teugen ademen wij de lucht in en een plotseling welzijn doet
zich gevoelen. Zoo zijn wij ook bij Schopenhauer als in een oord, waar
men steeds dezelfde opwekkende lucht inademt en waar die eenvoud en die
onnavolgbare natuurlijkheid heerschen, die het bijzonder voorrecht zijn
van hen, die zich meester gevoelen van hun eigen weelderig thuis." [53]
In Schopenhauers school leerde Nietzsche de werkelijkheid inzien,
zooals zij is in al hare leelijkheid en met al het leed, dat zij
meesleept; en tevens leerde hij begrijpen, dat het genie tegen zijn
tijd moet strijden, wil het tot volle zelfbewustheid komen en dat
hij in den strijd tegen de vooroordeelen, de zwakheden en de zonden
zijner tijdgenooten in werkelijkheid zijn eigen individualiteit reinigt
door alle vreemde elementen en parasieten, die van buiten af tot hem
zijn gekomen, te verwijderen en het zuivere goud van zijn genie te
ontdoen van alle slakken en alliage. En ten slotte vond Nietzsche
in Schopenhauer de verklaring van het tragische leven, zooals ook
hij die begreep: "Een gelukkig leven is onmogelijk: het schoonste
dat de mensch geven kan is een heroïsch bestaan, een bestaan dus,
waarin hij, na zich aan eene zaak gewijd te hebben, die tot eenig
algemeen welzijn strekken kan en na ontelbare moeilijkheden te hebben
overwonnen, ten slotte overwinnaar blijft, doch slechts ten halve of
in het geheel niet beloond wordt. Dan staat hij bij de ontknooping van
dat bestaan als de prins in Gozzi's Re Corvo, versteend, doch in eene
edele houding en met een grootsch gebaar. Zijn nagedachtenis blijft
leven en als een held wordt hij gevierd en zijn wil, die gedurende
zijn geheele leven door beproevingen en zorgen, door miskenning en
ondankbaarheid der menschen geteisterd werd, sterft in het hart der
nirwana." [54] Nietzsche meende dus in Schopenhauer de philosophische
en moderne uiting der Dionysische wijsheid, die hij bij de Grieken
zoozeer bewonderde, gevonden te hebben.
En evenals het Schopenhauer gegeven werd het genie niet alleen
in zichzelf te leeren kennen, maar ook buiten hem, in Goethe,
een der schoonste voorbeelden van den vrijen, sterken man te mogen
bewonderen, zoo had Nietzsche het voorrecht intiem om te gaan met
een der machtigste genieën van den tijd: Richard Wagner.
Nietzsche's bewondering voor Wagner ontstond reeds in zijne
jongelingsjaren; nadat hij tot zijn zestiende jaar een onverzoenlijk
classicus, een bewonderaar uitsluitend van Mozart en Haydn, Schubert en
Mendelssohn, Beethoven en Bach was geweest en bepaald neerzag op de,
volgens hem, toekomstmuziek van Liszt en Berlioz, eindigde hij toch
met Wagner's werken mooi te vinden en ging zelfs zijne bewondering
over in geestdrift toen hij "Tristan en Isolde" leerde kennen.
In 1868 werd hij aan Wagner, die toen te Leipzig bij de familie
Brockhaus vertoefde, voorgesteld en in het volgend jaar werd hij,
zooals reeds gezegd, een der intieme vrienden van Wagner, dien hij
dikwijls opzocht op zijne buitenplaats "Tribschen".
"Gedurende enkele jaren leefden wij samen voor alle groote, zoowel als
voor alle kleine dingen," schreef Nietzsche in 1888, "van weerskanten
bestond een onbegrensd vertrouwen." [55]
Ongeveer 1872, toen "Die Geburt der Tragödie" werd uitgegeven, bereikte
de vriendschap van den jongen philosoof voor den grooten artiest
zijn toppunt. Toen schreef hij aan een zijner vrienden: "Ik heb een
verbond gesloten met Wagner en gij kunt u nauwelijks voorstellen hoe
groot onze intimiteit is en hoezeer onze plannen overeenkomen." [56]
En in zijn vriendschapsdrang zijne gehechtheid niet alleen in woorden,
maar ook in daden willende toonen, had hij in datzelfde voorjaar
bijna zijne professorale loopbaan onderbroken om eene tournée
van lezingen te houden ten bate van het Bayreutsch werk. Wagners
vertrek naar Bayreuth (April 1872) gaf niet de minste verandering
in hunne verhouding: Nietzsche zocht Wagner meermalen op in zijne
nieuwe woonplaats en was ook tegenwoordig bij het kunstenaarsfeest,
dat op 22 Mei 1872 te Bayreuth gegeven werd ter eere van de eerste
steenlegging van Wagners theater. In 1876 woonde hij op dringend
verzoek van den componist de repetities van de Tetralogie bij en
was hij getuige van den beslisten triomf der groote hervorming,
die Wagner in de dramatische kunst had ondernomen. Eenige dagen voor
zijne aankomst zond hij zijn vrienden een exemplaar van het vierde
nommer der "Unzeitgemäszen", getiteld: "Richard Wagner te Bayreuth",
waarin hij eene doordringende, schitterende analyse gaf van Wagner als
kunstenaar en als moreele persoonlijkheid en daarop eene geestdriftige
lofspraak op het groote hervormingswerk, waarin hij geslaagd was,
liet volgen. Hij noemde Wagner den modernen Aeschylus, bij wien de
"tragische" wijsheid zich niet langer in den philosophischen vorm
uitte, zooals bij Schopenhauer, maar daarentegen in den levenden,
concreten vorm van onvergelijkelijk grootsche kunstwerken. In hem
zag hij een "Dionysisch" genie, dat niet enkel in woorden de wereld
van gevoelens, die in hem bruischte, kon weergeven en daarom "een
dithyrambisch dramaturg" was geworden, en door zijne bijzondere
samenstelling alle kunsten in zich vereenigde: tooneelkunst, muziek
en dichtkunst in alle zijne gevoelens uitende. "Het dramaturgisch
genie," schreef Nietzsche, "dat zijne volkomen ontwikkeling, zijne
volle rijpheid bereikt heeft, is een afgewerkt geheel zonder eenige
onvolkomenheid of leemte; het is de waarlijk vrije kunstenaar, wien
het niet mogelijk is anders dan in alle bijzondere takken der kunst
tegelijk te denken; het is de verzoenende bemiddelaar tusschen de twee
oogenschijnlijk tegenovergestelde werelden van poëzie en muziek; die
de éénheid en de integraliteit van onze kunstfaculteit herstelt, die
éénheid, die door het verstand niet begrepen en door redeneering uit
niets kan worden afgeleid, maar zich alleen in daden toont." Wagners
groote werk, de schepping van een muziekdrama, waarin de Grieksche
tragedie herleeft en de uitvoering van dat drama te Bayreuth mag een
der meestzeggende gebeurtenissen in de geschiedenis der Europeesche
beschaving heeten, want hij stelde zich niets minder voor dan de
Grieksche cultuur te midden der moderne wereld te doen herleven,
en daar alles samenhangt met het gebouw der beschaving is het niet
mogelijk eene ernstige, ware hervorming in de theaterkunst teweeg te
brengen zonder tevens groote veranderingen in moreel, opvoeding en
politiek te bewerken.
Zoo kon dus de triomf van het Bayreuthsche werk, mocht het beslist
en duurzaam blijken, begroet worden als de dageraad van een nieuw
tijdperk in de menschheid.
Enkele weken, nadat Nietzsche zijne lofrede op Wagner geschreven had,
verliet hij Bayreuth diep ontmoedigd en ten doode toe vermoeid
en bedroefd: de schoonste droom zijner jeugd was plotseling
vervlogen--zijn geestdrift voor Wagner was verstomd. Vanwaar die
groote omwenteling?