Wil men Nietzsche's aangenomen standpunt gedurende den eersten tijd
van zijn denkersleven tegenover de hedendaagsche beschaving bepalen,
dan zou men hem volgens de gegevens ons hierboven duidelijk geworden,
kunnen beschouwen als den tragischen philosoof, die te midden eener
socratische beschaving leeft.
Nietzsche vat het menschelijk bestaan op als een heldhaftigen
strijd tegen alle dwaling en illusie. Hij aanschouwt de wereld
met den blik van den pessimist: de natuur is in zijne oogen een te
duchten en dikwijls kwaadwillige kracht en de geschiedenis komt hem
"ruw en zinneloos" voor. Hij weerstaat met de grootste wilskracht de
verleiding van het alledaagsch optimisme, wil niet toegeven aan de
illusie, waardoor de mensch zichzelf tracht wijs te maken dat alles
even goed en schoon is in de wereld en gelooft evenmin dat het leven
ons ooit een enkel oogenblik van ware vreugde kan schenken; hij laat
zich niet misleiden door den gelukschijn, die den gewonen mensch
bedriegt. Volgens hem is dus het doel van den hoogstaanden mensch,
zonder genade alles te bestrijden wat "verkeerd" is, alle dwaling
te verdrijven, alle valsche of overschatte waarde aan te toonen en
onmeedoogend te zijn voor alle zwakheden, laagheden en leugens der
beschaving. "Ik veronderstel," zoo schreef hij, "eene vereeniging
van menschen, die alle even besloten en uit één stuk zouden zijn, die
geen omzichtigheid zouden kennen en den naam van "vernietigers" zouden
aannemen; die menschen zouden alles aan hun oordeel onderwerpen en zich
opofferen voor de waarheid. Al wat slecht en onwaar is, moet aan het
licht komen. Wij willen niet voor den tijd samenstellen want wij weten
niet of wij ooit zullen kunnen opbouwen en of het zelfs niet beter
ware nooit op te bouwen. Er zijn luie pessimisten, die zich schikken
in het leven, maar tot die categorie zullen wij nooit behooren." [37]
Het ideaal, dat hij ons ter bewondering en ten voorbeeld geeft, is
"de mensch naar Schopenhauers begrip," de mensch, die weet, dat het
ware geluk onmogelijk is, die het materialistisch en grof welzijn,
dat de algemeene menschheid behaagt, verfoeit en veracht en die
alles vernietigt wat vernietigd moet worden zonder zich aan eigen
leed of aan dat van anderen, zij het ook door hemzelve berokkend,
te storen; de mensch, die op zijn droeven gang gesteund wordt door
zijnen onomstootelijken wil om tot elken prijs waar en oprecht te
blijven. [38] Maar in plaats van evenals Schopenhauer daaruit tot de
ontkenning van het willen leven te besluiten, bewondert en eerbiedigt
Nietzsche met den Dionysischen Griek dien Wil, die eeuwig het leven
verlangt en het steeds weet te rechtvaardigen. Hij is weliswaar een
pessimist, maar zijn pessimisme brengt hem niet tot de overtuiging
dat gelatenheid noodzakelijk is, wel daarentegen heldenmoed, en het
ascetisme beschouwt hij niet als een ideaal, maar als een teeken van
vermoeidheid en ontaarding. Van dien tijd af zegt hij: "Het pessimisme
is praktisch onmogelijk en kan niet logisch zijn. Het nietzijn kan
het doel niet wezen." [39] Dientengevolge predikte hij niet zooals
de pessimist, dat de mensch zich los moet maken van het leven en
alleen naar het Nirvàna moet verlangen, maar vindt hij alles "goed"
wat in den mensch den wil tot leven helpt versterken en een doel of
een belang te meer geeft aan het bestaan, kortom alles, wat het leven
meer waarde geeft. Evenals de Grieken uit den tragischen tijd was
Nietzsche in den grond individualist en aristocraat: hij bewonderde de
Helleensche beschaving vooral, omdat zij zoovele superieure menschen
heeft voortgebracht, want daarin was immers voor hem het eigenlijk doel
van het leven gelegen. De tragische held, de mensch naar Schopenhauer's
idee, is niet alleen de hoogste en schoonste vorm van het bestaan,
neen, hij is tevens het doel van dat bestaan. Evenals Flaubert of
Renan beweert Nietzsche dat een volk slechts als hulpmiddel dient aan
de natuur om een dozijn groote mannen voort te brengen en stelt hij als
beginsel vast, "dat de menschheid verplicht is hare krachten steeds te
wijden aan het scheppen van geniale individuën; dat is haar doel en
geen ander." [40] De opvoeding der jeugd zal dus moeten strekken tot
het aankweeken van het genie en men zal haar slechts op één enkel doel
moeten wijzen: dat is het ontstaan en de ontwikkeling van den wijsgeer,
den kunstenaar en den heilige te bevorderen en zoodoende mee te werken
aan de hoogste volmaking der natuur. "Men moet den jongeling leeren
zichzelf als een gebrekkig voortbrengsel der natuur te beschouwen, maar
tevens achting te gevoelen voor het kunstgenie en het schoone doel van
die onvermoeidbare arbeidster en haar met al zijne macht te helpen
een volgend maal haar doel nader te komen. Hij zal dan begrijpen,
dat de kennis van zijne eigen persoonlijkheid met de daaruitvolgende
onvoldaanheid de basis vormt van alle cultuur, en hij zal zeggen:
"Boven mij zie ik iets verheveners, iets menschelijkers dan ik zelve
ben; helpt mij allen dit ideaal bereiken zooals ik hèm zal helpen,
die denkt en lijdt evenals ik, opdat éénmaal de mensch geboren worde,
die volkomen en oneindig zal zijn in kennis en liefde door bespiegeling
en scheppingsmacht; de mensch, die in de volheid zijns wezens leeft
te midden der natuur en die de rechter en de maatstaf aller dingen zal
zijn." [41] Niet langer mag aan het toeval de zorg worden overgelaten
om uit de middelmatige menigte het geniaal individu te verwekken; de
menschheid moet daarentegen in hare volle zelfbewustheid door keuze en
juiste opvoeding een heldengeslacht kweeken. "Zoo is het mogelijk,"
zegt Nietzsche, "om door eene gelukkige vinding geheel andere en
veel machtiger typen van groote mannen te verwekken dan dìe, welke
tot nog toe door toevallige omstandigheden ontstonden. De redelijke
aankweeking van den hoogstaanden mensch dus--dat is het veelbelovend
wereldvooruitzicht!" [42]
Nietzsche houdt stand tegenover alle gevolgtrekkingen uit zijne
leer, zelfs tegenover de hardste en wreedste. Hij weet dat het
voortbrengen van éen aristocraat een geheel leger van slaven
meesleept en zonder eenige aarzeling beaamt hij dat. "De slavernij
behoort onvermijdelijk tot alle hooge beschaving," zegt hij, "en
dat is zeer zeker eene waarheid, die alle verdere illusie omtrent
de absolute waarde van het leven uitsluit; het is als de gier, die
aan den lever van den hedendaagschen Prometheus, den kampioen der
beschaving knaagt. De middelmatige, gewoon voortgroeiende menschheid
zal nog veel meer moeten lijden om het enkelen olympischen genieën
mogelijk te maken groote kunstwerken voort te brengen." [43] Zoo kan
dus de cultuurvooruitgang niet in het minst het lot van den minderen
man verzachten. De werklieden, die tot de XIXde eeuw behooren, zijn
niet gelukkiger dan de slaven uit den tijd van Pericles en wanneer
op onze wetenschappelijke en optimistische beschaving een tijd van
tragische cultuur volgde zooals Nietzsche die eigenlijk verlangt, zou
het lot der werklieden en der misdeelden er niets beter om worden. In
plaats van uitgezogen te worden door eene categorie van kapitalisten,
die geen grootheid of zielenadel kennen, zouden zij een roemrijk
keur van genieën doen leven, maar zij zouden er niettemin slaven
om blijven. De tragische mensch heeft dus niet alleen de wraak en
den haat der onderdrukten, der paria's van de beschaving te duchten,
maar hij moet een veel gevaarlijker vijand overwinnen, hij moet zich
losmaken van het medelijden, dat zijn eigen hart verscheurt en dat
hem wanneer hij daaraan gehoor gaf, aan het stoffelijk welzijn der
menschheid zijne cultuur zou doen opofferen. Hij stuit dus tegen
de onverbiddelijke wet, die het heelal beheerscht en hem, die leven
wil, of beter nog, gedoemd is tot leven in deze wereld vol lijden en
dood, er toe dwingt in zich die innige en smartelijke tegenstrijdige
waarheid te gevoelen, die het eigenlijk wezen van alle leven en alle
wording is: "Elk oogenblik verslindt het voorgaande; elke geboorte
sleept den dood van eene ontelbare hoeveelheid wezens mee--derhalve
zijn voortbrengen, leven en vermoorden slechts één. Men zou dus de
cultuur, die zegeviert, kunnen vergelijken bij den overwinnaar, die
terugkeert van zijne zegetochten, druipend van bloed en eene bende
overwonnenen en slaven achter aan zijne zegekar meeslepend." [44]
Wij moeten dus, zoo besluit Nietzsche, indien wij oprecht
jegens onszelven willen zijn, op dat punt afstand doen van alle
optimistische illusie. De hedendaagsche Europeaan, die zich in zijn
naief rationalisme verbeeldt, dat de wetenschap tot geluk leidt
en die het geluk van alle menschen beschouwt als het doeleinde van
alle beschaving, tracht de ellende van het groote slavenvolk, die
ontegenzeggelijk de voorwaarde der hedendaagsche maatschappij is, te
ontkennen; hij zou de slachtoffers van den arbeid willen misleiden
door de "waardigheid van den arbeid" op te hemelen; hij zou den
bankroet der wetenschap willen verbergen door te verkondigen dat het
edeler is zijn brood in het zweet zijns aanschijns te verdienen dan
in werkeloosheid voort te leven. Welk een treurig sophisme, waaraan
trouwens niemand tegenwoordig meer gelooft, noch de proletariër, die
socialist werd, noch de rijke, die de overtuiging van zijn recht op
genot verloren heeft. Men moet dus wel onvoorwaardelijk toegeven dat
slavernij de beschamende en treurige keerzijde van alle beschaving
is; men kan haar alleen verzachten en minder smartelijk maken en den
slaaf daardoor zijn lot gemakkelijker doen dragen, en op dat punt won
de tijd der middeleeuwen het met zijne féodale organisatie van den
tegenwoordige. Toch, zoolang de maatschappij zal bestaan, zullen er
machtigen en bevoorrechten zijn, die hunne grootheid op de ellende
der verdrukte menigte bouwen en daarvan te haren koste gebruik maken.
Nietzsche kwam door zijne gevoelens, zijne theorieën en zijne
verwachtingen dus in vollen opstand tegen de heerschende strekking
van zijn tijd. De hedendaagsche beschaving is in den grond
"socratisch"; hij, die de "moderne begrippen" deelt, is van zelf
een beslist rationalist; hij gelooft in de wetenschap en aan haar
beschavenden invloed, is overtuigd, dat zij den mensch tot het geluk
moet voeren en beschouwt het algemeen geluk te midden eener goed
georganiseerde maatschappij als het ideaal, dat de menschheid voor
oogen staat. Nietzsche echter was het door zijne aristocratische
neigingen en "tragische" overtuigingen volkomen oneens met zijn
tijdgenooten en bovenal met de Duitsche. Bij de wording van het
Duitsche keizerrijk, toen de Duitsche legerscharen onder den kreet:
"God met ons!" de overwinning hadden behaald, schreeuwde hij zijn
diepen afkeer van het Christendom uit. Toen geheel Duitschland met
Hegel meende, dat de Staat alleen reden van bestaan aan het individu
gaf, verheerlijkte hij juist het individu en geloofde hij niet, dat
de Staat ten opzichte der beschaving eene groote rol speelde. Toen
een ieder beweerde, dat de overwinningen van Sadowa en Sedan te danken
waren aan de Duitsche schoolmeesters en dat de Duitsche beschaving de
Fransche had overwonnen, zeide hij, dat er geen Duitsche beschaving
bestond en dat de Franschen daarentegen werkelijk eene nationale
beschaving bezaten; dat de Duitschers, terwijl zij "barbaren" waren
en bleven, het recht niet hadden in eigen beschaving te gelooven, en
dat de overwinningen van 1870 door hen in hunnen waan te versterken,
het ongeluk der overwinnaars konden worden "en den Duitschen geest
konden doen opofferen aan het Duitsche keizerrijk."
En toen het Germaansche chauvinisme zijn toppunt had bereikt, bleef
hij in den grond onverschillig voor alle vaderlandslievende opwinding;
toen de slag van Wörth gansch Europa deed dreunen, peinsde hij in een
stil Alpendal over den Griekschen geest, en eenigen tijd later, onder
de wallen van Metz, bleef het leven der Grieken zijne hoofdgedachte; en
eindelijk, toen de vrede gesloten was, uitte hij zijne overtuiging, dat
de eeuw der nationaliteiten ten einde liep, dat wij aan den vooravond
van eene Europeesche beschavingsperiode stonden en dat een vrije geest
zich boven de toevallige antipathieën, die de volken verdeelden, moet
weten te verheffen: "Het is zoo klein-steedsch zich aan te sluiten
bij zienswijzen, die eenige duizenden mijlen verder reeds niet meer
bestaan. Het Oosten en het Westen zijn krijtstrepen, die getrokken
zijn om ons schrik aan te jagen. Ik wil trachten vrij te zijn,
denkt eene jeugdige ziel, en zij zou zich moeten laten weerhouden,
omdat twee volken elkander toevallig haten en er oorlog tusschen hen
wordt gevoerd, omdat eene oceaan twee werelddeelen scheidt, of omdat
een nieuwe godsdienst, die tweeduizend jaren lang niet heeft bestaan,
nu de heerschende in hare omgeving is!" [45] Nietzsche zag duidelijk
in hoe zijne gevoelens en denkwijze de vooroordeelen van zijn tijd
voor het hoofd stootten; hij gevoelde zich inactueel (unzeitgemäss),
zooals hij het zelf uitdrukte; het was hem niet mogelijk iets te
gevoelen voor wat zijne tijdgenooten opwond, en daarentegen stelden
zij niet het minste belang in de vele grootsche ondernemingen, die
in zijne oogen de Europeesche beschaving moesten bevorderen, zooals
b.v. Richard Wagner's grootsche idee om te Bayreuth een modeltheater
te scheppen. Vandaar ook, dat hij in het voorjaar van 1873, toen hij
met Wagner en diens vrienden vreesde, dat het groote Bayreuthsche
werk zou vallen door de apathie van het publiek, de onbedwingbare
behoefte gevoelde om openlijk met zijne tijdgenooten te breken en
hun ronduit zijn weerzin en verachting te kennen te geven. Dat was
de oorsprong van zijne "Unzeitgemäsze Betrachtungen." [46]
De eerste dier "Unzeitgemässen" is tegen den beroemden criticus David
Strausz gericht en tevens tegen het boek, waarin die schrijver zijn
oordeel over godsdienst en beschaving geeft: "Der Alte und der Neue
Glaube" en voornamelijk tegen het tweede deel van dat werk, waarin
Strausz naar zijne opvatting het ideaal van de toekomstmaatschappij
beschrijft. Maar eigenlijk valt Nietzsche minder Strausz zelf en zijn
boek aan dan zijne vele bewonderaars, die in de geloofsbelijdenis van
den verouderden grooten man het doel van den vooruitstrevenden geest
zagen. En vooral bestrijdt hij den Philister--niet den Philister, die
zich schaamt het te zijn of den goedigen, gemüthlichen Philister,
maar wel hem, die in zelfvoldoening op beschaving pocht, den
"Bildungsphilister", zooals hij hem noemt, en wiens best geslaagd type
Strausz voor hem vertegenwoordigt. Die soort Philister beoefent op
eerbare wijze een of ander nuttig beroep, hetzij dat van ambtenaar,
militair of koopman, maar toch vindt hij het noodig in alle groote
vragen van den tijd belang te stellen, op de hoogte te blijven van de
laatste vorderingen der wetenschap, de geschiedenis van het verleden
te leeren kennen, zich op te winden voor de herleving van het Duitsch
keizerrijk en stichting te zoeken in het lezen der beste Duitsche
schrijvers en het hooren der beste Duitsche muziek. Strausz gelooft
niet aan het paradijs der Christenen en evenmin aan het bestaan
van God, maar geen nood: ondanks zijn atheïsme is hij een uitstekend
mensch. Hij wacht er zich wel voor aan zijne leerlingen te verkondigen,
dat de wereld een onverbiddelijk mechanisme is en dat des menschen
doel alleen daarin bestaat zich niet door de raderen der machine te
laten grijpen; maar daarentegen leert hij, dat de "noodzakelijkheid,
m.a.w. oorzaak en gevolg in het heelal de eigenlijke Rede is"--wat
dus neerkomt op vergoding der werkelijkheid en bewondering van
het succes. Zoo ook geeft hij zedelijk geen enkel nieuw gevaarlijk
standpunt aan; hij zou b.v. den individu niet ronduit durven aanraden
al zijne vermogens zoo vrij mogelijk te ontwikkelen en "zichzelf"
te zijn zonder eenig voorbehoud of berouw, maar na de natuurlijke
ongelijkheid der menschen te hebben aangetoond, laat hij er dadelijk
een gezegde op volgen, dat alle voorschriften der traditioneele moraal
weer onderschrijft, n.l.: "Vergeet nooit, dat alle anderen ook menschen
zijn en bijgevolg, ondanks de individueele verscheidenheid, zijn zij
gelijk aan u en stellen zij dezelfde eischen als gij." En wat Nietzsche
bovenal ergert, is dat Strausz deelt in het wantrouwen der "Philister"
ten opzichte van geniale naturen; hij noemt alles "ongezond" wat
buiten de bescheiden sfeer van zijn begrip ligt; zoo kan volgens hem
de IXe symphonie van Beethoven alleen in den smaak vallen van hen,
die het zonderlinge voor mooi en het wanstaltige voor verheven houden
en hij meent Schopenhauer, dien hij verfoeit, te kunnen weerleggen
met de volgende aardige woordenscherts: Zoo de wereld slecht is,
is de gedachte, die dat denkt, ook slecht; de pessimist is dus een
slecht denker, waaruit volgt, dat de wereld goed is!
Voor Nietzsche is Strausz dus het type van de verwaande
middelmatigheid, die zichzelf een hooger recht op het bestaan toekent;
hij is een vreesachtig denker, die altijd halverwege staan blijft
en zijne gedachten niet durft uitdenken; hij is de optimist, die
lafhartig de oogen sluit voor het noodzakelijk lijden der menschheid,
de Philister, die verkondigt, dat het de plicht van allen is als
Philister te leven en die, in plaats van de ontwikkeling der geniale
individuen te bevorderen, hun het recht tot bestaan ontzegt, zoodra
zij zich boven de algemeene middelmatigheid verheffen.
In het tweede deel der "Unzeitgemäszen" valt Nietzsche niet één enkel
mensch of eene klasse menschen aan, maar hij verzet zich daarin tegen
eene volgens hem gevaarlijke dwaling in de moderne beschaving, tegen
het misbruik der historische studie. De geschiedenis is een weldoende
factor in alle beschaving zoolang zij ten dienste van het leven strekt
en leert of helpt beter leven. De "monumentale" geschiedenis plaatst
den werkzamen mensch voor de onsterfelijke werken van het verleden
en spoort zijne scheppende werkkracht aan door in hem het verlangen
op te wekken de groote mannen van het verleden waardig te worden,
de overlevering hunner glorie voort te zetten en niet slechts voor
het alledaagsch en middelmatig genot van het tegenwoordige te leven,
maar het ideaal der menschheid steeds verder en hooger te voeren. De
"traditioneele" geschiedenis, die achting en liefde voor het doode,
verre leven inboezemt, is een onwaardeerbare weldaad voor alle menschen
en volken, die door de omstandigheden tot de weinig begunstigden
behooren of aan een onbarmhartig bestaan onderworpen zijn, want voor
hen verfraait zij het tegenwoordige door op het verleden te wijzen
en over hun bescheiden of moeilijk, hun donker of gevaarlijk bestaan
verspreidt zij een zacht troostend licht van poëzie. De "critische"
geschiedenis, die het verleden voor de rechtbank der rede roept,
het nauwkeurig onderzoekt en het ten slotte veroordeelt, omdat al
wat is, waard is te verdwijnen en dientengevolge te veroordeelen is,
die soort geschiedenis is een sterk wapen voor hen, die door den
zwaren last van het verleden verdrukt worden en zich daarvan moeten
bevrijden, willen zij voortleven. De geschiedenis wordt echter eene
misdadige en te duchten macht, zoodra zij zich voordoet als eene
wetenschap, die onafhankelijk van het leven is, die zich vermeet in
zichzelve eene absolute waarde te zien en tot leus aanneemt: fiat
veritas, pereat vita. Dan wordt zij een stervensbeginsel in plaats
van een levensbeginsel; dan vult zij den mensch met eene hoeveelheid
onvruchtbare kennis, die hem tot een encyclopedisch woordenboek maakt
in plaats van hem tot het daadwerkelijke te voeren en daarenboven houdt
zij de ontwikkeling zijner persoonlijkheid tegen, want zij verwekt
in hem het neerdrukkend gevoel, dat hij een epigoon, een nakomer is,
die de geschiedenis wel leeren kan, maar die zelf geen geschiedenis
kan maken. Toch, zoo zeggen de voorstanders der historische cultuur,
heeft de geschiedenis, zij haar ook alle andere waarde ontzegd,
deze verdienste, dat zij ons menschen en zaken met objectieve
billijkheid leert beoordeelen. Maar Nietzsche antwoordt: "Dat is niet
zoo. In werkelijkheid noemt men dien historicus "objectief", die het
verleden waardeert naarmate de vooroordeelen van zijn tijd het hem
doen begrijpen en "subjectief" noemt men hem, die van de heerschende
denkbeelden afwijkt; zoo ook heeft het geen nut, dat de historicus
"onpartijdig" blijft of wel als belangeloos toeschouwer voor het
probleem staat, dat hij bestudeert, maar integendeel: hij alleen
is waard de geschiedenis te schrijven, die het best meewerkt aan
den opbouw van het tegenwoordige; "slechts de mensch van ervaring,
de hoogstaande mensch kan geschiedenis schrijven. Hij, die in zijn
bestaan geen momenten telt, waarin hij grooter en verhevener is geweest
dan alle anderen, zal nooit de grootheid en de verhevenheid van het
verleden begrijpen. De geest der vervlogen eeuwen blijft steeds een
orakelspreuk en gij zult die nooit leeren kennen, zoo gij niet tot de
bouwmeesters van de toekomst, tot de "zieners" van het tegenwoordige
behoort." [47]
Dit overdreven opvoeren van de beteekenis der geschiedenis sleept
daarenboven nog een noodlottig gevolg mee: het begunstigt den
ergerlijksten vorm van het optimisme, den eerbied voor de ruwe
daad, de bewondering van het succes. De historicus meent in de
"universeele evolutie" het spoor van een of andere hoogere rede te
vinden en zoekt tot hoofdbrekens toe, hoe die evolutie ontstaan is
en waarheen zij leiden moet. Maar de mensch is alleen groot geweest
naarmate hij de noodzakelijkheid heeft weten te weerstaan en tegen het
blind en dom toeval heeft gestreden--om kort te gaan, naarmate hij
zichzelf is geweest en zoo is dan ook de ware geschiedenis niet de
geschiedenis der menigten, maar die der geniale individuen: "Er zal
een tijd komen, zoo besluit Nietzsche, dat men wijselijk niet langer
een plan van de "universeele evolutie" of van de "geschiedenis der
menschheid" zal schetsen; een dag waarop men niet meer uit een algemeen
gezichtspunt met de massa's rekening zal houden, maar daarentegen met
de alleenstaande individuen, wier serie als het ware een brug vormt
over de woeste wateren der wording. Zij volgen elkander niet op volgens
eene wet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd
en zijn tijdgenooten dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan
mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal
door Schopenhauer beschreven: de eene reus roept den anderen aan door
de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der
woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen,
vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel
der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en
zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en
te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt
van haren loop--het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij
heeft voortgebracht." [48]