III.

Wil men Nietzsche's aangenomen standpunt gedurende den eersten tijd

van zijn denkersleven tegenover de hedendaagsche beschaving bepalen,

dan zou men hem volgens de gegevens ons hierboven duidelijk geworden,

kunnen beschouwen als den tragischen philosoof, die te midden eener

socratische beschaving leeft.

Nietzsche vat het menschelijk bestaan op als een heldhaftigen

strijd tegen alle dwaling en illusie. Hij aanschouwt de wereld

met den blik van den pessimist: de natuur is in zijne oogen een te

duchten en dikwijls kwaadwillige kracht en de geschiedenis komt hem

"ruw en zinneloos" voor. Hij weerstaat met de grootste wilskracht de

verleiding van het alledaagsch optimisme, wil niet toegeven aan de

illusie, waardoor de mensch zichzelf tracht wijs te maken dat alles

even goed en schoon is in de wereld en gelooft evenmin dat het leven

ons ooit een enkel oogenblik van ware vreugde kan schenken; hij laat

zich niet misleiden door den gelukschijn, die den gewonen mensch

bedriegt. Volgens hem is dus het doel van den hoogstaanden mensch,

zonder genade alles te bestrijden wat "verkeerd" is, alle dwaling

te verdrijven, alle valsche of overschatte waarde aan te toonen en

onmeedoogend te zijn voor alle zwakheden, laagheden en leugens der

beschaving. "Ik veronderstel," zoo schreef hij, "eene vereeniging

van menschen, die alle even besloten en uit één stuk zouden zijn, die

geen omzichtigheid zouden kennen en den naam van "vernietigers" zouden

aannemen; die menschen zouden alles aan hun oordeel onderwerpen en zich

opofferen voor de waarheid. Al wat slecht en onwaar is, moet aan het

licht komen. Wij willen niet voor den tijd samenstellen want wij weten

niet of wij ooit zullen kunnen opbouwen en of het zelfs niet beter

ware nooit op te bouwen. Er zijn luie pessimisten, die zich schikken

in het leven, maar tot die categorie zullen wij nooit behooren." [37]

Het ideaal, dat hij ons ter bewondering en ten voorbeeld geeft, is

"de mensch naar Schopenhauers begrip," de mensch, die weet, dat het

ware geluk onmogelijk is, die het materialistisch en grof welzijn,

dat de algemeene menschheid behaagt, verfoeit en veracht en die

alles vernietigt wat vernietigd moet worden zonder zich aan eigen

leed of aan dat van anderen, zij het ook door hemzelve berokkend,

te storen; de mensch, die op zijn droeven gang gesteund wordt door

zijnen onomstootelijken wil om tot elken prijs waar en oprecht te

blijven. [38] Maar in plaats van evenals Schopenhauer daaruit tot de

ontkenning van het willen leven te besluiten, bewondert en eerbiedigt

Nietzsche met den Dionysischen Griek dien Wil, die eeuwig het leven

verlangt en het steeds weet te rechtvaardigen. Hij is weliswaar een

pessimist, maar zijn pessimisme brengt hem niet tot de overtuiging

dat gelatenheid noodzakelijk is, wel daarentegen heldenmoed, en het

ascetisme beschouwt hij niet als een ideaal, maar als een teeken van

vermoeidheid en ontaarding. Van dien tijd af zegt hij: "Het pessimisme

is praktisch onmogelijk en kan niet logisch zijn. Het nietzijn kan

het doel niet wezen." [39] Dientengevolge predikte hij niet zooals

de pessimist, dat de mensch zich los moet maken van het leven en

alleen naar het Nirvàna moet verlangen, maar vindt hij alles "goed"

wat in den mensch den wil tot leven helpt versterken en een doel of

een belang te meer geeft aan het bestaan, kortom alles, wat het leven

meer waarde geeft. Evenals de Grieken uit den tragischen tijd was

Nietzsche in den grond individualist en aristocraat: hij bewonderde de

Helleensche beschaving vooral, omdat zij zoovele superieure menschen

heeft voortgebracht, want daarin was immers voor hem het eigenlijk doel

van het leven gelegen. De tragische held, de mensch naar Schopenhauer's

idee, is niet alleen de hoogste en schoonste vorm van het bestaan,

neen, hij is tevens het doel van dat bestaan. Evenals Flaubert of

Renan beweert Nietzsche dat een volk slechts als hulpmiddel dient aan

de natuur om een dozijn groote mannen voort te brengen en stelt hij als

beginsel vast, "dat de menschheid verplicht is hare krachten steeds te

wijden aan het scheppen van geniale individuën; dat is haar doel en

geen ander." [40] De opvoeding der jeugd zal dus moeten strekken tot

het aankweeken van het genie en men zal haar slechts op één enkel doel

moeten wijzen: dat is het ontstaan en de ontwikkeling van den wijsgeer,

den kunstenaar en den heilige te bevorderen en zoodoende mee te werken

aan de hoogste volmaking der natuur. "Men moet den jongeling leeren

zichzelf als een gebrekkig voortbrengsel der natuur te beschouwen, maar

tevens achting te gevoelen voor het kunstgenie en het schoone doel van

die onvermoeidbare arbeidster en haar met al zijne macht te helpen

een volgend maal haar doel nader te komen. Hij zal dan begrijpen,

dat de kennis van zijne eigen persoonlijkheid met de daaruitvolgende

onvoldaanheid de basis vormt van alle cultuur, en hij zal zeggen:

"Boven mij zie ik iets verheveners, iets menschelijkers dan ik zelve

ben; helpt mij allen dit ideaal bereiken zooals ik hèm zal helpen,

die denkt en lijdt evenals ik, opdat éénmaal de mensch geboren worde,

die volkomen en oneindig zal zijn in kennis en liefde door bespiegeling

en scheppingsmacht; de mensch, die in de volheid zijns wezens leeft

te midden der natuur en die de rechter en de maatstaf aller dingen zal

zijn." [41] Niet langer mag aan het toeval de zorg worden overgelaten

om uit de middelmatige menigte het geniaal individu te verwekken; de

menschheid moet daarentegen in hare volle zelfbewustheid door keuze en

juiste opvoeding een heldengeslacht kweeken. "Zoo is het mogelijk,"

zegt Nietzsche, "om door eene gelukkige vinding geheel andere en

veel machtiger typen van groote mannen te verwekken dan dìe, welke

tot nog toe door toevallige omstandigheden ontstonden. De redelijke

aankweeking van den hoogstaanden mensch dus--dat is het veelbelovend

wereldvooruitzicht!" [42]

Nietzsche houdt stand tegenover alle gevolgtrekkingen uit zijne

leer, zelfs tegenover de hardste en wreedste. Hij weet dat het

voortbrengen van éen aristocraat een geheel leger van slaven

meesleept en zonder eenige aarzeling beaamt hij dat. "De slavernij

behoort onvermijdelijk tot alle hooge beschaving," zegt hij, "en

dat is zeer zeker eene waarheid, die alle verdere illusie omtrent

de absolute waarde van het leven uitsluit; het is als de gier, die

aan den lever van den hedendaagschen Prometheus, den kampioen der

beschaving knaagt. De middelmatige, gewoon voortgroeiende menschheid

zal nog veel meer moeten lijden om het enkelen olympischen genieën

mogelijk te maken groote kunstwerken voort te brengen." [43] Zoo kan

dus de cultuurvooruitgang niet in het minst het lot van den minderen

man verzachten. De werklieden, die tot de XIXde eeuw behooren, zijn

niet gelukkiger dan de slaven uit den tijd van Pericles en wanneer

op onze wetenschappelijke en optimistische beschaving een tijd van

tragische cultuur volgde zooals Nietzsche die eigenlijk verlangt, zou

het lot der werklieden en der misdeelden er niets beter om worden. In

plaats van uitgezogen te worden door eene categorie van kapitalisten,

die geen grootheid of zielenadel kennen, zouden zij een roemrijk

keur van genieën doen leven, maar zij zouden er niettemin slaven

om blijven. De tragische mensch heeft dus niet alleen de wraak en

den haat der onderdrukten, der paria's van de beschaving te duchten,

maar hij moet een veel gevaarlijker vijand overwinnen, hij moet zich

losmaken van het medelijden, dat zijn eigen hart verscheurt en dat

hem wanneer hij daaraan gehoor gaf, aan het stoffelijk welzijn der

menschheid zijne cultuur zou doen opofferen. Hij stuit dus tegen

de onverbiddelijke wet, die het heelal beheerscht en hem, die leven

wil, of beter nog, gedoemd is tot leven in deze wereld vol lijden en

dood, er toe dwingt in zich die innige en smartelijke tegenstrijdige

waarheid te gevoelen, die het eigenlijk wezen van alle leven en alle

wording is: "Elk oogenblik verslindt het voorgaande; elke geboorte

sleept den dood van eene ontelbare hoeveelheid wezens mee--derhalve

zijn voortbrengen, leven en vermoorden slechts één. Men zou dus de

cultuur, die zegeviert, kunnen vergelijken bij den overwinnaar, die

terugkeert van zijne zegetochten, druipend van bloed en eene bende

overwonnenen en slaven achter aan zijne zegekar meeslepend." [44]

Wij moeten dus, zoo besluit Nietzsche, indien wij oprecht

jegens onszelven willen zijn, op dat punt afstand doen van alle

optimistische illusie. De hedendaagsche Europeaan, die zich in zijn

naief rationalisme verbeeldt, dat de wetenschap tot geluk leidt

en die het geluk van alle menschen beschouwt als het doeleinde van

alle beschaving, tracht de ellende van het groote slavenvolk, die

ontegenzeggelijk de voorwaarde der hedendaagsche maatschappij is, te

ontkennen; hij zou de slachtoffers van den arbeid willen misleiden

door de "waardigheid van den arbeid" op te hemelen; hij zou den

bankroet der wetenschap willen verbergen door te verkondigen dat het

edeler is zijn brood in het zweet zijns aanschijns te verdienen dan

in werkeloosheid voort te leven. Welk een treurig sophisme, waaraan

trouwens niemand tegenwoordig meer gelooft, noch de proletariër, die

socialist werd, noch de rijke, die de overtuiging van zijn recht op

genot verloren heeft. Men moet dus wel onvoorwaardelijk toegeven dat

slavernij de beschamende en treurige keerzijde van alle beschaving

is; men kan haar alleen verzachten en minder smartelijk maken en den

slaaf daardoor zijn lot gemakkelijker doen dragen, en op dat punt won

de tijd der middeleeuwen het met zijne féodale organisatie van den

tegenwoordige. Toch, zoolang de maatschappij zal bestaan, zullen er

machtigen en bevoorrechten zijn, die hunne grootheid op de ellende

der verdrukte menigte bouwen en daarvan te haren koste gebruik maken.

Nietzsche kwam door zijne gevoelens, zijne theorieën en zijne

verwachtingen dus in vollen opstand tegen de heerschende strekking

van zijn tijd. De hedendaagsche beschaving is in den grond

"socratisch"; hij, die de "moderne begrippen" deelt, is van zelf

een beslist rationalist; hij gelooft in de wetenschap en aan haar

beschavenden invloed, is overtuigd, dat zij den mensch tot het geluk

moet voeren en beschouwt het algemeen geluk te midden eener goed

georganiseerde maatschappij als het ideaal, dat de menschheid voor

oogen staat. Nietzsche echter was het door zijne aristocratische

neigingen en "tragische" overtuigingen volkomen oneens met zijn

tijdgenooten en bovenal met de Duitsche. Bij de wording van het

Duitsche keizerrijk, toen de Duitsche legerscharen onder den kreet:

"God met ons!" de overwinning hadden behaald, schreeuwde hij zijn

diepen afkeer van het Christendom uit. Toen geheel Duitschland met

Hegel meende, dat de Staat alleen reden van bestaan aan het individu

gaf, verheerlijkte hij juist het individu en geloofde hij niet, dat

de Staat ten opzichte der beschaving eene groote rol speelde. Toen

een ieder beweerde, dat de overwinningen van Sadowa en Sedan te danken

waren aan de Duitsche schoolmeesters en dat de Duitsche beschaving de

Fransche had overwonnen, zeide hij, dat er geen Duitsche beschaving

bestond en dat de Franschen daarentegen werkelijk eene nationale

beschaving bezaten; dat de Duitschers, terwijl zij "barbaren" waren

en bleven, het recht niet hadden in eigen beschaving te gelooven, en

dat de overwinningen van 1870 door hen in hunnen waan te versterken,

het ongeluk der overwinnaars konden worden "en den Duitschen geest

konden doen opofferen aan het Duitsche keizerrijk."

En toen het Germaansche chauvinisme zijn toppunt had bereikt, bleef

hij in den grond onverschillig voor alle vaderlandslievende opwinding;

toen de slag van Wörth gansch Europa deed dreunen, peinsde hij in een

stil Alpendal over den Griekschen geest, en eenigen tijd later, onder

de wallen van Metz, bleef het leven der Grieken zijne hoofdgedachte; en

eindelijk, toen de vrede gesloten was, uitte hij zijne overtuiging, dat

de eeuw der nationaliteiten ten einde liep, dat wij aan den vooravond

van eene Europeesche beschavingsperiode stonden en dat een vrije geest

zich boven de toevallige antipathieën, die de volken verdeelden, moet

weten te verheffen: "Het is zoo klein-steedsch zich aan te sluiten

bij zienswijzen, die eenige duizenden mijlen verder reeds niet meer

bestaan. Het Oosten en het Westen zijn krijtstrepen, die getrokken

zijn om ons schrik aan te jagen. Ik wil trachten vrij te zijn,

denkt eene jeugdige ziel, en zij zou zich moeten laten weerhouden,

omdat twee volken elkander toevallig haten en er oorlog tusschen hen

wordt gevoerd, omdat eene oceaan twee werelddeelen scheidt, of omdat

een nieuwe godsdienst, die tweeduizend jaren lang niet heeft bestaan,

nu de heerschende in hare omgeving is!" [45] Nietzsche zag duidelijk

in hoe zijne gevoelens en denkwijze de vooroordeelen van zijn tijd

voor het hoofd stootten; hij gevoelde zich inactueel (unzeitgemäss),

zooals hij het zelf uitdrukte; het was hem niet mogelijk iets te

gevoelen voor wat zijne tijdgenooten opwond, en daarentegen stelden

zij niet het minste belang in de vele grootsche ondernemingen, die

in zijne oogen de Europeesche beschaving moesten bevorderen, zooals

b.v. Richard Wagner's grootsche idee om te Bayreuth een modeltheater

te scheppen. Vandaar ook, dat hij in het voorjaar van 1873, toen hij

met Wagner en diens vrienden vreesde, dat het groote Bayreuthsche

werk zou vallen door de apathie van het publiek, de onbedwingbare

behoefte gevoelde om openlijk met zijne tijdgenooten te breken en

hun ronduit zijn weerzin en verachting te kennen te geven. Dat was

de oorsprong van zijne "Unzeitgemäsze Betrachtungen." [46]

De eerste dier "Unzeitgemässen" is tegen den beroemden criticus David

Strausz gericht en tevens tegen het boek, waarin die schrijver zijn

oordeel over godsdienst en beschaving geeft: "Der Alte und der Neue

Glaube" en voornamelijk tegen het tweede deel van dat werk, waarin

Strausz naar zijne opvatting het ideaal van de toekomstmaatschappij

beschrijft. Maar eigenlijk valt Nietzsche minder Strausz zelf en zijn

boek aan dan zijne vele bewonderaars, die in de geloofsbelijdenis van

den verouderden grooten man het doel van den vooruitstrevenden geest

zagen. En vooral bestrijdt hij den Philister--niet den Philister, die

zich schaamt het te zijn of den goedigen, gemüthlichen Philister,

maar wel hem, die in zelfvoldoening op beschaving pocht, den

"Bildungsphilister", zooals hij hem noemt, en wiens best geslaagd type

Strausz voor hem vertegenwoordigt. Die soort Philister beoefent op

eerbare wijze een of ander nuttig beroep, hetzij dat van ambtenaar,

militair of koopman, maar toch vindt hij het noodig in alle groote

vragen van den tijd belang te stellen, op de hoogte te blijven van de

laatste vorderingen der wetenschap, de geschiedenis van het verleden

te leeren kennen, zich op te winden voor de herleving van het Duitsch

keizerrijk en stichting te zoeken in het lezen der beste Duitsche

schrijvers en het hooren der beste Duitsche muziek. Strausz gelooft

niet aan het paradijs der Christenen en evenmin aan het bestaan

van God, maar geen nood: ondanks zijn atheïsme is hij een uitstekend

mensch. Hij wacht er zich wel voor aan zijne leerlingen te verkondigen,

dat de wereld een onverbiddelijk mechanisme is en dat des menschen

doel alleen daarin bestaat zich niet door de raderen der machine te

laten grijpen; maar daarentegen leert hij, dat de "noodzakelijkheid,

m.a.w. oorzaak en gevolg in het heelal de eigenlijke Rede is"--wat

dus neerkomt op vergoding der werkelijkheid en bewondering van

het succes. Zoo ook geeft hij zedelijk geen enkel nieuw gevaarlijk

standpunt aan; hij zou b.v. den individu niet ronduit durven aanraden

al zijne vermogens zoo vrij mogelijk te ontwikkelen en "zichzelf"

te zijn zonder eenig voorbehoud of berouw, maar na de natuurlijke

ongelijkheid der menschen te hebben aangetoond, laat hij er dadelijk

een gezegde op volgen, dat alle voorschriften der traditioneele moraal

weer onderschrijft, n.l.: "Vergeet nooit, dat alle anderen ook menschen

zijn en bijgevolg, ondanks de individueele verscheidenheid, zijn zij

gelijk aan u en stellen zij dezelfde eischen als gij." En wat Nietzsche

bovenal ergert, is dat Strausz deelt in het wantrouwen der "Philister"

ten opzichte van geniale naturen; hij noemt alles "ongezond" wat

buiten de bescheiden sfeer van zijn begrip ligt; zoo kan volgens hem

de IXe symphonie van Beethoven alleen in den smaak vallen van hen,

die het zonderlinge voor mooi en het wanstaltige voor verheven houden

en hij meent Schopenhauer, dien hij verfoeit, te kunnen weerleggen

met de volgende aardige woordenscherts: Zoo de wereld slecht is,

is de gedachte, die dat denkt, ook slecht; de pessimist is dus een

slecht denker, waaruit volgt, dat de wereld goed is!

Voor Nietzsche is Strausz dus het type van de verwaande

middelmatigheid, die zichzelf een hooger recht op het bestaan toekent;

hij is een vreesachtig denker, die altijd halverwege staan blijft

en zijne gedachten niet durft uitdenken; hij is de optimist, die

lafhartig de oogen sluit voor het noodzakelijk lijden der menschheid,

de Philister, die verkondigt, dat het de plicht van allen is als

Philister te leven en die, in plaats van de ontwikkeling der geniale

individuen te bevorderen, hun het recht tot bestaan ontzegt, zoodra

zij zich boven de algemeene middelmatigheid verheffen.

In het tweede deel der "Unzeitgemäszen" valt Nietzsche niet één enkel

mensch of eene klasse menschen aan, maar hij verzet zich daarin tegen

eene volgens hem gevaarlijke dwaling in de moderne beschaving, tegen

het misbruik der historische studie. De geschiedenis is een weldoende

factor in alle beschaving zoolang zij ten dienste van het leven strekt

en leert of helpt beter leven. De "monumentale" geschiedenis plaatst

den werkzamen mensch voor de onsterfelijke werken van het verleden

en spoort zijne scheppende werkkracht aan door in hem het verlangen

op te wekken de groote mannen van het verleden waardig te worden,

de overlevering hunner glorie voort te zetten en niet slechts voor

het alledaagsch en middelmatig genot van het tegenwoordige te leven,

maar het ideaal der menschheid steeds verder en hooger te voeren. De

"traditioneele" geschiedenis, die achting en liefde voor het doode,

verre leven inboezemt, is een onwaardeerbare weldaad voor alle menschen

en volken, die door de omstandigheden tot de weinig begunstigden

behooren of aan een onbarmhartig bestaan onderworpen zijn, want voor

hen verfraait zij het tegenwoordige door op het verleden te wijzen

en over hun bescheiden of moeilijk, hun donker of gevaarlijk bestaan

verspreidt zij een zacht troostend licht van poëzie. De "critische"

geschiedenis, die het verleden voor de rechtbank der rede roept,

het nauwkeurig onderzoekt en het ten slotte veroordeelt, omdat al

wat is, waard is te verdwijnen en dientengevolge te veroordeelen is,

die soort geschiedenis is een sterk wapen voor hen, die door den

zwaren last van het verleden verdrukt worden en zich daarvan moeten

bevrijden, willen zij voortleven. De geschiedenis wordt echter eene

misdadige en te duchten macht, zoodra zij zich voordoet als eene

wetenschap, die onafhankelijk van het leven is, die zich vermeet in

zichzelve eene absolute waarde te zien en tot leus aanneemt: fiat

veritas, pereat vita. Dan wordt zij een stervensbeginsel in plaats

van een levensbeginsel; dan vult zij den mensch met eene hoeveelheid

onvruchtbare kennis, die hem tot een encyclopedisch woordenboek maakt

in plaats van hem tot het daadwerkelijke te voeren en daarenboven houdt

zij de ontwikkeling zijner persoonlijkheid tegen, want zij verwekt

in hem het neerdrukkend gevoel, dat hij een epigoon, een nakomer is,

die de geschiedenis wel leeren kan, maar die zelf geen geschiedenis

kan maken. Toch, zoo zeggen de voorstanders der historische cultuur,

heeft de geschiedenis, zij haar ook alle andere waarde ontzegd,

deze verdienste, dat zij ons menschen en zaken met objectieve

billijkheid leert beoordeelen. Maar Nietzsche antwoordt: "Dat is niet

zoo. In werkelijkheid noemt men dien historicus "objectief", die het

verleden waardeert naarmate de vooroordeelen van zijn tijd het hem

doen begrijpen en "subjectief" noemt men hem, die van de heerschende

denkbeelden afwijkt; zoo ook heeft het geen nut, dat de historicus

"onpartijdig" blijft of wel als belangeloos toeschouwer voor het

probleem staat, dat hij bestudeert, maar integendeel: hij alleen

is waard de geschiedenis te schrijven, die het best meewerkt aan

den opbouw van het tegenwoordige; "slechts de mensch van ervaring,

de hoogstaande mensch kan geschiedenis schrijven. Hij, die in zijn

bestaan geen momenten telt, waarin hij grooter en verhevener is geweest

dan alle anderen, zal nooit de grootheid en de verhevenheid van het

verleden begrijpen. De geest der vervlogen eeuwen blijft steeds een

orakelspreuk en gij zult die nooit leeren kennen, zoo gij niet tot de

bouwmeesters van de toekomst, tot de "zieners" van het tegenwoordige

behoort." [47]

Dit overdreven opvoeren van de beteekenis der geschiedenis sleept

daarenboven nog een noodlottig gevolg mee: het begunstigt den

ergerlijksten vorm van het optimisme, den eerbied voor de ruwe

daad, de bewondering van het succes. De historicus meent in de

"universeele evolutie" het spoor van een of andere hoogere rede te

vinden en zoekt tot hoofdbrekens toe, hoe die evolutie ontstaan is

en waarheen zij leiden moet. Maar de mensch is alleen groot geweest

naarmate hij de noodzakelijkheid heeft weten te weerstaan en tegen het

blind en dom toeval heeft gestreden--om kort te gaan, naarmate hij

zichzelf is geweest en zoo is dan ook de ware geschiedenis niet de

geschiedenis der menigten, maar die der geniale individuen: "Er zal

een tijd komen, zoo besluit Nietzsche, dat men wijselijk niet langer

een plan van de "universeele evolutie" of van de "geschiedenis der

menschheid" zal schetsen; een dag waarop men niet meer uit een algemeen

gezichtspunt met de massa's rekening zal houden, maar daarentegen met

de alleenstaande individuen, wier serie als het ware een brug vormt

over de woeste wateren der wording. Zij volgen elkander niet op volgens

eene wet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd

en zijn tijdgenooten dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan

mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal

door Schopenhauer beschreven: de eene reus roept den anderen aan door

de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der

woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen,

vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel

der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en

zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en

te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt

van haren loop--het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij

heeft voortgebracht." [48]

Nietzsche's Philosophie · 第 15 / 45 题