V.

Nietzsche zegt in eene zijner voorreden, dat de meeste zijner

geschriften niet de gevoelens van het oogenblik, waarop hij die

schreef, weergaven, maar bovenal die gevoelens, die reeds uitgeleefd

waren en plaats hadden gemaakt voor nieuwe ideeën. Vandaar ook dat zijn

geschrift: "Schopenhauer als Erzieher" tot een tijd behoorde, waarin

hij reeds niet meer aan pessimisme of aan Schopenhauer geloofde. En

evenzoo was "R. Wagner te Bayreuth" eigenlijk "eene dankbare hulde aan

een moment uit mijn verleden, aan een der schoonste oogenblikken van

mijn "geluk" en tevens aan het gevaarlijkste van mijn bestaan... het

was in werkelijkheid een breuk en een vaarwel." [57] De nieuwe

documenten, die van de laatste jaren dateeren en ons in staat stellen

Nietzsche's oorspronkelijke gedachten tot in de kleinste bijzonderheid

te volgen, bevestigen niet alleen zijn gezegde, maar bewijzen bovendien

ongetwijfeld, dat Nietzsche, ten tijde dat hij zorgvuldig vermeed

in zijn uit te geven geschriften een enkel woord te zeggen, dat

niet tot Schopenhauers of Wagners lof strekte, ver weg was van zijne

gedachten zonder voorbehoud aan die beide meesters over te geven, maar

daarentegen ijverig trachtte zich los te maken van hun overheerschenden

invloed. Zoo week hij reeds in den beginne van Schopenhauer af op

het punt van hoofdstellingen. Van af 1867 geeft hij zijn twijfel te

kennen omtrent de fondamenteele hypothesen van het geheele stelsel,

omtrent de eigenschappen die Schopenhauer aan den wil toekent, omtrent

den wil als zijnde het eigenlijk wereldwezen, en omtrent het bestaan

als een op zichzelf staand iets [58]. En reeds vroeg weerlegt hij

de pessimistische gevolgtrekkingen, die uit Schopenhauers systeem

voortvloeien; hij wil geen philosophische onderwerping of nihilisme

en zijn scepticisme gaat zoover, dat hij peinst "over waarheid en

leugen uit een extra-moreel oogpunt beschouwd", en het einde zijner

overpeinzingen is, dat hij de philosophie van de "wanhopige wijsheid"

veroordeelt, die philosophie, die tot elken prijs waarheid verlangt,

ook zelfs daar, waar zij het bestaan der menschheid aan de wetenschap

zou moeten prijsgeven, en dat hij de "tragische wijsheid" ophemelt,

die na alle methaphysiek ontkend te hebben, "de kennis ten dienste van

den schoonsten levensvorm stelt", aan de kunst alle rechten weergeeft,

die de wetenschap haar wilde ontnemen, en eindigt met het voor den

mensch noodzakelijk te vinden, "illusie te willen." [59] Nietzsche's

oordeel over Wagner was niet minder vrij. In 1866 vond hij, dat in de

Walküre groote fouten stonden tegenover wonderbaar schoone momenten

[60] en in den loop zijner voorbereidende studieën voor "Die Geburt

der Tragödie", schetste hij ter verklaring der tusschenkomst van

het koor in Beethovens IXe symphonie, eene theorie, die regelrecht

tegenover die van Wagner stond; [61] een andermaal wierp hij tegen de

Wagneriaansche opvatting van het muzikaal drama eene zienswijze op,

die daarvan geheel afweek; volgens hem moest de zanger in het orkest

afdalen, waardoor op het tooneel niets meer over zou blijven dan de

enkele handeling; de menschelijke stemmen en het orkest moesten die

in gebaren weergegeven actie verklaren; dan zou het zijn als vroeger

in de oorspronkelijke tragedie: de scenische verwezenlijking van een

apollinisch vizioen van het koor, dat door den Dionysischen geest in

vervoering wordt gebracht. [62] Nietzsche's twijfel nam toe, toen hij

werkte aan zijn "R. Wagner te Bayreuth" en in zijne schetsen vindt

men reeds tal van ideeën, [63] die hij later in "Der Fall Wagner"

uitwerkte. Hij zegt daarin wat hij het bovenmatige acht in Wagners

karakter en gaven, en dat hij in Bach en Beethoven "eene zuiverder

natuur" vindt; hij laat zich gaan tot eene strenge beoordeeling van

Wagners politiek leven, van zijne verhouding tot de revolutionnairen

en den koning van Beieren, ook van zijn anti-semitisme; hij twijfelt

zeer aan Wagners waarde, niet als "integraal" kunstenaar, maar wel als

specialist, als musicus, dichter of dramaticus, zelfs als denker; hij

ontdekt "reactionnaire elementen" in hem, zooals zijne sympathie voor

de middeleeuwen en het Christendom, zijne bouddhistische neigingen,

zijne voorliefde voor al wat wonderbaar was, zijn Duitsch patriotisme,

en hij is sceptisch gestemd ten opzichte van den reëelen invloed, dien

Wagners hervorming op Duitschland kan uitoefenen. Om kort te gaan,

op hetzelfde oogenblik, dat Nietzsche Wagner openlijk lof toezwaait,

blijkt hij, ondanks zijn bewering dat hij aan Wagners muziek "zijn

meest zuiver en helschitterend geluk verschuldigd is", niet meer of

minder dan een ketter in het Wagneriaansch geloof te zijn. Hoe die

schijnbare dubbelhartigheid te verklaren?

Nietzsche zelf geeft ons als volgt de reden van zijn gedrag aan:

"Eerst gelooven wij in den wijsgeer, zegt hij naar aanleiding van zijne

verhouding tot Schopenhauer. Dan zeggen wij: moge hij die beweringen

ook niet geheel juist kunnen staven, zoo blijven de beweringen er niet

minder juist om. En ten slotte komen wij tot de volgende overtuiging:

die beweringen zijn ons feitelijk onverschillig, maar de natuur

van dien mensch weegt tegen honderden stelsels op. Hij moge als

onderwijzend leeraar ontelbare malen dwalen, zoo blijft toch zijne

eigen persoonlijkheid gelijk hebben en daaraan alleen hebben wij ons

te houden. In den philosoof is wat in eene philosophie nooit zijn zal:

de oorzaak van vele philosophie, "het genie." [64] Dat paradoxaal

aphorisme verklaart geheel juist de groote wijziging in Nietzsche's

gevoelens ten opzichte van Wagner en Schopenhauer. Hij begon met veel

voor hunne werken te gevoelen, daarna gingen zijne liefde en achting

ook over tot de personen zelve: hij had, hen lief als mensch en als

genie, onafhankelijk van hun werken en daarom ontweek hij zorgvuldig

elke gevoelige daad, die hun groote vriendschap verstoren kon en

onthield hij zich bovenal van elke publieke critiek over al wat

in hunne werken niet in zijn smaak viel. Maar ten slotte brak het

oogenblik aan, waarin hij erkende, dat het onderscheid tusschen de

opvattingen zijner meesters en de zijne te groot was, om daarover

in alle eerlijkheid jegens zichzelven te kunnen zwijgen; toen heeft

hij met diepe droefheid in het hart gehoor gegeven aan de gebiedende

eischen van zijn denkersgeweten en wendde hij zijne critiek tegen zijne

opvoeders. Hij zag de dwaling in, waarin hij tegenover hen verkeerde,

hij begreep, dat hij in zijn omgang met hen niet getracht had hen naar

waarheid te begrijpen, maar daarin zijne eigen "ikheid" wilde leeren

kennen. En op die wijze was hij tot een schijnbaar paradoxaal maar

eigenlijk geheel logisch resultaat gekomen: in plaats van zichzelf

te vormen naar Schopenhauer of Wagner had hij hen daarentegen naar

zijn eigen beeld vervormd. Zijn teekening van Schopenhauer gaf

van den werkelijken Schopenhauer slechts een onvolkomen beeld en

daarentegen beschreef hij daarin met groote juistheid het ideaal

van den "tragischen wijsgeer" naar zijne eigen opvatting. Hetzelfde

geldt betreffende zijn beeld van Wagner en zijne apologie van

"het Bayreuthsch idee"; hij week ook daarin af van de objectieve

werkelijkheid om de geidealiseerde figuren van den Dionysischen

kunstenaar, eene soort Zarathustra vóór diens wording, te schetsen en

reeds vooruit dat "middaguur," dat later in Zarathustra voorkomt, te

beschrijven, dat uur, waarop de uitverkorenen samenkomen en zich aan

hunne meest verheven taak wijden. In plaats dus van zijne modellen uit

te schilderen, beschreef Nietzsche in hen zijn innerlijken droom. [65]

Hij begreep nu, dat hij in denken en gevoelen te ver stond van

Schopenhauer en Wagner. Eerst had hij in het pessimisme een wapen

gezien tegen het wetenschappelijk optimisme; de pessimistische

beoordeeling van het heelal kwam hem voor als de fiere plicht van

elk oprecht geweten. Daarentegen had hij nooit zonder voorbehoud

de "nihilistische" gevolgtrekkingen aangenomen, die Schopenhauer

uit zijne premissen afleidde, zijnde: het medelijden tot de hoogste

deugd verheven en de vernietiging van het willen leven als zijnde het

doel van het bestaan. Maar, daar hij juist toen geheel opging in den

strijd tegen de "socratische" cultuur van zijn tijd, kon hij niet veel

tijd besteden aan de weerlegging van die nihilistische strekkingen

of van het Christelijk ascetisme. Gaandeweg evenwel zag hij in, dat

het nihilistisch gevaar niet onderdoet voor het optimistisch en dat,

waar in onze eeuw de Philister in zijne middelmatigheid en voldaanheid

groeit, die eeuw tevens van verval getuigt in hare levensmoeheid en

haar verlangen naar vrede en niet-zijn.

Van toen af hield een nieuw vraagstuk Nietzsche's geest bezig, en tot

het einde van zijn bewust leven liet het hem niet meer los. Hij vroeg

zich af: Waaruit ontstaat dat modern verval? Welke zijn de symptomen,

die het karakteriseeren en de teekenen die het openbaren? Tot hoever

gaan diepte en uitgestrektheid van het nihilistisch kwaad? Hoe is het

te genezen? Van het oogenblik af, dat hij zich op dat standpunt had

gesteld, veranderde Nietzsche's oordeel over Schopenhauer en Wagner

geheel. Zij, die eertijds zijne bondgenooten waren in den strijd tegen

het modern optimisme, werden zijne vijanden in den oorlog tegen het

nihilisme en gevaarlijke vijanden om de kracht der betoovering, die

zij eenmaal op hem en meer algemeen nog op den tegenwoordigen tijd

uitoefenden. Hij begreep dat zijne groote vriendschap voor die beide

opvoeders hoogst gevaarlijk voor hem was geweest en dat, wanneer hij

zich niet bijtijds aan hun invloed had onttrokken, hij nooit zichzelf

was geworden en zich nooit volkomen bewust zou zijn geweest van zijne

philosophie over den "Uebermensch", wier kiem reeds gelegen was in

de opvatting van de Dionysische wijsheid, zooals hij die in zijne

"Geburt der Tragödie" verklaarde.

Ook in een ander opzicht had Nietzsche zich bedrogen in zijne

vereering van Wagner, hierin n.l. dat hij, de aanbidder van den

"schoonen vorm," de bewonderaar van den grootschen klassieken

stijl der Grieken en Franschen, zich had kunnen laten verblinden

en misleiden door den al te bloemrijken en overladen stijl van het

Wagneriaansche drama, dat hij zich had laten beetnemen door de kunsten

van een geniaal "comediant", van een voortreffelijk goochelaar. Hij

had een oorspronkelijk genie gezien, vol kracht en overvloeiend van

levensvruchtbaarheid, in een ultra-geraffineerd decadent, in een van

die nakomers, die aan den avond van een hoog ontwikkeld tijdperk, zoo

wonderbaarlijk handig gebruik weten te maken van alle stoffen, die

in vorige eeuwen verzameld werden en zeldzame, knappe, ingewikkelde

werken voortbrengen van schitterende en streelende kleuren als die

van een herfstlandschap of een zonsondergang; werken, die evenwel

meer buitengewoon dan waarlijk schoon zijn en waaraan de ware adel,

de aangeboren volkomenheid, die zeker van zichzelve zegepralend

uitstraalt, ontbreekt. Het Wagneriaansch drama vertegenwoordigde

volgens Nietzsche den "vlammenden" stijl in de muziek, het was

de artistieke uiting, die met onze eeuw van verval samen moest

gaan. Wagner heeft tot de kleinste hoeken der moderne ziel doorzocht en

is dus een gids van waarde voor den denker, die die moderne ziel tot in

hare verborgenste diepten wil leeren kennen. Het is noodig Wagneriaan

te zijn geweest... maar men moet zich van de heerschappij van dien

grooten toovenaar weten te bevrijden: dat is een levensvoorwaarde. "De

grootste gebeurtenis in mijn leven was eene genezing," zegt Nietzsche

verder. "Wagner is slechts eene mijner ziekten geweest." [66]

Het spreekt van zelf, dat de slachtoffers van Nietzsche's kritiek

evenmin die ondergrondsche evolutie in zijne ideeën als de fijne, teere

beweegredenen van zijne vreemde handelwijze begrepen. Schopenhauer

was dood en kon niet tegen hem opkomen, maar Wagner, die meer

dan levend was, zag in de afvalligheid van zijn leerling een waar

verraad. Nietzsche's diepe droefheid op de Bayreuthsche feesten, toen

hem plotseling met ondragelijke helderheid duidelijk werd wat hij tot

nog toe slechts flauw gevoeld had, n.l. de groote afstand tusschen den

idealen Wagner zijner droomen en den reëelen Wagner--die droefheid had

den meester niet kunnen ontgaan; zij had hem diep gekrenkt. En toen,

twee jaren later, Nietzsche in zijn "Menschliches Allzumenschliches"

(1878) de nieuwe richting zijner denkbeelden verkondigde en met

de meeste omzichtigheid, zonder Wagners naam ergens te noemen,

de strekking van het Wagneriaansch werk critiseerde, werd de breuk

tusschen meester en leerling volkomen. Want Wagner, alhoewel hij

Nietzsche oprecht liefhad, beschouwde hem tevens eenigszins als een

instrument voor zijn werk en het kwam hem niet meer dan natuurlijk

voor, dat Nietzsche's eerzucht zich bepalen zou tot den rang van

eersten apostel van het Wagnerianisme. Vandaar ook, dat Nietzsche's

afvalligheid hem bijna evenveel ergernis als smart veroorzaakte,

want hij zag in hem den eerzuchtige, die onder zijne bescherming

getracht had naam te maken om hem dan plotseling te verlaten zonder

andere reden dan de aandacht tot zichzelf te willen trekken, een

ondankbare, die zijne oude vriendschap opofferde aan eene ziekelijke

reclame-behoefte. En Nietzsche van zijn kant zag ondanks het diepe

leed, dat de breuk met zijn meester hem veroorzaakte, in diens wrok

een bewijs van kleingeestigheid en kleinzieligheid, en al bleef hij,

ondanks het verschil hunner meeningen, voor den gewonen mensch Wagner

de oprechtste vriendschap gevoelen, zoo beschouwde hij zich van toen

af door niets meer gebonden tegenover den publieken Wagner, wiens

denkbeelden hij bestreed en aarzelde hij niet eenige jaren later

tegen zijn vroegeren vriend eene dier hartstochtelijke vlugschriften

te richten, die zooveel opzien gebaard hebben: "Der Fall Wagner"

(1888) en "Nietzsche contra Wagner" (1888).

Nietzsche's gedrag tegenover Wagner is met recht zeer verschillend

beoordeeld. De aanhangers van den grooten meester hebben zich over

het geheel zeer streng en m.i. tevens zeer onrechtvaardig betoond

jegens den afvallige van het Wagnerianisme; zij hebben Nietzsche's

ontrouw toegeschreven hetzij aan eerzuchtige berekeningen, hetzij aan

gekrenkte ijdelheid en bovenal aan een begin van geestesstoring. Te

zamen genomen komen hunne beoordeelingen op het volgende neer. Tot

1876 is Nietzsche de man geweest, die Wagner het best begreep,

zijne "Unzeitgemäsze" over het Bayreuthsch werk is de schoonste

analyse van het Wagneriaansch genie, die ooit geschreven is, maar

die groote geest, die éénmaal beloofde een buitengewoon denker te

worden, werd bevangen door eene soort ziekelijke duizeligheid, die

hem er toe dreef met alle heiligste overtuigingen der menschheid en

eveneens met het gezond verstand te breken en zijn individueel gewicht

bovenmatig te overdrijven; die duizeligheid heeft hem ten slotte tot

waanzin gebracht. Onnoodig te zeggen, dat ik die zienswijze verre

van mij werp, daar zij het gebrek heeft Nietzsche's intellectueele

ontwikkeling met behulp van eene al te beknopte en al te eenvoudige

psychologie te verklaren, want uit het feit, dat hij Wagner in volle

oprechtheid bestreden heeft na hem niet minder oprecht bewonderd te

hebben, volgt niet noodzakelijk, dat hij krankzinnig of oneerlijk was;

dit heb ik althans getracht duidelijk te maken. Maar aan den anderen

kant zijn Nietzsche's vrienden, die de onbetwistbare verdienste hadden

de ware drijfveeren van zijne handelwijze aan het licht te brengen,

weer te zeer geneigd geweest de onschuld van hun beschermeling te

bewijzen. Hij had zich bedrogen in zijne bewondering voor Wagner;

dat was zijn recht, maar gegeven den juisten aard zijner gevoelens

voor Wagner in 1876, mocht hij dan "R. Wagner te Bayreuth" schrijven

in den dithyrambischen vorm, dien hij koos? Hier reeds vraagt men

zich af of dit, zoo al geen geveinsdheid, toch geen onvoorzichtigheid

is geweest van Nietzsche's kant; velen althans zullen vinden, dat

het vreemd is op die wijze te spreken over een meester, dien men

op het punt staat te verlaten. En verder had Nietzsche na eenmaal

"Wagner te Bayreuth" geschreven te hebben, het recht later "Der Fall

Wagner" te schrijven? Op dat punt zullen de meeningen verschillen,

zooals zij trouwens over de waarde van Nietzsche's geheele moraal

over het algemeen uiteenloopen. Hij is voor zich logisch geweest

(dat staat buiten allen twijfel), toen hij Wagner met evenveel

geestdrift bestreed als hij hem bewonderd had; aan zijne intellectueele

oprechtheid deed hij de grootst denkbare opoffering door niet zonder

smart, maar zonder eenige zwakheid eene der grootste genegenheden,

die hij ooit gevoeld had, prijs te geven. Maar tal van aanhangers

der "oude moraal" zullen vinden, dat er niets te bewonderen valt in

die opoffering, dat Nietzsche slechts "persoonlijk", anders gezegd

"egoïst" is geweest van het begin tot het einde zijner verhouding

tot Wagner, dat hij reeds dadelijk, in plaats van zich aan zijnen

opvoeder te geven, zichzelf in den omgang met Wagner heeft gezocht en

daarna, toen hij éénmaal zijne dwaling omtrent Wagner had ingezien,

liever de trouw der vriendschap aan zijne eigen ikheid prijsgaf dan

de minste zijner persoonlijke overtuigingen op te offeren.

Ik herhaal het: die handelwijze is niet alleen onaantastbaar, maar

zeer schoon, wanneer het menschelijk leven als eenig doel beoogt

de ontwikkeling van het genie, en wanneer, zooals Nietzsche zegt:

"de onpersoonlijkheid noch in den hemel, noch op aarde eenige waarde

heeft." Dat is evenwel een gezichtspunt, waarvan althans niet een ieder

uitgaat en daarom geloof ik ook, dat Nietzsche's handelwijze voor velen

onzer tijdgenooten "raadselachtig" blijven zal. Velen zullen geneigd

zijn in zijn roman met Wagner niet anders te zien dan den schok--een

zeer belangrijken schok uit een aesthetisch en intellectueel, maar

minder zeggend uit een moreel oogpunt--tusschen twee hoogstaande

individualiteiten, die beiden even zelfbewust, hard tegen elkander

zijn gebotst omdat geen van beide aan hunne vriendschap een brokje

"egoïsme" kon prijsgeven. Zoo zal elk, naarmate zijnen moreelen drang

tot individualisme of altruïsme, geneigd zijn Nietzsche's gedrag

met meer of minder sympathie, onverschilligheid of gestrengheid

te beoordeelen.

Tot slot van deze discussie Nietzsche's schoon aphorisme,

Sterrenvriendschap, waarin hij in een, naar zijne zienswijze natuurlijk

onpersoonlijken vorm maar met zulk eene hooge gevoelsuiting de

werkelijk zoo treurige geschiedenis van zijne vriendschap en zijnen

breuk met Wagner heeft beschreven: "Wij waren vrienden en zijn

vreemdelingen voor elkander geworden. Maar het is zoo en wij verbergen

het elkander niet alsof wij er ons voor moesten schamen. Wij zijn

als twee schepen, waarvan elk zijn eigen doel en eigen weg heeft;

wij kunnen elkander wel ontmoeten en samen feestvieren zooals wij

vroeger deden--en op dat oogenblik lagen beide schepen zoo vreedzaam

in dezelfde haven, onder dezelfde stralen der zon, dat het was alsof

zij hun doel reeds hadden bereikt en nooit anders dan éénzelfde doel

hadden gehad. Maar toen dreef de almachtige noodzakelijkheid van

onze taak ons verre uiteen, naar verschillende zeeën en klimaten;

nu wellicht zullen wij elkander nooit weerzien--wellicht zullen wij

elkander ook wel weerzien, maar zonder elkander te herkennen, zoo zeer

zullen wij veranderd zijn door de zee en door de zon. Wij moesten

vreemdelingen voor elkander worden: dat was de wil van onze hoogere

wet, maar daarom ook moet elk onzer de achting van den ander waardiger

worden! Zoo ook moet de herinnering aan onze vervlogen vriendschap

steeds heiliger worden! Er bestaat zeker een groote kromme lijn,

de loopbaan eener ster, waarin onze zoo geheel verschillende wegen

en doeleinden begrepen zijn als korte segmenten--laat ons trachten

ons tot die gedachte te verheffen! Maar ons leven is te kort en ons

gezicht te beperkt om ons meer te kunnen doen zijn dan vrienden in

den zin van die hoogverheven mogelijkheid. En zoo willen wij gelooven

aan onze sterrenvriendschap ondanks onze vijandschap op aarde." [67]

Nietzsche's Philosophie · 第 17 / 45 题