II.

Het was niet uit drang of uit overtuiging dat Nietzsche tegen het einde

van zijn verblijf te Schulpforta besloot de academische loopbaan te

volgen en zich aan de philologie te wijden, want een der voornaamste

redenen, die hem tot dat besluit brachten, was zuiver negatief; hij

vond geen enkele loopbaan geschikter voor zichzelf en voor geen andere

was hij beter toegerust èn door zijn natuurlijken aanleg en zijne

bekwaamheden, èn door zijne voorafgaande studieën. Hij verwachtte als

professor vele vrije uren voor zijne persoonlijke studie te hebben,

bovendien eene nuttige betrekking en eene volkomen onafhankelijke

positie, zoowel maatschappelijk als politiek [25]. Deze overwegingen

van lagere orde oefenden den grootsten invloed uit op de bepaling

zijner keuze, maar toch stonden naast die practische redenen ook

andere meer intellectueele, die Nietzsche de philologie deden kiezen.

De voornaamste reden was zijn verlangen om een meester te worden

op het een of ander zeer bepaalde gedeelte van het groote veld der

wetenschappen, want Nietzsche was zelf al te zeer overtuigd van het

gevaar, dat de drang naar algemeene ontwikkeling, die hem juist zoo

eigen was, in zich sloot; hij begreep te goed, dat het zoeken naar

alle richtingen, het veroveren van eene oppervlakkige, algemeene

kennis zonder het voldoend zelfbedwang te bezitten om die universeele

nieuwsgierigheid te beheerschen, noodzakelijk eindigen moest in

dilettantisme en juist zijn innig nauwgezet en fijnvoelend geweten had

geen voldoening kunnen vinden in onvolmaakte en halve kennis. Reeds

in zijne jonge jaren gevoelde hij een steeds toenemenden afkeer van

"den vertegenwoordiger der moderne beschaving," den journalist,

"den litterator, die niets is en toch bijna alles vertegenwoordigt,

die den rol van den kenner speelt en in alle bescheidenheid ook diens

geld, roem en eer inoogst." [26] De kennis, waarnaar hij streefde, was

de ware, grondige kennis van den "meester" in de wetenschap, van hem,

die door in een beperkten kring geduldig en nauwgezet te arbeiden,

tot bepaalde resultaten komt; zijn doel was een nuttig arbeider te

worden op een of ander gebied van het ruime veld der wetenschap;

en, van dat punt uitgaande, gevoelde hij zich aangetrokken tot de

philologie om de strenge methode, de nauwkeurigheid aan hare kleinste

onderzoekingen verbonden, juist dus door het droge en dorre, dat dien

tak der wetenschap voor het groote publiek ongenietbaar maakt.

Bovenal ook trok hem het inactueele, het "Unzeitgemäsze",

(eene uitdrukking aan Nietzsche eigen) in de philologie aan. De

alledaagsche mensch verwijt doorgaans den oudheidkenner dat hij

zijn tijd verknoeit aan de studie van verre, doode en onnutte zaken

in stede van zich aan de vragen van zijn tijd te wijden; Nietzsche

daarentegen is dankbaar dat de philologie geen practisch nut beoogt,

maar tot het veld van den aristocraat, den mandarijn van den geest

behoort; hij is dankbaar dat hare aanhangers bovenal de behoefte

gevoelen aan overpeinzing, stilzwijgen en een verstandig, geduldig,

langzaam werken, dat de menschheid van ons tegenwoordig luidruchtig,

druk en oppervlakkig bestaan niet meer kent. "De philologie," zegt

hij, "is eene schoone kunst, omdat zij hare aanhangers dwingt in

de eerste plaats zich af te zonderen en zich tijd te gunnen; eene

kunst, die hen stilzwijgendheid en geduld leert. Zij is de kunst

van den edelen bewerker en kenner van het "woord", die elk stukje

fijn, bedaard, kortom lento moet bearbeiden om tot het gewenschte

resultaat te komen. Daarom ook is de philologie juist nu zoo noodig

en trekt en lokt zij ons te meer in deze dagen van "drukken arbeid"

of beter gezegd van haastigen, onverkwikkelijken drift, waarin het

alleen geldt zoo spoedig mogelijk met alles af te doen en met oude

zoowel als nieuwe werken klaar te komen. De philologie daarentegen

kan nooit snel iets ten einde brengen, wat het ook zijn moge; zij

leert juist lezen, langzaam en grondig, van alle zijden overwegend,

diepdenkend en voorzichtig in hare gevolgtrekkingen; zij leert lezen

met eene fijnvoelende hand en een scherp oog." [27]

Te meer ook wilde Nietzsche gaarne zijn leven wijden aan de philologie,

omdat hij vast besloten was in die wetenschap niet uitsluitend

ijverig en zonder persoonlijk oordeel te werk te gaan en zich niet te

verliezen in de pragmatieke, micrographische studie van het kleine om

daaruit eigen nieuwe gevolgtrekkingen te maken; hij wilde zich evenmin

tevreden stellen met een onvruchtbare verzameling van nuttelooze en

doellooze opmerkingen, maar als philosoof en artiest de philologie

bestudeeren. Zijn vaste overtuiging was, dat het klassiek ideaal

een onsterfelijk model blijft, ook voor onze dagen, en dat geen

industrieele vooruitgang, geen voortreffelijke schoolregeling of

politieke opvoeding van de menigte ons ooit zouden kunnen weerhouden

van den terugkeer tot een lageren graad van beschaving, zoodra wij

geen eerbied en bewondering meer gevoelen voor den edelen eenvoud en de

groote, stille waardigheid der Grieksche kunst. En bovendien had hij de

overtuiging dat die Helleensche kunst, die door de beijveraars van den

wetenschappelijken vooruitgang en van moderne ideeën zoo diep veracht

werd, in werkelijkheid verre boven de onze stond, dat de Grieken

het raadsel van het bestaan beter hebben begrepen dan wij en dat zij

daarom niet alleen in smaak, maar ook over het algemeen in de kunst

van leven in den waren zin, ons hebben overtroffen. Zoodoende werd in

Nietzsche's oogen de taak van den philoloog buitengewoon grootsch en

schoon, want het was hem niet te doen om eene of andere tekst uit te

pluizen of om nieuwe gissingen op te werpen, maar wel om den ouden

Griekschen geest te doen herleven, om te leeren hoe die geest zich

heeft weten te verheffen tot de volkomenheid, die uit de nagelaten

werken spreekt. Het was hem te doen om de physieke toestanden, de

godsdienstige begrippen, de politieke en maatschappelijke regeling,

zelfs de ethnologische of de klimaatinvloeden te bestudeeren, die de

Grieksche natie in staat hebben gesteld zulk een hooge ontwikkeling te

bereiken, die de Helleensche geschiedenis eene zoo hooge plaats hebben

doen innemen in de evolutie van de Europeesche beschaving en haar

nog tot een voorbeeld doen stellen aan den tegenwoordigen tijd. Toen

Nietzsche professor werd aan de Universiteit van Basel stelde hij

zich den grootschen taak voor, door eene grondige studie van de ziel

der oudheid, de eeuwige vragen der menschheid te onderzoeken. "De

philologie," zoo besloot hij zijne inauguratie-rede, "is geen Muze

of Gratie, maar een Goddelijke bode; en evenals vroeger de Muzen

afdaalden tot de bedroefde en klagende landlieden van Beotië, zoo gaat

nu de Godsbode tot een wereld van sombere kleuren en droeve beelden,

vol diep, ongeneeslijk leed, en geeft ons troost in de schoone,

heerlijke figuren van een wonderbaar licht, ver en gelukkig oord,

die zij door hare verhalen ons voortoovert." [28]

Nietzsche ondernam het groote vraagstuk van de Grieksche cultuur

met buitengewonen ijver en na het lezen van deel IX en X van zijne

volledige werken, staat men verstomd over den velen en omvangrijken

arbeid, dien hij in de tien jaren van zijn professorale loopbaan tot

stand bracht, waarbij men niet moet vergeten, dat hij in dienzelfden

tijd zich tegelijk bezighield met philosophie, litterarische kritiek,

Wagneriaansche propaganda en Grieksche philologie. En die philologische

werken alleen zijn reeds zeer uitgebreid. "Die Geburt der Tragödie"

met hare voorafgaande studieën [29] geven slechts een klein gedeelte

weer van zijne werkkracht en wanneer men de lijst inziet van al

de cursussen en lezingen, die door Nietzsche tusschen 1869 en 1879

[30] gehouden werden, begrijpt men eerst welk eene verscheidenheid

van onderwerpen hij weet te behandelen; daarvan waren onder die,

welke tot zijn geregelden cursus behoorden, de volgende wel de

voornaamste: de geschiedenis der Grieksche litteratuur, die der

geestelijke oudheidkunde, de rhetorica, de rythmus en de geschiedenis

der Grieksche philosophie tot en met Plato.

Tegelijkertijd verdiepte hij zich in nasporingen betreffende de

Grieksche wijsgeeren van af Thales tot Socrates, wierp hij eene nieuwe

theorie op over de Grieksche metriek, maakte hij philologische en

historische commentaren op de Choephoren en bewerkte hij de aesthetica

van Aristoteles, Demosthenes en Cicero. Daarbij stelde hij zich voor

in een cyclus van professorale lezingen, die zeven of acht jaren zou

duren, al de takken der Grieksche cultuur te behandelen en daarna tien

jaren van zijn leven te wijden aan een groot werk, n.l. de synthese

van zijn eigen beslist oordeel over het Helleensch vraagstuk. Maar

al die voorgenomen werken hebben niet verder mogen komen dan tot

fragmenten of ontwerpen, want van af 1876 stond Nietzsche's gezondheid

hem niet langer de vele bibliotheekstudie toe, die hij behoefde voor

de noodige nasporingen en daarbij gevoelde zijn geest zich tot andere

vraagstukken aangetrokken, wat niet wegneemt, dat de nog bestaande

schetsen ons voldoende op de hoogte zijner denkbeelden stellen en ons

aantoonen, hoe nauwgezet hij zijn philologischen arbeid beoefende. Hoe

men verder ook oordeelen moge over zijne geestelijke richting, over

zijne methode en over de waarde der resultaten, toch moet men erkennen,

dat hij in de volle oprechtheid zijner overtuiging zijn uitersten best

heeft gedaan om zich volkomen te vereenzelvigen met de wetenschap,

die hij onderwijzen moest.

Het is evenwel onze bedoeling niet Nietzsche's philologische werken

te beschrijven of te behandelen; het is ons alleen te doen om de

philosophische gevolgtrekkingen te leeren kennen, welke hij uit zijne

nasporingen gehaald heeft. Zijn doel was immers het raadsel van het

bestaan te zoeken door de Grieksche oplossing van dat raadsel te

bestudeeren; wij moeten dus nagaan hoe, volgens hem, die oplossing

was en welke waarde hij daaraan hechtte.

Nietzsche's uitgangspunt is de metaphysica van Schopenhauer en

evenals die groote pessimist, beschouwt ook hij den wil als de kern

van de wereld; ook hij gelooft dat die wil één is met alle wezen en

zijne bevestiging vindt in de algeheele schepping. Die wil is een

smartelijk verlangen, dat het menschelijk bestaan in zijne vaste

overtuiging van overwonnen te zullen worden, tot een onafgebroken

strijd maakt en zich laat verklaren als "het willen zonder reden,

het altijd lijden, het sterven--zoo voortgaande van eeuw tot eeuw,

totdat onze planeet in kleine schilvers afbrokkelt."

Door het verstand is de wereld niet te verklaren, want de rede

heeft berekend dat in ieder leven het quantum lijden verre boven de

hoeveelheid geluk staat en daaruit besluit zij dat de mensch er naar

streven moet den wil in zich te vernietigen; want, wanneer éénmaal

die wil niet meer is, moet de uiterlijke wereld vanzelve instorten,

omdat zij slechts het voorwerp is van den wil, ontstaan uit de daad van

het individueel willen bestaan. Maar, vervolgt Nietzsche, en hierin

wijkt hij af van Schopenhauers leer, de wereld, die volgens de rede

niet verklaard kan worden, is wellicht een aesthetisch phenomeen,

het visioen, van een hoogstaand artiest, het wonderkunstwerk, dat

zijnen schepper de hoogste aesthetische weelde doet smaken. En,

die hypothese aannemende, is het de plicht van den mensch zich

zooveel mogelijk in te werken in dat schoonheidsvisioen door in

zich den zin voor het schoone te ontwikkelen, zich te verdiepen in

bespiegelingen over het heelal en zichzelf uitsluitend van uit het

standpunt van het schoone te beschouwen; zoo gevoelt men bij het

voortbrengen van een kunstwerk wellicht iets van de oneindige vreugde

van den grooten schepper. De mensch nu opgevat volgens de leer der

individuatie, als een zelfstandige persoonlijkheid, zich bewegende

in de wereld der phenomenen, is een kunstenaar door de gave van het

scheppingsvisioen. Hij kan, hetzij direct als scheppend kunstenaar,

hetzij indirect door in bespiegeling van de kunst het innerlijk

zien sterk op te wekken, beelden in zich scheppen van het uiterlijk

leven, die hem met artistieke vreugde vervullen. De hoofdzaak in de

aesthetische daad is het scheppen van een innerlijk beeld, het is

dus een visioen, een droom van de uiterlijke wereld, niet alleen van

hare schoonheid en vreugde, maar ook van hare verschrikkingen en haar

leed. Dat vermogen om zich beelden uit het werkelijk leven te scheppen

noemt Nietzsche het Apollinisch vermogen. Tot de Apollinische kunst

behooren in de eerste plaats: de beeldhouwkunst, de schilderkunst

en het heldendicht; zij geven den droom weer, dien de mensch wil

voortdroomen, die hem gelukkig maakt ondanks het volle besef, dat die

droom niet de werkelijkheid beduidt. De Apollinische mensch ontsnapt

dus aan het pessimisme door de bespiegeling van het schoone en hij

spreekt tot het leven: "Ik neem u aan, omdat uw beeld schoon is;

gij zijt waard mijn droom te zijn!"

Maar het wezen van den mensch wordt niet alleen bepaald door den

grondregel van de individuatie, want hij gevoelt dat hij ook zelf aan

een wil toebehoort en een klein deel uitmaakt van dien grooten wil,

die het heelal beheerscht, dat hij één is met al wat leeft en lijdt

in dat heelal. Zoo gevoelt de mensch in den toestand van opwinding en

extase, die in hem wordt verwekt, hetzij door narcotische middelen

of door natuurverschijnselen als b.v. den terugkeer der lente, dat

de afzondering door de individuatie, die hem alleen doet staan in het

heelal, plotseling vervalt en hij zich bewust wordt van zijn éénzijn

met de geheele natuur.

Dien toestand noemde Nietzsche den Dionysischen staat. De natuurlijke

taal van den Dionysischen mensch is de muziek, die volgens Schopenhauer

de directe uiting is van den eeuwigen, oorspronkelijken wil en het

volledig beeld weergeeft van dien eeuwigen wil, die de basis vormt van

het heelal. In den Dionysischen staat wordt de mensch zich eerst ten

volle de algemeene wereldsmart bewust en leert hij de illusie en de

droefheid van de individuatie kennen; hij zou daardoor overhellen

tot eene pessimistische opvatting van het heelal, zoo hij niet

tevens doordrongen werd van het bewustzijn zijner eeuwigheid, omdat

zijn individueele wil één is met den grooten wereldwil. En staande

vóór het schrikbeeld der vernietiging van al wat sterfelijk is,

zooals voor den dood van een tragischen held, gevoelt hij in zich de

zekerheid, dat het eeuwige leven van den wil niet lijden kan onder

den dood van het individu. De Dionysische mensch onttrekt zich dus

aan het pessimisme omdat hij de eeuwigheid van den wil ziet in den

onafgebroken stroom van phenomenen en hij spreekt tot het leven:

"Ik neem u aan, want gij zijt het eeuwige leven!"

De Grieken hebben zich dank zij die beide weldadige illusieën, de

Apollinische en de Dionysische illusie, gedurende den schoonsten

tijd hunner beschaving boven alle pessimisme weten te verheffen en

daardoor waarde geschonken aan hun leven.

Het Grieksche optimisme spruit, volgens Nietzsche, dus niet voort

uit de aangeboren eigenschap om het leven licht op te nemen en de

oogen te sluiten voor alle menschelijk leed, maar uit een hoogere en

edeler bron, want de Grieksche traditieën betreffende het allereerste

bestaan, de koperen eeuw en den tijd der Titanen, bewijzen te goed

hoezeer ook zij het universeele lijden beseften.

En ter staving van zijne bewering haalt Nietzsche het antwoord aan,

dat Silenus, de metgezel van Dionysus, aan koning Midas gaf op diens

verzoek hem te zeggen, wat het beste is voor den mensch: "O geslacht

van ééndaagsche ongelukkigen, zonen van het noodlot en de smart,

waarom dwingt gij mij u te zeggen, wat u niet aangenaam zal zijn te

vernemen? Het hoogste goed, dat voor u echter onbereikbaar blijft,

is het nietgeboren zijn, het nietbestaan. En het beste, dat daarop

volgt, is zoo vroeg mogelijk te sterven." Juist dat lijdensvermogen,

dat ten volle kunnen gevoelen al de verschrikkingen en smarten van

het bestaan, bracht de Grieken, in hunne behoefte aan voortleven, tot

het scheppen van de schitterende olympische godenwereld. Zoo werd de

Grieksche godheid de hoog zegepralende schepping van den Apollinischen

geest. Om zich te behoeden voor den afschuw der werkelijkheid, die

het vermoedde, bracht het Grieksch genie eene godenwereld voort en

gaf daarin het schitterend visioen weer van het leven, zooals het

volgens de eigenlijke waarde geleefd moest worden. En in zijn angst

om te worden overweldigd door het pessimisme, geloofde de mensch aan

de goden, die hij zich zelf geschapen had: het leven kreeg in zijne

oogen opnieuw waarde omdat het zich ontspon in een heelal, dat door

zulke schoone goden beheerscht werd. Homerus is het sprekend type

van den Apollinischen Griek, van den kunstenaar, die weliswaar naief,

maar daarbij gewild en verfijnd naief is. De Romeinsche dichtkunst is

het zegelied der Grieksche beschaving nadat zij de verschrikkingen

der Titaansche eeuw heeft overwonnen; zij geeft het toppunt aan van

de Apollinische illusie, die den Griekschen mensch als artiest in

eigen oogen de droefheid en het leelijke van het reëele leven kon

doen verbloemen.

Weldra echter ontstond tegenover de Apollinische leer de Dionysische

geest of beter, de tragische geest.

Die Dionysische geest had zich over de geheele oude wereld verspreid en

bij de Barbaren gaf hij aanleiding tot de verschrikkelijkste orgieën,

waarbij de mensch in den meest dierlijken staat verviel en zijne

zinnelijke en wreede neigingen niet meer in toom wist te houden. De

Grieken gaven ondanks hunnen afkeer van al wat barbaarsch was, toe

aan de besmetting, die daarom te gemakkelijker grond vond, omdat ook

zij den Dionysischen aard in zich voelden, maar hunne orgieën werden

nooit dierlijk; het waren feesten, waarin de natuur hare verlossing

vierde en de mensch in verrukking geraakte over zijn gevoel van

gemeenschap met het heelal. Uit die Dionysische orgieën sproot de

Grieksche tragedie voort.

Zooals bekend is, vindt de Grieksche tragedie haren oorsprong in een

koor van saters. Voor de Grieken nu waren de saters natuurgeesten, die

onverdelgbaar waren en achter alle beschaving stonden om alleen reeds

door hunne verschijning elk begrip van beschaving te verduisteren en

den slagboom, die den mensch van de natuur afscheidt, te doen vallen,

daarmee aantoonende, dat de natuur door alles heen zichzelve blijft

en in eeuwigheid zal blijven voortbrengen ondanks de onophoudelijke

wisseling van geslachten en volken. De Griek maakt van den sater een

wezen, dat enkel "natuur" is, vrij van alle beschaving, maar daarom

toch geen dierlijk wezen; hij heeft iets verhevens en goddelijks in

zich en verpersoonlijkt de hoogste natuurgevoelens van den mensch; hij

is een wezen vol geestdrift, dat in verrukking wordt gebracht door de

nadering der godheid en tegelijk is hij vol medegevoel en medelijden,

want hij deelt in het lijden van Dionysus; hij is in de grondigste

natuurwijsheid ingewijd en vormt het zinnebeeld van de almachtige

levensvruchtbaarheid, die de Grieken vol godsdienstigen eerbied

bewonderden. In zijn oorsprong was het koor der saters de uiting van

het gansche publiek, ten prooi aan de Dionysische opwinding; door dans

en muziek wekte dat koor in den toeschouwer die heilige geestdrift op,

die alle herinnering aan beschaving en alle gevoel van individualiteit

uit hem verdreef en hem zelf tot een sater maakte, deelende in die

groote opgewondenheid. En wanneer dan allen zich eenstemmig aan die

heilige vervoering hadden overgegeven, rees plotseling te midden

van dat opgetogen koor het stralend beeld van den god Dionysus als

eene openbaring voor alle toeschouwers. Zoo deed de Dionysische

verrukking een Apollinisch visioen ontstaan, dat niets anders was

dan de eigenaardige en plastische uiting van den onbepaalden en

"muzikalen" zieletoestand, die geboren was uit die mystieke opwinding.

De Grieksche tragedie is dus ten slotte eene daadwerkelijke uiting van

den Dionysischen zielstoestand, die door middel van een Apollinisch

beeld verklaard en in zekeren zin "gespecialiseerd" wordt voor oogen

en verstand. In hare eigenlijke inspiratie is zij "muzikaal"; zij is

het zegelied van den wil, die zijn onsterfelijkheid beseft tegenover de

voortdurende wisseling der dingen en door haren vorm is zij plastisch

en ontleent zij hare stof aan de Apollinische visioenen. De éénige

held van alle tragedie is de god Dionysus. In den beginne is hij

slechts een visioen van het koor der saters en zoo is de tragedie in

haren oorsprong zuiver lyrisch; zij is de hymne gewijd aan dien god,

waardoor het koor zijn visioen aan de toeschouwers openbaart. Later

werd dat visioen geobjectiveerd en op het tooneel nagebootst om zich

des te sterker van de verbeelding der toeschouwers meester te kunnen

maken; het tooneel waarop de tragedie zich bewoog, stelde zinnebeeldig

den wolkenlijst voor, waarin de goddelijke verschijning zich vertoonde

aan de bacchanten, die in de hoogste extase door het dal dwaalden

en die door het koor werden vertegenwoordigd. Later manifesteerde

Dionysus zich niet meer als god, maar nam hij de verschillende

plastische vormen van den held aan en verpersoonlijkte hij zich in

de tragische figuur van Prometheus of van Oedipus.

Want, wel beschouwd, zijn al die helden der oude mythen van den

Homerisch en tijd uitspruitsels van den god: "Dionysus, den eenigen

waren held van alle tragedie, die onder het masker van den strijdenden

held, in verschillende vormen verschijnt; hij is, om zoo te zeggen,

in het netwerk van den individueelen wil ingeweven. In zijne woorden

en daden is de godheid als een dwalend wezen, dat strijdt en lijdt en

dat hij ons als zoodanig in de scherpe omlijning van het Episch visioen

verschijnt, is te danken aan de tusschenkomst van Apollo, den tolk der

droomen, die met behulp van die symbolieke verschijning aan het koor

zijne Dionysische extase duidelijk maakt. In werkelijkheid echter is de

tragische held die lijdende Dionysus, die in de mythe bedoeld wordt,

die god, die in zichzelf de smart der individuatie ondervindt, die,

volgens de legende, als klein kind door de Titanen verscheurd werd

en als zoodanig onder den naam Zagreus werd aangebeden; daarmee werd

bedoeld dat de verscheuring van den god, het beeld van zijne smart,

gelijk stond met eene metamorphose in lucht, water, aarde en vuur en

dat de individuatie bijgevolg beschouwd moest worden als de bron en

de oorsprong van alle smarten, als een noodlottig iets op zichzelf.

Uit den glimlach van Dionysus werden de goden geboren, uit zijne

tranen de menschen. In zijn toestand van verscheurde godheid vertoonde

Dionysus een tweevoudig beeld: hij was zoowel de wreede, verwilderde

demon als de zachte, vreedzame heerscher. Doch de heldendichters

vestigden alle hoop op eene hernieuwde geboorte van Dionysus,

wat voor ons zooveel beteekent als het verlangen naar het einde

der individuatie, en ter eere van de komst van dien derden Dionysus

weerklonk de vreugdezang van den heldendichter. Die hoop alleen kon een

licht van vreugde doen stralen op het aanschijn van de verbrokkelde

wereld, die zich in tallooze individuën oploste, wat door de mythe

symbolisch werd voorgesteld door het beeld van de eeuwig treurende

Demeter, die voor het eerst weer vreugde kende toen haar gezegd werd,

dat zij nog éénmaal Dionysus zou baren." [31]

Zoo deden de Grieksche tragieken de wereld der Homerische goden,

wier stralenkrans reeds begon te verflauwen, opnieuw herleven en

benuttigden zij de Grieksche visioenen als sprekende zinnebeelden

om hunne opvatting van het heelal onder een plastischen vorm te

verklaren. Onder hun invloed werden die mythen vervuld van muziek en

Dionysische wijsheid, en zoo, krachtig gemaakt door den Dionysischen

geest, opgewekt door de tooverkracht der muziek, uit zich de oude

Homerische mythe vóór haar heensterven, nog in den meest sprekenden

vorm: "Nog éénmaal verheft hij zich als een held, die gewond werd;

en de overvloed zijner krachten, de vrede en de wijsheid, die de dood

hem beloven, zij allen lichten op in zijne oogen in een laatsten,

machtigen weerschijn." [32]

In die periode van de "tragische wijsheid," die zich volgens Nietzsche

het sterkst openbaarde in het drama van Aeschylus en die hij in zijne

natuurlijkste uiting terugvond in de philosophie van Heraclites,

lag volgens hem het toppunt der Grieksche beschaving en toen hij,

zestien jaren later, in vol zelfbewustzijn, het werk zijner jongere

jaren nog eens naging, besefte hij dat zijne voornaamste verdienste

daarin bestond, dat hij in "Die Geburt der Tragödie" voor het eerst

den diepen zin van den Dionysischen geest onder de Grieken had doen

uitkomen. "De orgieënstaat verklaard als een gevoel van overvloeiende

levenskracht, waarin zelfs de smart een prikkel is, heeft mij den weg

getoond, die tot het besef van dat tragisch gevoel leidt, dat zoowel

door Aristoteles als door onze hedendaagsche pessimisten zoozeer

miskend wordt. De bevestiging van het leven tot in zijne moeilijkste

en meest geduchte problemen, de Wil om te leven, zich hoogvoelend

in het bewustzijn van zijne onuitputtelijke vruchtbaarheid ondanks

de vernietiging van de schoonste typen der menschheid--dat noem ik

den Dionysischen geest en daarin vond ik den sleutel tot de ziel van

den tragischen dichter. De tragische ziel verlangt niet bevrijd te

worden van vrees en van medelijden, zij tracht niet zich los te maken

van een gevaarlijken hartstocht door eene hevige uitbarsting van dien

hartstocht uit te lokken--volgens de opvatting van Aristoteles--neen:

zij wil door medelijden en vrees heen zelve de eeuwige wordingsvreugde

zijn, die vreugde, die ook het genot van vernietigen kent...." [33]

Toch moest in Griekenland de Dionysische geest wijken voor den geest

der wetenschap.

Nadat de Grieken zich hadden losgemaakt van het pessimisme, hetzij

dan door de bespiegeling van het schoone of door het bewustzijn

der eeuwigheid van den wil, zochten zij een nieuwen steun in de

redelijke kennis van het heelal. De wetenschap is ook een machtig

wapen tegen het pessimisme, want evenals de kunstenaar tot het leven

spreekt: "Ik neem u aan omdat uw beeld schoon is", zegt de geleerde:

"Ik neem u aan, omdat gij waard zijt gekend te worden." Hij vindt

in het wetenschappelijk ontdekken evenveel genot als de kunstenaar

in het Apollinisch visioen en van dat standpunt uitgaande, is de

wetenschappelijke illusie niet minder bevredigend dan de Apollinische

of de Dionysische; men moet hierbij echter niet vergeten, dat de

weldadige uitwerking van de wetenschap in de daad zelve van het

onderzoek ligt en niet in de gevonden waarheid; en juist de groote

dwaling, waaraan de wetenschap zich meestal schuldig maakt, is hare

overtuiging, dat zij niet alleen de wereld kan leeren kennen, maar

haar ook kan leiden en verbeteren. In haar kinderlijk optimisme

gelooft zij naiefweg dat de wereld zoowel in haar geheel als in

hare onderdeden te begrijpen is, dat de hoogste deugd bestaat in

wetenschap, dat onwetendheid de bron is van alle kwaad en dat de

mensch door middel van wetenschap alle deugden, zelfs die van den

tragischen held bereiken kan.

Socrates is het eerste, groote rationalistische type in

Griekenland. Bij hem sprak de rede zoo sterk, dat zij om zoo te

zeggen, de plaats van het gevoel innam. De normale mensch wordt

tegen de dwalingen van zijn gevoel gewaarschuwd door zijn verstand;

bij Socrates daarentegen was het omgekeerde waar en het gevoel, die

welbekende demon, wiens stem hij somtijds vernam, waarschuwde hem

voor de dwalingen zijner logica! Toch, hoewel hij een minder edele

figuur was dan de Griek van den tragischen tijd, wist Socrates zijne

tijdgenooten te boeien door de groote macht zijner redeneerkunde en

door zijn bewonderenswaardigen dood; hij verliet in volle kalmte en

zonder eenig leedwezen het leven en bevestigde in zijn sterven zijn

onomstootelijk vertrouwen in zijne ideeën en zijn kalm optimisme. [34]

De Socratische geest doodde de Grieksche tragedie. Voor de rechtbank

der rede moest de Dionysische tragedie noodzakelijk vallen, juist

door het irrationeele, illogische, "muzikale" element in haar.

Een tragedie bewijst niets en brengt geen enkele nuttige waarheid aan

het licht; zij is daarentegen eigenlijk immoreel, want zij vertoont

de vernietiging van de schoonste exemplaren der menschheid en zoo

er nu, naar het wetenschappelijk optimisme beweert, een noodzakelijk

verband bestaat tusschen wetenschap, deugd en het ware geluk, wordt

de tragische moraal eene gevaarlijke ketterij. De "dichterlijke

gerechtigheid" moet in alle geesteswerken zegevieren en zoo was

voor Socrates de Esopische fabel de hoogste vorm der kunst. Socrates

veroordeelde trouwens niet alleen de tragische kunst, maar over het

algemeen de Helleensche cultuur: hij was de verpersoonlijkte rede en

de Grieken daarentegen gehoorzaamden aan de hoogere gevoelswetten; zij

zagen de macht en de schoonheid van het leven terwijl hij de logica

en de zelfbewustheid er van verlangde en zoo verschijnt hij ons als

de besliste verachter van den geest zijner tijdgenooten. Hij alleen

te midden van hen, bekende "niets te weten" en hij zag juister dan zij

allen. Hij liet zijn blik gaan over alle beroemde Atheensche figuren,

over staatslieden en redenaars, dichters en kunstenaars en zag in,

dat al die mannen, die zoo zeker van zichzelve en zoo vast overtuigd

van hunne kennis waren, in waarheid naar de drijfveeren van het gevoel

leefden en handelden zonder helder bewustzijn van hun doen. Zoo vond

hij overal, waar hij den blik heenwendde, slechts illusie, dwaling en

eene dwaze zelfingenomenheid, en in naam zijner overheerschende rede,

in zijne bewustheid van de vertegenwoordiger eener nieuwe beschaving

te zijn, veroordeelde hij de geheele Helleensche cultuur zonder ooit

te vermoeden dat de oude wereld, die hij verwoestte, verre boven de

nieuw ontkiemende stond.

Wat beduidt uit een zuiver historisch oogpunt beschouwd, Nietzsche's

theorie over de evolutie der Grieksche cultuur? Het zou wellicht

gewaagd zijn die vraag reeds nu te willen beantwoorden, maar het is

zeker, zooals Nietzsche zelf zeer goed wist, dat hij door philosophie

en philologie samen te doen werken, geheel afweek van de strekking,

die bij de hedendaagsche geleerden de overhand heeft. De positieve

mensch, die alleen preciese feiten wil, weinig neiging gevoelt tot

intellectueele avonturen en niet de minste aantrekking vindt in het

onderzoek van vraagstukken, die niet door de wetenschap kunnen worden

opgelost, die mensch is van zelve geneigd Nietzsche's methode te

veroordeelen en tal van zijne beweringen, die volkomen tegenstrijdig

zijn met de voorstelling, die men zich gewoonlijk van de Grieken

maakt, zonder verder debat te verwerpen. Zoo Nietzsche éénmaal

eene plaats moet innemen in de geschiedenis der philologie, zal het

zijn als de inwijder en bevorderaar van leidende begrippen, die de

mannen van het vak slechts te onderzoeken of te verbeteren hebben; en

wanneer voor het "Dionysisch probleem," zooals Nietzsche het stelde,

ooit eene oplossing werd gevonden, overeenkomende met de oplossing,

die Nietzsche er van schetste, zou hij ongetwijfeld recht hebben op

de dankbaarheid en de achting van die philologen, die hem zoo hard

verstooten hebben. De toekomst zal ons de waarheid leeren, maar ook al

zouden Nietzsche's begrippen geenerlei objectieve waarde voor de kennis

der Grieksche ziel bezitten, zoo blijven zij toch van het hoogste

belang voor de geschiedenis van Nietzsche's denken. Ergens zegt hij:

"Ik ben verre van te meenen, dat ik Schopenhauer juist begrepen heb,

maar door Schopenhauer heb ik mijzelve iets beter leeren kennen." [35]

Zoo kan men ook zeggen, dat het niet zeker is of Nietzsche de Grieken

juist begrepen heeft en misschien heeft het zelfs geen nut en is het

niet eens mogelijk te weten wat de aard der Grieken in werkelijkheid

was; wellicht is het beeld, dat men zich van de klassieke oudheid

vormt, niet anders dan de "wonderbare bloem, dien het verlangen van

den Germaan naar het Zuiden deed ontkiemen." [36]

Maar daarentegen kon men wel met zekerheid zeggen dat Nietzsche aan

de studie van de Grieksche oudheid het begrip van den Dionysischen

geest en van de tragische cultuur te danken heeft en juist dat begrip

van dien wil, die zich verheft tot het bewustzijn zijner eeuwigheid

ondanks het menschelijk lijden en den dood, komt overeen met een der

diepste zielegevoelens van Nietzsche en werd de spil van zijne geheele

philosophie. Welke dus ook de intrinsieke waarde van "Die Geburt der

Tragödie" moge zijn, voor ons blijft zij de verdienste houden van ons

aan te toonen, hoe Nietzsche door den invloed der Grieksche cultuur

zich van zijn eigen ikheid bewust werd.

Nietzsche's Philosophie · 第 14 / 45 题