Nietzsche was niet slechts denker, maar ook artiest en zijne liefde
voor de kunst ontwikkelde zich al even vroegtijdig en even diep
als zijne liefde voor wetenschap en godsdienst. Bovenal trok hem de
muziek aan, eene liefhebberij, die erfelijk was in zijne familie;
als kind reeds was hij vol geestdrift voor de groote klassieken der
Duitsche Toonkunst, voor Bach, Beethoven, Mozart en Haydn, Schubert
en Mendelssohn en later ook voor Wagner, die reeds spoedig een zijner
geliefkoosde meesters werd. Op zijn negende jaar componeerde hij
kleine stukjes, waarna spoedig zijne aangenaamste uitspanning bestond
in fantaiseeren en in zoet gedroom de vingers over de toetsen te doen
glijden; toch verwaarloosde hij de ernstige studie der muziek niet,
doch met de nauwgezetheid, die hem in alles eigen was, legde hij er
zich grondig op toe en bracht het vrij ver op de piano; vooral las
hij veel muziek en later beoefende hij ook samenspel en bestudeerde
hij compositieleer. Hij schijnt er zelfs een oogenblik aan gedacht
te hebben zich geheel aan de muziek te wijden; in een dagboek, dat
van 1869 dagteekent, schreef hij dat hij, ingeval de omstandigheden
er mee toe hadden geleid, wellicht de muzikale kunst tot levensdoel
had gekozen. Daar hij echter gevoelde dat zijne krachten niet hoog
genoeg stonden, zag hij van de kunstenaarsloopbaan af, maar zijne
liefde voor de muziek bleef hem zijn leven lang bij en nooit begaf
hem die bijzondere gave van fantaiseeren, die Mevrouw Cosima Wagner in
verrukking bracht en nog in 1877 te Rosenlaui de bewondering opwekte
van den keizer en de keizerin van Brazilië. En het sterkst gevoelde
hij zich aangetrokken tot de duistere vraagstukken in de muzikale
aesthetica, die hij trachtte te doorgronden zoowel met het oog van
den wijsgeer als met dat van den kunstenaar.
Ook de dichtkunst trok Nietzsche reeds in zijne jonge jaren aan; zijne
zuster heeft verscheidene gedichten uit zijne jeugd bewaard, waarvan
de meesten behoorden tot de jaren 1858-1864; die gedichten spreken
van een diep, fijn gevoel en eene groote gemakkelijkheid in versbouw.
Later, in verschillende tijdperken van zijn leven, vooral in 1877,
1882, 1884 en 1888 schreef hij een vrij groot aantal gedichten,
meestal van philosophischen aard, die hier en daar uitnemend schoon
zijn. Maar, al mocht zijne liefhebberij tot dichten nooit geheel hebben
opgehouden, zoo heeft hij toch vooral aan de beoefening der poëzie
zijne kracht als prozaschrijver te danken. Ik weet wel dat sommige
Duitsche critici tegen Nietzsche als stylist opkomen en ik erken dat
een vreemdeling niet de meest bevoegde persoon is om den stijl te
beoordeelen van een werk, dat niet in zijne moedertaal is geschreven;
toch meen ik dat in onze dagen de Duitsche kritiek bijna algemeen
de hooge litterarische waarde van Nietzsche's werken erkent. Voor
den Franschman althans is het een genot zijne geschriften zoo vol
kleuren en toch zoo juist, zoo krachtig en tevens zoo buigzaam,
zoo rijk aan schilderachtige uitdrukkingen en heldere zegswijzen te
lezen. Zijn zinnebouw getuigt dat een fijnvoelend penkunstenaar, met
nauwkeurige zorg en kunstvaardigheid, zichzelf bewust van zijne wijze
van arbeiden, aan het werk is geweest, en toch blijft hij natuurlijk
en frisch, los en levendig, zooals men zelden vindt in Duitsch proza,
dat juist door zijn zwaren, omvangrijken bouw den Franschman dikwijls
onaangenaam klinkt. Nietzsche's stijl is door en door waar gevoeld
en lyrisch; men ziet in zijne teerste psychologische analysen,
in zijne meest abstracte redeneeringen, dat hij niet alleen met de
menschelijke rede, maar met zijn geheele wezen denkt, en dat hij in
elk zijner gedachten een deel van zichzelf heeft gegeven. Hij is dus
niet alleen een schitterend moralist, zooals b.v. Amiel, die meester
in het scheppen van aphorismen, maar kan ook, waar het noodig is,
zich verheffen tot de meest gevoelvolle lyriek. Toch is het zeer
zeker overdreven het prozagedicht Zarathustra te vergelijken bij
Goethe's Faust; Nietzsche's werk is veel minder begrijpelijk voor de
menschheid dan dat van Goethe en ik geloof niet dat het ooit ten volle
in den smaak kan vallen van anderen dan hen, die tot den beknopten
kring behooren van verfijnde--wellicht zelfs eenigszins "fin de
siècle" geesten. Daarentegen dunkt mij dat de lezer, die vertrouwd
is geraakt met zijn symbolieken, dithyrambischen stijl en met de,
op het oog onsamenhangende taal van dat werk, dat zoo eenig in zijne
soort is, zich niet zal kunnen onttrekken aan eene vreemd intense,
bijna physieke ontroering, aan eene aandoening, die ook sommige
orkestwerken in ons verwekken. In dit dichterlijk proza gevoelt men
de hartstochtelijke liefde voor muziek van den schrijver en het is
te begrijpen, dat een van de meesters der jongere Duitsche school,
Richard Strauss, Nietzsche's Zarathustra koos tot onderwerp van een
zijner meest bekende symphonische gedichten.