Nietzsche, de aristocraat van natuur, vol liefde voor waarheid en
kunst, Nietzsche, zoowel intellectueel ontwikkeld als fijngevoelend,
vol wilskracht en hartstocht, Nietzsche de denker, de geleerde,
de muziekliefhebber en de dichter geeft ons een buitengewoon rijk
en gecompliceerd wezen te aanschouwen. Maar die verscheidenheid van
gevoelens, neigingen en bekwaamheden bederven in hem niet, zooals in
zoovele moderne geesten, zijne eigenlijke persoonlijke éénheid.
Het is b.v. geheel onjuist hem te vergelijken met Heine, die zijn
leven lang geslingerd werd tusschen de macht van het gevoel en die
van het verstand, die atheïst was naar zijne rede en toch behoefte
aan godsdienst gevoelde, die somtijds in de liefde geloofde en
dan weer sceptisch er tegenover stond en die, hoewel zijn abstract
redeneeren hem tot democratie en socialisme bracht, toch in zijn hart
aristocraat bleef.
Nietzsche had een juisten blik op de ingewikkelde samengesteldheid
der hedendaagsche ziel. "Hoe eenvoudig," schreef hij, "was de
mensch van het oude Griekenland, in het beeld, dat hij van zichzelf
vormde! Hoeveel verder zijn wij in onze kennis van den mensch! Maar
daarentegen, hoe ingewikkeld en vol bochten is onze ziel en de
voorstelling, die wij er ons van maken wanneer wij onszelven
vergelijken bij de Grieken. Zoo wij een beeld wilden en durfden
maken naar onze eigen ziel (maar daartoe zijn wij te laf) zouden
wij een labyrinth moeten kiezen als model." [22] Hij wist trouwens
te goed van hoeveel waarde juist die gecompliceerdheid van de ziel
van onzen tijd voor den wijsgeer is, die de waarheid zoekt, want
naarmate zijne gevoelens eene grootere verscheidenheid en meerdere
ontwikkeling bezitten en de doolhof zijner ziel uit diepere en
duisterder dwaalgangen bestaat, vindt hij in zichzelf een rijker
bron voor studie. Daarom ook gevoelde Nietzsche de behoefte om zijn
onderzoekingsveld steeds verder uit te breiden en krachtig gaf hij dien
drang weer in een aphorisme getiteld: De Zucht van den Zoeker. "O, hoe
groot is mijn dorst naar weten! Mijne ziel kent geen belangeloosheid,
want in haar is eene "ik-heid", die naar alles vraagt, die niet alleen
met eigen oogen en handen, maar ook met die van anderen zou willen zien
en vasthouden, eene "ik-heid", die niets wil prijsgeven van wat haar
zou kunnen toebehooren! O, hoe verbrandt die dorst mijne ziel! Kon
ik mezelven slechts terugvinden in honderden andere wezens! Hij,
die niet bij ondervinding eene zucht als deze heeft gekend, weet ook
niet wat de zucht, de passie naar waarheid beteekent!" [23]
Maar al moet de mensch al zijne gevoelens, zoowel de goede als de
kwade dienstig weten te maken aan het zoeken naar de waarheid, al
beschouwt hij zijn leven en zijn wezen als objecten tot proefnemingen,
zoo moet hij toch zorgen dat zijne persoonlijke éénheid daar niet onder
lijdt. Want zoodra de centrale kracht, de wil verflauwt en niet ten
koste van alles, in volle gestrengheid alle neigingen beheerscht,
zoodra de ziel het tooneel wordt van den strijd tusschen de vele
verschillende neigingen, die blindelings om den voorrang vechten
zonder weerhouden te worden door eene of andere leidende macht, dan
moet de mensch onherroepelijk vallen. De anarchie der instincten is
een van de ernstigste teekenen van verval en komt alleen voor bij
die ontaarde wezens, wien eigenlijk niets rest dan de dood.
In Nietzsche, die een buitengewoon sterken wil bezat, bestond
geen vrees voor het verlies der harmonische éénheid van zijne
persoonlijkheid; hij kende geen inwendigen strijd, geen twijfelen of
schipperen; ondanks zijne gecompliceerdheid was hij een man "uit één
stuk" waar hij denken en handelen moest want voor hem waren denken en
handelen één: zijn geheele wezen denkt en handelt; al wat in hem is,
zijne bekwaamheid, zijn wil, zijn denken, zijn gevoel, zijn kunstzin,
alle vereenigen zich onwederstaanbaar tot één geheel om hem tot
het verlangde doel te brengen. Zijne levensgeschiedenis zal ons de
ontwikkeling toonen van eene persoonlijkheid, die even machtig als
rijk was en die, zichzelve reeds vroeg bewust van het doel, dat
hij voor oogen had, zonder weifelen dat doel najoeg; hij zal zich
wel eens hebben vergist en zich hebben laten misleiden door een of
anderen invloed van buiten, maar de zekerheid van zijne overtuiging
voerde hem steeds terug naar zijn eigen juist gekozen pad; hij wist
de groote verscheidenheid van de bijzondere gaven en bekwaamheden,
die hem ten dienste stonden, te onderwerpen aan zijn doel, te leiden
tot de verovering van zijn ideaal en samen te doen werken tot de
vervulling van de groote taak, die hij voor oogen had, tot den dag,
waarop hij na lange jaren van strijd en inspanning, volkomen zelfkennis
en zelfbeheersching had verkregen en toen gaf hij in de ingewikkelde
en toch harmonische ziel van Zarathustra de vele verlangens van zijn
eigen aristocratische, profetische en artistieke natuur weer.