V.

Nietzsche, de aristocraat van natuur, vol liefde voor waarheid en

kunst, Nietzsche, zoowel intellectueel ontwikkeld als fijngevoelend,

vol wilskracht en hartstocht, Nietzsche de denker, de geleerde,

de muziekliefhebber en de dichter geeft ons een buitengewoon rijk

en gecompliceerd wezen te aanschouwen. Maar die verscheidenheid van

gevoelens, neigingen en bekwaamheden bederven in hem niet, zooals in

zoovele moderne geesten, zijne eigenlijke persoonlijke éénheid.

Het is b.v. geheel onjuist hem te vergelijken met Heine, die zijn

leven lang geslingerd werd tusschen de macht van het gevoel en die

van het verstand, die atheïst was naar zijne rede en toch behoefte

aan godsdienst gevoelde, die somtijds in de liefde geloofde en

dan weer sceptisch er tegenover stond en die, hoewel zijn abstract

redeneeren hem tot democratie en socialisme bracht, toch in zijn hart

aristocraat bleef.

Nietzsche had een juisten blik op de ingewikkelde samengesteldheid

der hedendaagsche ziel. "Hoe eenvoudig," schreef hij, "was de

mensch van het oude Griekenland, in het beeld, dat hij van zichzelf

vormde! Hoeveel verder zijn wij in onze kennis van den mensch! Maar

daarentegen, hoe ingewikkeld en vol bochten is onze ziel en de

voorstelling, die wij er ons van maken wanneer wij onszelven

vergelijken bij de Grieken. Zoo wij een beeld wilden en durfden

maken naar onze eigen ziel (maar daartoe zijn wij te laf) zouden

wij een labyrinth moeten kiezen als model." [22] Hij wist trouwens

te goed van hoeveel waarde juist die gecompliceerdheid van de ziel

van onzen tijd voor den wijsgeer is, die de waarheid zoekt, want

naarmate zijne gevoelens eene grootere verscheidenheid en meerdere

ontwikkeling bezitten en de doolhof zijner ziel uit diepere en

duisterder dwaalgangen bestaat, vindt hij in zichzelf een rijker

bron voor studie. Daarom ook gevoelde Nietzsche de behoefte om zijn

onderzoekingsveld steeds verder uit te breiden en krachtig gaf hij dien

drang weer in een aphorisme getiteld: De Zucht van den Zoeker. "O, hoe

groot is mijn dorst naar weten! Mijne ziel kent geen belangeloosheid,

want in haar is eene "ik-heid", die naar alles vraagt, die niet alleen

met eigen oogen en handen, maar ook met die van anderen zou willen zien

en vasthouden, eene "ik-heid", die niets wil prijsgeven van wat haar

zou kunnen toebehooren! O, hoe verbrandt die dorst mijne ziel! Kon

ik mezelven slechts terugvinden in honderden andere wezens! Hij,

die niet bij ondervinding eene zucht als deze heeft gekend, weet ook

niet wat de zucht, de passie naar waarheid beteekent!" [23]

Maar al moet de mensch al zijne gevoelens, zoowel de goede als de

kwade dienstig weten te maken aan het zoeken naar de waarheid, al

beschouwt hij zijn leven en zijn wezen als objecten tot proefnemingen,

zoo moet hij toch zorgen dat zijne persoonlijke éénheid daar niet onder

lijdt. Want zoodra de centrale kracht, de wil verflauwt en niet ten

koste van alles, in volle gestrengheid alle neigingen beheerscht,

zoodra de ziel het tooneel wordt van den strijd tusschen de vele

verschillende neigingen, die blindelings om den voorrang vechten

zonder weerhouden te worden door eene of andere leidende macht, dan

moet de mensch onherroepelijk vallen. De anarchie der instincten is

een van de ernstigste teekenen van verval en komt alleen voor bij

die ontaarde wezens, wien eigenlijk niets rest dan de dood.

In Nietzsche, die een buitengewoon sterken wil bezat, bestond

geen vrees voor het verlies der harmonische éénheid van zijne

persoonlijkheid; hij kende geen inwendigen strijd, geen twijfelen of

schipperen; ondanks zijne gecompliceerdheid was hij een man "uit één

stuk" waar hij denken en handelen moest want voor hem waren denken en

handelen één: zijn geheele wezen denkt en handelt; al wat in hem is,

zijne bekwaamheid, zijn wil, zijn denken, zijn gevoel, zijn kunstzin,

alle vereenigen zich onwederstaanbaar tot één geheel om hem tot

het verlangde doel te brengen. Zijne levensgeschiedenis zal ons de

ontwikkeling toonen van eene persoonlijkheid, die even machtig als

rijk was en die, zichzelve reeds vroeg bewust van het doel, dat

hij voor oogen had, zonder weifelen dat doel najoeg; hij zal zich

wel eens hebben vergist en zich hebben laten misleiden door een of

anderen invloed van buiten, maar de zekerheid van zijne overtuiging

voerde hem steeds terug naar zijn eigen juist gekozen pad; hij wist

de groote verscheidenheid van de bijzondere gaven en bekwaamheden,

die hem ten dienste stonden, te onderwerpen aan zijn doel, te leiden

tot de verovering van zijn ideaal en samen te doen werken tot de

vervulling van de groote taak, die hij voor oogen had, tot den dag,

waarop hij na lange jaren van strijd en inspanning, volkomen zelfkennis

en zelfbeheersching had verkregen en toen gaf hij in de ingewikkelde

en toch harmonische ziel van Zarathustra de vele verlangens van zijn

eigen aristocratische, profetische en artistieke natuur weer.

Nietzsche's Philosophie · 第 10 / 45 题