De eenige groote passie in Nietzsche's leven is het zoeken naar de
waarheid geweest. Laten wij dus trachten na te gaan hoe hij tot dien
drang is gekomen en op welke wijze hij daaraan uiting heeft gegeven.
Nietzsche behoorde tot eene van die vrome en ontwikkelde families,
waarin een hoog godsdienstig gevoel samengaat met de behoefte aan
wetenschap. Zijn vader en zijn grootvader waren beide dominé geworden
na eene grondige academische studie en ook zijne moeder en grootmoeder
sproten voort uit een predikantsgezin. Het lag daarom in den aard der
zaak, dat de jeugdige Nietzsche bestemd werd voor de loopbaan zijner
vaderen. Zijne speelmakkers hebben hem niet anders gekend dan ernstig,
bescheiden en zacht, gesloten van karakter en hoogst godsdienstig, niet
alleen in woorden, maar ook in daden; op zesjarigen leeftijd werd hij
door zijne klassegenooten reeds de kleine dominé genoemd. Tot den dag
zijner bevestiging--hij was toen zeventien jaar oud--kende hij geen
twijfel in zijn geloof en toen hij drie jaren later, bij het verlaten
van het gymnasium van Pforta, waar hij zijn graad behaalde, volgens
een oud gebruik aan die instelling eigen, schriftelijk den leeraren,
die hem tot het leven hadden ingeleid, dank zei, waren zijne eerste
woorden gericht tot God: "Hem, wien ik bijna alles verschuldigd
ben, zeg ik bovenal dank; door welke daad kan ik Hem mijne innige
dankbaarheid meer betoonen dan door Hem met hart en ziel te aanbidden
in het levendig besef van zijne groote liefde--van eene liefde, die
mij het schoonste uur mijns levens heeft geschonken? Moge God mijn
trouwe steun zijn en mij steeds behoeden!" [11]
Toch was sedert enkele jaren reeds in Nietzsche's ziel eene omwenteling
gaande, die Mevrouw Förster-Nietzsche ons duidelijk maakt in hare
documenten. De protestant, die flauw overhelt tot een liberaler
geloof, zal nooit de wetenschap doen afhangen van den godsdienst,
maar hij is daarentegen wel overtuigd, dat het godsdienstig geloof en
de vrije wetenschap samengaan; bij alle studie, hetzij zij de natuur,
de geschiedenis of de wijsbegeerte betreft, mag en moet hij dus de
"waarheid" zoeken, zonder eenig voorbehoud, zonder vooruit den wil in
zich te hebben in de wetenschap de verdediging van den godsdienst te
vinden. Het vrije zoeken naar de waarheid in de overtuiging dat juist
dat vrije onderzoek onwillekeurig dwingt tot godsdienst, is een van de
kenteekenen van het Protestantisme en vooral van het modern Duitsch
Protestantsch geloof. De liefde voor God en de overtuiging dat die
liefde de leiddraad moet zijn van ons geheel bestaan, vereenigen zich
in zijne oogen--in theorie althans--met de liefde voor de waarheid
en de overtuiging dat juist die liefde voor wat waar is ons geheele
leven moet beheerschen. Tot die gedachten kwam Nietzsche in zijne
studiejaren. Van af dat oogenblik gevoelde hij "een sterk verlangen in
zich om alles te weten, alles te begrijpen," toen kwam hij er toe een
uitvoerigen catalogus te maken van alle verschillende wetenschappen,
waaraan hij zich zou willen wijden, maar toch besloot hij met de
woorden: "Bovenaan staat de godsdienst, die vaste basis van alle
wetenschap." [12] Toch verloor hij gaandeweg en zonder hevige schokken
dat vaste geloof aan het éénzijn van godsdienst en wetenschap. In
1862, het jaar na zijne bevestiging, schreef hij een merkwaardig
philosophische studie over "het Noodlot en de Geschiedenis", eene
studie, die ons verraadt hoe hij reeds dien "onmetelijken oceaan van
denken" in zich gevoelde, hoe hij ze reeds vermoedde, die zeeën van
twijfel, maar hoe hij tevens begreep dat het dwaasheid was voor een
nog zoo weinig zelfbewusten geest, zich op eene dergelijke reis te
wagen zonder kompas of loods. En van af toen werd het hem duidelijk,
"dat het geheele Christelijk geloof op hypothesen berust; dat het
bestaan van God, de onsterfelijkheid, het gezag van den Bijbel,
alle ingeving, enz. te allen tijde raadselen zullen blijven. Ik heb
getracht alles te ontkennen, maar ach, het is zoo gemakkelijk alles af
te breken; maar daarna moet men weer opbouwen! En zelfs het afbreken
is moeilijker dan men denken zou; onze overtuigingen zijn zoo geheel
voortgesproten uit de indrukken van onze kinderjaren, uit den invloed
van onze ouders en onze leermeesters dat die ingewortelde vooroordeelen
niet licht worden uitgeroeid door logische argumenten of een eenvoudig
willen. De macht der gewoonte, de behoefte aan een ideaal, het breken
met de begrippen van de bestaande wereld, het te loor gaan van alle
maatschappelijke vormen, de twijfel, die ons bang doet vragen of de
menschheid gedurende tweeduizend jaren het slachtoffer is geweest
van eene hersenschim, het besef van eigen vermetelheid en gewaagde
gissingen, al die verschillende gewaarwordingen strijden onophoudelijk
in ons tot de ure aanbreekt, waarin ons arm hart door bittere ervaring
of droeve ondervinding gedwongen wordt opnieuw in het oude, kinderlijk
geloof zijne toevlucht te zoeken." [13] Hij blijft een Christen,
maar zijn Christendom wordt zuiver symboliek. Zoo schreef hij:
"Het Christendom is bovenal eene zaak van het gemoed; eerst, wanneer
het Christendom om zoo te zeggen één is geworden met ons geheele
wezen en tot ons gemoedsleven behoort, zijn wij ware Christenen. De
voornaamste leerstellingen van het Christendom houden niets anders in
dan de waarheid van het menschelijk hart; zij zijn slechts symbolen,
en zoo moet eene hoogere waarheid weer tot zinnebeeld dienen van
eene waarheid, die nog hooger staat. Gelukzalig worden door het
geloof beteekent niets anders dan wat neergelegd is in de overoude
waarheid, dat alleen het hart en niet de kennis ons het ware geluk kan
schenken. Het geloof, dat God als mensch tot ons is gekomen, leert ons,
dat de mensch zijn geluk niet zoeken moet in de oneindigheid, maar
op de aarde zijn koninkrijk Gods moet weten te stichten... Te midden
van bitteren twijfel en inwendigen strijd bereikt de menschheid haar
rijpen leeftijd: zij ontdekt in eigen boezem "de geboorte, de kracht en
het einde van den godsdienst" [14] Eer nog drie jaren waren verloopen
had Nietzsche den beslissenden stap gedaan. Het was hem duidelijk
geworden, dat de mensch de keus heeft tusschen twee overtuigingen:
hij moet òf het godsdienstig geloof kiezen en zonder onderscheid alle
ideeën aannemen, die zijne voorvaderen hem nalieten: alleen dus in het
subjectief wezen van het geloof zijn geluk en zijnen zielevrede zoeken
(wat trouwens geen enkel bewijs is van de objectieve waarheid van dat
geloof); of hij moet den moeilijken, eenzamen weg van den onderzoeker
inslaan en niet alleen geluk en vrede willen vinden, doch bovenal
de waarheid, hoe pijnlijk en verschrikkelijk die ook wezen moge;
zoo gaat hij voort, menigmaal met onvasten tred en de ziel vervuld
van angst, met een ongerust geweten en een bloedend hart naar "het
eeuwig doel, het Ware, het Schoone, het Goede." [15] Zoodra Nietzsche
vóór het groote kruispunt stond was hem slechts ééne keuze mogelijk,
want hij zou aan zijne sterkste neigingen ontrouw zijn geworden en
tegen zichzelve in hebben gehandeld, zoo hij niet het geleidelijk pad
van het geloof vaarwel had gezegd om met "heldenmoed" den moeilijken
weg van het vrije onderzoek in te slaan. Toen Nietzsche zich van het
Christendom afscheidde, kende hij ten volle het gewicht van de daad,
die hij volbracht. In al zijne werken noemt hij den "Dood van God" de
voornaamste gebeurtenis in de geschiedenis der menschheid, de grootste
omwenteling in 's menschen bestaan, eene omwenteling, die eerst nu
begint zich te laten gevoelen en nog eeuwen noodig zal hebben om haar
doel te bereiken. In "Die Fröhliche Wissenschaft" gaf hij op treffende
wijze deze gedachte weer in de woorden van een waanzinnige, die bij
helder daglicht, met eene aangestoken lantaarn God loopt te zoeken:
"Waar is God?" riep hij uit, "ik zal het u zeggen! Wij hebben hem
vermoord,--gij en ik. Wij allen zijn zijne moordenaars! Hoe toch konden
wij dat doen? Hoe hebben wij den oceaan leeg kunnen drinken? Wie gaf
ons de spons, waarmee wij den geheelen horizon konden uitvegen? O,
waarom hebben wij de aarde losgemaakt van de zon? Waarheen drijft zij
nu, waarheen drijven wij allen? Verre van alle zonnen? Want vallen wij
nu niet in een eeuwig onverbroken val, dan achteruit, dan zijwaarts,
dan vooruit, naar alle, alle kanten? Bestaat er nog hoogte en diepte
of dwalen wij door eene oneindige leegte? Gevoelen wij niet de kilheid
van die ledige oneindigheid? Wordt het niet steeds kouder en wordt de
nacht niet steeds duisterder? Moeten wij niet op het middaguur licht
ontsteken? O, hoort gij ze niet, de schreden van de doodgravers,
die God gaan begraven? O, ruikt gij hem niet, den stank van den
verrottenden God? Want ook Goden vergaan! God is dood! God zal dood
blijven en wij zijn het, die hem hebben vermoord! Welke troost rest
ons nog, ons, de vreeselijkste aller moordenaars? Aan onze messen
kleeft het bloed van het heiligste en het machtigste, dat de wereld
bezat; wie zal ooit die bloedvlekken uitwisschen? Welke wateren kunnen
ons ooit zuiveren? Welke feesten van boetedoening of heilige spelen
zullen wij moeten uitvinden? Gaat, in waarheid, de grootheid van deze
daad niet boven onze krachten en zullen wij niet zelve Goden moeten
worden, alleen reeds om waardig te schijnen zulk eene daad te hebben
volbracht? O, nooit te voren geschiedde zoo iets grootsch--die daad
maakt, dat allen, die nà ons zullen komen tot eene wereldperiode van
hoogere wijding zullen behooren dan alle geslachten ooit te voren."
De waanzinnige zweeg en zag opnieuw zijne toehoorders aan en zij
beantwoordden zijn blik stilzwijgend en angstig. Toen plotseling
wierp hij zijne lantaarn neer; zij brak en het licht ging uit:
"Ik kom te vroeg," riep hij, "de dagen zijn nog niet gekomen. Die
verschrikkelijke gebeurtenis is nog in wording: zij nadert, maar nog
heeft de menschheid geen juist besef van hare nadering. De bliksem,
de donder en het sterrelicht, maar evenzoo de daad hebben tijdruimte
noodig om het gezicht en het gehoor te bereiken, ook al zijn zij
geschied. Deze daad is verder van u dan het verste gesternte--en toch
hebt gij die daad volbracht!" [16]
Doch, al was Nietzsche zich volkomen bewust van de ernst der daad,
die hij beging, zoo maakte hij zich toch zonder groote schokken of
geestelijken strijd los van het Christendom, want hem bracht die stap
niet in opstand, omdat het traditioneele Christendom één was met zijne
aangeboren neigingen; het kostte hem evenmin moeite of strijd om zijne
Christelijke plichten te vervullen als om die aangeboren neigingen te
volgen [17], en omgekeerd behoefde ook zijn verstand niet den minsten
dwang uit te oefenen op die neigingen om hem er toe te brengen zich van
zijn geloof af te scheiden. Nietzsche heeft later nooit den drang in
zich gevoeld om vrijwillig de oogen te sluiten voor den "Dood van God"
of om het stilzwijgen op te leggen aan zijne rede en zijn toevlucht
te zoeken in de armen van den godsdienst. Hij scheidde zich van het
Christendom af, niet alleen omdat hij het bestaan van God logisch
weerlegd oordeelde, maar in de eerste plaats omdat zijn godsdienstig
gevoel hem niet toeliet zich te blijven hechten aan een bedriegelijk
en denkbeeldig geloof.
Nietzsche werd atheïst door den godsdienst; vandaar dat de overgang hem
geen moreele angst of wanhoop kostte. "Het wordt ons duidelijk," zegt
hij, "hoe in waarheid de God der Christenen werd overwonnen door de
Christelijke zedeleer zelf, door het steeds strenger toegepast begrip
van eerlijkheid, door het Christelijk geweten, dat, verscherpt door
den biecht, een anderen en hoogeren vorm aannam in het wetenschappelijk
geweten, in die intellectueele "zuiverheid", waarnaar men boven alles
streefde." [18]
Zoodoende begrijpt men de wonderlijke overgangen in Nietzsche's
ziel. Als goed Protestant had hij steeds geloofd èn in de waarheid
èn in den traditioneelen God, zonder in zijne aanbidding het eene
begrip van het andere af te scheiden. Toch behoorde zijn godsdienst
in werkelijkheid aan den "God van waarheid" en toen het hem gaandeweg
duidelijk werd dat hij kiezen moest tusschen "God" en de "Waarheid",
bleef hij ook in werkelijkheid getrouw aan zijn godsdienstzin door het
historisch en traditioneel geloof op te offeren aan zijne innerlijke
diepste overtuiging. Zoo werd Nietzsche's leven en denken voortaan
uitsluitend geleid door die overtuiging, wier juisten oorsprong wij
hebben leeren kennen, want Nietzsche kon zijn leven niet afscheiden
van zijn denken en leefde zijn atheïsme evenals hij zijn Christendom
had geleefd.
Gedrongen door dien almachtigen drang naar wetenschappelijke
eerlijkheid, heeft Nietzsche stuk voor stuk het geheele gebouw
afgebroken, dat de vroegere menschheid op het geloof aan God als
fundament, had opgericht. Hij geloofde niet meer aan het idee van
goedheid en orde in de natuur door de Voorzienigheid daarin gelegd,
hij zag in de geschiedenis niet langer het bewijs van de goddelijke
leiding of de aanduiding van een moreelen wil, die het lot der
menschheid bestuurde; hij beschouwde de gebeurtenissen in ons
leven niet meer als beproevingen, die God ons oplegde om ons tot
gelukzaligheid te voeren. Hij onderzocht alle soorten van geloof,
die in den loop der eeuwen de menschheid troost hadden geschonken
en de waarde, die zij daaraan hadden gehecht. En vast besloten zijne
denkbeelden tot het uiterste toe door te denken, trok hij de zedeleer
en zelfs den waarheidszin in twijfel; hij vroeg zich af hoe ver men
gaan mag met goed boven kwaad en waarheid boven dwaling te stellen; en
naarmate zijn drang tot ontkennen grooter werd, zag hij het positief
doel van zijn streven helderder opdoemen en werd hij zich meer en
meer bewust van zijn persoonlijk oordeel over het raadsel van het
bestaan; het luidt: "Alle goden zijn dood, nu moet de "Uebermensch"
leven." [19]--Toen Nietzsche zijn God verloor, vond hij zichzelf.
Terecht heeft men meermalen de vele wijzigingen in Nietzsche's denken
gedurende de verschillende perioden van zijn leven besproken, de
veranderingen in zijne ideeën bestudeerd en heeft men de opeenvolgende
punten nagegaan, waarlangs het begrip van zijn ideaal zich gaandeweg
tot rijpheid ontwikkelde. Hij was zichzelf geheel bewust van die
overgangen en vergeleek ze bij het vervellen van een slang.
Hij wist het, dat bij het verlaten van de heilige wijkplaats
van het geloof hem niets anders wachtte dan een onnoembaar aantal
moeilijkheden, maar het leven was voor hem niet langer eene plicht,
een feit of een droombeeld; het werd in zijne oogen een object, dat de
onderzoeker behoeft [20]. Hij gevoelde zich als een zoekend, onvermoeid
strijder, die zoowel uit zijne nederlagen als uit zijne overwinningen
eene nuttige les weet te trekken, of als de rotsbeklimmer, die, steeds
bereid zijn leven te wagen, tegen de steilste hellingen opgaat en
zonder rust of weifelen van top tot top stijgt, die den horizon steeds
ziet veranderen, maar vast besloten zich niet te laten ontmoedigen,
de strengste koude, de diepste afgronden, de grootste eenzaamheid en
de guurste sneeuwstormen trotseert om hooger, steeds hooger te stijgen.
Zoo vond Nietzsche, die het leven beschouwde als "iets, dat telkens
opnieuw zichzelf moet overtreffen," dat voortdurend veranderen een
hoofdelement in zijn bestaan, wat niet wegneemt, dat zijn leven
ook van eene grootsche eenheid getuigde, want het werd geheel en al
beheerscht door eenzelfden drang, den wil om altijd en ten koste van
alles trouw aan zichzelf te blijven. Hij heeft zijn geheele leven
gewijd aan dat ééne groote vraagstuk: "Wat is voor den mensch, wat
dus voor mij, het doel van het leven, wanneer God niet bestaat?" Aan
de oplossing van dat vraagstuk heeft Nietzsche zijne volle, mannelijke
geestkracht geschonken: "Onpersoonlijkheid heeft op aarde noch in den
hemel eenige waarde," schreef hij, "voor alle groote vraagstukken
is de groote liefde noodig en die liefde kan alleen bestaan in den
machtigen, sterken geest, die door een vaste basis zeker is van
zichzelf. Er bestaat een groot verschil tusschen den denker, die
"persoonlijk" staat tegenover zijn vraagstuk en in de oplossing er
van zijne bestemming ziet, zoowel in zijne diepste droefheid als
in zijn hoogste geluk, en hem, die in een geheel "onpersoonlijk"
onderzoek, alleen met de voelhorens van het koel en nieuwsgierig
denken te werk gaat. De laatste vindt niets--dat is zeker--want moge
een groot vraagstuk zich al eens laten vatten, toch laat het zich
niet door de koudbloedigen en lafhartigen vasthouden." [21]
Nietzsche vond werkelijk in het groote vraagstuk, dat hem aan den
ingang van het leven wachtte, zijne bestemming, zijn geluk en zijn
ongeluk; hij vatte het aan met vollen moed en streed er tegen met
onbedwingbare kracht, evenals Israël tegen God. En toen de waanzin
zijn bewust leven afsneed, juichte hij over zijne overwinning.... Was
niet dat het bewijs van eene schoone bestemming?