II.

Volgens eene vrij onzekere overlevering, die Nietzsche echter gaarne

voor waar hield, stamden hij en de zijnen af van eene adellijke

Poolsche familie, Niëtzky geheeten, die in het begin der 18e eeuw naar

aanleiding van de vervolgingen tegen de Protestanten, naar Duitschland

zou zijn uitgeweken; het komt ons trouwens zeer waarschijnlijk voor,

dat door Nietzsche's aderen eenig adellijk bloed vloeide. Wellicht zou

dat feit zelfs kunnen verklaren, dat bij hem juist die aristocratische

gevoelens de bovenhand hadden, die, naar het schijnt, slechts zelden

voorkwamen in de weliswaar achtenswaardige en ontwikkelde, doch vrij

burgerlijke omgeving, waarin hij geboren was. Nietzsche was de zoon van

een Pruisisch dorpspredikant. Volgens zijne zuster toonde hij van af

zijne kinderjaren eene zeer bijzondere natuur. Tegelijk geestkrachtig,

verfijnd en hartstochtelijk, eene natuur, die door menigen trek

reeds deed denken aan het ideaal van de "Herrnnaturen", aan den man

van goede geboorte, wiens neigingen en moreel geloof hij later zou

beschrijven. Zoo jong als hij was, leerde hij zichzelf beheerschen,

steeds meester van zichzelf blijven en stoïcijnsch alle physieke

smarten trotseeren; hij had steeds eerbied voor anderen en eerbiedigde

zichzelf, nam daarbij steeds nauwkeurig alle vormen en goede manieren

in acht; ook zocht hij gaarne de eenzaamheid; dan scheidde hij zich af

van zijne makkers, maar dwong toch hunne achting af door de vroegrijpe

waardigheid in zijne houding en manieren. Daarentegen hechtte hij

zich met hart en ziel aan enkele uitverkoren vrienden; ook treft

bij hem een aangeboren weerzin tot alles wat gemeen is, de vrees

voor allen twijfelachtigen omgang, de voortdurende, pijnlijkste zorg

voor netheid tot in het overdrevene toe, zoowel physiek als moreel,

en het verafschuwen van alle liegen en verbergen. "Een graaf Niëtzky

moet niet liegen," zei hij als kleine jongen tot zijn zuster. Zijne

aristocratische neigingen, die reeds zoozeer te voorschijn traden in

zijne kinderjaren, ontwikkelden zich meer en meer in hem als volwassen

man en teekenden zijn moreel karakter. Zoowel in zijn leven als in

zijne geschriften toont Nietzsche een heldhaftigen en overheerschenden

wil, een teeder en vurig hart en een fijnen geest, die onuitsprekelijk

gevoelig is voor al wat schoon of gemeen is, voor harmonie of wanklank.

Nietzsche bezat dus bovenal eene zeldzame ziel. Hij verafschuwde

alle zwakheid, uitstel of halfheid. Een van de meest grootsche en

tragische figuren van Ibsen is zeker Dominé Brand, die, onfeilbaar

trouw aan zijne trotsche leus: "Alles of niets", den weg volgt,

dien hij gekozen heeft zonder zich ooit door eenige hindernis te

laten ontmoedigen, onmeedoogend voor zich en voor anderen; die zonder

sidderen zijn geluk, zijn naam, zijn leven en meer dan dat, het geluk

en het leven van vrouw en kind opoffert aan zijn trotschen wil; die

zonder weifelen, met een bloedend hart al zijn leed doorleeft; Dominé

Brand, de zoo verheven en tevens vreeselijke held, die bewondering en

angst verwekt tot het oogenblik dat zijne diepbedroefde en overspannen

ziel verzinkt in de duisternis van waanzin en dood. En evenals Brand

is Nietzsche de man van "alles of niets" evenals hij volgt hij zonder

eenige weifeling zijn wil tot het einde toe. Maar daar hij geen man

van handelingen is, doch een denker, is zijne heldhaftigheid wellicht

minder zichtbaar of in het oog vallend.

Wij zijn te weinig gewoon het gedachteleven tragisch op te nemen om

te begrijpen dat er gelijke waarde bestaat tusschen den heldenmoed

van den krijgsman, den zendeling of den onderzoeker, van hen dus,

die lijden en sterven voor hun vaderland, voor het geloof of de

wetenschap, en dien van den wijsgeer, die aan de eischen van zijne

overheerschende rede zijne liefste droombeelden opoffert en zichzelf

dwingt zijne gedachten tot het laatste toe uit te denken en tot in den

grond te onderzoeken. Onwillekeurig twijfelen wij aan de hevigheid

van de smarten van het denken wanneer wij die vergelijken bij de

physieke en gelooven wij nauwelijks aan de gevaren, die verbonden

zijn aan het intellectueel zoeken wanneer wij denken aan die van het

reëele leven. Toch geloof ik dat er bijzondere, wellicht abnormale

naturen bestaan, die den stillen strijd tusschen hun denken en

hun verborgen lijden met zijne onzichtbare gevaren even ernstig en

smartelijk reëel doormaken als den strijd van het leven èn dat zij

niet minder wilskracht moeten bezitten dan de krijgsman of de zeeman

om die gevaren aan te durven en te bestrijden zonder bezwijken. Daarom

ook was Nietzsche m.i. zonder in 't minst te pochen, gerechtigd tot

opschrift van een zijner werken de volgende woorden van Turenne te

kiezen: "Karkas, gij siddert! O, hoeveel erger nog zoudt gij sidderen

zoo gij wist, waarheen ik u brengen ga."

Nietzsche's moreele geestkracht werd, zooals het geval is bij

vele heldhaftige naturen, getemperd door zijn groote behoefte aan

vriendschap, bewondering en teederheid. Hij had innig behoefte

aan eene sympathieke omgeving, waarin hij zich geheel geven kon;

te allen tijde vond hij dan ook vrienden, die hij hartstochtelijk

liefkreeg, maar enkele dier vriendschapsbanden werden helaas op

droevige wijze verbroken. Nietzsche had n.l. de gevaarlijke gewoonte

zijne vrienden van de ideale zijde te bezien: vrij als hij was van

allen nijd, werd hij onmiddellijk getroffen door al het opmerkelijke

in de personen van zijne omgeving en was het hem eene behoefte in

gedachte hun wezen te verfraaien; hij dichtte hun meer schoonheid,

grootheid en stijl toe dan hun eigenlijk toekwam. In de opwinding en

geestdrift zijner liefde sloot hij de oogen voor hunne gebreken en

menschelijke zwakheden en zag hij uitsluitend hunne volkomenheden;

vandaar dat hij zich van zijne vrienden wel een goedgelijkend, doch

steeds geïdealiseerd beeld vormde. Zoo b.v. heeft hij gedweept met

Schopenhauer en Richard Wagner, die in zijne vurige verbeelding het

ideaal van den philosoof en van den kunstenaar voorstelden, en zelfs

met Paul Rée, een achtenswaardig, oordeelkundig denker van den tweeden

rang, wiens werken hij verre boven hunne waarde schatte. Wel heeft

die behoefte tot idealiseeren van zijne vrienden Nietzsche, gedurende

de oogenblikken in hun bijzijn doorgebracht, van een intenser geluk

vervuld, maar tevens werd zij de bron van wreede teleurstellingen. Een

mensch, die, zooals hij, nooit de werkelijkheid uit het oog verloor

en zijne onveranderlijk geestelijke eerlijkheid nooit prijsgaf aan

een droombeeld, moest eenmaal ontdekken hoe groot het onderscheid was

tusschen den werkelijken mensch, dien hij liefhad en het geïdealiseerde

beeld, dat hij zich had geschapen. Vandaar die onvermijdelijke

ontgoochelingen en verkoelingen tot zelfs een volkomen verbreken van

teedere vriendschapsbanden. Verderop zullen wij de geschiedenis nagaan

van zijne verhouding tot Wagner, eene periode, die juist dien ommekeer

in vriendschap treffend weergeeft. Maar laat ons bovenal opmerken

dat juist die onstandvastigheid in zijne vriendschap, die hun, die er

het slachtoffer van waren, zooveel leed bezorgde en die zoo streng en

zoozeer ten onrechte veroordeeld werd door de critiek--dat juist dat

gevoel zijn oorsprong heeft gevonden in zijne edelmoedige behoefte

aan bewonderen en achten. Nietzsche behoorde niet tot de afgunstige

of critiseerende menschen, die van een groot man alleen de slechte

zijde willen zien en onwillekeurig alles wat zij waarnemen trachten te

verkleinen; in zijne aangeboren liefde voor al wat schoon en grootsch

was, bleef hij zoolang mogelijk blind voor de onvolkomenheden van

zijne vrienden en weefde hij daarentegen eene schoone legende om hun

beeld; hij overdreef hunne waarde en vond het steeds nog tijd genoeg

om van inzichten te veranderen. Zeer zeker was dat eene dwaling,

maar tevens de dwaling van eene edele ziel. Zoodoende werd voor

Nietzsche de vriendschap een bron van groote vreugde, maar eveneens

van onnoemelijke droefheid; aan die vriendschap heeft hij wellicht

de schoonste momenten van zijn leven te danken gehad, maar de wreede

teleurstellingen, die zij hem baarde, leerden hem ook het volslagen

alléénstaan kennen. Veel heeft hij geleden omdat hij begreep hoe hij

zich nooit volkomen aan zijne vrienden zou kunnen uiten en dat hij

juist door zijne bijzondere natuur, zijn hooger staan, onvermijdelijk

tot geestelijke eenzaamheid gedoemd was. "De onmogelijkheid om zich

te uiten is wel het toppunt van zich alléén gevoelen, schreef hij aan

zijne zuster, het verschil tusschen twee naturen is gelijk een masker,

dat ondoordringbaarder is dan een ijzeren: alleen tusschen gelijken

kan eene ware, algeheel volkomene gemeenschap bestaan. Tusschen

gelijken! Bedwelmend woord vol troost, hoop en zaligheid voor hem,

die steeds eenzaam moest blijven, die nooit den mensch heeft mogen

vinden, die volkomen bij hem paste, hoe en waar hij ook heeft gezocht;

voor hem, die in den dagelijkschen omgang steeds de man van zachte,

welwillende toegefelijkheid was en steeds bereid om in te schikken;

voor hem, die door moeilijke ervaringen geleerd had zich steeds in

te houden en hoffelijk te blijven, maar tevens voor hem, die ze bij

oogenblikken heeft gekend, die gevaarlijke en smartelijke uitbarstingen

van het intiemste leven, die momenten, waarin zijn verborgen wanhoop,

zijne gesmoorde verlangens, zijne wild opbruischende liefde weer

bovenkwamen, die momenten van plotselingen waanzin, waarin de eenzame

den eerste den beste beschouwt als een vriend, hem door den hemel

toegezonden, als een onschatbaar geschenk, en een oogenblik later

hem vol walging van zich afstoot, zichzelf diep verachtend, omdat hij

voelt hoe hij het slachtoffer werd van een vernederenden, innerlijken

val, hoe hij aan zijn eigen ik ontrouw werd, aan dat ik niet langer

genoeg had. "Een diepvoelend mensch heeft vrienden noodig tenzij hij

nog een God bezit!" [4]

Nietzsche's fijne en teedere geaardheid blijkt ook uit zijne

verhouding tot de vrouwelijke sexe, alhoewel ook op dat punt zijn

karakter somtijds gruwelijk miskend is. Er wordt van hem gezegd dat

hij, evenals zijn meester, Schopenhauer, een diep en onbeschaamd

verachter van de vrouw was en telkens worden enkele harde woorden

van hem aangehaald, als: "Gaat gij met vrouwen om? vergeet dan de

zweep niet!" of: "Eene geleerde vrouw heeft natuurlijk eene of andere

physiologische abnormaliteit." Men komt echter tot andere gedachten

zoodra men Nietzsche's werken nader leert kennen; dan begrijpt men,

wat ons ook verderop duidelijk wordt, dat hij alleen neerziet op de

geëmancipeerde vrouw, die zich met den man wil meten op litterarisch,

wetenschappelijk of economisch gebied.

Waar hij echter opkomt tegen de vrouw als schrijfster of als beambte,

toont hij tevens een aangeboren en kinderlijke achting, een diep

medelijden en eene oprechte teederheid voor het Eeuwig-Vrouwelijke

zooals hij het opvat. In zijn particulier leven schijnt Nietzsche

dan ook die aangeboren achting gevoeld te hebben voor alle vrouwen,

die hij goed leerde kennen. Hoe weinig ons tot nog toe ook bekend moge

wezen van zijn leven, zoo weten wij toch, dat hij meer dan eens zijne

volle vriendschap en zijn volle vertrouwen aan eene vrouw geschonken

heeft, zoo o.a. aan zijne zuster, Mevrouw Förster-Nietzsche, die nog

maar kort geleden zijne kinderjaren en zijne academische loopbaan

zoo treffend heeft beschreven; aan Mejuffrouw Malvida van Meysenburg,

de schrijfster van de "Gedenkschriften eener Idealiste"; Mevrouw Lou

Andreas-Salomé, wie hij gedurende eenigen tijd zijn intellectueelen

en moreelen strijd toevertrouwde en dan de jonge vrouw, met wie

hij te Bayreuth kennis maakte en aan wie hij brieven schreef, die

van zeldzame bekoring en fijn gevoel spraken [5]. Uit het weinige

dus, dat wij weten van zijne verhouding tot de vrouw, wordt het

ons duidelijk, dat zoo hij nooit de overweldigende passie en hare

stormen heeft gekend, hij des te dieper de teerdere bekoring van de

vrouwelijke aanhankelijkheid heeft ondervonden. Nietzsche's zuster,

de vertrouwde vriendin van zijne jonge jaren, zegt dat haar broeder

geen passioneele liefde kende en onbekend bleef met alle lagere

hartstochten. Zijn eenige hartstocht bestond in het zoeken naar de

waarheid--al het overige maakte slechts een voorbijgaanden indruk

op hem. Later heeft hij het meermalen betreurd nooit de eigenlijke

passieliefde te hebben gekend, maar zijne sympathie voor elke vrouw,

hoe bekoorlijk zij ook mocht zijn, ging altijd spoedig over in eene

zachte hartelijke vriendschap [6]. "Het is waarlijk alsof Nietzsche

enkel met zijne ziel heeft liefgehad en dat die liefde, vrij van

alle sensueele en pathologische elementen, zich heeft opgelost in

eene bijna geheel onzelfzuchtige teederheid. En daarom ook moet

die denker, die zoo gesloten van karakter was, vooral in de dagen

van zijn lijden en zijne ziekte, in de dagen van zijne eenzaamheid,

de zachte, stille bekoring gevoeld hebben, die voortvloeien uit de

vriendschap der vrouw. Naar onze meening is Nietzsche's gevoelsleven

zeer verschillend geweest van dat van Goethe (den dweeper) of van

Schopenhauer (den realist) in de liefde, maar tevens was het rijker

en vruchtbaarder dan men zou denken. Voor ons wordt hij de idealist

in liefde en in vriendschap en dat teere, verfijnde idealisme, dat in

eene middelmatige natuur slechts een bewijs van zwakheid zou wezen,

verleent aan zijn mannelijk, onafhankelijk karakter daarentegen eene

bekoring te meer.

Wat Nietzsche bovenal teekent als aristocraat is wel zijne duidelijke

voorliefde voor al wat schoon van lijnen, wat zuiver, wat sierlijk

en hoffelijk van vormen is, evenals zijn groote tegenzin in alle

gemeenheid, vuilheid en slordigheid. Die aangeboren verfijnde smaken,

hem alleen eigen, maakten, dat hij reeds in zijne kinderjaren zich

afzonderde van zijne schoolmakkers en dat hij later het Duitsche

studentenleven met zijn weinige vormelijkheid, zijne burgerlijke

hartelijkheid en al te materialistische bierfuiven verfoeide;

die zelfde smaken waren hem als aangeboren, zoo elementair sterk

spraken zij uit zijn geheele wezen en zoo duidelijk deden zij zich

gevoelen in al zijne werken, terwijl zij tevens de meeste zijner

sympathieën en antipathieën verklaarden. Want juist zijn gevoel

voor schoone vormen verklaart zijne liefde voor de beschaving der

Oudheid, voor de Renaissance en voor den Franschen geest van de

XVIIde, de XVIIIde en zijn eigen eeuw; en juist die afschuw van alle

plebeïsche burgerlijkheid doet hem zulk een streng oordeel vellen

over de apostelen van den christelijken godsdienst, in wie hij

eene slavenziel vermoedt, over Luther, wiens lompen boerenaard hij

verfoeit, over de Fransche revolutie, over de geheele democratische,

feministische, socialistische en anarchistische beweging van dien tijd,

over het Duitsche keizerrijk en de actueele Duitsche beschaving. En

bovenal ziet hij neer op alle gebrek aan physieke, intellectueele of

moreele "distinctie" op gebrek aan tact en goede vormen; op dat punt

waren zijne smaken zeer veeleischend en verfijnd. De meesten zijner

analysen besluit hij met het constateeren van het al of niet voorname

in een of ander gevoelen. Hij veracht alle ijdelheid, omdat hij den

aard van den minderen man ziet in hem, die, om zichzelf te kunnen

hoogachten, de goedkeuring van anderen noodig heeft. Hij veroordeelt

het medelijden, omdat hij van eene edele ziel eischt, dat zij haar

leed in zichzelve opsluit en dientengevolge niet tracht het leed van

anderen te doorgronden, maar zelfs terugschrikt zoo zij het bij toeval

ontdekt; medelijden vragen is volgens hem een gebrek aan waardigheid

en medelijden schenken een gebrek aan tact. Zelfs de waarheid, die hij

met hart en ziel zoekt, mag, volgens hem, niet onbescheiden of ruw

reëel wezen; hij vindt haar geen waarheid meer wanneer men haar den

sluier afrukt en het komt hem niet welvoegelijk voor alles te willen

begrijpen, te willen zien en aanraken. In verband daarmee haalt hij de

volgende woorden aan, die een kind tot zijn moeder sprak: "Is het waar,

dat onze Lieve Heer overal is? Dat vind ik toch niet behoorlijk." In

plaats dus van een cynicus te zijn, waarvoor men hem zoo dikwijls heeft

gehouden, begreep hij juist de fijnste en meest kiesche gevoelens van

de ziel. Zoo geeft hij b.v. als volgt de psychologische analyse van

dat instinctief voelen, dat in elke diepgevoelende ziel de behoefte

doet leven zich aan den blik der menigte te onttrekken door een sluier

die haar eigenlijk wezen verbergt:

"De trots en de intellectueele walging van een ieder, die veel

geleden heeft... de trots van den uitverkorene in de wetenschap,

van den ingewijde, die reeds gedeeltelijk ten doode is gedoemd, moet

telkens een nieuw masker zoeken om alle aanraking te ontwijken van

de onbescheidenheid en het medelijden van hen, die zijn leed niet

kunnen begrijpen. Diepgevoelde smart veredelt: zij schept hoogere

dingen. Een van hare beste maskers is wel het epicurisme samengaande

met een zichtbaren overmoed om alle lijden licht op te nemen en zich

zoo min mogelijk gevoelig te toonen voor alle droefheid en diepte

van het leven. Er zijn menschen met een helder verstand, die door

dat verstand miskenning weten te verwekken, die menschen willen

miskend worden. Er zijn "mannen van de wetenschap," die zich door

die wetenschap een schijn van opgeruimdheid weten te geven, omdat,

volgens hun oordeel een "wetenschappelijke geest" samengaat met een

oppervlakkig zieleleven; die menschen verbergen hun zieleleven achter

die valsche gevolgtrekking. En ook zij zijn er, die menschen vol

geestelijke vrijheid en moed, die aan de geheele wereld trachten te

verbergen, dat hun hart zoo hoog trotsch en ach, toch zoo ongeneeslijk

gebroken is (zoo b.v. het cynisme van Hamlet, de geschiedenis van

Galiani). Zelfs de waanzin is somtijds het middel om het zelfbewust

pessimisme te verbergen. De plicht van de verfijnde menschenliefde

is dus alle "maskers" te ontzien en niet zonder gegronde redenen het

menschelijk leed te onderzoeken en te ontleden [7]."

Zoo ook het volgend aphorisme, dat dezelfde gedachten weergeeft:

"Sterveling, wie zijt gij? Gij volgt uw levensweg zonder te kunnen

spotten of te kunnen liefhebben; uw blik is ondoorgrondelijk en

droefgeestig, als peilde hij steeds opnieuw den diepen afgrond der

ziel: wat zoekt gij daar? Uw boezem kent geen zuchten, uw mond tracht

zijne walging te verbergen, uwe hand geeft zich niet. Sterveling,

wie zijt gij? Wat hebt gij misdreven? Zoek hier uwe rust: hier is

gastvrijheid voor allen! Wie gij ook moogt wezen--wat verlangt gij

op dit oogenblik? Wat kan ik u geven om u op te beuren? Zeg het mij:

al wat ik bezit, bied ik u aan!"

"Om mij op te beuren? O, nieuwsgierige, weet gij wat gij zegt? Geef

het mij dan--in vredesnaam!" "Wat dan? Spreek!"--"Wat? O, nog een

masker! een nieuw masker!" [8]

Die fijne ontledingen van een wellicht bijzonderen, maar tevens

zoo in-waar gevoelden zielstoestand, geven zeker niet het werk

van een cynicus weer, maar daarentegen wel den zieletrots, die ook

spreekt uit Zarathustra's antwoord tot de menigte: "Gij vraagt mij,

waarom? Maar ik behoor niet tot hen, die het waarom van hunne ziel

kunnen verklaren." [9] Daaruit blijkt wel de trots van den wijzen,

zelfstandigen mensch, die alleen van zijn eigen wil afhangt, die de

smart heeft overwonnen, van den mensch, die zich boven het noodlot

heeft verheven; en juist die mannelijke trots van den zelfbewusten

mensch is wel de hoofdtrek in Nietzsche's karakter; hij geeft dien

weer in zijne schoone inleiding tot Zarathustra:

Toen de zon zijn hoogste punt had bereikt, zag hij vragend omhoog--want

hij hoorde den krijschenden kreet van een vogel. Toen zag hij een

arend, die in groote bogen het luchtruim doorkliefde en eene slang

met zich voerde--niet als prooi, maar als vriend, want om den nek

van den arend had de slang zich zacht gekronkeld.

"Dèze zijn mijne dieren," sprak Zarathustra vol innige vreugde.

"Het meest trotsche en het wijste dier, die ooit geschapen zijn,

moeten de wereld verlichten!

Zij wilden zien of Zarathustra nog leefde, en waarlijk, leef ik

nog wel?

Ik heb onder de menschen veel meer gevaren ontdekt dan onder de dieren;

en de gangen van Zarathustra zijn vol gevaren. O, mochten mijne dieren

mij den juisten weg wijzen!"

Toen hij dat gezegd had, zuchtte Zarathustra en fluisterend sprak

hij tot zichzelf:

"O, dat ik wijzer ware, zoo wijs als mijn slang.

Maar dat kan niet: ik vraag het onmogelijke: laat ik dan maar trachten

mijnen trots steeds samen te doen gaan met mijn verstand.

En mocht ooit mijn verstand mij verlaten--want, ach, hoe licht

ontvlucht het ons!--moge dan mijn trots nog één worden met mijnen

waanzin!" [10]

Nietzsche's Philosophie · 第 7 / 45 题