Men zou zich, dunkt mij, een zeer verkeerd oordeel vormen over
Nietzsche, wanneer men zijne werken uitsluitend beschouwde als de
beschrijving van een wijsgeerig stelsel. Even verkeerd zou het zijn
als men zou willen trachten zelf een bepaald stelsel op te bouwen,
geleid door de gedachten door hem in de acht deelen van zijne volledige
werken neergelegd. Toch is het misschien noodig en zeker gewenscht te
trachten de verschillende denkbeelden in een "systeem" te rangschikken,
wil men Nietzsche juist leeren beoordeelen als denker en zich niet
alleen tevreden stellen met hem oppervlakkig te bewonderen als een
talentvol schrijver, een overtuigend moralist of als den schepper van
schitterende "losse gedachten" of vernuftige aphorismen. Maar alvorens
de leer van Nietzsche te bestudeeren, dient men doordrongen te zijn van
de gedachte, dat die leer volgens Nietzsche's eigen bekentenis, niet is
een geheel van abstracte waarheden, die bestemd zijn voor het algemeen
begrip, maar bovenal het levend beeld van een persoonlijk karakter,
een zeer bijzonder temperament; dat het in waarheid is de oprechte
en hartstochtelijke bekentenis van eene zeldzaam fijn besnaarde ziel.
Nietzsche's philosophie is, om te beginnen, streng individualistisch:
"Wat zegt u uw geweten? vraagt hij: gij moet worden die gij zijt." [1]
De mensch moet dus bovenal zichzelf kennen, zijn lichaam, zijne
neigingen, zijne vermogens; dan moet hij zijn levensregel vormen naar
zijne persoonlijkheid, zijne eerzucht bepalen naarmate zijner erfelijke
of verworven geschiktheid en zooveel mogelijk voordeel trekken zoowel
van zijne natuurlijke gaven als van de uitwendige gebeurtenissen,
die het leven hem geeft; ten slotte moet hij zoo goed mogelijk zijne
natuur verbeteren door de kunst, wil hij stijl geven aan zijn karakter
en aan zijn leven.
Een ieder volbrengt die taak naar eigen krachten; er zijn geen
algemeene regels voor het zichzelf-worden. Nietzsche is vast overtuigd
van de aangeboren ongelijkheid der individuën en volgens hem moet
een ieder zijn eigen waarheid, zijn eigen zedeleer scheppen, want
wat voor den een goed of slecht, nuttig of nadeelig is, behoeft het
daarom voor den ander niet te wezen. Al wat de denker doen kan is dus,
welbeschouwd, de geschiedenis zijner ziel meedeelen, zeggen op welke
wijze hij zichzelf heeft ontdekt, in welke geloofsovertuigingen hij
innerlijken vrede heeft gevonden, zijne tijdgenooten aansporen om
te doen zooals hij deed: zichzelven zoeken en zichzelven vinden;
hij houdt er echter geen eigenlijke leer op na, hij wil niet de
leermeester zijn van eene gedweeë kudde leerlingen:
"Ik ga heen, mijne leerlingen, geheel alleen!" sprak Zarathustra tot
zijne getrouwen. "En ook gij moet heengaan, geheel alleen! Zoo wil
ik het.
In waarheid geef ik u dezen raad mee: gaat heen, verre van mij en
maakt u los van Zarathustra! Of beter nog: schaamt u over hem! wellicht
heeft hij u bedrogen....
Gij zegt dat gij in Zarathustra gelooft? Maar wat is u Zarathustra? Gij
zijt mijne geloovigen: maar wat beteekenen alle geloovigen?
Gij zocht uzelven nog niet; toen hebt gij mij gevonden. Zoo doen alle
geloovigen: en juist daarom beteekent alle geloof zoo weinig.
En nu beveel ik u mij te verliezen en uzelven te vinden; wanneer
gij allen mij verloochend zult hebben, dan eerst zal ik tot u
wederkeeren." [2]
En evenals Nietzsche zich onderscheidt van alle dogmatici door niet
te beoogen de menschheid een nieuw credo, een geheel ineengezette
verzameling leerstelsels te brengen, zoo ook verschilt hij van de
meeste wijsgeeren en mannen van de wetenschap omdat hij zich niet
uitsluitend tot het verstand van zijne lezers, maar tot den geheelen
mensch wendt. Hij gevoelt niet veel voor de menschelijke rede,
voor wat men noemt "ziel", "geest". Het sentiment en de rede zijn,
volgens hem, de werktuigen en tegelijk de speelbal van eene verborgen
macht, die hen beheerscht en hen gebruikt tot haar eigen doeleinden:
"Achter uwe gevoelens en uwe gedachten, o mijn broeder, staat een
machtige meester, een onbekende wijze--hij heet "Ik". Hij is in uw
lichaam, hij is uw lichaam. [3] Het lichaam met zijne instincten,
met den "wil van kunnen", die het bezielt: dat is volgens Nietzsche
"de groote rede" van den mensch; terwijl de "kleine rede", waarop hij
zoo gaarne trotsch is en wier oppermachtige onafhankelijkheid hij zoo
dikwijls roemt, niets is dan een weliswaar waardevol, doch tevens
zeer onvolkomen "en broos werktuig", dat die "Ikheid" dienen moet
tot het uitstrekken van hare macht. Wil dus de eene mensch invloed
uitoefenen op den ander, dan moet hij vóór alles zich doen begrijpen,
zich doen gevoelen door die geheimzinnige "Ikheid"; al het overige telt
niet mee. Niets is vruchteloozer dan bepaald logisch een philosophisch
stelsel te willen afleiden en het verstand door redelijke bewijsgronden
te willen overtuigen. De meeningen van hoogere orde, die ons leven,
onze daden besturen, die ten slotte vaststellen wat Nietzsche noemt
"de tafel van waarden", die bepalen wat goed of kwaad is, laten
zich niet verklaren; de mensch "leeft" die, hoe ook; de beste er
van zijn die, welke de ontwikkeling van den persoon of van de soort
het meest bevorderen. Voor Nietzsche is een boek dus in de eerste
plaats eene daad. Waar hij zijn invloed wil doen gelden op zijne
tijdgenooten is dat niet door zijne kennis of wetenschap, door het
algemeene en onpersoonlijke in hem, maar integendeel door zijne geheele
persoonlijkheid, door zijn geheele wezen. Hij is niet alleen denker,
maar tevens profeet; hij roept de menschheid niet toe: "Ik geef u de
waarheid, eene onpersoonlijke, algemeene waarheid, onafhankelijk van
mijn wezen, eene waarheid, waarvoor alle menschelijke rede buigen
moet," maar integendeel: "Hier ben ik met mijne neigingen, mijne
geloofs-, mijne waarheidsideeën en ongetwijfeld ook mijne dwalingen
en zooals ik ben, zeg ik "ja" tot het bestaan, tot zijne vreugde en
zijne smart; ziet of ook gij uw geluk kunt vinden in de denkbeelden,
die het mijne schiepen." Waar de meeste wijsgeeren zich juist beroemen
op het onpersoonlijk denken, het zich losmaken van hun "ik", "hun
oog licht doen worden", volgens Goethe's schoone uitdrukking, maakt
Nietzsche daarentegen zijne persoonlijkheid tot het middenpunt zijner
philosophie; hij brengt zijn leven door met zichzelf te zoeken en ons
den uitslag zijner onderzoekingen mee te deelen. Zijne philosophie
is dus bovenal de geschiedenis zijner ziel. Zarathustra, dat ideaal
type van denker en profeet, wiens moreel karakter hij zoo aangrijpend
dichterlijk beschrijft in een van zijne beroemdste werken, is zoowel
de verpersoonlijking van zijn streven en droomen als in zekeren zin
het levend betoog van zijn leven. Het is dus met het onderzoek van
Nietzsche's persoonlijkheid, zooals zij spreekt uit zijne werken en
uit de herinneringen van zijne bloedverwanten en vrienden, dat deze
studie dient te beginnen.