Ondanks dit openlijk bewijs der vorstelijke gunst, bleef het noodlot

den admiraal vervolgen. Hij stierf in ongenade en in de treurigste

omstandigheden; en schonk zelfs niet zijn naam aan het werelddeel,

dat hij had ontdekt.

Nog een ander huis is in deze stad te vinden, waar in armoede

en ontbering een der grootste genieën van zijn tijd heeft

geleefd. Vroeger stond het buiten de stad; thans is het door

moderne huizen ingesloten. Het is het huis, door Cervantes bewoond,

in 1603. Een nauwe, steile trap voert naar twee kleine, lage kamers,

met zware zolderbalken. De eene, die zeer donker is, diende blijkbaar

als keuken, en als slaapplaats tevens, want in de andere kamer was geen

plaats genoeg voor het zeer talrijke gezin, waarvan de vrouwelijke

leden met borduren of verstelwerk den kost zochten te verdienen,

terwijl Cervantes voor eenige groote heeren hun boeken bijhield,

copiëerwerk verrichtte, en brieven schreef voor lieden, die deze kunst

niet verstonden. Des avonds echter, wanneer zijn dagtaak was geëindigd,

vergat hij zijn zorgen en ontberingen en schreef verder aan het werk,

dat hij reeds begonnen was in den tijd zijner gevangenschap. Onder

zulke omstandigheden ontstond Don Quixote, dat nog na driehonderd jaren

door de gansche beschaafde wereld om strijd wordt geroemd en genoten.

Spanje heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan een vijandige

bejegening van diegenen harer zonen, welke zij veeleer de hoogste

eer had mogen waardig keuren. Tevergeefs zocht ik hier naar den

kerker, waarin de beroemde mystieke dichter, tevens Professor aan

de Universiteit van Salamanca, Fray Luis de Léon, gedurende de vijf

jaren van zijn gevangenschap niet slechts een vertaling van het

boek Job en de Psalmen schreef, doch ook het schoone dichtwerk "de

volmaakte Echtgenoote," 't welk hij opdroeg aan zijn verwante, Dona

Valeria de Osorio, een boek vol wijze en beminnelijke raadgevingen,

die de hedendaagsche vrouwen nog steeds wel zouden doen, te behartigen.

Reeds lang heeft men in de oude hoofdstad van Castilië toegegeven

aan eene neiging, om het oude af te breken, en in de plaats daarvan

het nieuwe te doen verrijzen, dat niet altijd hetgeen voorafging,

in schoonheid overtreft. De gothische kathedraal is verdwenen, en

heeft plaats gemaakt voor een half grieksch, half romeinsch bouwwerk,

dat schijnt te willen wedijveren met de St. Pieterskerk te Rome. Het

is het werk van Herrera en herinnert aan de Kathedraal van Granada,

doch is nuchterder en killer dan deze. Dáár toch werd het kerkgebouw

onder het oppertoezicht der katholieke vorsten begonnen, en voltooid in

de dagen, toen gevoelens van rechtmatigen trots en vurige vroomheid

allen bezielden, die naar hun beste vermogen medewerkten, om het

geheel te volmaken door heerlijk beeldhouw- en schilderwerk. Te

Valladolid echter, waar reeds eeuwen het vuur der godsdienstige

geestdrift, door de godsdienstoorlogen gewekt, was uitgebluscht,

toen met den bouw dezer kerk werd begonnen, is het gebouw, ondanks

zijn grootschen opzet, kil en ledig gebleven. De geloovige inwoners

bezoeken dan ook bij voorkeur andere kerkgebouwen, welke meer werken

op hun fantasie, zooals dat van Santa Maria la Antigua, San Martin,

la Cruz, en Nuestra Senora de las Angustias, welke allen versierd zijn

met dat heerlijk schilder- en beeldhouwwerk, 't welk wij danken aan

den beitel en het penseel van Juan de Juni, Hernandez, Berruguete en

Cristobal de Velasquez, dien kring van beroemde kunstenaars uit het

Noorden, die der school van Sevilla den weg hebben gebaand.

De Virgen de los Cuchillos of de los Dolores is een der schoonste van

deze kunstwerken, en in een omgeving geplaatst, die haar tragische

grootheid te meer doet uitkomen. In een kapel, die bijna even groot

is als de kerk, waarvan zij deel uitmaakt, op een verhevenheid,

eenige meters boven den beganen grond, onder een marmeren en bronzen

troonhemel, die verlicht wordt door onder den koepel verborgen

electrische lampen, ligt de moeder der smarten neergezonken aan den

voet van het kruis. Met achterovergeworpen hoofd richt zij in wanhoop

de betraande oogen naar den hemel, terwijl zij de hand krampachtig op

haar hart drukt, als verscheurd door smart. Geen ivoor kon fraaier

en zorgvuldiger zijn bewerkt, noch beter eene beschildering hebben

verdragen, even warm en doorwerkt, als het koloriet der schoonste

schilderij. In tegenstelling met het gelaat en de handen, is de

kleeding niet zoo uitvoerig behandeld; het roodbruin en zwartblauw

van het gewaad is in groote en eenvoudige massa's gehouden, en enkel

door wat goud verlevendigd, dat men op eenigen afstand reeds niet

meer onderscheidt. Doch waarom zijn de geloovigen in hun ijver zoo

ver gegaan, in die hand, den beitel van een Michel Angelo waardig,

zeven blinkende zwaarden te plaatsen? Het heet, dat zij beter

de bedoeling van het kunstwerk doen begrijpen, en de beteekenis

er van verzinnelijken. Voor de groote menigte der geloovigen zou

de uitdrukking van het gelaat op zich zelf niet voldoende zijn;

een stoffelijk symbool was noodig om hen het martelend lijden

der heilige moeder Gods te doen nagevoelen; dus moeten zwaarden

haar hart doorboren. Men kan zich moeilijk iets afstootenders en

meer belachelijk realistisch voorstellen dan deze lompe verzameling

wapentuig, waaraan als waardig pendant een zilveren aureool, met zware,

wijd uitstaande stralen is toegevoegd. De Virgen de los Cuchillos

behoort aan een machtige broederschap. En al zou het zeer wel mogelijk

zijn, dat zich onder de leden daarvan lieden van smaak en ontwikkelden

kunstzin bevonden, geen van hen zou durven voorstellen, deze zwaarden

te verwijderen, die met groote, lompe spijkers in de plooien van het

kleed zijn geslagen. Zulk een daad zou als heiligschennis worden

beschouwd door een volk, waarvan de vroomheid, ofschoon in wezen

verflauwd, toch hardnekkig aan uiterlijke vormen gehecht blijft. Als

men echter in gedachten die storende bijkomstigheden verwijdert,

heeft de lijdende moedermaagd van Juan de Juni de macht, ons door de

uitdrukking alleen van haar door hopelooze smart verwrongen gelaat,

oprecht te ontroeren. Een ander schoon kunstwerk in dezelfde kapel is

een bas-relief, de Blijde Boodschap voorstellend, dat langen tijd aan

Pompeyo Leoni werd toegeschreven, doch het werk is van een kunstenaar

uit Valladolid, Christobal Velasquez.

De verschillende kerken betwisten elkaar hier bijna de eer, de

heerlijkste kunstwerken te bezitten. Velen beweren, dat de Maagd der

Smarten van Hernandez, die in de kerk van la Cruz wordt bewaard, die

van Juan de Juni nog in schoonheid overtreft. Misschien zou ook ik

deze meening zijn toegedaan, als ik het andere beeld had aanschouwd

in een passende omgeving; doch daar het uitkwam tegen een achtergrond

van spiegels met vergulde lijsten, en rondom de tragische hoofdfiguur

engeltjes zweefden, die als echte Cupido's beter bij een triomftocht

van Venus zouden hebben gepast, kreeg ik den indruk, alsof de maagd van

Hernandez hier een vreemde verschijning was, uit een naburig klooster

hierheen overgebracht, en meer uit eerbied, dan uit kunstzin voor dit

altaar geplaatst, waar zij niet behoorde. Toch is zij zeer schoon,

en jeugdiger opgevat, dan de maagd van Juan de Juni, wier trekken

door het lijden verouderd zijn.

Deze beide beelden nemen geregeld deel aan de pasos, of optochten, die

in de Paaschweek plechtig rondgaan, en in hooge mate de belangstelling

en geestdrift der menigte gaande maken. In de Kerk van la Cruz wordt

zulk een beeldengroep vertoond, die gereed is om aan den optocht

deel te nemen; het geheel rust op een voetstuk, dat door vier zware

wielen wordt voortbewogen. Als de poort der kapel wordt geopend, kan

het zonder bezwaar naar buiten worden gereden. De groep stelt voor de

afneming van Christus van het Kruis, met de weenende vrouwen aan den

voet. Elk détail is zoo realistisch mogelijk weergegeven, tot een nog

al leelijke ladder toe, en de geloovigen hebben niet kunnen nalaten,

hun goeden wil te toonen, door de heilige maagd een prachtigen kanten

zakdoek te vereeren, om haar tranen af te wisschen. Het lijkkleed,

waarin Christus zal worden gewikkeld, is van fijn, geborduurd linnen,

en de heilige vrouwen dragen keurig gesteven en gepijpte kanten kragen,

die de strijkster veel werk moeten hebben gekost. Toen ik den pastoor,

een zeer verstandig man, opmerkzaam maakte op de overbodigheid dezer

versiersels, zeide hij: "Die nauwe vereeniging van zulk een ideale

voorstelling met de dingen van het dagelijksch leven, doet het volk

beter de beteekenis van het voorgestelde begrijpen. Als men dit naliet,

zou de groote massa deze dingen minder goed verstaan; alleen de meer

ontwikkelden zouden onder den indruk geraken."

Nog meer kunstschatten zijn in de overige kerken der stad te vinden;

maar op de rijkste verzameling mag zich de school van Santa Cruz

beroemen, die als museum is ingericht voor de vele kunstwerken, die

uit naburige kloosters hier zijn aangebracht, vooral uit San Benito

el Real.

Zoo zien wij daar een prachtigen Christus in het graf van Juan

de Juni; de doop van Christus door Hernandez; de St. Sebastiaan

van Berruguete; een borstbeeld van de heilige Elizabeth, dat door

de forsche behandeling aan Michel Angelo herinnert; St. Theresa,

schrijvend wat de H. Geest haar voorzegt, een werk, dat, hoewel

eenigszins theatraal opgevat, van groote technische vaardigheid

getuigt, en voorts de prachtvolle kop van Paulus door Juan Alonso de

Villabrille, uit het jaar 1707. In plaats van zelf verder over deze

meesterstukken uit te weiden, verwijs ik liever den lezer naar het

werk van mijn echtgenoot over de beschilderde beelden van Spanje,

waarin hij ieder afzonderlijk uitvoerig heeft behandeld. Bij het

prachtige museum der school van Santa Cruz, behoort ook een kerkgebouw,

waar, behalve groote, historische doeken, die ten onrechte aan Rubens

worden toegeschreven, zich twee heerlijke bronzen beelden bevinden, die

den graaf en de gravin de Lerma voorstellen, en vervaardigd zijn door

Pompeijo Leoni. Zij zijn, hoewel misschien niet zoo grootsch ontworpen,

nog uitvoeriger behandeld, dan de groepen, die Karel V en Philips II

met hun verwanten voorstellen, in de kerk van het Escuriaal. Evenals

de koorstoelen, zijn zij afkomstig uit het klooster van San Benito,

waar zich het grafgewelf der grafelijke familie bevond. Het gewaad

van de gravin is zoo getrouw nagebootst en zóó minutieus behandeld,

dat men elken naad en zoom der verschillende kleedingstukken, elken

steek van het borduurwerk volgen kan. Toch schaadt deze uitvoerigheid

niet aan den indruk van het geheel en sluit volstrekt geen dorheid

van behandeling in.

Een fraaie trap leidt naar de bovenverdieping van het gebouw, waarvan

de zalen eveneens tot bewaarplaats dienen van allerlei kunstvoorwerpen;

't zij deze van groote waarde zijn of slechts als herinneringen door de

Spanjaarden in eere worden gehouden. Een bonte mengeling van tapijten,

inlegwerk in hout en ivoor, beeldjes van klei en beschilderd porselein,

naast bijv. een half vergaan ledikant van verguld hout, waarin Napoleon

eens heeft geslapen; en kunstig gesneden renaissance koorstoelen

naast de grafkransen van een onlangs overleden verdienstelijk burger

van Valladolid.

Geheel boven in het gebouw bevindt zich een gothische deur, even

merkwaardig door de rijke versiering, als omdat zij zoo volkomen

ongeschonden is bewaard gebleven.

De smalle deuropening geeft toegang tot een prachtige zaal, die als

bibliotheek is ingericht. Vijftienduizend boekdeelen staan hier langs

de wanden geschaard, grootendeels afkomstig uit naburige kloosters. In

die stapels manuscripten, in hun perkamenten omhulling, zal wel

veel merkwaardigs zijn te vinden. Vooreerst wordt dit heiligdom nog

voor de meeste reizigers gesloten gehouden; een wijze maatregel;

want dergelijke schatten mogen niet aan de onbescheiden blikken

van nieuwsgierige lieden worden blootgesteld. Een belangrijke

verzameling teekeningen staat echter ten dienste van kunstenaars,

die in dergelijke zaken belang stellen; o. a. een reeks afbeeldingen

van de kleederdracht der verschillende kloosterorden van de geheele

wereld. Onder de schilderijen van zeer verschillende waarde, die hier

in het museum worden tentoongesteld, is er een, die in 't bijzonder

de aandacht trekt, het portret van den stichter dezer school, den

beroemden kardinaal Mendoza, die de vriend, raadsman en getrouwe

dienaar was van Ferdinand en Isabella, en in zoo hooge mate hun gunst

genoot, dat zij er zelfs geen aanstoot aan namen, hem den bijnaam van

"den derden Koning" te hooren geven. Het is een echte spaansche kop,

met groote donkere oogen, volle lippen, die niets ascetisch hebben,

en de gladgeschoren wangen blauwachtig getint. De Mendoza was dapper in

den oorlog, en een wijs raadsman. Hij bezat de deugden en gebreken, die

behoorden bij zijn tijd. Zijn lichaamskracht, zijn strijdlust en zijn

losbandigheid waren even bekend als eenige jaren later de strengheid

van zeden en de ascetische leefwijze van Ximenes. De laatste liet

zijn harde houten legerstede plaatsen naast het sierlijke praalbed

in de met koninklijke pracht ingerichte vertrekken van zijn voorganger.

Wel moet Valladolid de geliefkoosde verblijfplaats van Koningin

Isabella zijn geweest, want bij elken stap dringen zich herinneringen

aan haar op. Al bleef zij het voorbeeld volgen harer vorstelijke

voorgangers, die gewend waren, nu eens in het Noorden, dan in het

Zuiden van hun rijk hun tenten op te slaan; al hield de kamp om

Granada haar langen tijd terug in Andalusië; al moest zij, schoon

met tegenzin, somtijds in Catalonië vertoeven, Valladolid, waar haar

huwelijk was voltrokken, dat haar had bijgestaan in den strijd om

haar gezag te bevestigen, Valladolid, dat omringd was door burchten

en sterke vestingen, zooals Medina del Campo, Rioseco en Simancas,

was haar een machtige en getrouwe steun; en binnen de muren dezer stad

wist zij, dat noch haar, noch het castiliaansche koningschap eenig

gevaar zou dreigen. Onder de naburige vestingen is het kasteel van

Simancas het best bewaard gebleven. Ondanks enkele veranderingen,

die het heeft ondergaan, maakt het nog een strengen en dreigenden

indruk, met zijn zwaren ringmuur van grijzen steen, zijn somberen

kerkertoren, en zijn kale, verlaten omgeving. Men zou geneigd zijn

het voor een gevangenis te houden, inplaats van wat het werkelijk is:

de bewaarplaats der archieven van het koninkrijk.

Pulgar, de kroniekschrijver, die het leven der katholieke vorsten

beschreef, deelt naar aanleiding van deze vesting, een voorval mede,

dat de kloekheid en geestkracht der koningin in het licht stelt,

zoowel als het ontzag, dat zij wist in te boezemen.

Toen Ferdinand zich eens in Aragon bevond, en Isabella alleen in

Valladolid was achtergebleven, ontstond een twist tusschen twee

hovelingen, den jongen Don Fabrique, zoon van graaf Amirante, een

oom des Konings, en Ramiro Nunez de Guzman, Heer van Torral. Daar

de koningin het gerucht van hun geschil was ter oore gekomen, en zij

vreesde dat deze oneenigheid noodlottige gevolgen na zich zou slepen,

beval zij haar majordomo, Garcilaso de la Vega, den jongen Ramiro in

zijn huis te doen bewaken, terwijl zij Don Fabrique liet bevelen,

zich als gevangene te beschouwen in het slot van zijn vader, en

dit niet zonder haar verlof te verlaten. Voorts gebood zij den twee

tegenstanders, erin te berusten, dat zij zelve den strijd tusschen

hen beslechten zou.

Daar hij de bedoelingen der koningin wel vermoedde, had Don Fabrique

reeds in 't geheim de stad verlaten, wijl hij voornemens was, zich

met eigen hand te wreken op zijn vijand. Toen de koningin dit vernam,

schonk zij Ramiro Nunez de Guzman zijn vrijheid, en verzekerde, dat

hem geen leed zou geschieden. Doch toen de jonge man, vertrouwend

op de belofte der vorstin, des anderen daags zich op de Plaza Mayor

vertoonde, werd hij door drie gemaskerde personen aangevallen en

zoo geslagen, dat hij bewusteloos bleef liggen. Op het hooren van

dit bericht was de koningin buiten zich zelve van toorn. Zij liet

haar paard zadelen en reed in storm en regen, zonder gevolg, naar het

kasteel Simancas, het eigendom van den vader van Don Fabrique. Toen de

poort haar geopend was, eischte zij op gebiedenden toon de uitlevering

van den schuldige, die haar bevelen niet was nagekomen. Toen Don

Amirante beweerde, niet te weten waar zijn zoon zich bevond, zeide

zij: "Daar gij weigert, mij te gehoorzamen, eisch ik, dat gij mij

deze vesting, zoowel als Rioseco, overgeeft. Gij zijt niet waardig,

hier het bevel te voeren."

Zonder tegenspraak liet de graaf zich zijn eigendom ontnemen; doch

Isabella's toorn was nog niet geweken. Zij liet het kasteel door haar

eigen manschappen bezetten, onder den kapitein Alonso de Fonseca,

en rustte niet, eer men het tot in zijn geheimste schuilhoeken had

doorzocht. Don Fabrique werd echter niet gevonden. Toen de koningin,

welvoldaan over de wijze waarop zij zich van twee sterke vestingen

had meester gemaakt, naar Valladolid was teruggekeerd, werd zij ziek

door de uitgestane vermoeienis, en antwoordde op de deelnemende vragen

naar haar gezondheid, dat zij nog steeds leed door de stokslagen, die

Don Ramiro hadden getroffen, ondanks de door haar beloofde bescherming.

Don Fabrique's vader niet alleen, doch zijn geheele familie moest

van nu af de ongenade der vorsten ondervinden, zoodat men eindelijk

in een familieraad besloot, den jongen man op genade en ongenade aan

de koningin over te leveren. Hoewel zijne verwanten nadruk legden

op het feit, dat hij nog geen twintig jaar was, en door zijn jeugd

nog niet genoegzaam was doordrongen van den eerbied en de volstrekte

gehoorzaamheid, die hij zijn souvereine vorstin was verschuldigd,

baatte dit alles niet, om den toorn der koningin te verzachten. Hoewel

hij smeekte, aan hare voeten schuld te mogen belijden, wilde zij hem

zelfs niet ontvangen, doch liet hem geboeid naar de Plaza Mayor voeren,

het tooneel van zijn misdrijf, en vervolgens gevangen zetten, in den

kerker van Arevalo. Mogelijk had hij nimmer zijn vrijheid herwonnen,

als hij niet op voorspraak zijner verwanten had verkregen, dat zijn

vonnis in levenslange verbanning werd veranderd.

Toen ik het kasteel verliet, waar ik met eigen oogen het handschrift

der groote vorstin had aanschouwd, hoorde ik in de verte muziek. Op

het naburige dorpsplein waren jonge meisjes aan het dansen, en een

blinde man begeleidde haar vroolijk gehuppel op zijn guitaar, terwijl

hij nu en dan zonderlinge klagende keelgeluiden uitstiet. De herfstwind

deed de gele, ritselende bladeren mededwarrelen in dien rondedans; en

toch was er in dat najaarslandschap niets treurigs; want de hemel, niet

langer zoo onverbiddelijk strak-blauw als in den zomertijd, welfde zich

over bosch en veld in harmonische tinten van zacht-grijs en teer rose,

waartusschen zich die wonderbare schakeeringen van groen vertoonden,

welke Velasquez met voorliefde te schilderen placht. De opwekkende,

frissche geur van wilde thijm en rozemarijn vervulde de lucht, de

gezichteinder ging schuil in een gulden waas, en boven ons hoofd

kleurden zich de avondwolken steeds vuriger rood, met een gloed als

van gesmolten metaal. Doch weldra verflauwde het fluweelig purper van

den avondhemel; de schemering viel, geheimzinnig en vervuld van vage,

verwijderde geruchten; vogels en insecten gingen ter rust en de bloemen

sloten haar kelken bij het naderen van den schoonen en kalmen nacht.

Terwijl ik mijn tocht door Castilië voortzette, waarbij zich overal

herinneringen opdrongen aan Spanje's groote koningin Isabella,

bezocht ik ook het kasteel van la Mota, niet ver van Medina del

Campo gelegen, eene vroeger zeer welvarende stad, waar de groote

jaarmarkten al de bewoners van het Noorden van Spanje tot zich

trokken, doch die bij den opstand der communeros verbrand, en thans

geheel van hare vroegere glorie beroofd is. Van het kasteel zijn

niet anders overgebleven dan de hooge torens van rooden steen en

de bouwvallen van een zwaren ringmuur. De velden in den omtrek zijn

onbebouwd en verlaten; de eenige levende wezens, die zich vertoonen,

zijn dichte zwermen kraaien, die rondom de torentinnen vliegen, en

de stilte verbreken met hun gekras. Die sombere omgeving is wel in

overeenstemming met den toestand daar binnen, waar alles in een staat

van treurig verval verkeert, en het slotplein ligt bedolven onder het

puin der neergestorte muren. Binnen die muren heeft de groote Isabella

den laatsten adem uitgeblazen; doch niemand wist mij te zeggen, in

welk vertrek zij gestorven was, en nergens zag ik eenig inschrift,

dat mij licht had kunnen geven.

Gedurende de laatste jaren harer regeering, de eerste dus der zestiende

eeuw, had Isabella de vruchten geplukt van haar onvermoeiden arbeid

en haar krachtig beheer.

De grenzen van het koninkrijk waren uitgebreid tot aan de overzijde

van den Oceaan; Sicilië, Napels, de Canarische eilanden behoorden aan

Spanje, en de naburige natiën waren of vriendschappelijk gezind,

of onderworpen. Vrede en voorspoed heerschten in het geheele

land. Ondanks zoo veel oorzaken tot vreugde en voldoening, ging

Isabella onder zwaar leed gebukt. De dood van haar Zoon Don Juan,

van de Infante Isabella, de erfgename van den castiliaanschen troon,

en haar zoontje Don Miguel; de geestestoestand van haar dochter,

prinses Juana, op wie thans de plicht zou rusten, een zoo uitgebreid

rijk te besturen, het waren even zoovele slagen van het lot, die

haar weerstandsvermogen op zware proef stelden, en eindelijk deden

bezwijken. Haar onderdanen moesten haar verliezen, terwijl zij met

het volste recht hadden mogen hopen, nog lang de zegeningen van

haar krachtvolle regeering te genieten. Neergebogen door de smart,

aan zwaarmoedigheid ten prooi, overleed zij in November van het jaar

1504, op drie en vijftigjarigen leeftijd.

Aan haar wijsheid en beleid had Spanje een welvaart te danken, die

zichtbaar verminderde na haar dood; daar haar opvolgers het door haar

gegeven voorbeeld niet navolgden, en het door haar begonnen werk niet

hebben voleindigd.

Als ik mij te Segovia dikwijls heb laten verleiden tot uitingen van

wrevel en ongeduld, dan moet ik tot mijn verontschuldiging zeggen,

dat daartoe wel eenige reden bestond. Men zou daar werkelijk gaan

wenschen, stokdoof te zijn, of tot de zevenslapers te behooren,

als men reeds lang voor het aanbreken van den dag uit den diepsten

slaap wordt gewekt door het aanhoudend gelui van tallooze klokken,

begeleid door het geblaf van een menigte honden, die eveneens heftig

protesteeren tegen dat oorverdoovend gedruisch, dat zij echter helaas

nog vermeerderen door hun uitingen van tegenzin.

Castilië en Andalusië De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 2 / 4 段