Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
CASTILIË EN ANDALUSIË.
Naar het Fransch van Mme Jane Dieulafoy.
"Ga reizen, en gij zult een vriend ontmoeten, die den vriend vervangt,
welken gij verliet," zegt een Oostersch spreekwoord. Zoo ging het ook
mij. Met open armen werd ik te Burgos ontvangen door vrienden, die mij
van harte welkom heetten in hun midden. De reis was niet lang geweest;
doch na Victoria zeer warm. Wij maakten dan ook geen gebruik van de
wachtende rijtuigen, doch begaven ons, in de avondkoelte, te voet langs
de met boomen beplante kade, die het riviertje de Arlanzon begrenst,
naar de bekoorlijke wandelplaats, Espolon genaamd, waar standbeelden
van beroemde Castilianen prijken tusschen het groen der olmen en de
kleurige bloemperken. Ook de bloem van Burgos' schoonen scheen hier
bijeen verzameld, om te bewonderen, en bewonderende blikken op te
vangen. Naast de meer aristocratische hoofddeksels der deftige dames,
modieuse hoeden, beladen met vrachten bloemen, vruchten, linten, kant
en veeren, maakte nog steeds de eenvoudige volksdracht, de mantilla,
een bekoorlijken indruk, zooals zij in sierlijke plooien afhing van
den coquet schuin gedragen grooten schildpadden kam, en met een roos
of anjelier boven het oor was opgestoken. Wij sloegen de lachende
en babbelende wandelaars eenigen tijd gade, en richtten toen onze
schreden naar de Arco de Santa Maria, een bekroonde poort, die het
midden houdt tusschen een zegeboog en een versterkte vesting. Ik
herinnerde mij van een vorig bezoek de beelden en reliefs, die den
voorgevel versieren. Zij zijn log en zwaar, en niet bijzonder fraai
uitgevoerd. Doch het geheimzinnige maanlicht, dat de gave bezit, al wat
het beschijnt, te verheerlijken, en te bekleeden met een tooverachtig,
etherisch waas, vervaagde ook hier alle storende bijkomstigheden,
en verleende het bouwwerk een te voren niet vermoede schoonheid. Tot
de warme kleur van den rossigen steen, waaraan zelfs het koele licht
der maan geen afbreuk deed, herinnerde aan die antieke tempels,
welker godenbeelden uit penthelisch marmer waren gehouwen. Een lange,
gewelfde doorgang, laag als de ingang tot een vesting, volgde op de
voorpoort. Het was er pikdonker. Ver weg, aan de overzijde van het
binnenplein, zag ik de torens der kathedraal zich afteekenen tegen
den sterrenhemel. Mijne vrienden waren aanstonds bereid, met mij het
kerkgebouw te betreden. De lust tot nachtelijke zwerftochten is den
Spanjaard aangeboren, evengoed als der Spaansche haar aanleg voor den
dans. En al zou hij zich ook verzetten tegen dien drang, de zomerhitte
zou hem dwingen, eraan te gehoorzamen; want wie de middagzon ontvliedt,
kan niet nalaten zich te verlustigen in het licht der sterren.
Wij traden dus binnen. Plotseling doortrilde de ruimte boven ons hoofd
een galmende, zware klank, die zijn oorsprong scheen te vinden in het
luchtige kantwerk, dat de torens der kathedraal versierde, en die in
langgerekte golven werd voortgedragen tot in de verste verte, alsof
een onzichtbare hand de snaren van een wonderbaar grootsch instrument
had in trilling gebracht. Het was het klokkenspel, dat het uur van
middernacht verkondigde. De maan, die steeds hooger aan den hemel klom,
deed de schaduwen meer en meer inkrimpen, en verlichtte het schip
der kerk, dat door zijn indrukwekkende afmetingen ons een denkbeeld
deed vormen van de geweldige hoogte der beide torens. Het voorplein,
en de tuin, die daaraan grensde, waren niet geheel ledig. Zwijgende
gedaanten, in hun wijde mantels gehuld, stonden hier en daar,
in mijmering verzonken. Slechts het roodgloeiende puntje van hun
cigarette verried, dat zij geen spookgestalten waren, opgeroepen door
den galm van het middernachtelijk klokgelui. "Ik rook, dus ben ik,"
konden zij zeggen. Toen deze bewonderaars der oude kathedraal, die haar
elken avond hun eerbiedige hulde brachten, vernamen, dat ook ik in die
bewondering deelde, dankten zij mij met een veelzeggenden blik, en een
van hen stelde mij voor, mij de stad Burgos te vertoonen, gezien uit de
hoogte, van het oude kasteel dat eertijds der stad tot sterkte diende,
en dat nu slechts een ruïne is, waar bedelaars een schuilplaats vinden.
Het was nacht; maar zoo licht, alsof het helder dag was. Boven ons
hoofd een heirleger van flonkerende sterren; beneden in de vlakte
onder de donkere populieren langs den oever van de Arlanzon, flikkerde,
als een felle zilveren streep, het blinkende watervlak van het kleine
riviertje. Van verre klonk het klagend geprevel der arme lieden,
die hier een nachtverblijf hadden gezocht, en door onze nadering
uit hun rust opgeschrikt, hun eentonige en treurige jammerklacht
aanhieven. In het maanlicht rezen de hooge torens der kathedraal op,
als fijn en luchtig kantwerk, of als die kunstig gedreven pronkstukken
van goudsmeedkunst, waar kostbare steenen zijn gevat in een omlijsting
van fijn geciseleerd zilver. De bekroning der ingangspoort was
zoo wonderlijk scherp verlicht, dat het van hier gezien, scheen,
als kon men de steenen, op dezen afstand, met de hand aanraken,
het slingerende lofwerk ontrollen, of een ruiker plukken van die in
strengen stijl gehouden bloemvormen.
Zóó, als in vogelvlucht, konden wij het plan van het bouwwerk duidelijk
overzien; de kapel van den Connétable, zich aansluitend bij de apsis,
de groote lijnen van het klooster en de aartsbisschoppelijke kapel,
en de verschillende zijbeuken met de monumentale poortingangen, die van
den Sarmental, van het voorplein, en van la Pellejeria. Daarna dwaalde
mijn blik nogmaals naar de kronkelingen van den Arlanzon, die als
't ware een levenden band vormden tusschen de Cartuja de Miraflores,
waarvan de tinnen zich verhieven boven een hoogen heuvelrand, en de
zware toren van de abdij de las Huelgas Reales, het beroemde klooster,
twee gedenkteekenen van castiliaansche godsvrucht, die reeds zoovele
eeuwen de stoffelijke overblijfselen hunner vroegere heerschers
getrouw hebben bewaard.
Beroepsgidsen zijn in den regel onaangenaam; want zij beletten u
door hun gepraat, zelf iets op te merken, en vertellen u niets
anders, dan wat zij reeds honderdmalen voor anderen hebben ten
beste gegeven. Mijne vrienden volgden gelukkig niet hun voorbeeld;
zij lieten mij aan mijn eigen gedachten over, en begrepen zeker
wel, dat op zulk een oogenblik hun woorden mijn geestdrift niet
zouden aanwakkeren, en veeleer aan mijn bewondering afbreuk konden
doen. Ik moest mij tot hen wenden, om nadere bijzonderheden, welke
ik uit hun mond gaarne wilde vernemen. Duidelijk, en in levendige
bewoordingen, schilderden zij mij verschillende tafereelen uit het
grijze verleden der oude stad. Zij verhaalden, hoe deze beroemde
burcht werd gebouwd door de christelijke koningen, in hun brandenden
ijver, om de Mooren te verdrijven en de rijken te heroveren, die
hun voorvaderen eertijds hadden bezeten. De burcht der Bloemen was
in die dagen haar naam. Rondom hare muren en in de vlakte, waarboven
zij trotsch haar tinnen verhief, werden heldendaden bedreven door de
dapperen, wier beeltenis is gebeiteld in den Arco de Santa Maria;
bovenal door den Cid Campeador, wiens roemrijke krijgsbedrijven,
bezongen door Guillen de Castro, nog thans de harten der nazaten
vol geestdrift doen kloppen. Te Burgos leefde de edele held; drie
rechtopstaande steenen, als iberische menhirs, welke zijn wapenschild
vertoonen, wijzen de plek aan, waar eens zijn woonplaats was. Door
haar klokgelui, door de schoonheid harer rijkversierde kerkgebouwen,
ja, door het ruischen van den wind in de twijgen, door den mond van
kinderen en grijsaards verheerlijkt de stad Burgos den Cid, en van San
Pedro de Cardenas klinkt een echo, die deze zangen beantwoordt. Want
in dat klooster bracht Chimène, vergezeld van een talrijke schare
geestelijken en edelvrouwen, het lijk van haren gemaal ten grave, na
den gedenkwaardigen dag, waarop de gestorven held, reeds koud en stijf,
in zijn wapenrusting, op zijn ros Babieça geplaatst, door zijn geduchte
verschijning alleen de vijanden van het geloof deed terugdeinzen. Van
al die mannelijke dapperheid en vrouwelijke toewijding is slechts
een handvol stof overgebleven; doch de stad, die getuige was van zoo
glorierijke daden, verkondigt nog hun roem. Nog meer verhaalden mij
mijn vrienden. Op den Cid volgden de Koningen, die den ouden burcht
beurtelings aanvielen of verdedigden. Isabella de Katholieke noemde
zich eerst in waarheid koningin, nadat zij de stad onderworpen en aan
de rebellen ontrukt had. Zij spraken van feesten en plechtigheden,
van vorstelijke huwelijken, hier met pracht en praal gesloten; doch
ook van verraad en moord. Hier werd de beroemde Alvaro de Luna, de
machtige gunsteling van koning Juan II, gegrepen, toen hij de groote
feestzaal betrad, waar hij als gast was genoodigd, en naar Valladolid
ontvoerd, om daar den dood te vinden. Hoevele kreten van vreugde,
van smart en razernij hebben niet weergalmd binnen deze muren; van
welke tragische tooneelen zijn zij niet getuige geweest, tot op den
dag, dat nieuwe oorlogswerktuigen de zware vestingmuren vernielden,
en slechts de herinnering bleef aan de glorie, die ze eertijds omgaf.
Burgos is een der steden van Spanje, die een eigen karakter hebben
behouden, en een zekere moreele onafhankelijkheid hebben bewaard. Zij
bezit een prachtige gothische kerk, en al kan zij niet wedijveren met
Toledo, zij heeft paleizen en particuliere woningen aan te wijzen,
die uitmunten door groote schoonheid, zooals het paleis Cordon, de Casa
Miranda, de Casa de los Cubos, en het paleis der markiezen de Argulo,
welke door het zuiver renaissance-karakter van hun bouwtrant gunstig
afsteken bij de al te nuchtere, of overladen paleizen van Saragossa
of Valencia.
Voorts kan de stad bogen op een zeer merkwaardig museum, waarin vooral
aandacht verdienen de grootsche graftombe van D. Juan de Padilla,
en een onvergelijkelijk schoone altaarbekleeding in émail limousin.
In de Cartuja de Miraflores en Las Huelgas rust de asch der
oude koningen, wier graven, ondanks oorlog en omwentelingen, voor
plundering zijn bewaard. In elk opzicht heeft de stad Burgos recht,
om trotsch te zijn. Niet slechts door haar vroomheid toch, of haar
schoone gedenkteekenen munt zij uit. Zij kan bogen op eigen kracht,
op de vruchtbaarheid harer omgeving, den roem harer helden, en den
onuitputtelijken strijdlust, die hen bezielde tot hun grootsche
daden. Burgos is Burgos, en haar naam zelf verkondt reeds haar roem.
Al wordt den stad met recht een verwijt gemaakt van haar hoogmoed,
het dient tot haar eer gezegd, dat zij de bakermat was van die
vrijzinnige denkbeelden, die Castilië's kracht uitmaakten, te midden
der naburige, steeds vijandig gezinde koninkrijken. Te Burgos treft
men de allereerste sporen aan van een constitutioneel bewind. Binnen
hare muren werden plannen beraamd tot gemeenschappelijke ondernemingen
op het gebied van handel en nijverheid, die zich aankantten tegen
het machtig feudaalstelsel, en blijk gaven van een krachtig optreden
tegenover vorstelijke willekeur.
Te Burgos werd het eerst het stemrecht in praktijk gebracht bij de
keuze der provinciale afgevaardigden. Uit den tijd van Ferdinand
IV dagteekent de beroemde Hermandad der raadsheeren van Castilië,
gekozen om de tyrannie der edelen te beteugelen en het misbruik der
koninklijke macht tegen te gaan. In de Cortes van 1311 wagen deze
magistraten het reeds, een nauwkeurige verantwoording te eischen van
des konings inkomen. Zelfs Karel V moest bukken voor den wil zijner
afgevaardigden uit Burgos. De raadsheer Juan Zumel, een lid der Cortes
van Valladolid, in 1518, verzette zich tegen de benoeming van twee
vlaamsche raadsleden, welke door den jongen vorst waren aangesteld,
met voorbijzien van de door hem gedane belofte, geen vreemdelingen
te zullen laten deel hebben in de regeering van zijn land. Hij wist
zijn medeleden te bewegen, den eed van gehoorzaamheid te weigeren,
indien de vorst niet wilde toegeven aan hun eisch, en toen Karel V
deze bedreiging in den wind sloeg, brak in Burgos een oproer uit,
waarbij de bevolking de woningen der vreemdelingen in brand stak, en
de steden Toledo, Segovia, Zamora, Alcala, Avila en Soria eveneens tot
verzet wist aan te sporen. Het was de beruchte opstand der communeros,
die Castilië stroomen bloeds kostte.
Burgos was de eerste stad geweest, die de gunst genoot, afgevaardigden
naar de Cortes te zenden, en zij behield zich dientengevolge steeds het
recht voor, een eerste stem uit te brengen, zoodat Koning Alfonso XI in
de Cortes van 1349 genoodzaakt was, te zeggen: "Laat Burgos het eerst
spreken; ik treed op voor Toledo." De vorst wist geen ander middel, om
de beide naijverige steden gelijkelijk recht te doen weervaren. Vier
eeuwen lang wist de stad Burgos dit voorrecht te behouden, door het,
zoo noodig, met hand en tand te verdedigen.
De houding en het gedrag der bewoners stemmen volkomen overeen met
dat sterke gevoel van eigenwaarde, dat als het ware de traditie der
stad geworden is. Wel is waar schaamt een echte hidalgo zich niet
over zijn armoede, maar toch zou men zich te Burgos eer aan deze,
dan aan gene zijde der Pyreneën wanen; zoo weinig wordt men hier
lastig gevallen door bedelaars, die met hun kwalen en gebreken te
koop loopen, of havelooze kinderen, die u achtervolgen. Overal, op
straten en pleinen, is alles druk en ijverig aan het werk. Ieder doet
zijn best, voor zich en de zijnen het dagelijksch brood te verdienen,
en zelfs kinderen maken op dien regel geen uitzondering. "Wat ga je
met dat geld doen?" vroeg ik aan een jongentje van acht of negen jaar,
van wien ik op zijn herhaald aandringen een pakje prentbriefkaarten
had gekocht, die ik met een zilverstukje betaalde. "Ik ga morgen de
rekening bij den bakker voldoen," zei hij heel ernstig. "Wij zijn met
ons vieren thuis, en ik moet voor ons allen den kost verdienen." Juist
op dat oogenblik werd mijn aandacht afgeleid door een zonderlingen
optocht. Een waardig grijsaard, wiens door de zon gebruind gelaat
omlijst was door zilverwitte lokken en een langen grijzen baard, kwam
langzaam nader, te midden van een troep kinderen, die zich zwijgend om
hem heen verdrongen. Hij droeg de monnikspij der orde van den Heiligen
Franciscus, met een koord om het middel gebonden, en een grooten,
vilten hoed, die aan de eene zijde met een schelp was opgenomen. In
de eene hand hield hij zijn pelgrimsstaf, in de andere een brandende
cigaret. Aan zijn zijde hing een rozenkrans, waartusschen de koperen
versiersels rinkelden bij elken stap, en zijn voeten gingen schuil
onder een dikke stoflaag. Die vreemde verschijning bleek een pelgrim,
juist uit Compostella teruggekeerd. Hij had de reis zeker wel op een
gemakkelijker manier kunnen afleggen; want hij werd gevolgd door een
netgekleeden en behoorlijk geschoeiden knecht, die aan een langen stok
zijn meester's povere bagage droeg, in een doek, waarvan de vier punten
waren saamgeknoopt. Mijn kleine prentbriefkaartenkoopman naderde den
pelgrim met diepen eerbied, greep het koord dat van zijn middel afhing
en kuste het vurig, waarop de grijsaard de hand vaderlijk op zijn
hoofd legde en den knaap zijn zegen scheen te schenken. Dat ernstige
kind, doordrongen van het besef zijner verantwoordelijkheid en oprecht
geloovig, scheen mij op dat oogenblik de verpersoonlijking der oude
hoofdstad van Castilië, het trotsche, onafhankelijke en godvruchtige
Burgos. In dit licht beschouwd is de overgang van dat aardige jongentje
tot de kathedraal niet zulk een grillige gedachtensprong als men
oppervlakkig zou kunnen beweren, want van denzelfden geest, die het
kind bezielde, getuigen de steenen van het verheven indrukwekkend
kerkgebouw, dat op elk uur voor de geloovigen openstaat. Men gaat
er binnen òf door den grooten hoofdingang, òf door het portaal van
Sarmental, waar een standbeeld van bisschop Maurice den binnentredende
schijnt te verwelkomen, met zijne uitdrukking van bovenaardsche
zachtheid. Dadelijk wordt ons oog getroffen door het prachtig snijwerk
van het triforium, en verlustigt zich in het zacht gekleurde licht,
dat binnenvalt door de beschilderde glazen van een roosvenster, het
eenige dat gespaard bleef bij het in de lucht springen van het slot
in 1813. Een reusachtige Sint Christophorus aan den linkerzijwand is
niet bijzonder merkwaardig; doch ter rechterzijde aanschouwen wij een
van de grootste sieraden, waarop de kathedraal zich kan beroemen,
de toegangsdeur tot de kloostergangen, waarop de wapens van den
bisschop Luis Osorio de Acuna zijn aangebracht, benevens het jaartal
1495. De twee deurhelften, in hun omlijsting van bevallig lofwerk,
zijn uit een harde, duurzame, fijne houtsoort vervaardigd; de prachtige
basreliefs in het midden stellen den intocht van Christus in Jeruzalem
voor, en zijn nederdaling in Abraham's schoot; in de boogafsluiting
ziet men den doop van Jezus en een symbolische voorstelling van de
komst van den Verlosser, terwijl twee heerlijke beelden, David en
Isaï, het kunstwerk volmaken. De buste van een monnik, het gelaat
half verscholen onder de kap, trekt onze aandacht door zijn streng
ascetische en toch zachte uitdrukking. Het is een naar het leven
geboetseerd portret van den Heiligen Franciscus van Assisi, die een
tijdlang te Burgos vertoefde. Deze prachtige ingangspoort verleent
toegang tot de kloostergalerijen, die boven elkander verrijzen,
de eerste en tweede onder den beganen grond, de laatste slechts een
paar treden lager dan de vloer van het kerkgebouw. Bij den ingang
staan de twee standbeelden van Koning Alfonsus en Koningin Beatrix,
op de plek, waar hun huwelijk werd ingezegend, en zich dus vroeger
het altaar bevond. Ter weerszijden van deze kloostergangen liggen de
grafsteenen, sommigen overoud, en gothische kapellen, door fraaie
smeedijzeren hekken afgesloten, en versierd met heerlijk, voor het
meerendeel beschilderd beeldhouwwerk. Als hier op feestdagen kostbare
tapijten zijn opgehangen, en bij het licht van tallooze kaarsen,
te midden van wolken wierook, een lange stoet priesters, zangers
en koorknapen het van edelgesteenten fonkelend kruis volgt op zijn
ommegang, waant men zich vier eeuwen terug, in de roemrijke dagen
der groote Isabella van Castilië.
Als wij de kerk weer zijn binnengetreden, zien wij boven de kruising
van den middenbeuk en het transept een koepel, in zuiver perzischen
stijl, die naar mijn smaak te overladen is, doch als een der beroemdste
van Spanje wordt beschouwd. Deze koepel is precies 50 M. en 4
mM. hoog. Die bijkomstige 4 mM. maakten het waarlijk onmogelijk,
aan de strenge nauwkeurigheid der opgave te twijfelen. Tusschen
de rij vensters, die den koepel verlichten en de galerij, die den
benedenrand omgeeft, zijn beelden van heiligen en profeten geplaatst,
benevens de prachtige wapenschilden van Karel V en de stad Burgos,
welke deze eereplaats bekleeden ter herinnering aan de opofferingen,
die de vorst en de stad zich getroostten, om dit gedeelte van het
gebouw weder te herstellen, toen het in 1539 door een aardbeving was
verwoest. Philips II moet zijne bewondering van dit kunstwerk hebben
geuit in de woorden: "De Crucero (koepel) van Burgos is geen werk
van menschen, doch van engelen."
Het ijzeren hek van het koor, waar bisschop Maurice ligt begraven
onder een tombe, waarop zijn beeltenis prijkt in geciseleerd en
geëmailleerd brons; de zilveren kandelabers van de Capilla Mayor,
het hoogaltaar, de medaillons, die de pijlers van den hoofdbeuk
versieren, de grootsche trap, die naar het Pellejeria-portaal voert,
het zijn allen meesterstukken van smeed-, ciseleer-, en beeldhouwkunst,
waarbij groote vormenrijkdom wordt beheerscht door den zuiversten
smaak. Zij toonen om strijd, hoe vurig het geloof moet zijn geweest,
dat de kunstenaars bezielde, welke zulke meesterstukken schiepen, en
die meerendeels het levenslicht aanschouwden in de stad, waaraan zij
die overtuigende bewijzen van hun groote gaven hebben geschonken. Doch
het grootste kleinood van de Kathedraal blijft toch de kapel van
den Connétable, die zich aansluit bij het middenschip. Zij werd in
1482 gebouwd door den Connétable van Castilië, Don Pedro Hernando
de Velasco, en zijn gemalin, Dona Mencia de Mendoza, dochter van
een beroemd veldheer en dichter, den Markies van Santilhano. Zoodra
men het hek ontwaart, dat deze kapel afsluit, gevoelt men, hoe de
pracht van het schouwspel, dat ons hier te wachten staat, alles zal
overtreffen, wat ons oog tot nu toe hield geboeid. Het is onmogelijk,
de schoonheid en vindingrijkheid der compositie, en de heerlijke
behandeling van het materiaal door photographische afbeeldingen weer
te geven, daar het hek zes meter hoog is, en men dus de camera op een
te verren afstand moet plaatsen; slechts zeer uitvoerige teekeningen
kunnen recht doen weervaren aan dit pronkstuk eener kunst, waarin de
Spanjaarden boven alle andere volken uitmuntten. Cristobal Audino,
een inwoner van Burgos was de man, wien dit grootsche werk werd
opgedragen, zijn naam is er in gegrift, met het jaartal 1523.
De kapel heeft een achthoekigen grondvorm en vertoont de kenmerken der
latere gothiek, waarin Spanje een veertigtal jaren bij Frankrijk ten
achter is gebleven. De geheele bouw, met het hooge puntbogengewelf, dat
als bekroning dient, herinnert aan een zwaren slottoren, rijk versierd
met beeldhouwwerk, inschriften, kostbare bas-reliefs, en die heerlijke
wapenschilden, welke de Spaansche kunstenaars zoo voortreffelijk wisten
te behandelen. Dat der Velasco's maakt een overweldigenden indruk,
en zou op zich zelf reeds voldoende zijn, om de kapel op te luisteren.
In dit heiligdom wordt een kostbare reliquie bewaard, door Paus Sixtus
VI aan Don Juan Velasco geschonken; een doorn uit de doornenkroon van
den Heiland, die in den achterwand van het altaar is aangebracht,
in een omlijsting; waarvan de rijkdom in overeenstemming is met de
waarde van het kleinood, dat zij omsluit. Het altaarstuk stelt Simeon
en Anna in den tempel voor, en het geheele altaar is een pronkstuk van
renaissance-stijl, dat de aandacht verdient van iederen kunstenaar,
die een volmaakt voorbeeld van polychrome versiering wenscht te
bestudeeren. Vóór het altaar rusten de stichters der kapel onder
een prachtige roodgranieten zerk, waarop in carrarisch marmer hun
beeltenissen zijn aangebracht, in liggende houding. Hij in volle
wapenrusting, de grafelijke kroon op het hoofd, en de voeten rustend
op een leeuwenpaar, zij een trotsche edelvrouw, met den sluier om
het hoofd gewonden, en een lievelingshond, slapend in de plooien
van haar kleed. Toen deze kapel gesticht werd, waren de katholieke
vorsten er nog niet in geslaagd, Granada te veroveren. Don Pedro
Hernandez de Velasco was in den strijd, welke aan die beslissende
zegepraal voorafging, een der trouwste helpers van den Koning geweest,
en had, toen hij ten strijde trok, vertrouwend op het verstand
en de voorzichtigheid van zijn echtgenoote, haar het beheer over
zijn uitgestrekte goederen opgedragen. Zij vergenoegde zich niet
ermede, zijn rijkdommen te doen vermeerderen; maar ging nog verder
in hare edelmoedige toewijding, door gedurende de afwezigheid van
haar gemaal de kapel der Reiniging te laten bouwen, het paleis van
het Koord, en een landhuis, de Casa de la Vega. Men zegt, dat Dona
Mencia haar man bij zijn terugkomst tegemoet ging, vergezeld van een
gevolg van edelvrouwen en dienaren, en hem knielende begroette met
de woorden: "Heer, wees welkom op uw grondgebied; gij zult er een
schoon lustverblijf vinden, om te rusten na de jacht; een paleis,
waarin gij uwe vorsten moogt ontvangen, en een kapel, waar gij zult
begraven worden, als God u roept." Don Pedro prees zijne vrouw om haar
doorzicht, en verheugde zich over hare trouw. De Casa de la Vega is
mij onbekend; maar ik heb ruimschoots, gelegenheid gehad, het paleis
van het Koord in oogenschouw te nemen. Dit fraaie gebouw, dat op het
Vrijheidsplein is gelegen, en thans voor militaire doeleinden wordt
gebruikt, is zoo genoemd naar het koord van den H. Franciscus, dat
als eigenaardig versieringsmotief de ingangsdeur omlijst, waarboven
de beide schilden der Mendoza's en der Velasco's de Figueroa zijn
aangebracht. In den voorgevel liet Dona Mencia de spreuk beitelen:
Un bel morir toda la vida honra. (Een schoone dood strekt een geheel
leven tot eer). Het gebouw zelf is van grijzen steen opgetrokken,
zwaar en somber, slechts twee verdiepingen hoog, en geflankeerd door
de eigenaardige vierkante torens, die karakteristieke kenmerken zijn
van de woningen der spaansche edellieden. Prachtige wapenschilden,
waarboven heraldische helmfiguren zijn aangebracht, sieren de
hoeken dezer torreons. Het schild der Velasco's wordt gedragen door
een leeuw; dat der Mendoza's door een griffioen. De muren, waarin
eertijds slechts enkele smalle vensteropeningen waren uitgespaard,
zijn in de vorige eeuw bedorven door leelijke moderne vensters,
met nog leelijker balkons. Gelukkig is het bovenste gedeelte van
het gebouw ongeschonden gebleven, en ons oog kan zich verlustigen
in de beschouwing der schoone bekronende balustrade, bloemvormen,
afgewisseld door St. Andreaskruizen, ter herinnering aan de verovering
van de vesting Baeza op de Mooren, door een Velasco, op den feestdag,
aan dien heilige gewijd. De bekroning der torens, op welker top zich
galerijen bevinden, wordt gevormd door een afwisselende rij heraldische
leeuwen en lanspunten; het werk van een arabisch bouwmeester, Mohamed
van Segovia. Wie het gebouw binnentreedt, doet wel, zich voor te
bereiden op teleurstelling, die het gezicht der leege patio's en
geplunderde zalen niet nalaten zal in hem te wekken. Het paleis was een
beter lot waardig. Van den beginne vertoefden binnen zijne muren de
vorstelijke gasten, die de familie der Velasco's met hunne bezoeken
vereerden. De Katholieke koningen ontvingen hier gezantschappen,
en vierden er feest ter gelegenheid der huwelijksvoltrekking
tusschen hun eenigen zoon, Don Juan, met Margaretha van Oostenrijk,
dochter van Keizer Maximiliaan. Hier bracht Christoffel Columbus,
teruggekeerd van zijn tweeden tocht, zijn koning hulde, zooals na
zijn eerste reis te Barcelona was geschied, en overschreed dezen
drempel onder de toejuichingen der menigte, omgeven door Indianen,
welke de kostbaarste geschenken uit den vreemde droegen, om onder de
hovelingen te worden uitgedeeld. Alleen het goud, dat hij medebracht,
was bestemd voor de Koningin, die beval, dat het gebruikt zou worden
voor de versiering van het altaar in de Cartuja de Miraflores.
Ook Karel V heeft tweemaal binnen de muren van het paleis van het Koord
vertoefd. De eerste maal in 1527, vergezeld van keizerin Isabella,
in de dagen toen het geluk hem nog scheen toe te lachen; de tweede
maal in 1555, toen hij reeds afstand had gedaan van den troon,
en zich teleurgesteld en zwaarmoedig naar het klooster St. Just
begaf. Naast deze sombere herinnering spreekt de kroniek van een
liefelijke verschijning, die het paleis eenmaal verhelderde door haar
bekoorlijkheid. Het was een zekere Dona Juana, die door haar geboorte
behoorde tot het koninklijk huis van Aragon. Toen namelijk Ferdinand
de Katholieke nog een jongeling was, werd hij door zijn Vader naar
Aragon gezonden, om troepen te werven, tot demping van den opstand der
Cataloniërs. Op een stormachtigen avond vond hij een schuilplaats in
het huis eener weduwe, die een beeldschoone dochter had, welke in de
geschiedenis vermaard werd onder den naam van la Minyona de mitja mit,
(la mignonne de minuit) ter herinnering aan het uur, waarop zij,
als page verkleed, met haar vorstelijken minnaar het huis harer
moeder verliet. Uit deze vereeniging werd een dochtertje geboren,
waarvoor Ferdinand steeds groote genegenheid koesterde, en dat een
uitmuntende opvoeding genoot. Een geheele kring van dichters, geleerden
en wijsgeeren wist zij om zich te verzamelen, en aan haar droeg Don
Pedro Fernando de Villegas zijn Dante-vertaling op, die te Burgos
is gedrukt, in 1515. Zij bleef steeds de getrouwe vriendin van hare
ongelukkige halfzuster, de krankzinnige koningin Johanna, de moeder
van Karel V, en hare tegenwoordigheid was als een zonnestraal in het
schoone, maar sombere paleis van het Koord. Aan de drie gebroeders
Colonia, die uit Keulen geboortig waren, en voor de hertogin van
Velasco reeds de Kapel der Reiniging, de Casa de la Vega en het paleis
van het Koord hadden gebouwd, werd door Koningin Isabella de voltooiing
opgedragen van de Cartuja de Miraflores, die eenige mijlen van Burgos
was gelegen, en bestemd was, om als rustplaats te dienen van de asch
harer ouders, Koning Juan en Koningin Isabella, en van haar broeder
Alonso. Zij vervulde daardoor een lang gekoesterden wensch haars
vaders. Deze toch had in 1441 het paleis Miraflores geschonken aan
de Karthuizer Broederschap, op voorwaarde dat hij binnen de muren
van hun kerkgebouw zou worden begraven. Het klooster werd echter in
1442 door brand verwoest, en eerst in 1488 was de herbouw, die steeds
vertraagd was geworden, zoover gevorderd, dat de jonge koningin de
opdracht van haar vader kon vervullen en na de voltooiing van het
kerkgebouw de graftomben harer ouders kon doen oprichten. Ook het
altaar en de koorstoelen dateeren uit dat tijdperk. Na een prachtige
wandeling langs den oever van den Arlanzon, onder de schaduw van
boomen, die hier in het begin der vorige eeuw waren geplant, voerde
onze weg omhoog, met het uitzicht over een breede, vruchtbare vallei,
die zich aan onze linkerhand uitstrekte, terwijl rechts de steenachtige
bodem slechts eenig schraal struikgewas vertoonde.
In de verte zagen wij hooge muren, de omheining der tuinen en akkers,
die door de Karthuizer monniken werden bebouwd. Langzamerhand werd de
helling steiler, en weldra zagen wij tegen den blauwen hemel grijze
torens afsteken, die aan de muren van het paleis van het Koord
herinnerden, welke uit dezelfde steensoort zijn opgetrokken. Het
kostte ons geen geringe moeite, ons toegang tot het heiligdom te
verschaffen. Eerst scheen alles goed te gaan; wij ontdekten in een
blinden muur een deurtje, dat slechts met een klink gesloten was,
en toegang gaf tot een binnenpleintje, waar op een half verflenst
bloemperk een niet zeer fraai standbeeld prijkte van den Heiligen
Bruno. Verder konden wij niet; een ijzeren hek scheidde het plein in
twee helften, en achter dat hek was alles doodstil. Op ons herhaald
bellen, hoorden wij eindelijk heel in de verte deuren slaan, en
na veel gerammel en geknars van grendels verscheen achter het hek
de reuzengestalte van den portier, in de witte pij en den zwarten
mantels der Karthuizers. Na lang overleg bleek het, dat wij ons
bezoek aan de kerk juist zoo moesten zien in te richten, dat het geen
stoornis veroorzaakte in de geregelde godsdienstoefening, noch in de
godsdienstige overpeinzingen der broeders, terwijl het evenmin mocht
samenvallen met het etensuurtje van den gids, die ons geleiden zou.
Wij wachtten dus lang en geduldig op den drempel der gesloten deur, om
dat geduld dan ook ten slotte ruimschoots beloond te zien. Het hooge
schip der kerk maakt een majestueuzen indruk, en is veel lichter,
dan het inwendige van de meeste Spaansche kerkgebouwen. De grijze
steen der muren is helaas gewit; maar ons oog verlustigt zich weldra
in de schoonheid der heerlijke gothische koorstoelen, van donkerbruin
notenhout, zóó uiterst fijn bewerkt, dat geen brons of ander metaal
in zuiverheid van lijn met dit snijwerk zou kunnen wedijveren. De
preekstoel is een waar pronkjuweel. Men zou bijna bang zijn, dien
door een mensch te zien beklimmen, zoo licht en luchtig schijnt het
gestoelte van bouw, en toch wordt reeds vijf eeuwen lang van dezen
kansel gepredikt. Al dit wonderbare houtsnijwerk werd vervaardigd door
Martin Sanchez en hier geplaatst in 1489, sinds welk jaartal er niet
het geringste aan is beschadigd. Aan den voet van het altaar bevindt
zich de door leeuwen gedragen koninklijke graftombe, die den vorm
vertoont van een achtpuntige ster. Rondom het voetstuk, en onder
de bekronende lijst wemelt het van fraai geboetseerde beeldjes,
heiligen, apostelen en allegorische voorstellingen, terwijl een
geheele flora van marmer woekert in de nissen en tusschen de slanke
zuiltjes met hun verrukkelijke kapiteelen. Op het bovenvlak rusten de
twee liggende beelden, door een tusschenruimte gescheiden. De mantel
die des konings gestalte geheel omhult, is prachtig van teekening,
versierd met gekroonde medaillons, waarop in bas-relief de leeuwen
en kasteelen van het Koninklijk huis zijn aangebracht. De koningin,
wier gelaat een weinig terzijde gewend is, heeft een gebedenboek en
een rozenkrans in de hand. De hals is bloot, op het geborduurde hemd,
dat haar borst bedekt, rust een halsketen, en zij draagt kostbare
ringen aan de gehandschoende hand. De verbazende rijkdom der kleedij,
die met de grootste nauwkeurigheid, tot in de geringste détails
van borduursel en kleinoodiën, is weergegeven, maakt het schouwspel
curieus en belangwekkend, doch doet overigens afbreuk aan den ernst
en de waardigheid, welke het karakter moesten zijn van de graftombe
dezer groote vorsten.
Toen Napoleon de Cartuja bezocht, (men vertoonde nog voor eenige
jaren den boom, waaraan zijn paard werd vastgebonden) beval hij, na
het mausoleum te hebben bezichtigd, dat dit meesterstuk van spaansche
kunst naar Frankrijk zou worden overgebracht. Men wist echter uitstel
te verkrijgen, door bezwaren te opperen aangaande de moeilijkheid
van het vervoer, en gelukkig werd het gevaar door den verderen loop
der gebeurtenissen afgewend.
Aan de linkerzijde van het gebouw, onder een rijkversierden gothischen
boog, bevindt zich in een nis het beeld van Don Alonso, in biddende
houding, dat nog schooner is dan de beeltenis zijner ouders. Welk een
treurig lot trof dezen prins, die, als aanvoerder van de rebellen,
welke zich tegen zijn ouderen broeder Enrique IV hadden verzet,
te Avila tot Koning van Castilië werd uitgeroepen, en reeds op
zestienjarigen leeftijd bezweek, zonder dat de oorzaak van zijn dood
bekend was. Ook hier zijn alle bijzonderheden der kleeding uiterst
getrouw weergegeven. Het grafteeken herinnert in zijn groote lijnen aan
het monument van Juan de Padilla, in het museum van Burgos. Het altaar
zelf, dat het jaartal 1490 draagt, is prachtig van kleur en lijn, en
uitstekend bewaard. De twee groote meesters uit het laatst der 15de
eeuw, Diego de la Cruz en Gril de Syloe hebben het ontworpen. Het is
een grootsche conceptie, een groepeering van alle onderdeelen om een
kring van engelen, die het bloed van Christus opvangen. Ondanks zijn
hoogen ouderdom schijnt het ternauwernood door den tand des tijds
geschonden. Al was het niet gemakkelijk geweest, in de Cartuja door
te dringen, eenmaal onder de hoede van den jongen geleider, die mij
tot gids strekte, smaakte ik dan ook onvermengd genot. Nadat ik langen
tijd de graftomben, het altaar, en de koorstoelen had bewonderd, trad
ik nog eene afzonderlijke kapel binnen, waar voor het altaar een beeld
stond, dat een monnik voorstelde in een witte pij, in zielsverrukking
starend naar het kruis, dat hij in de opgeheven rechterhand houdt. Het
was het beeld van den heiligen Bruno door Pereira, een der schoonste
beschilderde beelden van geheel Spanje, door onzen grooten beeldhouwer
Falguière voor een meesterstuk verklaard. Terwijl ik nog in de
beschouwing van dit kunstwerk verzonken was, luidde een klok, die
blijkbaar den middagdienst aankondigde; want de jonge monnik sloot
de deuren der zijkapellen en verschikte iets op de tafel bij het
altaar. Ik nam dien stillen wenk ter harte en maakte aanstalten om te
vertrekken. Toen ik mijn gids in het Spaansch bedankte, zeide hij:
"Ik vraag u om verschooning; ik heb Frankrijk nog maar sedert kort
verlaten en ken het Castiliaansch nog niet." Ik gevoelde een opwelling
van medelijden en zeide: "Ik hoop dat gij ons geliefd vaderland nog
eens moogt weerzien." Hij boog, maar zijn gezicht stond droevig.
"In welke provincie hebt gij gewoond, eerwaarde vader?" vroeg ik. "In
Narbonne," antwoordde hij; "maar ik ben in Toulouse geboren." Bij
die laatste woorden glimlachte hij. Ik begreep het nu, wij waren
afkomstig uit dezelfde streek. Doch ik kon hem niets meer vragen. Hij
boog eerbiedig, en de zware deur viel achter mij toe. Ik had hier dus
een stadgenoot ontmoet, misschien wel iemand, wiens familie mij bekend
was. Wie weet of ik hem niet als klein kind reeds had gezien. Mijn
hart kromp ineen, toen ik mij voorstelde, hoe hij hier nu voor altoos
zou zijn opgesloten, en toch scheen hij niet ongelukkig. Gedurende
de twee uren, dat ik in de kerk vertoefde, was hij in gebed verzonken
geweest. Ik keerde weer terug tot het rumoer en de onrust der wereld,
terwijl een lichtstraal van boven zijn ziel verhelderde en hem de
aardsche ellende vergeten deed. Het is eigenaardig, om op te merken,
dat de nauwe betrekking tusschen Italië en Spanje, welke landen in
het laatst der 15de eeuw veelvuldig met elkander in aanraking kwamen,
slechts weinig invloed uitoefende op de spaansche bouwkunst, en dat
de beroemdste kunstenaars, wars van den vernieuwenden invloed der
renaissance, langen tijd nog de fransch-germaansche tradities getrouw
bleven, en den laat-gothischen bouwstijl in eere hielden, nadat deze
in Europa reeds voor andere vormen had plaats gemaakt. Slechts in hun
woonhuizen, scholen en hospitalen vertoonen zich sporen van andere
invloeden. In het laatst der 15de eeuw ontstonden, behalve de hier
reeds door ons genoemde bouwwerken, te Toledo San Juan de los Reyes,
te Segovia het klooster van Parral; bij Avila dat van St. Thomas;
verder de beurs te Valencia, en eindelijk, in Valladolid alleen, de
kerk en het klooster van St. Paul, gebouwd op kosten van kardinaal
Torquemada, en de scholen van St. Gregorius en Santa Cruz, al welke
gebouwen welsprekende getuigen zijn van de ongeëvenaarde schoonheid
der spaansche Gothiek.
Dat juist Valladolid (bijgenaamd l'emporio de las bellas artes) de
verzamelplaats van zoovele monumenten van uitnemende kunstwaarde werd,
behoeft ons niet te bevreemden. De stad was niet enkel de hoofdstad van
Castilië; onder het glorierijk bewind der katholieke koningen werd zij
de voornaamste stad van geheel Spanje. En toch, als men thans van uit
het dal van den Pisuergo de stad nadert, langs een modernen wandelweg,
met een fraai plantsoen, maakt zij op het eerste gezicht volstrekt niet
den indruk, een oude stad te zijn. De straten zijn goed onderhouden,
behoorlijk geplaveid en electrisch verlicht; slechts kooplieden, die
op straat hun watermeloenen hebben uitgestald en ze te koop bieden,
herinneren ons, dat wij hier in Spanje zijn. Eerst als men op het
plein van la Fuente Dorada is aangekomen, dat zich aansluit bij de
Ochavo, een onregelmatig kruispunt van wegen, waarop de Plateria-straat
uitkomt, voelt men, dat Valladolid een eerwaardige stad is, en naast
het al te blinkend marmer der bouwwerken van gisteren, ook den ruwen
steen van zijn antieke gedenkteekenen kan vertoonen.
Rondom het plein van la Fuente Dorada werpt een zware bogengalerij een
verkwikkende schaduw, en de winkels daaronder, die het plein van alle
zijden omringen, doen goede zaken. Onder de grijze oude bogen komen
zich des Zondags de boeren uit de omstreken verdringen; de meesten
gekleed in de eigenaardige oude volksdracht, de nauwsluitende broek,
die aan de knieën de witte of blauwe grofwollen kousen laat zien,
en het aardige korte wambuis. Vroeg in den morgen hebben zij hun
waren reeds verkocht, en doen nu inkoopen, eer ze weer naar hun
dorp terugkeeren.
Wanneer in de muren eener stad, als een spiegel, de tafereelen konden
weerkaatst worden, welke zich op die plek hebben afgespeeld, welk eene
reeks van schrijnende contrasten zouden deze vormen! Op datzelfde
Ochavo, waar de menigte zich thans zoo onschuldig vermaakte, stond
eertijds het schavot, waarop de Connétable Alvaro de Luna het leven
liet, de gevierde gunsteling van Koning Juan II, wiens lotgevallen
vier eeuwen na zijn dood nog bij het volk in levendige herinnering
zijn gebleven.
Het lot scheen hem een gelukkigen levensloop te hebben voorbeschikt,
en zijn geschiedenis is romantisch als een verdicht verhaal, tot
zijn tragisch einde haar plotseling afbreekt. Van zeer nederige
afkomst, misschien een bastaard van het geslacht de Luna, bezat de
Connétable toch blijkbaar juist die eigenschappen, welke een vorst
als Don Juan konden boeien. De gunsteling was begaafd, energiek,
bestand tegen vermoeienissen en gehard in den krijg; de heerscher lui,
lichtzinnig en genotzuchtig. Het sprak dus vanzelf, dat het de taak
van den hoveling werd, zijn meester al de lasten en verplichtingen,
aan het koningschap verbonden, te besparen, en ze op zijn eigen
schouders te nemen. Het aantal zijner benijders steeg echter met
zijn steeds toenemende macht; temeer daar hij, ofschoon jegens zijn
vrienden edelmoedig en mild, toch die macht misbruikte om zichzelf
ten koste van het algemeen belang te bevoordeelen. De oorzaak van
zijn val wordt gezocht in het feit, dat hij, toen Don Juan na den
dood zijner gemalin een tweede huwelijk wilde sluiten, in 's konings
naam, doch zonder dezen zelfs van te voren te waarschuwen, Isabella
van Portugal voor den vorst ten huwelijk vroeg, terwijl de koning
zelf voornemens was geweest om de hand te vragen van Radegonde van
Frankrijk. Hij kwam echter de belofte na, door zijn gunsteling gedaan;
doch waarschijnlijk tegen zijn zin. Onmiddellijk na zijn huwelijk toch
bleek het, dat de Koningin de verklaarde vijandin van den Connétable
was geworden en geen rust had, eer zij haar echtgenoot had onttrokken
aan een overheerschenden invloed, dien zij noodlottig achtte. Zij vond
steun bij de overige edelen, en wist het zoover te brengen, dat de
voormalige gunsteling des Konings van hoogverraad werd beschuldigd,
en met algemeene stemmen werd ter dood veroordeeld. Het vonnis werd
zoo snel mogelijk voltrokken, daar men anders vreesde dat de Koning,
bij zijn weifelachtig karakter, licht van voornemen veranderen kon. En
inderdaad, nauwelijks was het hoofd van den ongelukkigen man na de
terechtstelling op de punt van een lans op het schavot geplaatst,
of reeds kwam een bevel des Konings om het vonnis te herroepen.
Tot op het laatste oogenblik nog verwachtte Alvaro genade, daar hij
aan de genegenheid, die de vorst voor hem koesterde, niet twijfelen
kon. Don Juan werd gekweld door hevig berouw, en volgde een jaar
later den vriend in het graf, dien hij zoo trouweloos had behandeld.
Het lijk van den Connétable, dat eerst op het kerkhof der ter dood
gebrachte misdadigers begraven was, rust thans in de Kathedraal
van Toledo, onder de gewelven der prachtige kapel, die Alvaro nog
in de dagen zijner macht had doen oprichten. Koningin Isabella was
grootmoedig genoeg, zijn dochter te vergunnen, het lijk haars vaders
daarheen te laten overbrengen.
Niet alleen het Ochavo-plein, waar het schavot stond, doch ook de Plaza
Mayor heeft tooneelen van verschrikking aanschouwd. Daar werd den 7den
October 1559 het eerste beruchte autodafé gehouden, dat eerst in de
maand Mei zou hebben plaats gehad, doch tot het najaar was uitgesteld
op bevel van Philips II, die zich destijds in de Nederlanden bevond,
en het schouwspel niet wilde missen. De bevolking stroomde toe,
als gold het een volksfeest. De Koning was vergezeld van zijn zoon,
zijn zuster, meerdere bisschoppen, de gezant van Frankrijk, en
vele hovelingen en edelvrouwen. De Koning zag zoo strak en somber,
dat volgens de uitdrukking van een geschiedschrijver uit die dagen,
"het scheen alsof zijn blik de zonnestralen deed verbleeken." Dertien
beschuldigden ondergingen den marteldood, doch een groot aantal
anderen redde hun leven, door zich op het laatste oogenblik te
bekeeren. "De Spanjaarden, die niet worden verbrand, zijn zóó gehecht
aan de Inquisitie, dat het jammer zou zijn, hen ervan te berooven,"
zegt Montaigne.
Thans ontmoeten elkaar op de Plaza Mayor vroolijke jongelieden,
die haar als pantoffelparade hebben uitverkoren; vooral wanneer
de militaire muziek er haar luchtige wijsjes speelt. Het is een
gelegenheid om elkaar te ontmoeten, zooals de Calle de la Sierpe
in Sevilla. Aan de linkerzijde van het plein verrijst een groot,
wit gebouw, waarvan de steigers nog niet zijn weggenomen. Het is
het nieuwe Ayuntamiento, waarop reeds de donker purperen vlag van
Castilië wappert.
Het is volstrekt niet vreemd, dat Valladolid het treurige voorrecht
genoot, getuige te zijn van dat eerste autodafé; want eerst in 1563,
nadat het Escuriaal voltooid was, bracht Philips II den zetel van
het bestuur over naar Madrid, en verliet de stad, waar hij geboren
was. Veel echter getuigt er nog van de belangrijke rol, die zij in
de geschiedenis van het koningschap vervulde.
Links van het klooster van St. Paulus, waarvan de hooge voorgevel, met
het fraaie beeldhouwwerk, dat echter veel door de vorst heeft geleden,
statig oprijst, verheft zich een paleis met zware muren, waarin een
zeer schoon en karaktervol hoekvenster de aandacht van den beschouwer
tot zich trekt. Hier aanschouwde de eenige wettige zoon van Karel V
het levenslicht. Het gebouw, dat van buiten ongeschonden is gebleven,
is van binnen geheel verbouwd en voor administratieve doeleinden
ingericht. Het klooster van St. Paulus, dat thans aan de buitenzijde
van de stad is gelegen, schijnt er vroeger het middenpunt van te hebben
uitgemaakt; want in een ander paleis, tegenover het klooster, werd Anna
van Oostenrijk geboren, die Koningin van Frankrijk, en de moeder van
Koning Lodewijk XIV werd. Ook werd hier een gezantschap gehuisvest
van den Shah van Perzië, toen deze vorst Philips II voorstelde,
een verbond tegen de Turken aan te gaan. De perzische boodschappers
geraakten zoozeer onder den indruk der verblindende pracht van den
Katholieken eeredienst, dat drie van hen hun geloof verzaakten, en
overgingen tot het Christendom. In dit paleis vertoefde ook Philips
IV, na zijn terugkeer van die reis naar Frankrijk, waarbij hij zijn
dochter Maria Theresia tot aan de grenzen had begeleid, waar haar
jeugdige koninklijke verloofde haar wachtte. Het schijnt, dat hij zich
hier moest herstellen van den schok, dien het weerzien van zijn zuster
Anna, die hij niet had ontmoet sedert haar huwelijk met Lodewijk XIII,
hem had veroorzaakt. Zij was namelijk zoo onvoorzichtig geweest, hem
te willen omhelzen, iets dat geheel in strijd was met de spaansche
étiquette, en hem met recht mocht doen vreezen voor de toekomst van
zijn geliefde dochter, die thans ook in die lichtzinnige omgeving
zou moeten verkeeren.
Doch andere herinneringen dan die aan vorstelijke grootheid en
luisterrijke feestelijkheden dringen zich thans weder aan ons op. In
een der straten, die naar het centrum van de stad voeren, staat nog het
huis, waar Christoffel Columbus den laatsten adem uitblies. Op zijn
verlangen werd hij begraven in het ordegewaad van den H. Franciscus,
en in zijn doodkist legde men, op zijn uitdrukkelijken wensch, de
ketenen, waarin hij, op bevel van Bobadilla, smadelijk was geklonken
geweest. Al zijn bitterheid over die onrechtvaardige veroordeeling
lag in dien laatsten eisch uitgedrukt. De katholieke vorsten hadden
echter met nadruk geprotesteerd tegen die barbaarsche behandeling
van hun gunsteling. "Wees verzekerd," schreven zij aan hun admiraal,
op 14 Maart 1502, "dat uwe gevangenschap ons zeer leed doet. Gij zult
dit duidelijk bemerken; want zoodra het bericht ervan tot ons kwam,
gaven wij bevel, haar te doen eindigen. Gij weet, hoe hoog gij bij
ons staat aangeschreven, en thans willen wij u goed behandelen en
nog meer eer bewijzen dan te voren."