C. Gedroogde rijpe graanvruchten in brij- en papvorm.

R. 358. Bahmie. Goed gewasschen groenten als prei, selderij, savoye-

of groene savoyekool, andijvie enz. worden goed fijngesneden en

nogmaals gewasschen, waarna men ze op een vergiet laat uitdruipen

en vervolgens met boter half gaar laat bakken. Men doet ze daarna in

een pan om ze met een weinig water te laten gaar stoven. Middelerwijl

fruit men fijngesneden uien, knoflook, peterselie en wat kervel met

in schijfjes of dobbelsteentjes gesneden tomaten en champignons in

boter. Men voegt dit bij de stovende groente en laat alles koken tot

het gaar is. Vervolgens wascht men de mie (men rekent 2 koekjes op één

persoon) in lauw water, die men bij de groente voegt, waarna alles nog

een uur blijft stoven. Dan voegt men er nog gestoofde doperwtjes of

peultjes aan toe, waarna men alles voorzichtig dooreenmengt, er naar

smaak wat soja en zout bijvoegend. Men zij daarbij voorzichtig, omdat

de mie van zich zelf reeds zout is. Men zorge dat de mie smedig is,

niet te nat. Daarna garneere men de bahmie met reepjes van zeer dun

gebakken omelet. Bij het opdienen geve men er schijfjes citroen bij.

R. 359. Boekweitegort (Boekende grutjes). Onder gestadig roeren schudt

men 100 gram grove en 80 gram fijne boekweitegort in 1 liter kokend

water, eerst in kleine, allengs in grootere scheuten uit; men blijft

doorroeren, totdat de gort weer kookt, zet ze dan op een zacht vuur

om ze verder te laten uitdijen. Zoo noodig, voegt men er van tijd

tot tijd een scheutje heet water bij. Men kan ze eten met een warme

vruchtensaus volgens R. 129 bereid of wel met boter en suiker of met

boter en stroop.

Wanneer men de boekweitebrij minder stijf wil maken, kan men volstaan

met 70 gram grove en 55 gram fijne boekweitegort op één liter vocht.

R. 360. Boekweitegort met abrikozen. Na versche of gedroogde abrikozen

goed gewasschen en overeenkomstig R. 264 of 265, maar thans in ruim

water, te hebben opgezet, kookt men de boekweitegort overeenkomstig

R. 359 in het kokende nat der abrikozen, na de laatste eerst uit de

pan te hebben geschept. Indien er te weinig nat is, lengt men het

eerst aan met kokend water. Zoodra de gort kookt, roert men er de

abrikozen door, blijft roeren totdat ze weer kookt en laat ze daarna

nog ongeveer 20 minuten op een zeer zacht vuur uitdijen.

R. 361. Boekweitegort met karnemelk. Men laat karnemelk koken en

handelt verder als in R. 359 is voorgeschreven. Voordat de karnemelk

kookt, moet er van tijd tot tijd in worden geroerd om het aanzetten

te voorkomen.

R. 362. Boekweitegort met melk. Men kan boekweitegort met zoete melk op

tweeërlei wijzen bereiden: _Vooreerst_ door melk, naar smaak verdund,

te koken en vervolgens te handelen als in R. 359 is voorgeschreven en

_ten tweede_ door eerst boekweitegort met water te koken en bij het

uitdijen er heete melk bij te gieten in plaats van heet water. Voordat

de zoete melk kookt, mag er niet in worden geroerd.

R. 363. Boekweitegort met pruimen of pruimedanten. Men wascht versche

pruimen, gedroogde pruimen of pruimedanten en handele verder naar

R. 290, 291 of 293, maar zet ze voor deze gelegenheid met meer water

op. Als de vruchten gaar zijn, neemt men ze uit de pan, handelt verder

als in R. 360 is voorgeschreven voor boekweitegort met abrikozen.

R. 364. Boekweitegortreepen. Overgebleven of volgens R. 359, 361 of

362 bereide boekweitegort doet men, als ze goed is uitgedijd, in een

vorm, waarin men ze stijf laat worden. Men snijdt de koude gort in

dunne reepen, doopt die met de breede zijden in een geklopt ei en

vervolgens in geraspt brood en bakt ze aan beide zijden lichtbruin

in boter of olie.

R. 365. Boekweitemeelpap. Op één liter kokend water neemt men voor

dunne pap 80 gram, voor middelmatige 110 gram en voor dikke 160

gram boekweitemeel, die men al roerende eerst in kleinere daarna in

grootere scheuten in het kokende water schudt. Men blijft doorroeren

totdat men er zeker van is dat er geen klonters meer in de pap zijn.

Men dient de pap op met kandijstroop of met bruine suiker of met

compote.

R. 366. Boekweitemeelpap met karnemelk. (Karnemelksche pap). Als

men de karnemelk, nu en dan roerende, aan de kook heeft gebracht,

roert men het meel, dat men met wat koude melk tot een papje zonder

klontjes heeft gemengd, door de kokende melk. Men blijft roeren,

totdat de pap gaar is, na ongeveer 8 of 10 minuten.

Men neemt gewoonlijk 60 à 80 gram op één liter melk.

R. 367. Boekweitemeelpap met zoete melk. (Lammetjespap). Als men

de zoete melk, vol of naar smaak verdund, zonder roeren aan de kook

heeft gebracht, handele men verder als in R. 366 is voorgeschreven.

R. 368. Boekweitemeelreepen. Overgebleven of volgens R. 366 bereide

dikke boekweitemeelpap doet men, als ze goed is uitgedijd, in een vorm,

waarin men ze stijf laat worden. Daarna handelt men gelijk in R. 364

voor boekweitegortreepen is voorgeschreven.

R. 369. Broodpap. Als men zoete melk, vol of naar smaak verdund, zonder

roeren aan de kook heeft gebracht, voegt men er aan dobbelsteenen

gesneden oud brood bij. Men neemt gewoonlijk 70 à 80 gram brood op

één liter melk.

R. 370. Deensche brij. In één liter kokend water stort men 60 gram

parelgort en laat ze 1 1/2 à 2 uur koken, voegt er dan bij 1 1/4

deciliter bessensap, 25 gram krenten, 25 gram sultanarozijnen en 50

gram suiker. Men laat alles te zamen nog een uur op een zacht vuur

staan en houde heet water bij de hand, indien de parelgort niet genoeg

zou kunnen uitdijen.

R. 371. Gierst. Na de gierst een paar malen gebroeid te hebben om er

den bitteren smaak aan te ontnemen, neemt men één maatdeel gierst op

3 1/2 maatdeel koud water, waarin men ze op een zacht vuur laat gaar

worden en uitdijen.

R. 372. Gierst met melk I. In een liter kokende melk, naar smaak

verdund, stort men al flink roerende de gierst, die men van te voren

een paar malen heeft gebroeid. Desverkiezende doet men er wat zout bij.

R. 373. Gierst met melk II. Men volgt R. 371 maar zet de gierst op

met de helft van het voorgeschreven koud water. Zoodra ze begint met

uitdijen, giet men er af en toe kokende melk op, totdat de gierst

genoeg is uitgedijd zonder den korrelvorm te hebben verloren.

R. 374. Gierst met pruimedanten. Na broeiïng als in R. 371, zet

men de gierst op een zacht vuur met 5 maatdeelen water tegen één

maatdeel gierst. Zoodra de gierst kookt, roert men er goed gewasschen

pruimedanten door. Het gewicht der pruimedanten moet men even groot

nemen als dat der gierst.

R. 375. Griesmeelpap. Breng een liter zoete melk aan de kook, stort er

80 gram griesmeel roerende in en blijf doorroeren tot de pap gaar is.

R. 376. Gortpap. Nadat men de gort goed gewasschen heeft, zet men ze

eerst eenige uren in de karnemelk in de week. Men brengt ze roerende

aan de kook en laat ze daarna nog twee à drie uur in een gesloten

pan uitdijen. Men herleze bladz. 104 en 105.

Men neemt gewoonlijk 100 gram gort op 1 liter karnemelk. Wil men ze

dik hebben, dan 150 gram op één liter.

R. 377. Hangop. Melk, onder het microscoop gezien, vertoont zich als

een heldere vloeistof, waarin vetbolletjes zweven, omgeven door een

hulsel van kaasstof. Laat men de melk stil staan, dan verzamelt zich

een groot gedeelte der vetbolletjes aan de oppervlakte. Die bovenste

laag noemt men _room_. Room heeft dus een hoog vetgehalte.

Door toevoeging van een zuur of door den invloed der lucht wordt de

melk (en evenzoo de room) zuur. De kaasstof (door den boer wrongel

geheeten) scheidt zich voor het oog waarneembaar van de vloeistof,

die men dan _wei_ heet. Door karnen scheidt zich het vet (of de boter)

den room of van de melk. De overblijvende melk heet dan karnemelk.

Door de melk of de karnemelk op een schoonen doek te gieten, die over

een vergiet ligt of over een emmer hangt, lekt de wei uit de melk en

houdt men de wrongel of hangop op den doek. De wrongel of hangop is

dus een eiwitrijk voedsel, terwijl die, welke uit ongekarnde melk is

bereid, ook een hoog vetgehalte heeft.

_Zoete_ of _zure room_ en de _hangop_, uit zure of uit gekamde melk

bereid, wordt opgediend met keukenbeschuit en suiker.

De uitgelekte wei is zeer rijk aan voedingszouten. Zij werd dan ook

in vroegere tijden hoog geschat als een gezonde drank.

R. 378. Haver (geplette), zoogenaamde "havermout" in karnemelk. Men

handelt als in R. 361 voor boekweitegort met karnemelk is

voorgeschreven, maar neemt 80 à 90 gram op één liter melk.

R. 379. Haver (geplette), zoogenaamde "havermout" in zoete melk. Men

handelt als in R. 362 voor boekweitegort met melk is voorgeschreven,

maar neemt 80 à 90 gram op één liter vocht.

R. 380. Haver(de)gort. Men bereidt havergort als boekweitegort,

R. 359. Men laat ze nog een geruimen tijd op een zacht vuur staan. Men

dient ze op met een warme vruchtensaus volgens R. 129 bereid of

met compote.

R. 381. Haver(de)gort met karnemelk. Men volge R. 361.

R. 382. Haver(de)gort met zoete melk. Men volge R. 362.

R. 383. Haver(de)gort met pruimen of pruimedanten. Men volge R. 363.

R. 384. Macaroni. Nadat men de macaroni in stukken heeft gebroken

en gewasschen laat men ze in weinig kokend water en met een beetje

zout in een ondiepe pan of schotel gaar worden, maar niet te gaar,

zoodat men ze nog kan kauwen. Men doet er wat gesmolten boter over

en schudt dan de macaroni, zoodat de boter overal doordringt. Men

kan ze tegelijk met compote opdienen.

R. 385. Macaroni met kaas. Men behandelt de macaroni als in R. 384

en vermengt fijn geraspte kaas met de gesmolten boter, als deze wat

afgekoeld is, waarna men weer goed schudt. Voor maaglijders _niet_

aan te bevelen.

R. 386. Macaroni met pikante saus. Wanneer de macaroni volgens R. 384

bereid bijna gaar is, giet men het nat van de macaroni af, bindt

dat met in boter gefruite bloem, voegt er een weinig soja aan toe en

wat fijngehakte kruiden (peterselie, kervel en een weinig dragon),

die men met een fijngehakt uitje in weinig boter gaar fruit en dan

door de saus roert.

R. 387. Macaroni met rozijnen. Men breekt de macaroni in stukken,

wascht ze en zet ze met weinig kokend water op. Als ze half gaar is,

doet men er de gewasschen rozijnen in met een kluitje boter en laat

ze in den oven gaar worden.

R. 388. Macaroni met tomaten. Na tomaten van de steeltjes te hebben

ontdaan en ze gewasschen te hebben, worden ze met weinig water

gaar gekookt. Men wrijft ze daarna door een vergiet, zoodat de

schillen achterblijven. Macaroni wordt afzonderlijk volgens R. 384

bereid. Is de macaroni gaar dan wordt ze onder toevoeging van boter,

wat gebakken uien, een weinig zout en soja met de tomaten vermengd

in een vuurvasten schotel. Men strooit er gestampte beschuit over,

plaatst hier en daar een klein kluitje boter en zet het gerecht in

een matig verhitten oven, waar men het lichtbruin laat bakken.

R. 389. Macaronipap. Men kookt macaroni half gaar met water, giet het

overvloedige water af en doe er zooveel heete melk bij als noodig

is. Men blijft de macaroni voorzichtig doorroeren, totdat ze heeft

doorgekookt en schuift ze dan ter zijde van het vuur. Men laat ze

verder met een goed gesloten deksel uitdijen.

R. 390. Maizenapap. Melk wordt aan de kook gebracht en daarin wordt

geroerd een papje, dat verkregen is door de maizena met koude melk te

roeren, zonder dat er klontjes worden gevormd. Men blijft doorroeren

tot de pap gaar is, wat na enkele minuten het geval zal zijn. Men

neemt 70 gram maizena op één liter melk.

R. 391. Parelgortpap I (met karnemelk). Men handelt met parelgortpap

als in R. 376 voor gortpap is voorgeschreven.

R. 392. Parelgortpap II (met zoete melk). Men handelt als in R. 376

voor gortpap is voorgeschreven, behalve, dat men de karnemelk door

zoete melk vervangt.

R. 393. Rijstebrij I. Men brengt melk (naar smaak verdund) in een gave

pan, die men eerst met koud water heeft omgespoeld, aan de kook. Dan

stort men al roerende de rijst, die men te voren herhaaldelijk

gewasschen heeft, totdat het laatste waschwater volkomen helder

bleef, in de kokende melk. Men blijft roeren totdat de melk weer goed

doorkookt. Daarna plaatst men de pan op een zeer zacht vuur en laat

de brij nog op zijn minst 1 1/2 uur heel zacht koken.

Gewoonlijk neemt men 150 gram rijst op 1 liter vocht voor middelmatig

dikke brij, 100 gram voor dunne en 200 gram voor stijve brij.

R. 394. Rijstebrij II. Na de rijst (zie R. 393) goed gewasschen te

hebben, stort men ze in kokend water. Zoodra de rijst begint uit te

dijen, doet men er kokende melk bij. Men rekent gelijke maatdeelen

melk en water en volge de verhouding, die in R. 393 is aangegeven.

R. 395. Rijstebrij met sina'sappelen (koud). Na rijstebrij volgens

R. 393 te hebben bereid, laat men ze afkoelen. Men ontdoet een aantal

sina'sappelen zorgvuldig van de schil en van de kernen en snijdt

ze aan schijven. Daarna spreidt men een laag van de rijstebrij

in een diepe schaal uit. Over deze laag legt men een laag van de

sina'sappelschijven, die men rijkelijk met suiker bestrooit. Op

deze wijze legt men eenige lagen op elkaar. De bovenste laag moet

uit sina'sappelen bestaan. De schotel moet vóór het gebruik een paar

uur staan. Men dient het gerecht op met opgeloste Javaansche suiker

(goela djawa).

R. 396. Rijstepap met santen. Men kookt een half kilo goed gewasschen

rijst half gaar met melk, dan voegt men er drie vierdedeel van de

santen bij uit een kokosnoot verkregen. De wijze, waarop men santen

uit kokosnoot verkrijgt, vindt men beschreven in R. 511.

Bij deze pap behoort een saus, die men bereidt uit een halve liter

melk, welke men zoet maakt met opgeloste Javaansche suiker (goela

djawa) en uit de overgebleven santen, die men bij de melk voegt. Men

brengt het vocht aan de kook en bindt het met maizena.

R. 397. Rijst met karnemelk. Men wascht de rijst als in R. 393 is

aangegeven, zet ze op met koude karnemelk en blijft langzaam roeren

tot ze doorkookt. Dan laat men ze in een gesloten pan zachtjes

uitdijen. Men neemt 150 gram rijst op één liter karnemelk.

R. 398. Sagopap. Men kookt melk en stort er dan, al roerende, de

sago in. Als de melk weer doorkookt, laat men ze op een zacht vuur

nog een uur of anderhalf uitdijen.

Men neemt 80 gram sago op één liter vocht.

R. 399. Tapiocapap. Na de tapioca gewasschen te hebben, laat men ze

een paar uur in de melk weeken. Men zet ze met de weekmelk op het

vuur en als ze kookt, laat men ze op een zacht vuur nog een paar uur

uitdijen. Nu en dan roert men, om het aanzetten te voorkomen. Men

neemt 70 gram tapioca op één liter vocht.

R. 400. Vermicellipap. Op één liter kokende melk stort men al roerende

150 gram gebroken witte vermicelli. Men blijft doorroeren tot de melk

weer doorkookt. Dan schuift men ze van het vuur en laat ze nog een

drie kwartier of een uur uitdijen. Van tijd tot tijd roert men er in

om het aanzetten te voorkomen.

De Vegetarische Keuken Kookboek van den Nederlandschen Vegetariërsbond · 第 34 / 71 题