D. Knoedels.

Knoedels zijn een gezonde meelspijs, die hier te lande vroeger meer

dan tegenwoordig werd opgedischt en die thans nog algemeen geliefd

is in Duitschland. De toebereiding vereischt een zekere oefening,

waarom het aanbevelenswaardig is om bij de bereiding van knoedels

er een op proef te koken, want al worden de recepten ook nog zoo

goed voorgeschreven, er kunnen door verschil in grootte van eieren,

door de hoedanigheid van de boter of van het meel zich kleine

afwijkingen voordoen, die na de proef gemakkelijk kunnen worden in

orde gebracht. De knoedels moeten wel is waar luchtig zijn, maar niet

week. Mocht de proefknoedel te week zijn, dan moet er nog wat meel of

nog wat dooier bij het deeg. Is ze te vast dan moet er melk of water

bij. Het meel moet vooral droog en fijn zijn, het brood oudbakken,

het water nooit warm en het overtollig weekwater moet voorzichtig

met een doek uit het brood gedrukt worden. Fijngestampte beschuit of

gemalen broodkruim laat men door een matig fijne zeef gaan. Wanneer

men knoedels vormt, moeten de handen telkens in het koude water of

in het meel gedoopt worden. Men mag de knoedels niet stuk voor stuk

vormen en dadelijk in het water dompelen, maar ze eerst alle vormen en

ze dan tegelijk in de kokende melk of in het kokend water dompelen,

anders zouden de knoedels ongelijk gaar worden. Als men de knoedels

met een lepel steekt, dan moet men de lepel telkens in het kokende

water doopen. Als de knoedels naar boven stijgen, zijn ze gaar en

worden ze met een frituurlepel uit het kokende vocht genomen en zoo

spoedig mogelijk opgediend. In het water, waarin de knoedels gekookt

worden, doet men altijd wat zout.

R. 401. Aardappelknoedels. Men maakt dobbelsteentjes van bruin-

of wittebrood, fruit die geel in boter of in slaolie. Van een liter

aardappelen fijngemaakt en 200 gram grof tarwemeel met 2 geklutste

eieren, goed gekneed, zoodat het deeg niet meer aan de handen kleeft,

maakt men ballen, met juist in het midden een van de gefruite

dobbelsteentjes. Men kookt ze in kokend water in een kwartier gaar.

Men kan ze opdienen met de meeste sausen uit Hoofdstuk V of met

gestoofde gedroogde vruchten.

R. 402. Appelknoedels. Men snijdt een halven liter geschilde en

doorboorde zoete appelen in kleine schijven en zoo noodig deze weer in

gedeelten. Men legt de stukken in een schotel en voegt er 3/4 liter

warme melk, 100 gram gesmolten boter en vier eieren bij met zooveel

geraspt wittebrood, dat men een stevig deeg verkrijgt. Men kneedt

alles goed door elkaar en vormt van dit deeg knoedels, die men in

kokend water laat gaar koken.

Men dient ze op met een vruchtensaus.

R. 403. Griesmeelknoedels II. Griesmeel in water gekookt volgens R. 375

neemt men van het vuur als het goed stijf is en roert er een kluitje

boter door. Men laat de stijve brij eerst koud worden en mengt er

dan 4 flink geklopte eieren door en zooveel griesmeel, dat men een

stevig deeg verkrijgt. Daarvan maakt men bollen met in het midden

een of twee in boter gefruite dobbelsteentjes wittebrood. De bollen

doopt men in geklopt eiwit, wentelt ze daarna in beschuitkruimels en

bakt ze als oliebollen in kokende olie of plantenvet.

R. 404. Meelknoedels. Drie eieren en dubbel zooveel melk en zes

lepels meel worden flink beslagen. Door het beslag wordt 100 gram

gesmolten boter geroerd. Boven een zacht brandend vuur roert men het

deeg aanhoudend tot het van den bodem loslaat. Als het deeg koud is,

mengt men er nog drie eieren door met wat zout, roert alles nog

eens goed door elkaar, steekt met een lepel, die telkens in heet

water gedoopt is, knoedels af en doet ze tegelijk in kokend water,

waarin wat zout is opgelost. Zoodra de knoedels naar boven komen,

zijn zij gaar en moet de pot van het vuur genomen worden.

R. 405. Rijstknoedels. Zacht gekookte rijst laat men koud worden,

voegt er een of twee eieren, suiker naar smaak bij en kneedt er zooveel

geraspt wittebrood door, dat men een vast deeg verkrijgt, waarvan men

knoedels vormt, die men in kokend water laat gaar koken. Men dient

ze op met een passende saus. (Zie Hoofdstuk V).

R. 406. Spinazieknoedels. Spinazie bereid volgens R. 232 wordt zeer

fijngehakt. Gesmolten boter (125 gram) wordt, als ze afgekoeld is,

vermengd met 4 eieren en bij de fijngehakte spinazie gevoegd. Daarna

wordt door de spinazie zooveel bloem gekneed, dat men een week deeg

verkrijgt. Van dit deeg vormt men knoedels, die men door de bloem

wentelt en dan in kokend water gaar laat worden.

Men dient ze op met gewelde boter.

De Vegetarische Keuken Kookboek van den Nederlandschen Vegetariërsbond · 第 35 / 71 题