HOOFDGERECHTEN UIT RIJPE PEUL- EN GRAANVRUCHTEN IN GEDROOGDEN STAAT.

In den loop der eeuwen, dat de menschheid door verbouwing en opschuring

van peul- en graanvruchten zich onafhankelijk zocht te maken van

de wisselvallige opbrengst van vruchten, noten, kruiden en wortels,

hebben de opgeschuurde peul- en graanvruchten een voornamer plaats

in onze voeding veroverd dan hun, dit voordeel buiten rekening

gelaten, zou toekomen en die zij zeker niet hadden verkregen als

ze door het bakken en koken niet van smaak en aard veranderden. De

celwanden toch, die in rijpen toestand reeds weinig geschikt zijn

om door de tanden vermaald te worden, zijn dat nog veel minder in

gedroogden toestand. Voorafgaand koken of bakken is noodig, weeken

daarenboven veelal aanbevelingswaardig, om niet te veel te vergen

van de speekselklieren, die het sap moeten leveren om de gekauwde

spijzen in voldoend verdunden staat de maag te kunnen bieden.

Volgens Dr. Disqué verdient het de voorkeur om voor het weeken der

peulvruchten gekookt water te nemen om het opnemen van kalkdeelen

uit het water zooveel mogelijk te voorkomen. Hij raadt verder aan,

de gekookte peulvruchten alleen in brijvorm te eten en de brij of

puree voor maaglijders door een zeef te wrijven.

Voor heele graanvruchten (als groote grutten bijv.) raadt hij, om

altijd weeking aan koking vooraf te doen gaan en ze op zijn minst

_drie uur_ te laten koken.

_Weeking_ brengt de celwanden eenigermate tot hun natuurlijken toestand

terug en _koking_ doet ze springen.

De _meelvorm_ van graan- en peulvruchten heeft twee dingen tegen

zich: _ten eerste_, dat men ze niet in dien vorm kan reinigen en

_ten tweede_, dat ze in dien vorm veel spoediger tot bederf overgaan,

doordat de beschermende celwanden voor een groot deel zijn verbroken,

zoodat lucht en vocht vrijen toegang hebben tot zetmeel en eiwitstof.

A. Gedroogde rijpe peulvruchten.

R. 308. Boonenpuree. Men neemt bruine of witte boonen of

flageoletboonen, wascht ze en laat ze, een nacht over, in regenwater of

gekookt water weeken. Men zet ze den volgenden dag in het weekwater op

een zacht vuur. Het water moet een paar vingers breed boven de boonen

staan. Als ze half gaar zijn, voegt men er desverkiezende wat zout aan

toe. Verder kookt men ze zonder omroeren gaar. Het zoogenaamd doen

schrikken van erwten en boonen is zeer af te raden. Indien er water

moet worden bijgeboet, zorge men kokend water bij de hand te hebben.

Nadat de boonen zeer gaar zijn, wrijft men ze door de zeef, zoodat

de schillen achterblijven, ze met het boonennat, of als dat te kort

mocht komen, met heet water aanlengende, zoodat de puree den brijvorm

bekomt. Men zet ze daarna met een kluitje boter nog eenige minuten in

den oven. Voor den pikanten smaak kan men tegelijk met de boter er

wat gefruite uitjes doorroeren, voordat men het gerecht in den oven

zet. Dat dient nagelaten als dit gerecht voor maaglijders is bestemd.

R. 309. Bruine Boonen. Men bereidt bruine boonen op dezelfde wijze

als in R. 368 voor boonen is aangegeven. Men laat ze echter _heel_

en discht ze op met een der sausen van R. 121-136.

R. 310. Bruine-boonenpuree. Volg de bereidingswijze in R. 308

voorgeschreven.

R. 311. Capucijners. Men bereidt capucijners op dezelfde wijze als

bij R. 308 voor bruine en witte boonen is voorgeschreven. Men laat

ze echter _heel_ en discht ze op met een der sausen van Hoofdstuk

V. afd. A. Ook _grauwe erwten_ worden op dezelfde wijze bereid.

R. 312. Capucijnerpuree. Men bereidt capucijnerpuree geheel op dezelfde

wijze als boonenpuree (Zie R. 308). Ook _grauwe-erwtenpuree_ wordt

op dezelfde wijze bereid.

R. 313. Ei-, Kieviets-, Piethein-Spikkelboonen. Men bereidt deze

boonen op dezelfde wijze als in R. 308 voor bruine en witte boonen

is voorgeschreven. Alleen men laat ze _heel_ en discht ze op met een

der sausen van Hoofdstuk V. Afd. A. (R. 121-136).

R. 314. Ei-, Kieviets-, Piethein-Spikkelboonenpuree. Deze puree

bereidt men geheel op dezelfde wijze als in R. 308 voor boonenpuree

is opgegeven.

R. 315. Erwtenpuree. Deze puree van groene of gele erwten

wordt op dezelfde wijze bereid als in R. 308 voor boonenpuree is

voorgeschreven. Alleen men roert er voor het opdoen gewoonlijk wat

fijngehakte peterselie door.

R. 316. Flageoletboonen. Men bereidt deze boonen op dezelfde wijze

als voor boonen in R. 308 is voorgeschreven, maar men laat ze _heel_

en presenteert ze met de zure saus R. 132 of met een der andere sausen

van Hoofdstuk V. Afd. A. (R. 121-136).

R. 317. Flageoletboonenpuree. Deze puree wordt geheel op dezelfde

wijze bereid als in R. 308 voor boonenpuree is voorgeschreven.

R. 318. Gele erwten. Men bereidt deze erwten als voor bruine en

witte boonen in R. 308 is voorgeschreven. Men laat ze echter _heel_

en presenteert ze met een peterseliesaus R. 128 of met een warme

vruchtensaus (R. 129).

R. 319. Gele-erwtenpuree. Men volgt voor deze puree geheel de

bereidingswijze van R. 315.

R. 320. Groene erwten. Dezelfde bereidingswijze als in R. 308 voor

bruine- en witte boonen is aangegeven. Men laat ze echter _heel_

en presenteert ze met een peterseliesaus (R. 128) of met een warme

vruchtensaus (R. 129).

R. 321. Groene erwtenpuree. Bereidingswijze en opdiening volgens

R. 315.

R. 322. Linzen. Men bereidt linzen als in R. 308 voor bruine en

witte boonen is aangegeven. Men laat ze echter _heel_. Maar ze zijn

spoediger gaar. Men dient ze op met een der sausen van Hoofdstuk

V. Afd. A. (R. 121-136).

N.B. _Men gebruike geen overjarige linzen. Deze vertoonen zwarte

vlekjes, veroorzaakt door de aanwezigheid van torretjes_.

R. 323. Linzenpuree. Men volgt dezelfde bereidingswijze als in R. 308

voor boonenpuree is voorgeschreven. Zie N.B. bij R. 322.

R. 324. Witte boonen. Men volgt de bereidingswijze, die in R. 308

is aangewezen. Alleen men laat de boonen _heel_ en dient ze op met

een zure saus volgens R. 126 of met een der andere warme sausen. Zie

Hoofdstuk V. Afd. A. (R. 121-136).

R. 325. Witte-boonenpuree. Bereidingswijze als in R. 308 is

voorgeschreven.

B. Gedroogde rijpe graanvruchten in ongebroken vorm.

R. 326. Gort (stijfgekookt). Na de gort goed te hebben gewasschen laat

men ze weeken in zacht water, één maatdeel gort op vier maatdeelen

water. Men zet de gort in het weekwater op een zacht vuur en laat ze

gaar worden zonder roeren. Bij het uitdijen houde men nog kokend water

bij de hand om het zoo noodig van tijd tot tijd er bij te doen. Men

dient ze op met een warme vruchtensaus (zie R. 129) of met boter en

suiker of met boter en stroop.

R. 327. Gort met pruimedanten. Men wascht de gort, weekt ze in water,

één maatdeel gort tegen vijf maatdeelen water, zet ze met hetzelfde

water op een zacht vuur. Zoodra de gort kookt, voegt men er goed

gewasschen pruimedanten bij tot een gelijk gewicht als de gort.

R. 328. Gort met rozijnen. Men handelt als in R. 326 is voorgeschreven,

behalve dat men vijf maatdeelen water neemt in plaats van vier. Een

uur, voordat de gort zal worden opgediend, roert men er goed gewasschen

rozijnen, (de helft van het gewicht der gort) door. Men voegt er een

kluitje boter aan toe en laat dan de gort in den oven nog een uur

lang uitdijen.

R. 329. Ketan met kokosnoot en arènsuiker. De ketan moet als de rijst

herhaaldelijk met versch water worden gewasschen totdat het water bij

het wasschen volkomen kleurloos blijft. (Zie R. 330.) Men zet de ketan

met gelijke maatdeelen ketan en water op een zacht brandend vuur, daar

het anders licht aanbrandt. De kokosnoot ontlast men eerst van het

water, ontdoet haar vervolgens van den bast en schilt er het bruine

schilletje dunnetjes af. Men snijdt de kokosnoot in stukken, die men

raspt op een rasp met staande pinnen of die men met een amandelmolen

fijnmaalt. Bij de arènsuiker doet men wat water en laat ze dan op

een zacht brandend vuurtje oplossen. Men bedient zich het eerst van

de ketan, bestrooit deze met een hoeveelheid geraspte kokosnoot,

waarna men van de opgeloste suiker een zeer kleine hoeveelheid over

de kokosnoot sproeit.

R. 330. Rijst I. Het meest is aan te bevelen javarijst van den laatsten

oogst. De gewone bereidingswijze op Java bestaat in stoomen. Men doet

water in een koperen of aarden pot (dandang) van ongeveer dezen vorm.

) (

(___)

Terwijl het water aan de kook gebracht wordt, wordt de rijst

gewasschen. Aan het wasschen wordt veel werk besteed; het water

wordt _herhaaldelijk_ ververscht en de rijst geducht gewreven,

totdat _er geen wit meer afkomt_ en het laatste water dus _volkomen

helder_ blijft. Na het wasschen doet men de rijst in een mandje van

konischen vorm (koekoes-an) dat men met den top naar onderen op den

dandang plaatst. Als de rijst half gaar is, wordt ze op een aarden

schotel gestort, met wat heet water begoten, en met een spaan (irik)

goed doorgewerkt. Vervolgens gaat de rijst weer in de koekoes-an,

waarin ze blijft, totdat ze gaar is. Gaar is de rijst, zoodra men ze

tusschen duim en wijsvinger kan fijnwrijven zonder er van binnen een

scherp hartje in te voelen. De korrels zijn dan nog _heel_ en zeer

goed te kauwen.

In onze Europeesche stoompannen kan men met nagenoeg denzelfden

uitslag rijst gaar stoomen. Men verhaast het gaar worden, als men

van tijd tot tijd de rijst voorzichtig omroert en er van boven wat

kokend water doorgiet.

Wie geen stoompannen in zijn bezit heeft, kan de rijst met koud water

opzetten (1 deel rijst en 2 deelen water). Op een zacht vuur brengt

men de rijst langzaam aan de kook en laat ze zachtjes voortkoken tot

het water verdampt is. Bij het koken van rijst mag er niet in geroerd

worden. De rijst moet den korrelvorm behouden en geschikt blijven om

gekauwd te worden. Voor opdiening met saus zie men R. 332.

R. 331. Rijst II. Zachtere rijst kan men bereiden door op twee deelen

rijst vijf deelen water te nemen. Voor opdiening met saus zie men

R. 332.

R. 332. Rijst III. Zeer zachte rijst verkrijgt men door één deel

rijst te nemen op drie deelen water.

De rijst kan men opdisschen met een der sausen volgens R. 126, 129,

133, 136, 141-158.

R. 333. Rijst met appelen. Men bereidt rijst volgens R. 330, 331,

of 332 en appelen volgens een der R. 267, 269 of 272. Indien de rijst

nagenoeg geheel is uitgedijd, kan men ze met de appelen vermengen en

beide te zamen zoolang op een zacht vuur laten uitdijen, totdat de

rijst geheel gaar is.

Ook kan men beide gerechten afzonderlijk bereiden en tegelijk

voordienen.

R. 334. Rijst met bloemkool I. Bloemkool wordt gekookt volgens R. 236

maar met ruim water en rijst volgens R. 330, maar met nog wat minder

water. Als de rijst begint uit te zetten, voegt men er in genoegzame

mate bloemkoolnat bij; van het overige nat maakt men een saus volgens

R. 130. Men dient de gerechten en de saus afzonderlijk op.

R. 335. Rijst met bloemkool II. Men kan de rijst in het bloemkoolnat

koken (2 deelen rijst op 5 deelen water of één deel rijst op drie

deelen water), de gekookte bloemkool in een aantal stukken snijden,

die men in de boter bakt en de gebakken boter als saus voordienen.

R. 336. Rijst met Brusselsche spruitjes. Men bereidt Brusselsche

spruitjes volgens R. 240 en dient ze te gelijk op met de rijst

(R. 330 of 331.)

R. 337. Rijst met champignons. Nadat de champignons goed nagezien

en gewasschen zijn en in stukjes gesneden, worden ze met veel water

opgezet en met eenige uien gaargekookt. Men kookt daarna de rijst

in het nat der champignons. Zoodra de rijst gaar is, doet men de

champignons er bij met een kluitje boter, roert alles door elkaar,

strooit er fijngestampte beschuit over en laat het gerecht nog eenige

minuten in den oven staan.

R. 338. Rijst met doperwten. Doperwten worden gestoofd volgens

R. 253. Rijst bereide men volgens R. 330 of 331. Daarna worden beide

schotels met een passende saus tegelijkertijd, maar afzonderlijk,

opgediend.

R. 339. Rijst met groene erwten. Groene erwten en rijst worden

afzonderlijk gekookt en wel één deel erwten tegen drie deelen rijst. De

schotels worden tegelijk, maar afzonderlijk voorgediend met een der

sausen van Hoofdstuk V. Afdeeling A. (R. 120-136).

R. 340. Rijst met knolletjes. Nadat de knolletjes, bereid volgens

R. 195, gaar zijn, kookt men de rijst in het knollennat (vergelijk

R. 335). Tegen dat de rijst gaar is, voegt men er de knolletjes aan

toe, doet alles in een vuurvasten schotel, besproeit het met bruine

botersaus (zie R. 123) en laat dan de rijst in den oven gaar worden.

R. 341. Rijst met knolselderij. Geschilde knolselderij snijdt men in

dunne schijven en stooft ze met weinig water gaar, daarna laat men

ze nog eenige minuten met boter stoven en discht ze op met rijst,

bereid volgens R. 330-332.

R. 342. Rijst met kokosnoot. Rijst, bereid volgens R. 330 of 331

wordt tegelijk opgediend met geraspte kokosnoot en wat opgeloste

bruine suiker, liefst palmsuiker (goela arèn). Nadat men rijst op

het bord heeft genomen, bestrooit men ze met geraspte kokosnoot en

doet daarover een weinig van de opgeloste suiker.

R. 343. Rijst met koolrapen. Men handelt als bij rijst met knolletjes

(zie R. 340 en R. 197) of men bereidt beide gerechten afzonderlijk

en dient ze te gelijk op met een passende saus.

R. 344. Rijst met krenten. Hiervoor neemt men 1 maatdeel rijst tegen 3

maatdeelen water. Laat de rijst half gaar koken en voegt er de goed

gereinigde krenten bij. Op 2 gewichtsdeelen rijst 1 gewichtsdeel

krenten.

R. 345. Rijst met krenten of roode bieten. Men wascht de kroten

goed en zet ze met koud water op, en laat ze zoolang koken, totdat

de huid loslaat. Dan neemt men ze uit het water, giet er koud water

over en ontdoet ze van de huid. Daarna snijdt men ze in schijfjes,

die men met weinig water gaar laat stoven. Vervolgens discht men

ze op met stoofsaus (R. 130), die men met citroensap zuur gemaakt

heeft. Tegelijkertijd dient men een schotel rijst op, bereid volgens

R. 330 of 331.

R. 346. Rijst met peen (worteltjes) I. Worteltjes worden geschrapt en

in parten of schijfjes gesneden, in weinig water gaar gestoofd. Dan

zet men 1 deel goed gewasschen rijst met 3 deelen heet water op. Als

ze nagenoeg geheel uitgedijd is, roert men de worteltjes door de

rijst. Wanneer ze geheel uitgedijd is, roert men een kluitje boter

door de rijst en laat ze nog enkele minuten in den oven staan.

R. 347. Rijst met peen (worteltjes) II. Peentjes of worteltjes

worden geschrapt, aan parten of schijfjes gesneden, met weinig water

gestoofd. Men doet er wat peterseliesaus over of laat ze met wat

boter en fijngehakte peterselie nog wat nastoven.

Daarna dient men ze tegelijk op met een rijstschotel, bereid volgens

R. 330, 331 of 332.

R. 348. Rijst met peultjes. Men bereidt peultjes volgens R. 256. Rijst

bereide men volgens R. 330, 331 of 332. Daarna worden beide schotels

te gelijk, maar afzonderlijk opgediend.

R. 349. Rijst met poja en kroepoek blindjoe. Terwijl men rijst

bereidt volgens R. 330 of 331 raspt men het vleesch van de kokosnoot

of maalt het door een amandelmolen. Men hakt een ei van middelmatige

grootte heel fijn met een weinig knoflook. Dit roert men door het

geraspte vleesch der kokosnoot en bakt het onder gestadig roeren

in een koekenpan licht geel. Men geve acht op het roeren, omdat bij

onderbreking het branden niet uitblijft.

Middelerwijl heeft men een half koekje tamarinde met niet te veel

water een poosje op een zacht vuur laten doorkoken en doet nu het nat

langzaam bij de gebakken kokosnoot, waarin men blijft roeren tot de

poja weer goed droog is. Verkiest men de poja heel fijn te hebben,

dan kan men ze in een vijzel stampen.

In Indië worden bij de rijsttafel verschillende soorten van _kroepoeks_

gebruikt. Daarvan komt alleen de _kroepoek blindjoe_ voor vegetariërs

in aanmerking, daar de blindjoe een vrucht is en de overige kroepoeks

van dierlijken oorsprong zijn. Vóór het bakken der kroepoek blindjoe

laat men plantenvet in een koekenpan kokend heet worden. Als men ze

er in doet, zetten zij dadelijk uit. Zij moeten blank blijven. Na ze

uit de olie te hebben genomen, late men ze uitlekken, totdat zij droog

zijn. Men bediene zich van de rijst, strooit er van de poja zooveel

overheen als men verkiest en gebruikt van de kroepoek blindjoe naarmate

men een grooter of kleiner liefhebber is van croquante spijzen.

R. 350. Rijst met pompoen. Als de rijst, die men met heet water heeft

opgezet, nog niet geheel uitgedijd is, doet men er de pompoen bij,

die volgens R. 289 is schoongemaakt, met zooveel heet water als noodig

blijkt, en laat alles te zamen stoven, totdat de pompoen gaar is,

voegt er dan een weinig gebraden boter bij en roert alles door elkaar,

of men laat de bruine boter weg en presenteert er afzonderlijk zure

eiersaus bij. (Zie R. 135).

R. 351. Rijst met rhabarber. Wanneer de rijst, bereid volgens R. 330,

331 of 332, nagenoeg geheel is uitgedijd, roert men er de rhabarber

door, die volgens R. 204 is klaargemaakt en laat onder toevoeging

van een kluitje boter de rijst in den oven verder uitdijen.

R. 352. Rijst met sajor. Voor sajor neemt men groente van verschillende

soort als: prei, selderij, groene of savoyekool, snijboonen, peterselie

en een weinig kervel. Na de groenten te hebben schoongemaakt, worden

ze grof gesneden, daarna voegt men er nog wat schoongemaakte peultjes

of prinsessenboonen bij en wascht daarna nogmaals alles goed en zet

het dan met niet te veel water op een zacht brandend vuur. Terwijl

bakt men wat fijngesneden uien, die men bij de groente voegt met

een weinig knoflook en met soja en zout naar smaak. Men laat een

koekje tamarinde in wat water aan de kook komen. Als het is opgelost,

doet men het water bij de groente, zorgdragende, dat de sajor niet

te zuur wordt. Men voegt ook doorgaans wat doperwtjes bij de sajor,

maar die mogen niet te lang met de sajor meekoken. Ten laatste zoet

men de saus met een weinig Javaansche suiker of met arènsuiker. Men

dient de sajor, die niet te dun mag zijn, afzonderlijk maar tegelijk

op met de rijst, bereid volgens R. 330.

R. 353. Rijst met savoyekool. Men bereidt savoyekool volgens R. 245,

maar zet ze ruimer op dan is voorgeschreven. Zoodra de kool gaar

is, zet men ze op een vergiet en in het koolnat kookt men de rijst,

die men herhaaldelijk gewasschen heeft, totdat het water volkomen

helder blijft.

Is de rijst bijna geheel uitgedijd, dan mengt men kool en rijst door

elkaar, bevochtigt ze met bruine botersaus, voegt er zout bij naar

smaak en laat ze nog een half uur in den oven verder uitdijen.

R. 354. Rijst met schorseneren. Schorseneren worden geschrapt en

elke wortel dadelijk na het schrappen in water en melk gelegd om hem

zijn blanke kleur te doen behouden. Vervolgens worden de schorseneren

in weinig water gestoofd en als ze gaar zijn met wat gebraden boter

vermengd of met de een of andere saus opgedischt. Tegelijk dient men

rijst op, bereid volgens R. 330, 331 of 332.

R. 355. Rijst met tomaten. Groote rijpe tomaten wascht men, zet ze op

in kokend water, laat ze daarin even opkoken, bevrijdt ze vervolgens

van de schil en laat ze dan nog even in wat boter stoven. Men dient

ze tegelijk op met rijst, bereid volgens R. 330, 331 of 332.

R. 356. Rijst met vruchten. Overgebleven of versch gekookte rijst

(R. 330, 331 of 332) doet men in een platten schotel of braadslee,

daarover heen een laag van versche of ingemaakte vruchten, die men

met suiker bedekt, vervolgens kookt men tamelijk stijf griesmeel met

amandelen, waarvoor men het best de amandeltjespudding van de firma

A. J. Polak te Groningen kan gebruiken. De gekookte griesmeel spreidt

men over de laag vruchten. Daarna strooit men beschuittrommels of

gemalen oudbakken wittebrood over de griesmeellaag, plaatst hier en

daar een kluitje boter en zet den schotel of braadslee in een matig

verhitten oven, waarin hij blijft, totdat zich een lichtbruine korst

heeft gevormd. De schotel wordt warm opgediend.

R. 357. Rijst met zuring. Wanneer rijst, bereid volgens R. 330,

331 of 332, bijna geheel is uitgedijd, roert men er de zuring door,

die volgens R. 234 of 235 is klaargemaakt en laat onder toevoeging

van een kluitje boter de rijst in den oven verder uitdijen.

De Vegetarische Keuken Kookboek van den Nederlandschen Vegetariërsbond · 第 33 / 71 题