C. Koolsoorten.

R. 236. Bloemkool I. Men neemt alleen die koolen, waarvan de bloemen

aan elkaar sluiten, snijdt het houterige deel van den stronk af en

verdeelt de kool in stukken van middelmatige grootte. Daarna ziet

men de stukken goed na, of er niets moet weggesneden worden, wascht

ze in zacht water, zet ze met weinig water en een beetje zout op een

zacht vuur.

Als de bloemkool nog niet geheel gaar is, giet men voorzichtig het

nat er af, dat men bindt met in boter lichtgeel gefruite bloem,

waarmede men de kool laat gaar stoven.

Wil men ze opdienen met een melksaus (R. 156), dan bindt men het nat

niet, maar bewaart het voor een soep.

R. 237. Bloemkool II. (Bloemkool in den schotel gestoofd.) Nadat de

bloemkool behandeld is als in R. 236, schikt men de stukken in een

vuurvasten schotel, waarna men ze nog 20 of 30 minuten in den oven

laat stoven met een saus bereid volgens R. 130, waardoor men geraspte

zoetemelksche- of Parmesaansche kaas roert of met een bruine botersaus

volgens R. 123 met het koolnat bereid. Men bestrooit den schotel met

fijngestampte beschuit en legt hier en daar een kluitje boter.

R. 238. Boerenkool (Boerenmoes). Men handelt met boerenkool als met

andijvie volgens R. 210.

R. 239. Boerenkool met aardappelen. Men handelt met boerenkool

met aardappelen als in R. 213 is voorgeschreven voor andijvie met

aardappelen.

R. 240. Brusselsche spruitjes. Nadat de stronkjes zijn afgesneden en

de spruitjes bij herhaling zijn gewasschen, worden ze met zeer weinig

water en desverkiezende met een beetje zout opgezet. Snel moeten ze bij

herhaling worden omgeschud om het aanbranden te voorkomen, maar er mag

niet in worden geroerd. Voordat ze gaar zijn, stort men ze voorzichtig

op een vergiet, bindt het nat met in boter lichtgeel gefruite bloem.

Daarna doet men de spruitjes met de saus voorzichtig in een vuurvasten

schotel, strooit er fijne beschuitkruimels over en laat ze dan nog

minstens een uur in den oven stoven.

R. 241. Brusselsche spruitjes met kastanjes. Brusselsche spruitjes

worden als in R. 240 is voorgeschreven, schoongemaakt, gewasschen,

opgezet en van tijd tot tijd omgeschud. Nadat de kastanjes goed

gewasschen en gekruist zijn, laat men ze een minuut of vijf in kokend

water broeien. Daarna worden ze gedopt en gepeld en doet men ze weer

in kokend water. Voordat de spruitjes gaar zijn, doet men ze op een

vergiet. Zijn de kastanjes gaar, dan doet men deze ook op een vergiet,

bindt het nat der spruitjes en der kastanjes met in boter lichtgeel

gefruite bloem, vermengt beide gerechten tot een en laat het dan in de

saus met nog wat boter bovendien en wat fijne beschuitkruimels bovenop

in een vuurvasten schotel in den oven nog minstens een half uur stoven.

R. 242. Roode kool. Na de buitenste bladeren en den stronk verwijderd

te hebben, deelt men gewoonlijk de kool doormidden en schaaft hem op de

koolschaaf. Intusschen geven personen met fijnen smaak er de voorkeur

aan, dat de kool zoo weinig mogelijk met metaal in aanraking komt,

waarom men dan de kool in vieren snijdt. Men zet de kool met zeer

weinig water op een zacht vuur. Als ze half gaar is, laat men ze op

een vergiet uitlekken, bindt het nat met in boter lichtgeel gefruite

bloem, waarbij men desverkiezende citroensap (nooit azijn!) voegt. In

deze saus laat men de kool gaar stoven.

R. 243. Roode kool met aardappelen. Nadat met roode kool is gehandeld

als in R. 242 is voorgeschreven totdat de kool op een vergiet ligt,

doet men geschilde aardappelen in het koolnat en handelt verder als

in R. 213 voor andijvie met aardappelen is voorgeschreven.

R. 244. Roode kool met zure appelen. Men handelt met de kool zooals

in R. 242 is voorgeschreven, totdat ze half gaar is; dan voegt men er

aan toe de geboorde en in schijfjes gesneden zure appelen (één kilo op

een middelmatige kool). Men laat alles te zamen met een kluitje boter

stoven, totdat de kool gaar en malsch is. Men kan er desverkiezende

nog wat zout of nog wat citroensap bijvoegen.

R. 245. Savoyekool. Nadat de buitenste blaren verwijderd zijn en de

kool tot in het hart goed is nagezien of er geen insecten of wormen

in zijn, wordt ze meestal op de koolschaaf geschaafd. Intusschen kan

men ze om ze minder met metaal in aanraking te brengen, in vieren

snijden. Daarna zet men ze met weinig water en een beetje zout op een

zacht vuur. Is de kool bijna gaar, dan laat men ze op een vergiet

uitlekken, bindt het nat met in boter lichtgeel gefruite bloem en

laat ze in deze saus nog een geruimen tijd stoven.

R. 246. Savoyekool (groene) I. Men handelt met groene savoyekool als

in R. 245 is voorgeschreven.

R. 247. Savoyekool (groene) II. (Gestoofde groene

savoyekooltjes). Nadat de kooltjes goed gewasschen zijn en tot in het

hart goed nagezien, worden ze met weinig water en een beetje zout op

een zacht vuur gezet. Als de kool half gaar is, laat men ze op een

vergiet uitlekken en handelt vervolgens als in R. 211 voor gestoofde

stoelen andijvie is voorgeschreven.

R. 248. Savoyekool (groene) III. (Gevulde groene savoyekooltjes). Na

van groene savoyekooltjes de buitenste bladen te hebben verwijderd

en ze tot in het hart goed te hebben nagezien of er geen insecten of

wormen in zijn, kookt men ze half gaar. Men laat ze op een vergiet

uitlekken, neemt er blad voor blad af, totdat men aan het hart komt,

dat men vult met het deeg, beschreven in R. 91. Vervolgens bestrijkt

men de afgenomen koolbladeren een voor een met hetzelfde deeg en brengt

ze dan op hun oude plaats. Dan wikkelt men de kool in een doek, dien

men te voren met boter heeft bestreken en laat ze nog een uur stoven.

R. 249. Savoyekool met aardappelen. Nadat de kool is behandeld als

in R. 245 is voorgeschreven, totdat ze op een vergiet ligt, doet men

geschilde aardappelen in het koolnat en handelt vervolgens als bij

andijvie met aardappelen. (Zie R. 213).

R. 250. Wittekool. Men bereidt wittekool evenals savoyekool. (Zie

R. 245).

R. 251. Wittekool met aardappelen. Bij wittekool met aardappelen

handelt men als in R. 249 is voorgeschreven voor savoyekool met

aardappelen.

De Vegetarische Keuken Kookboek van den Nederlandschen Vegetariërsbond · 第 30 / 71 题