D. Jonge peulvruchten.

R. 252. Capucijners (jonge). Nadat de capucijners gedopt en gewasschen

zijn, zet men ze op met weinig water. Onder het koken schudt men ze

nu en dan om het aanbranden te voorkomen. Als ze bijna gaar zijn

(na omtrent een half uur kokens), moet het water bijna verkookt

zijn. Dan voegt men er wat boter bij, hutselt ze om en laat ze nog

enkele minuten stoven, totdat ze gaar en malsch zijn.

R. 253. Doperwten. Men behandelt de doperwten als de capucijners,

(Zie R. 252), maar gewoonlijk voegt men bij de boter fijngehakte

peterselie. De peterselie kan men ook afzonderlijk presenteeren.

R. 254. Doperwtjes met worteltjes. Doperwtjes en jonge worteltjes,

(Zie R. 253 en R. 201), elk afzonderlijk gekookt, worden in gelijke

deelen door elkaar gehutseld en daarna met wat boter nog 20 minuten

op een zacht vuur gezet. Vóór het opdienen menge men voorzichtig er

wat fijngehakte peterselie door.

R. 255. Heeren- (Princessen-, Sla- of Sperge-) boonen. Na het

afhalen der boonen, breekt men ze door en verwijdert zorgvuldig alle

draden, wascht ze vervolgens en zet ze op een zacht vuur. Men zet

deze boontjes met wat meer water op dan capucijners en doperwten,

omdat ze drie kwartier moeten koken om gaar te worden. Dan moet ook

het water verkookt zijn. Men voegt er dan boter aan toe, hutselt ze

om en laat ze nog 15 minuten stoven.

R. 256. Peultjes. Bij de bereiding van peultjes volgt men de

bereidingswijze in R. 255 voorgeschreven, behalve dat men de peultjes

niet doorbreekt en met minder water opzet.

R. 257. Snijboonen. Na het afhalen en wasschen worden de snijboonen

met een daarvoor bestemd mesje of met een snijboonenmolen

gesneden. Overigens handelt men als voor heerenboonen in R. 255 is

voorgeschreven, maar zet ze op met minder water en schudt ze ook van

tijd tot tijd om onder het koken.

R. 258. Snijboonen met witte boonen. Snijboonen, bereid volgens R. 257

of gedroogde snijboonen, bereid volgens R. 260, worden dooreengemengd

met witte boonen, bereid volgens R. 324. Als men er wat boter aan

heeft toegevoegd, laat men ze nog 20 minuten stoven.

R. 259. Tuinboonen. Men dopt de tuinboonen, wascht ze en zet ze met

heel weinig zout in kokend water op. Als ze gaar zijn, laat men ze

op een vergiet uitdruipen. Het nat der boonen bindt men met in boter

gefruite bloem en laat in deze saus de boonen nog een minuut of tien

stoven. Middelerwijl hakt men keule (boonenkruid) en desverkiezende

ook peterselie en roert die door de boonen.

Men kan ook de tuinboonen, als ze nagenoeg gaar zijn, laten stoven

in een melksausje volgens R. 156.

E. Gedroogde en ingezouten jonge plantendeelen.

Ingezouten groenten zullen bij een vegetarischen leefregel nooit

gebruikt worden. Immers het zout kan alleen in de groente komen,

doordat een belangrijk voedend deel der groente in de pekel komt,

dat dan met de pekel wordt weggeworpen. Bij het in de week zetten der

groente gaat met een deel van het zout ook al weer een deel van de

voedzame bestanddeelen der groente verloren. De schadelijke werking

van het zout, dat nog in groote hoeveelheid na de bereiding in de

groente aanwezig is, blijft daarentegen bestaan.

R. 260. Gedroogde groenten. Gedroogde groente moet op de volgende

wijze worden bereid. Men wascht de groente zorgvuldig met koud water

en zet ze daarna met kokend water op, _zonder_ ze vooraf te weeken.

Als ze gaar zijn, handele men als bij de versche groenten is

voorgeschreven.

_Alleen_ gedroogde groene erwtjes en tuinboontjes dienen den avond

te voren gewasschen en den nacht over in zacht water geweekt te worden.

F. Gestoofde vruchten en compotes.

Men houde in het oog, dat versche vruchten beter zijn dan

gekookte. Toch kan het voorkomen, dat het de voorkeur verdient om van

versche vruchten compote te maken, bijv. indien men overvloed heeft en

men ze gestoofd tot later wil bewaren of indien men een pudding of een

andere meelspijs opdient, waarbij compote beter smaakt dan vruchten.

Over het algemeen is het smakelijker en voor de spijsvertering meer

bevorderlijk gedroogde vruchten, die er voor in aanmerking kunnen

komen, niet te koken, maar ze geweekt te eten.

De duur voor het weeken is nog al verschillend. De betere soorten

van vijgen moet men niet te lang (bijv. den nacht over) laten staan,

enkele dadelsoorten op zijn minst 24 uren.

Door dadels, vijgen, rozijnen, gedroogde pruimen enz. te laten

weeken, brengt men ze meer tot hun natuurlijken staat terug; de

celwanden laten zich gemakkelijker door de tanden verscheuren en de

suiker lost weer op. Het weekwater wordt dan tegelijk met de vruchten

genuttigd. Natuurlijk moeten _alle_ gedroogde vruchten, voordat ze in

het water te weeken worden gezet, zoolang gewasschen worden, totdat

het waschwater, dat telkens vernieuwd wordt, volkomen helder blijft.

R. 261. Aalbessen (zwarte). Men verkrijgt een zeer smakelijke

compote door zwarte aalbessen met rozijnen zonder pitten te zamen

te koken. Na de bessen en rozijnen goed gewasschen te hebben, zet

men ze op een zacht vuur alleen met het water, dat na het wasschen

aan de vruchten blijft hangen. Als de bessen zacht zijn, roert men

ze goed met de rozijnen om, neemt ze van het vuur en laat ze in een

aarden of porceleinen kom of schotel afkoelen.

R. 262. Aardbeiencompote. Men wascht de geplukte aardbeien vlug

met koud water, doet ze dan in een suikeroplossing van 300 gram

suiker op 1/2 L. water. Men verhit het vocht tot bij het kookpunt,

neemt dan de vruchten er uit met een schuimspaan en legt ze in een

compoteschaal. Men neemt van het vocht zooveel men noodig acht,

dat men desverkiezende kan binden met maizena en het naar smaak

vermengen met een weinig citroensap. Als het genoeg is afgekoeld,

spreidt men het over de aardbeien.

R. 263. Aardbeien met geslagen room of met vanillevla. Handel met

aardbeien als in R. 262 is voorgeschreven. Men bindt een deel van het

vocht tamelijk dik met maizena en nadat dit genoegzaam is afgekoeld,

spreidt men het over de vruchten, die men na genoegzame afkoeling

op een glazen schotel heeft gelegd. Vervolgens spreidt men een laag

geslagen room over de vruchten, dien men naar smaak heeft verzoet

door er poedersuiker door te kloppen.

N.B. De geslagen room kan men vervangen door de vanillevla volgens

R. 169.

R. 264. Abrikozen (gestoofde). Abrikozencompote. Men dompelt versche

abrikozen even in kokend water, ontdoet ze van de schil, halveert en

ontkernt ze, zet ze in heel weinig water op een zacht brandend vuur

tot ze week zijn. Men legt dan de vruchten op een vergiet, en laat

het uitgedropen nat met bruine suiker koken tot het een behoorlijke

dikte heeft om als saus over de vruchten te doen. Men rekent 300 gram

suiker op een 1/2 liter vocht. Wenscht men abrikozen of dergelijke

gestoofde vruchten als koude compote te gebruiken, dan laat men ze

het best in steenen kommen koud worden.

R. 265. Abrikozen (gedroogde). Eenige uren vóór de toebereiding

zet men de gedroogde abrikozen, na ze goed gewasschen te hebben,

te weeken. Men zet ze in het weekwater op, laat ze zachtjes stoven,

totdat ze gaar zijn, waartoe weinig tijd noodig is. Suiker naar smaak.

R. 266. Abrikozen met geslagen room of met vanillevla. Handel met

versche abrikozen als in R. 264 en met gedroogde als in R. 265 is

voorgeschreven. Giet het nat van de vruchten af, bindt het tamelijk

dik met maizena en handel verder als in R. 263 voor aardbeien wordt

voorgeschreven.

R. 267. Appelen, (zoete, zure). Na de appelen gewasschen en geschild te

hebben, snijdt men de _zure_ in helften, de _zoete_ in vierdeparten,

verwijdert de klokhuizen en legt ze desgewenscht onder toevoeging

van suiker in een breede pan, zoo mogelijk naast elkander, laat ze

met zeer weinig water gaar stoven. Indien men zoete en zure tegelijk

wil stoven, moeten de zure pas bij de zoete worden gevoegd als deze

nagenoeg gaar zijn. De zoete moeten van tijd tot tijd geschud worden.

R. 268. Appelen (blanke). Men neme goede zure, niet te harde appelen

en make 1/4 liter water met citroensap (half om half) waarin een

paar schijfjes citroen, aan de kook, snijde de appelen (4 groote of 6

kleine), na ze goed afgewasschen en dun geschild te hebben, in achten

en legge de stukjes in 't kokende vocht. Naar gelang van de zachtheid

en de soort van appelen zijn ze in 3 tot 10 minuten gaar, d. i. zacht;

maar nog _heel_ en wit van kleur. Daarna neemt men de pan van 't vuur,

doet suiker bij de appelen en dient ze vervolgens in een schaal op.

R. 269. Appelen (gedroogde zure of zoete). Nadat de gedroogde appelen

goed zijn gewasschen met lauw water, worden ze den nacht over in zacht

water te weeken gezet, zoo dat het water een paar vingers boven de

vruchten staat. Den volgenden dag worden ze in het weekwater op een

zacht vuur te stoven gezet, totdat zij week zijn. Van tijd tot tijd

schudt men ze. Men voegt er suiker en een weinig citroensap naar

smaak bij. Een kluitje boter verhoogt en verzacht den smaak.

N.B. Gedroogde appelen mogen geen blanke kleur hebben, want dat is

een teeken, dat zij gezwaveld zijn.

R. 270. Appelen en Peren. Indien men met zoete en zure appelen te

gelijk peren wil stoven, dan worden de peren (R. 282) het vroegst

opgezet en de zure appelen (R. 267) er het laatst bijgedaan.

R. 271. Appelen met aardappelen. Men neemt van beide gelijke

hoeveelheden, zet eerst de geschilde aardappelen op met weinig water

en wat zout, schilt terwijl de appelen, snijdt ze in vierdeparten,

verwijdert de klokhuizen en doet ze dan bij de aardappelen. Tegen

dat de aardappelen gaar zijn, voegt men er boter naar smaak aan toe.

R. 272. Appelmoes. Moesappelen worden goed gewasschen in lauw water,

de appelen in vierdeparten gedeeld, de stelen, klokhuizen en bloesem

en de vlekken op de schillen weggesneden en daarna met zooveel water

opgezet, dat het nat halverwege met de appelen gelijk staat. Telkens

omroeren om het aanbranden te voorkomen. Als de appelen week zijn,

zijgt men ze door een zeef. Het vuur mag niet te sterk zijn. Men

roert er een kluitje boter door en desgewenscht wat geraspt geel van

een citroen. Suiker naar smaak.

R. 273. Appelmoes van gedroogde appelen. Nadat de gedroogde moesappelen

goed zijn gewasschen met lauw water, worden zij den nacht over in zacht

water gezet, zoo dat het water een paar vingers boven de vruchten

staat. Den volgenden dag worden ze in het weekwater op een zacht

vuur te stoven gezet en van tijd tot tijd geschud. Als ze gaar zijn,

worden ze fijngewreven. Een weinig citroensap, suiker naar smaak,

en een kluitje boter verhoogt en verzacht den smaak.

N.B. Men zij indachtig, dat gedroogde appelen geen mooie blanke kleur

mogen hebben. Die blankheid kan alleen voorkomen bij _gezwavelde_

vruchten.

R. 274. Aubergines (in den schotel gestoofd.) Na de aubergines

overlangs te hebben doorgesneden maakt men insnijdingen in het vleesch,

waarin men een weinig zout doet, men laat ze een geruimen tijd pekelen,

waarna men het zout verwijdert en men met een schoonen doek het vocht

wegvaagt dat te voorschijn komt als men de aubergines stuk voor stuk

drukt. Met een mesje neemt men het zaad weg en rangschikt vervolgens

de aubergines in een vuurvasten schotel. Dan besproeit men ze met een

weinig olie. Vervolgens bereidt men op de volgende wijze een deeg:

Men breekt wat vermicelli fijn, kookt ze en giet ze af. Daarna kneedt

men ze met broodkruim, boter, eierdooiers en geraspte Parmesaansche

kaas. Met dit deeg, dat men naar smaak lichtelijk kan kruiden,

overdekt men de aubergines. Na den schotel met fijngestampte beschuit

te hebben bestrooid plaatst men hier en daar een kluitje boter en

laat het gerecht in een matig verwarmden oven langzaam gaar worden.

R. 275. Aubergines (gevulde). Na de aubergines in de lengte te hebben

doorgesneden, maakt men met de punt van een mesje het vleesch van de

schil los. Men dompelt de helften in heet plantenvet en neemt ze er na

enkele minuten uit. Dan legt men ze op een doek met de blanke helften

naar beneden om uit te druipen. Men schept het vleesch er uit en vult

de ledige vormen met een vulsel, dat men op de volgende wijze bereidt.

Men hakt 3 of 4 sjalotten heel fijn en fruit ze in boter met wat

fijngehakte peterselie en champignons. Hieraan voegt men toe het

fijngehakte vleesch der aubergines en kruim van versch brood. Na

aan dit mengsel zout naar smaak te hebben toegevoegd, overgiet men

het met een passende saus en laat het inkoken totdat het een stevig

deeg vormt. Na door het deeg 2 of 3 eierdooiers te hebben gekneed,

vult men er de aubergineschalen mede. De gevulde aubergines rangschikt

men in een met boter besmeerden vuurvasten schotel en bestrooit ze met

fijngestampte beschuit. Na het gerecht met gesmolten boter te hebben

besproeid, zet men het nog een uur in een matig verhitten oven. Men

dient het gerecht op met een tomatensaus (Zie R. 133).

R. 276. Bananen (in den schotel gestoofd.) Men ontdoet rijpe bananen

van de schil, rangschikt ze in een vuurvasten schotel, bestrooit

ze met fijngestampte beschuit. Men legt zooveel lagen op elkaar als

men verkiest, lost donker bruine suiker in water op en giet dat op de

bananen. Dan bestrooit men den schotel weer met fijngestampte beschuit,

plaatst hier en daar een klein kluitje boter en laat het gerecht dan

in een matig warmen oven lichtbruin bakken.

R. 277. Boschbessencompote. Goed gereinigde en gewasschen boschbessen

laat men in een kleine hoeveelheid kokend water even doorkoken, voegt

er bruine suiker naar smaak aan toe en laat het daarna in een steenen

schotel koud worden. Blijkt de compote te dun, dan kan men het nat

van de vruchten afgieten, het inkoken of desnoods wat binden en als

het een behoorlijke dikte heeft, weer over de vruchten gieten. Men

gebruikt deze compote bij brood, rijst, griesmeel, havermout enz.

R. 278. Dadels. Men wascht de dadels herhaaldelijk, totdat het

waschwater helder blijft. Men zet ze met de noodige hoeveelheid water

op een zacht vuur. Ze zijn spoedig gaar.

R. 279. Komkommers (gestoofde). Na de komkommers geschild en ze van

het zaad bevrijd te hebben, snijdt men ze in lange reepen en zet

ze op met kokend water en een weinig zout in een ondiepe pan. Men

laat wat boter bruin braden, vermengt de gebraden boter met het

heete nat der komkommers en doet dat mengsel onder gestadig roeren

lepelsgewijze bij eenige eierdooiers, die men met heel weinig bloem

en met citroensap heeft fijngeklutst. Als de saus klaar is, giet men

ze over de komkommers, die men dan nog eenige minuten op een zacht

vuur laat stoven. Men kan ze bij rijst presenteeren.

R. 280. Komkommers (gevulde.) Mooie gele of groene, liefst korte,

dikke komkommers worden geschild, in de lengte doorgesneden en van het

zaad ontdaan. Na de beide helften met een linzen- of champignonragoût

te hebben gevuld, legt men beide helften weer op elkaar, rangschikt

ze in een vuurvasten schotel op een bed van fijngestampte beschuit,

doet er wat ragoût over, na die tot saus verdund te hebben en bestrooit

het gerecht met fijngestampte beschuit. Men plaatst hier en daar een

kluitje boter er op en zet het in een goed verhitten oven. Als het

lichtbruin is, kan men het uit den oven nemen. Men dient het tegelijk

op met rijst, bereid volgens R. 330-332.

R. 281. Kweeperen. Men wascht de kweeperen herhaaldelijk, schilt ze en

deelt ze in vierdeparten, snijdt de klokhuizen er uit en laat ze gaar

stoven. Suiker naar smaak. Kweeperen behooren tot die soorten, die

den langsten tijd noodig hebben om gaar te worden. (Vergelijk R. 282).

R. 282. Peren. Men behandelt peren als appelen (R. 267), maar ze hebben

veel langer tijd noodig om gaar te stoven, minstens drie uren; sommige

soorten nog geruimen tijd langer; dus hebben zij ook meer water noodig.

R. 283. Peren (gedroogde). Men bereidt gedroogde peren volgens R. 269

als gedroogde appelen.

R. 284. Peren met aardappelen. Men neemt van elk gelijke hoeveelheden,

schilt de peren, snijdt ze in vierdeparten, verwijdert de klokhuizen

en zet ze op een zacht vuur. Als de peren 2 à 3 uur hebben gekookt,

neemt men ze uit de pan, doet er de geschilde aardappelen in en de

peren er bovenop. Tegen dat de aardappelen gaar zijn, voegt men er

boter naar smaak aan toe.

R. 285. Peren met Heeren-, Princessen-, Sla-, Spergeboonen. Men

schilt de peren kurketrekkersgewijze, wascht ze en kookt ze 2 of 3

uur. Daarna laat men ze op een vergiet uitlekken, stort de boontjes,

die eerst goed afgehaald, door midden gebroken, gewasschen en half gaar

gekookt zijn in het nat der peren. De peren stort men vervolgens op

de boontjes en laat dan alles nog te zamen 1 of 2 uur zachtjes koken.

R. 286. Perziken (gestoofde). Perzikencompote. Men wascht de perziken,

dompelt ze even in kokend water en ontdoet ze met een vruchtenmesje

van de schil en van de pit. Laat de perziken daarna even doorkoken

in weinig water met bruine suiker naar smaak verzoet. Men laat de

perziken koud worden in steenen kommen.

Bij perziken, die nog niet tot volle rijpheid zijn gekomen, is het

vooral aan te bevelen ze even in kokend water te dompelen; de schil

laat dan gemakkelijk los.

R. 287. Perziken (gedroogde). Men volgt bij de bereiding van gedroogde

perziken het recept voor gedroogde abrikozen (R. 265).

R. 288. Perziken met geslagen room (of met vanillesaus). Handel met

versche perziken als in R. 264 voor versche abrikozen en met gedroogde

perziken als in R. 265 voor gedroogde abrikozen is voorgeschreven. Giet

het nat van de vruchten af, bind het tamelijk dik met maizena en handel

verder met de perziken als in R. 263 voor aardbeien met geslagen room

wordt voorgeschreven.

R. 289. Pompoenen. Van een pompoen neemt men een stuk, zoo groot als

men denkt noodig te hebben. Men schilt dat gedeelte en haalt er het

zaad uit; daarna snijdt men het in kleine stukken, die men in weinig

water op een zacht vuur gaar stooft, waartoe maar korten tijd noodig

is. Men vormt een stoofsaus (R. 130) met het nat van de gestoofde

pompoen en met citroensap, daarna kan men het gerecht opdienen of

naar verkiezing de pompoen met de saus eerst nog eenige minuten op een

zacht vuur laten stoven. Men kan dit gerecht bij rijst presenteeren.

R. 290. Pruimen (gestoofde). Pruimencompote. Men ontdoet de pruimen

(gele, blauwe en groene) niet van de schil en alleen de blauwe worden

gehalveerd en ontkernd, maar voordat ze met weinig water op een

zacht brandend vuur worden gezet, bevrijdt men ze van de stelen en

worden ze met lauw water goed gewasschen. Als de pruimen week zijn,

kookt men het nat er van met suiker in tot het een behoorlijke dikte

heeft om het als saus over de vruchten te doen. Men rekent 300 gram

suiker op een halven liter vocht.

R. 291. Pruimen (gedroogde). Men handelt met gedroogde pruimen als

in R. 265 voor gedroogde abrikozen is voorgeschreven.

R. 292. Pruimen met geslagen room (of met vanillesaus). Handel met

versche pruimen als in R. 290 voor versche en met gedroogde als in

R. 265 voor gedroogde abrikozen is voorgeschreven. Giet het nat van

de vruchten af, bind het tamelijk dik met maizena en handel verder

met de pruimen als in R. 263 voor aardbeien met geslagen room wordt

voorgeschreven.

R. 293. Pruimedanten. De bereidingswijze van gedroogde pruimedanten

is als die van gedroogde abrikozen. (Zie R. 265).

R. 294. Rozebottels. Versche of gedroogde rozebottels zoekt men uit,

wascht ze en zet ze met weinig water op een zacht vuur; tegen dat

ze gaar zijn, doet men er goed gewasschen rozijnen bij naar smaak

en laat beide te zamen stoven, totdat de bottels goed gaar zijn. Men

eet ze koud. In geval de compote niet zoet genoeg mocht zijn, voegt

men er suiker naar smaak aan toe.

R. 295. Sina'sappels met geslagen room. Men ontdoet de sina'sappels van

schil en pitten en snijdt ze aan schijfjes. Men plaatst een laag kleine

beschuitjes in een glazen schotel, bedekt die met een laag schijfjes

sina'sappel, die men rijkelijk met witte suiker bestrooit. Men laat

de lagen beurtelings volgen, totdat men meent genoeg te hebben en

bedekt dan het gerecht met een dikke laag geslagen room, waardoor

men poedersuiker heeft geklopt.

R. 296. Tamarindemoes. Men zet eenige tamarindekoekjes, na ze goed

te hebben afgewasschen, met ruim water op een zacht brandend vuur

en laat ze koken totdat zij zacht zijn. Dan wrijft men de tamarinde

door een zeef, voegt er Javaansche suiker bij en laat ze doorkoken

tot de suiker geheel is opgelost. Is ze zoet genoeg, dan bindt men

ze met maizena tot de gewenschte dikte.

Men dient ze op met rijst, bereid volgens R. 330-332.

R. 297. Tamarindemoes met geslagen room. Tamarindemoes bereid volgens

R. 296 kan men met maizena tot puddingdikte maken, dan laten bekoelen,

in een glazen schaal storten en met een laag geslagen room er over

opdienen.

R. 298. Tomaten I. Deze groote beziën, vinden van jaar tot jaar meer

en meer aftrek.

Men wascht groote, rijpe tomaten, doet ze in kokend water, laat ze

daarin even opkoken, ontdoet ze vervolgens van de huid. Men smelt

wat boter in de pan, laat ze daar 10 of 20 minuten in stoven. Men

strooit er een weinig fijn zout over heen.

R. 299. Tomaten II. (Tomaten in den schotel gestoofd). Men legt

mooie rijpe tomaten, na er de steeltjes te hebben afgeplukt en ze

goed gewasschen te hebben, een paar minuten in kokend water om ze

gemakkelijk van de schil te kunnen ontdoen. Men haalt ze er vlug uit,

ontdoet ze van de schil, plaatst ze in een vuurvasten schotel, strooit

er een weinig zout over en vrij wat gestampte beschuit om het vocht op

te nemen bij het gaar worden. Men besproeit de beschuit met gebakken

boter, die men eerst heeft laten afkoelen en waardoor men wat soja

heeft geroerd. Men plaatst den schotel in een matig verhitten oven,

waarin de tomaten blijven, totdat zij mooi bruin zien. Men dient ze

met geroosterd brood op bij panpuree van aardappelen (zie R. 422 en

423) of bij rijstschotels (zie R. 130-132).

R. 300. Tomaten III. (Gevulde tomaten). Na groote rijpe tomaten van

de steeltjes te hebben ontdaan en goed te hebben gewasschen, laat

men ze een paar minuten in kokend water liggen om er gemakkelijk de

schil van af te halen. Als de schil van de tomaten verwijderd is,

snijdt men er dekseltjes af en holt de tomaten een weinig uit. Men

vult ze vervolgens met een champignonragoût (R. 76) of met een

eierragoût (R. 78) of met schijngehakt (R. 91). Daarna legt men de

dekseltjes weer op de tomaten, rangschikt ze in een vuurvasten schotel,

bestrooit ze met een weinig zout en tamelijk veel gestampte beschuit,

die men besproeit met afgekoelde bruin gebakken boter, waardoor men

een weinig soja heeft geroerd. Terwijl men ze in een matig verhitten

oven mooi bruin laat bakken, bereidt men van het uitgeholde vleesch

der tomaten een saus volgens R. 133, die men bij het opdienen van

het gerecht er bij presenteert.

R. 301. Vijgen. Nadat men de vijgen des avonds goed gewasschen heeft,

zet men ze te weeken. Den volgenden dag stooft men de vijgen met een

deel van het water, waarin ze geweekt zijn, totdat ze een bruinachtige

kleur krijgen. Men eet ze met het overige water, waarin ze te weeken

hebben gestaan.

G. Gestoofde kernvruchten.

R. 302. Kastanjes. Nadat de kastanjes gekruist en gewasschen zijn,

laat men ze een 5 à 6 minuten in kokend water broeien. Dan worden

zij gedopt en gepeld en met weinig versch kokend water opnieuw

opgezet. Daarna laat men ze nog 20 à 30 minuten zachtjes koken.

Men kan de kastanjes opdienen met klare boter of met een stoofsaus,

bereid uit het nat der kastanjes, gebonden met in boter lichtgeel

gefruite bloem.

R. 303. Kastanjes (gedroogde). Men wascht de gedroogde kastanjes

en laat ze daarna een paar uur weeken. Men verwijdert dan de bruine

schilletjes en zet ze in het weekwater op. Na ongeveer 5 kwartier of

1 1/2 uur zijn ze gaar. Men dient ze op met klare boter of met een

stoofsaus, bereid uit het nat der kastanjes, dat men gebonden heeft

met bloem in boter lichtgeel gefruit.

R. 304. Kastanjes met appelmoes. Zijn de kastanjes, bereid volgens

R. 302 of 303, gaar, dan maakt men ze fijn en vermengt ze met

zure appelen, die van de klokhuizen zijn ontdaan en in stukjes

gesneden. Zijn de appelen tot moes gekookt dan dient men ze op,

na er eerst een kluitje boter door te hebben geroerd.

R. 305. Kastanjes met room. Kastanjes, bereid volgens R. 302, worden,

voordat zij geheel gaar zijn, fijngemaakt en als ze genoeg zijn

afgekoeld, met geslagen room vermengd.

R. 306. Kastanjes met tomaten (in den schotel gestoofd.) Ontdoe

kastanjes als in R. 302 is voorgeschreven van de schil en ontdoe

tomaten als in R. 298 wordt voorgeschreven eveneens van de schil. Leg

dan eerst een laag kastanjes in een vuurvasten schotel en daarover een

laag tomaten, strooi er een weinig zout over en besproei ze met een

champignonsaus bereid, volgens R. 126 of anders met wat gesmolten

boter. Men kan in dezelfde orde verschillende lagen leggen. De

bovenste moet echter uit kastanjes bestaan. De bovenste laag wordt met

fijngestampte beschuit bedekt, waarop men hier en daar een kluitje

boter plaatst. Men laat den schotel nog een uur in een matig heeten

oven. Mocht de korst bruin worden, dan bedekt men dien met een deksel.

R. 307. Kastanjes met vruchten. Op dezelfde wijze als in R. 304 voor

_kastanjes met appelmoes_ is voorgeschreven, kunnen ook _kastanjes

met abrikozen_, _met dadels_, _met peren_, _met pruimen_, _met vijgen

en met vruchten_, die er zich evenals de genoemde toe leenen, bereid

worden. Men kan ook de kastanjes en de vruchten, na ze afzonderlijk

te hebben gekookt, warm vermengen en ze dan koud laten worden. Koud

kunnen ze opgediend worden met brood of met rijst.

De Vegetarische Keuken Kookboek van den Nederlandschen Vegetariërsbond · 第 31 / 71 题