R. 141. Aardbeiensaus. De helft der gewasschen vruchten wrijft
men onder bijvoeging van wat water door een zeef en zoet het nat
naar smaak. Daarna late men de saus op een zacht vuur aan het koken
komen. Is de saus te dun dan doet men er wat maizena bij, met koud
water aangemengd; is ze te dik dan wat kokend water om ze aan te
lengen. Daarna voege men er de overige helft der aardbeien bij,
zorgdragende, dat de saus dan niet meer kookt.
R. 142. Abrikozensaus. Na de abrikozen goed gewasschen en ontkernd te
hebben, wrijft men de eene helft der vruchten onder bijvoeging van
wat water door een zeef. Daarna handelt men als bij de bereiding
der aardbeiensaus. Men voegt er, als de saus goed van dikte is,
de andere helft der abrikozen (gehalveerd of in vierde gedeelten)
aan toe en zoet ze naar smaak.
R. 143. Bessensapsaus. Het uitgeperste nat van roode of zwarte
aalbessen wordt gekookt en met een weinig maizena gebonden, nadat
men het met suiker naar smaak gezoet heeft.
R. 144. Boschbessensaus. Goed gereinigde en gewasschen boschbessen
kookt men in kokend water gaar, wrijft ze door een zeef, zoet ze met
bruine suiker, kruidt ze met citroenschil en een snuifje kaneel en
bindt ze daarna met maizena. Naar verkiezing koud of warm te gebruiken.
R. 145. Citroensaus. Men handelt met citroensap juist als met het
nat van bessen bij R. 143, maar roert er, als de saus van het vuur
genomen is, nog één of twee geklopte eierdooiers door.
R. 146. Citroensaus met Javaansche suiker (goela djawa). Doe wat
water met een weinigje citroensap in een pannetje en doe er de
noodige hoeveelheid Javaansche suiker (goela djawa) bij. Als de
suiker is opgelost en begint te koken, wordt ze met een weinigje
maizena gebonden.
R. 147. Frambozensaus. Men bereidt frambozensaus op dezelfde wijze
als aardbeiensaus (R. 141).
Bij de frambozen lette men er vooral op, de wormpjes te verwijderen.
R. 148. Kersensaus. Men bereidt kersensaus op dezelfde wijs als
abrikozensaus (R. 142).
R. 149. Kweeperensaus. Men snijdt van goed gewasschen rijpe kweeperen
steel en bloesem weg, snijdt ze ongeschild in kleine stukjes, laat
ze gaar stoven in weinig water met wat suiker. Vervolgens wrijft
men ze door een zeef, doet er wat maizena door, dat men met wat koud
water heeft aangemengd, lengt vervolgens onder gestadig roeren het
nat met zooveel kokend water aan, tot zich een dikke lijmige saus
heeft gevormd.
R. 150. Perziksaus. Men bereidt perziksaus op dezelfde wijze als
abrikozensaus (R. 142).
R. 151. Pruimensaus. Men bereidt pruimensaus op dezelfde wijze als
abrikozensaus (R. 142).