SAUSEN EN VLA'S.

Bij het herlezen wat op blz. 15-20 tegen het kruiden, zouten, vetten

en zoeten der spijzen is aangevoerd, begrijpt men, dat ons streven

moet zijn om tot die eenvoudige leefwijze te komen, waarbij tong

en gehemelte prikkel genoeg ontleenen aan den natuurlijken smaak,

die iedere soort van spijs en drank eigen is.

De overgang van de levenswijze, die nu nog algemeen gebruikelijk is,

tot die zonder kunstmatige prikkels zal in den regel geleidelijk zijn

en daarom is het noodig sausen te bereiden, die smakelijk zijn zonder

nochtans de nadeelige gevolgen na zich te sleepen, die de prikkelende

sausen van de hedendaagsche keuken maar al te veel veroorzaken.

't Is zeker een groote verbetering en een toenadering tot den eisch,

dat de natuurlijke smaak der spijzen den eter genoeg moet zijn, indien

het nat der gekookte groenten en vruchten, dat gewoonlijk door den

gootsteen wegloopt, bij de sausen het voornaamste bestanddeel uitmaakt.

Vruchtensausen en vla's moeten niet zoozeer dienen om vruchten te

vervangen dan wel om den weg te bereiden tot een grooter gebruik

van ooft.

A. Warme sausen.

R. 120. Bechamelsaus. Men fruit 30 gram fijngehakte uien lichtbruin

in 30 gram boter en evenzoo 50 gram bloem in 70 gram boter. Een en

ander voegt men bij 3/4 liter melk, die men geheel of gedeeltelijk

kan vervangen door het nat van champignons. Men doet er zout en soja

naar smaak bij, zet het op een zacht vuur en blijft roeren totdat de

bloem gaar is. Daarna laat men de saus door een zeef loopen en roert

er nog 1/4 liter room door.

Men gebruikt de saus bij het opdienen van harde eieren volgens R. 108

en bij het aardappelgerecht beschreven in R. 181.

R. 121. Botersaus I. (gewelde boter). Nadat men boter tot schuim

heeft geslagen, voegt men er onder gestadig roeren heet water aan

toe. De gewelde boter moet gebonden, niet vloeibaar zijn.

R. 122. Botersaus II. Men kneedt met een vork versche boter met bloem

of meel dooreen (10 gr. boter op 1 eetlepel bloem). Daarna roert men

de gevormde kluit in kokend water en blijft doorroeren, totdat zich

een lijmige saus heeft gevormd.

R. 123. Botersaus (bruine) I. Nadat men boter heeft laten snerken,

laat men ze eerst wat afkoelen, voegt er dan onder gestadig roeren

heet water aan toe, of het heete nat der gekookte spijzen, daarna

een weinig soja en laat ze vervolgens nog even doorkoken.

R. 124. Botersaus (bruine) II. Men fruite in een droge koekenpan

een paar lepels bloem lichtbruin. De pan mag niet te heet zijn en

de bloem moet voortdurend goed geroerd worden om het aanbranden te

voorkomen. Als de bloem lichtbruin gefruit is, doet men ze in een

pannetje, voegt er dan roerende twee kopjes heet water aan toe en

blijft doorroeren, totdat het heeft doorgekookt en het een gebonden

saus is geworden. Daarna voegt men er boter bij, die men eerst heeft

laten snerken en laat alles gezamenlijk nog eens doorkoken.

R. 125. Botersaus (pikante). Men fruit fijngesneden uien in boter,

eveneens bloem, tot ze een lichtgele tint heeft. Hierbij voegt men

kokend water. Men laat al roerende de saus doorkoken, totdat ze

lijmig wordt.

R. 126. Champignonsaus. De champignons, hetzij versche of gedroogde,

worden bij herhaling gewasschen, in stukken gesneden en nog eens

gewasschen. De gedroogde worden daarna nog een uur of drie geweekt. De

champignons worden (de gedroogde met het weekwater) ruim opgezet. Zijn

ze gaar, dan wordt de saus gebonden met in boter gefruite bloem,

waarbij men nog een paar in boter gefruite uitjes voegt. Desverkiezende

voegt men er citroensap of peterselie aan toe. Zout naar smaak.

R. 127. Dragonsaus. Ongeveer een halven eetlepel dragon kookt men

in weinig water, na ze goed gewasschen en daarna klein gesneden te

hebben. Men voegt er heet water aan toe en bindt de saus met in boter

gefruite bloem, waaraan men wat citroensap toevoegt. Zout naar smaak.

R. 128. Peterseliesaus. Men wascht een handvol peterselie in

lauwwarm water, hakt ze zeer fijn en roert ze door de botersaus II

(R. 122). Sommigen laten de saus dan nog even op een zacht vuur

doorkoken; anderen geven er de voorkeur aan ze ongekookt op te dienen.

R. 129. Rozijnensaus (warme). Goed gewasschen rozijnen worden gestoofd

op een zacht vuur, totdat ze een mooien ronden vorm hebben. Men kookt

ze het best in het nat van het gerecht, waarbij de saus gebruikt wordt

en handelt verder als bij stoofsaus R. 130 of bij pikante stoofsaus

R. 131 is voorgeschreven.

N.B. Op dezelfde wijze kan men ook _dadelsaus_, _pruimensaus_

enz. bereiden. Al deze _warme vruchtensausen_ smaken goed bij de

meeste peulvruchten en bij verschillende meelgerechten.

R. 130. Stoofsaus. Men verkrijgt stoofsausen door bloem in boter te

fruiten en daarbij telkens bij kleine hoeveelheden het nat te voegen

van de gestoofde gerechten of van de te bereiden saus. Onder gestadig

roeren laat men de saus op een zacht vuur koken, totdat ze gebonden is.

Bij het fruiten van de bloem houde men in het oog, voor welk gerecht de

saus zal dienen. Voor sausen bij bloemkool en schorseneren bijv. moet

men met het fruiten van het meel niet verder gaan dan tot het tijdstip,

dat het meel zich korrelt: dus neemt men het van het vuur, voordat

het meel zijn witte kleur verliest.

Bij andere gerechten zal de saus beter smaken, als het meel bij het

fruiten een gele kleur gekregen heeft, terwijl bij nog andere, bij

bruine boonen bijv., het meel lichtbruin gefruit mag wezen.

R. 131. Stoofsaus (pikante). Men handelt als in R. 130 bij stoofsaus

is voorgeschreven, behalve dat men niet alleen bloem, maar ook een

of twee fijngesneden uitjes in boter fruit.

R. 132. Stoofsaus (zure). Men klopt één à twee eieren goed door elkaar,

maakt een stoofsaus zooals in R. 130 is voorgeschreven. Als de saus

goed doorkookt, giet men ze langzaam op de eieren, steeds in dezelfde

richting roerende. Als de saus van het vuur is, roert men er zooveel

citroensap door, dat ze een aangenamen zuren smaak krijgt.

R. 133. Tomatensaus. Men wascht de tomaten en snijdt ze zoo noodig in

vierdeparten, zet ze op met zooveel water, dat het met de vruchten

gelijkstaat. Als ze gaar zijn, wat men aan de schil kan zien, omdat

ze dan barst, wrijft men ze door een zeef, zoodat schil en pit

achterblijven. Vervolgens handelt men als bij de bereiding van de

pikante stoofsaus (R. 131).

R. 134. Uiensaus. Men schilt uien, snijdt ze in schijfjes, laat ze week

stoven en handelt verder als bij de bereiding van stoofsaus R. 130.

R. 135. Zure saus. Men klopt één à twee eieren goed door elkaar,

maakt een botersaus als in R. 122 is voorgeschreven van 20 à 30 gram

boter en 2 of 3 eetlepels bloem. Als de saus goed doorkookt, giet men

ze langzaam op de eieren, steeds in dezelfde richting roerende. Als

de saus van het vuur is, roert men er zooveel citroennat door, dat

ze een aangenamen zuren smaak krijgt.

R. 136. Zuringsaus. Zuring wordt gestript en goed gewasschen. Dan zet

men ze zonder uitdrukken op een zacht vuur. Is de zuring gesmolten,

dan handelt men als bij de bereiding van stoofsaus R. 130, ze

desverkiezende verzoetende door suiker, honing of rozijnen.

B. Koude sausen.

R. 137. Mayonnaise I. Door vier eierdooiers roert men gelijkmatig

_droppelsgewijze_ beste olijfolie, totdat de saus dik geworden is. Om

de olijfolie gemakkelijk droppelsgewijze bij de dooiers te voegen

maakt men een klein gaatje in een eierschaal, waarin men de olie

doet. Kort vóór het aanrichten roert men er citroensap naar smaak door.

N.B. Men zij indachtig voortdurend in dezelfde richting te roeren.

R. 138. Mayonnaise II. Men klopt een eierdooier met 10 gram bloem,

voegt er al roerende water en melk bij, daarna een weinig slaolie

en zet ze onder gestadig roeren op een zacht vuur. Is ze gebonden,

dan neemt men ze van het vuur en laat ze bekoelen. Als ze koud is

geworden, voegt men er, zoo noodig, slaolie bij, citroensap naar

smaak en wat gehakte kervel of peterselie of eenig ander toekruid.

R. 139. Mayonnaise-room. Even voordat de Mayonnaise wordt gebruikt,

mengt men er een paar eetlepels geslagen room door.

R. 140. Slasaus. Na een hard gekookt ei fijngewreven te hebben,

vermengt men het met een rauw ei en 2 deciliter melk, verwarmt dit

mengsel tot het dik wordt, zorgdragend, dat het niet tot kookhitte

verwarmd wordt. Zoodra het dik is, neemt men het van het vuur, giet

het over in een kom om het te laten afkoelen. Wanneer de saus koud is,

roert men er 2 eetlepels citroensap door.

De Vegetarische Keuken Kookboek van den Nederlandschen Vegetariërsbond · 第 25 / 71 题