gevangen had laten nemen en aan de ra had laten opknopen, zonder vorm
van proces desnoods, maar een oogenblik later besefte hij, dat
Grandloup waarschijnlijk vele vrienden aan boord moest hebben en dat de
kapitein het niet geraden achtte, hun woede op te wekken, door den
Franschman, die dit alles blijkbaar zeer goed wist, gevangen te laten
nemen en zonder omhaal te laten ophangen.
Zonder een woord te spreken, luisterden de gevangenen naar ieder geluid
dat tot hen doordrong.
Zij meenden woeste kreten te hooren en toen het geschuifel van snelle
voetstappen als van lieden die zich snel verplaatsten.
Maar eensklaps klonk een vreeselijke gil, die hen het bloed in de
aderen deed verstijven. Dadelijk daarop volgde de val van een zwaar
lichaam op het dek.
Een oogenblik bleef het doodstil, en toen barstte een luid, wreed
gehuil los, dat waarschijnlijk was uitgestooten door de vrienden van
Grandloup, die evenals hij aan den kapitein een doodelijken haat
schenen te hebben.
Weer viel een stilte en toen naderden voetstappen.
De deur werd open geworpen en Grandloup verscheen op den drempel,
gevolgd door vier officieren.
Zijn borst hijgde, zijn gelaat was bleek, maar er lag een uitdrukking
van woeste zegepraal op.
Het bebloede mes stak hij in zijn gordel.
Hij trad op Else Teichmann toe, trok haar met geweld overeind, en riep,
terwijl hij haar weg voerde: „Ik heb haar verworven. En ik tart
iedereen, mij haar weer te ontnemen.”
Weer had Charly de grootste moeite zich te bedwingen, maar hij begreep
heel goed dat alles verloren zou zijn, wanneer hij thans tusschen beide
kwam.
Hij had trouwens al opgemerkt, dat het jonge Duitsche meisje beschikte
over een groote dosis wilskracht en daarvan zou zij zeker op het goede
oogenblik gebruik weten te maken.
De officieren hadden zich meester gemaakt van de andere vrouwen. Het
had weer weinig gescheeld of er was een heftige twist ontstaan over het
bezit van niemand anders dan Charly Brand in eigen persoon.
Maar tenslotte werd hij toegewezen aan een tweede stuurman, een Rus
Peter Panilof geheeten.
Twee van de schurken bleven met twee vrouwen achter in de kajuit.
Grandloup voerde Else Teichmann mede naar de hut van den kapitein en de
andere officieren, die eveneens ieder een hut hadden op de groote
motorboot, deden desgelijks.
Charly volgde als een schaap dat ter slachtbank wordt geleid, maar
inderdaad met verre van vriendschappelijke gevoelens jegens den Rus
bezield, deze naar een kleine hut op het voordek.
Het was reeds volkomen nacht geworden, ofschoon het pas half negen in
den avond kon zijn.
Charly bemerkte dat de motorboot met groote vaart over de golven joeg.
Snel liet hij zijn blikken over het dek glijden.
De motorboot was zeer groot voor haar soort en mat zeker bijna 1000
ton.
In het midden bevond zich een soort commandobrug en daarvoor was het
plankier van den roerganger.
Op het dek bevonden zich een aantal hutten naast elkander gebouwd en
voorts de kombuis, een paar andere kleine vertrekjes, en tenslotte de
cabine van den marconist.
Toen zij er langs liepen zag Charly dat de deur op een kier stond en
daarbinnen zag hij met een snellen blik den marconist aan den arbeid,
waarschijnlijk luisterende, want hij had het opneemtoestel op het hoofd
geplaatst en zat met een kleine blocknote voor zich te wachten.
Panilof echter trok Charly snel met zich mede, en voerde hem naar zijn
eigen hut, die zich geheel vooraan in de rij bevond.
Tot zijn vreugde zag Charly, dat de bandieten, die zooeven getuige
waren geweest van den vreeselijken strijd tusschen de beide
mededingers, zich reeds weder op het achterschip verzameld hadden en
zich daar onledig hielden met dobbelen, kaartspelen en drinken.
En toch had hun aanvoerder nog slechts weinige minuten geleden het
leven moeten laten, en strekte hij nu waarschijnlijk tot aas aan de
visschen.
Het was een klein vertrek waar Charly nu binnentrad.
Hij deed al zijn best, om er als een jonge vrouw uit te zien, met wie
iets vreeselijks staat te gebeuren, maar het gelukte hem maar half,
zijn trekken in bedwang te houden.
Panilof sloot aanstonds de deur, opende een kleine brandkast en nam er
een flesch wijn en een paar glazen uit.
Hij zette ze op tafel, keek Charly, die zich schijnbaar wanhopend op
een stoel had laten neervallen, met zijn valsche oogen grinnikend aan,
en zeide:
„Wij zullen eens op onze kennismaking drinken lievertje. Weet je wel
dat je een mooi schatje bent?”
De schurk had deze vraag in slecht Engelsch gesteld, blijkbaar in de
meening verkeerend, dat hij met een Engelsche te doen had.
HOOFDSTUK VII.
DE MARCONIST.
Panilof had de flesch ontkurkt en schonk nu twee glazen in.
Maar terwijl hij met den rug naar den gewaande vrouw stond toegekeerd
had Charly snel de hand in den zak gestoken, en er een van zijn poeders
uit genomen.
Panilof trok zijn stoel zoo dicht mogelijk bij dien van Charly, hief
het glas in de hoogte, keek zijn gewaand slachtoffer grijnzend aan en
zeide:
„Op je gezondheid, lieve schoone. Je bent toch hoop ik niet bang voor
me?”
Hij strekte de hand uit, en het volgende oogenblik geschiedde iets, dat
het tooneel eensklaps deed veranderen....
Want de uitgestrekte hand kwam Charly onder de kin aaien, en het lot
wilde dat die kin twee dagen geleden voor het laatste geschoren was.
In bijna alle andere gevallen had Charly er zeker voor gezorgd, dat hij
zich op deze wijze niet zou kunnen verraden en ook zou een dikke laag
van de bijzondere schmink, welke hij steeds gebruikte, hem hebben
beschermd.
Maar nu raakte Panilof de harde stoppels aan en er kwam een uitdrukking
op zijn gelaat, welke Charly aanstonds waarschuwde, dat zijn vermomming
doorzien was, en dat hij zeer snel zou moeten handelen.
Dat deed hij dan ook.
Voor de schurk, die tegen over hem zat, nog goed en wel wist wat er
geschiedde had Charly eveneens zijn rechterhand uitgestoken, maar
ditmaal niet om er een ander mee onder de kin te strijken.
De hand was gesloten tot een vuist en die vuist trof den man zoo
geweldig en met zooveel juistheid ter zijde van de kaak, dat hij
omtuimelde met stoel en al en met uitgespreide beenen, het hoofd op de
borst gezakt langs een van de wanden terecht kwam.
„Het spijt mij dat het hiertoe gekomen is,” bromde Charly in zichzelf,
„maar het ging nu eenmaal niet anders. Als ik een seconde had gewacht,
dan zou de schurk alarm hebben gemaakt en dan zou ik waarschijnlijk op
dit oogenblik al niet meer leven.”
Hij was, terwijl hij dit bij zichzelf mompelde, op den bewusteloozen
Rus toegetreden en had hem snel een doek om den mond gebonden, waarop
hij zijn armen op zijn rug bond, met behulp van een stuk touw, dat hij
in den hoek zag liggen.
Hij bond ook de beenen van den man bijeen en keek toen tevreden op zijn
werk neer.
Hij schoof den Rus onder de tafel, trok aan dien kant het tafelkleed
een weinig naar omlaag en nu was er niets van den bandiet te zien.
„Nu zal het echter zaak zijn, om vlug en doortastend te handelen,” zoo
zette Charly zijn alleenspraak voort. „Wat hier gebeurd is, kan
onmogelijk langer dan eenige uren verborgen blijven, hoogstens tot
morgenochtend. Misschien zou ik er in kunnen slagen, met behulp van de
vrouwen de kleine motorboot te strijken, die ik aan een paar davits heb
zien hangen, maar dan zal er nog heel wat anders moeten gebeuren. Dan
zou het noodzakelijk zijn, dat de heele bende stom dronken was en
zoover zijn wij helaas nog niet. Maar in ieder geval moet ik nu eerst
een appeltje met den marconist schillen.”
Charly haalde een klein spiegeltje te voorschijn, nam een stukje zwarte
schmink ter hand, zette zijn oogen en wenkbrauwen nog iets aan, dat die
meer diepte en gloed verkregen, poederde zijn gelaat opnieuw en bromde
toen tevreden:
„Als ik er niet uitzie als een Fransche demi-mondaine, dan weet ik het
niet en nu moet het gewaagd worden.”
Hij luisterde even, opende toen de deur van de hut op een kier.
Op het duistere dek was niemand te bespeuren.
Van het achterschip klonk luid gejoel en gestamp.
Een harmonica speelde een sleepende wals.
Vaag kon Charly de gedaanten van de bandieten ontwaren, die daar bij
groepjes bijeen zaten.
De cabine van den marconist was gelukkig nog geen tien stappen
verwijderd.
Het oogenblik was gunstig.
Charly opende de deur nog verder en trad naar buiten.
Hij legde haastig den afstand af die hem scheidde van de deur van de
cabine en zag tot zijn vreugde, dat die altijd nog op een kier stond.
Daar binnen brandde licht.
De marconist was blijkbaar nog op zijn post.
Charly trok zijn gelaat in de gewilde plooi, opende de deur wat verder,
stak het hoofd naar binnen en zeide op zachten, opgewekten toon:
„Kiekeboe!”
De marconist was hoogstwaarschijnlijk niet gewend, dat men op deze
wijze zijn aandacht trok, want hij wendde stom verbaasd het hoofd in de
richting, vanwaar deze onverwachte roep kwam, en staarde toen met
groote oogen in het lachende gelaat van de zoogenaamde demi-mondaine.
Toen deed hij langzaam de ontvanger af, stond op en zeide in goed
Fransch:
„Wat is dat? Loop jij maar zoo los rond? Jij mooie dame. Waar kom je
vandaan? Wat kom je hier doen?”
„Laat ik je maar eerst op de laatste vraag antwoorden, lieve jongen. Ik
zal je zeggen, wat de zaak is. Een van je kameraden, een leelijke kerel
met permissie met een gezicht als een week slecht weer, had me te
soupeeren gevraagd, maar in het langs loopen heb ik jou gezien en ik
vind jou veel aardiger.”
„Een man met een doggenkop,” vroeg de marconist. „Wel, dat kan niemand
anders zijn dan Panilof. Ga dan maar weer gauw naar hem terug, het
loopt niet goed met me af, als ik onder zijn duiven schiet.”
„Dus je stuurt me weg?” vroeg Charly met een pruilend lipje.
„Ik moet wel, madame. Hoezeer het mij ook spijt,” antwoordde de
marconist, die den gemakkelijken buit met zijn blikken scheen te willen
verslinden.
„Niets galant van je,” hernam Charly met een beweging van de schouders,
die menige Parijsche asphaltbloem hem zou hebben benijd.
„Maar zeg me dan tenminste, hoe je van Panilof hebt kunnen wegloopen,”
bromde de marconist.
„Heel eenvoudig, ik heb hem gezegd, dat hij mij niet aanstond.”
„En heeft hij je laten gaan?” vroeg de ander verbaasd.
„Welzeker. Hij had het eens niet moeten doen. Ik heb mijn glas wijn in
zijn gezicht gegooid.”
„Nu, jij bent ook niet voor een kleintje vervaard. Hoe kom je eigenlijk
hier aan boord?”
„Heel eenvoudig. Je kameraden zagen mij bij vergissing voor een
fatsoenlijke vrouw aan. Als zij geweten hadden wie ik was, zouden zij
zich waarschijnlijk wel eens bedacht hebben. En mag ik nu heusch niet
bij je binnen komen?”
De marconist scheen nog even te aarzelen, maar toen trok hij Charly aan
de hand in de cabine. Maar het volgende oogenblik trok hij een pijnlijk
gezicht.
„Au, wat heb je daar aan je hand. Je prikt me.”
„Neem mij niet kwalijk, ventje, mijn ring is stuk gegaan. Je zult je
hand aan een uitstekend puntje hebben open gehaald.”
Dit was nu de zuivere waarheid, alleen was het niet bij ongeluk
geschied.
Charly had zich, voor hij het schip verliet, een ring aan den vinger
gestoken, welke hem door Raffles was ter hand gesteld.
Deze ring was hol en gevuld met een vocht, dat een bedwelmende
uitwerking had, die vele dagen kon duren, wanneer het slechts werd
uitgestort in een kleine wonde, die niet grooter dan een speldeprik
behoefde te zijn. De marconist wreef het druppeltje bloed weg, dat in
de palm van zijn hand zichtbaar was en zeide lachend:
„Dat zal ons verbond zegenen, madam. Het is hier wat klein, zooals je
ziet, maar daar moet ge maar niet op letten.”
„Het ziet er anders interessant uit,” zeide Charly. „Wat is dat nu
eigenlijk allemaal.”
„Dat is een toestel tot het opvangen en verzenden van draadlooze
telegrammen, madam.”
„En zijt gij nu ook een bolsjewik?”
„Dat ben ik, madam.”
„Hoe vreeselijk interessant. Dus een bandiet ben je ook al.”
De ander haalde de schouders op en antwoordde:
„Gij kunt het noemen, zooals ge wilt, maar neem nu plaats, wat ik je
verzoeken mag. Ik zal wat wijn en een paar glazen halen. Wat drommel,
ik mag mij toch ook wel eens amuseeren.”
Hij deed een paar stappen naar de deur, maar halverwege scheen hij te
struikelen en greep zich aan de tafel met zijn talrijke instrumenten
vast.
„Wat is dat nu?” hakkelde hij. „Wat word ik duizelig. Er komt een nevel
voor mijn oogen. Het is alsof ik aanstonds zal neervallen. Jij—jij...
karonje, wat heb je met mij gedaan—ik zal je—help kameraden....”
Maar zijn stem was reeds overgegaan tot een bijna onverstaanbaar
gerochel, en daar Charly snel de deur gesloten had, behoefde hij geen
oogenblik vrees te koesteren, dat men zijn zwakken kreet had gehoord.
De marconist trachtte nog een stap naar de seintafel te doen, en tastte
schijnbaar als een blinde naar de commutator.
Maar zijn arm viel slap langs zijn lichaam neer. Hij uitte nog eenige
zwakke klanken en toen gleed hij langzaam op een stoel neer.
Charly schoof hem met den voet eenvoudig een weinig terzijde, deed de
deur op slot, opdat hij niet verrast zou kunnen worden en stulpte zich
in een oogwenk het ontvangtoestel over het hoofd.
Met koortsachtige haast begon hij de golflengte in te stellen, telkens
turend naar de tabel met golfberekeningen en afstanden op de Zwarte
Zee, die voor hem lag.
Haastig tikte zijn vaardige vingers op de toetsen en na eenige minuten
verkreeg zijn gelaat een blijde uitdrukking. Hij had verbinding weten
te krijgen met de havenstad Varna.
Bliksemsnel, sneller zelfs dan het licht, vloog de boodschap door de
aether naar de post van Varna en enkele seconden later was men daar op
de hoogte van wat geschied was, en kon hij nauwkeurig opgeven, waar de
boot zich bevond, want de marconist had dit juist even te voren op zijn
blocknote aangeteekend.
Toen hij de zekerheid had, dat zijn radiogram was opgevangen en dat men
het aanstonds verder zou seinen, legde hij met een tevreden gebaar den
helm weder af, stond op en draaide zachtjes den sleutel weder in het
slot om.
Hij opende de deur voorzichtig op een kier en keek naar buiten.
Maar niemand liet zich zien.
Op het achterdek klonken de stemmen nog luider dan zooeven. Blijkbaar
begon zich een algemeene dronkenschap van de bandieten meester te
maken.
Nu en dan werden er luide vloeken gehoord, die op het begin van een
twist wezen.
Snel trad Charly weder op het dek, sloot de deur en stond een oogenblik
in beraad.
Toen scheen hem een gedachte in te vallen, die hem in zichzelf deed
lachen.
„Als mij dat gelukte, dat zou zelfs Raffles een prachtige grap noemen,
geloof ik,” zeide hij in zichzelf. „Ik waag er mijn hachje aan. Dat
weet ik, maar ik moet het toch probeeren. Zoo gunstig als nu zou de
gelegenheid nooit weer zijn.”
Hij overtuigde zich, dat er niemand in de buurt, was, snelde naar de
hut van Panilof en ontdeed zich in allerijl van het mom, dat hem
hinderlijk zou zijn, bij wat hij voornemens was.
Hij had zijn eigen kleederen voor het grootste gedeelte aangehouden en
behoefde niet anders te doen, dan zijn pantalon weder neder te slaan,
die hij had opgetrokken en boven zijn knie met een elastiek had
vastgebonden.
Hij keek nu om zich heen en greep toen een dunne stalen staaf,
waarschijnlijk bestemd om er kleine assen van te draaien.
Het voorwerp was bijna een meter lang en ruim een halve centimeter dik.
„Juist wat ik hebben moet,” bromde Charly vergenoegd.
Hij verliet de hut weder na de vrouwenkleederen onder de tafel te
hebben geworpen en was het volgende oogenblik over de verschansing
verdwenen.
Zich vasthoudende aan den rand van het dek en met de voeten steun
zoekend op den richel, die van den boeg van de motorboot naar den
achtersteven liep, schoof hij zich langs den romp voort tot ongeveer
het midden van de boot, de stalen staaf tusschen de tanden geklemd.
Hier en daar stonden de patrijspoorten open en daar wierp Charly
telkens een blik naar binnen.
Eindelijk hield hij stil. Hij bevond zich voor het patrijspoortje dat
behoorde bij de machinekamer.
Daar binnen stond een geweldige dieselmotor, die op regelmatige wijze
als een levend organisme werkte.
De vier zuigers rezen op en neer, de wielen wentelden met een suizend
geluid en de kamraderen lieten een zacht getik hooren.
De machineruimte was tamelijk helder verlicht door een paar
kaarslantaarns.
Van den machinist kon Charly in den aanvang niets bespeuren. Eindelijk
zag hij den man ineen gedoken op de onderste trede zitten van de trap
die naar het dek voerde, blijkbaar in diepen slaap en met een flesch
naast zich.
Hij vertrouwde blijkbaar op de goede en geregelde werking van het aan
hem toevertrouwde werktuig.
Charly aarzelde niet langer.
Zich met een hand vasthoudend aan den rand van het dek, nam hij met de
andere de stalen staaf uit den mond en stak haar voorzichtig door de
opening van de patrijspoort. Hij had reeds een paar kamwielen
uitgezocht, welker vernieling onherroepelijk ten gevolge moest hebben,
dat de machine van de motorboot voor geruimen tijd vernield zou zijn,
en voor goed wanneer er niet toevallig reservedeelen aan boord
waren....
De staaf naderde.
Een oogenblik vreesde Charly, dat zij te kort zou blijken, maar tot
zijn blijdschap kon hij er juist de twee langzaam rondwentelende
kamwielen mede bereiken.
Hij stak er snel de staaf tusschen. Een kort knappend geluid liet zich
hooren. Dat waren de tanden, die een voor een afbraken, door de staaf
vernield.
Dadelijk begon de machine onregelmatig te draaien en veel langzamer dan
eerst en Charly, die deskundig was, wist wel, dat zij binnen vijf
minuten zou stilstaan.
Hij trok haastig de staaf weder terug, wierp die in zee en hervatte den
terugtocht, na zich eerst te hebben vergewischt, dat de machinist juist
was wakker geworden en nu slaapdronken zijn oogen wreef. Hij klauterde
weder over de verschansing, na zich te hebben overtuigd, dat de weg
veilig was en ijlde weder naar de hut van Panilof, om daar snel zijn
vrouwenkleederen weer aan te trekken.
De Rus scheen reeds eenigen tijd geleden uit zijn bewusteloosheid te
zijn ontwaakt en had zelfs pogingen in het werk gesteld om zich te
bevrijden van de touwen die hem gebonden hielden en van den doek voor
zijn mond.
Charly was juist bijtijds teruggekeerd.
HOOFDSTUK VIII.
DE STRAF.
Hij haastte zich, de touwen wat steviger vast te snoeren, waarbij hij
niet al te zacht met den bandiet omsprong. Hij schoof hem toen
eenvoudig onder de tafel.
„Nu wordt het hoog tijd, om eens naar de dames om te zien,” mompelde
Charly binnensmonds. „Ik hoop van harte dat de poeders hun werk hebben
gedaan.” Hij opende weder voorzichtig de deur en kroop over het
verlaten voordek.
Even later had hij de hut van den tweeden stuurman bereikt.
Juist ging de deur open en een vrouwengestalte verscheen.
Het was Susanne Chaumont.
Zij bleef even verschrikt staan, toen zij de gedaante van Charly
ontwaarde, maar toen zij hem herkende, trad zij snel op hem toe en
fluisterde:
„Het is gelukt, mijnheer. De schurk slaapt vast. God geve, dat het met
de anderen evenzoo is gegaan.”
„Daarvan zullen wij ons dadelijk overtuigen, madame,” antwoordde
Charly.
Hij nam de kleine revolver ter hand en beiden slopen nu onhoorbaar over
het dek.
Op het achterschip scheen het langzamerhand stil te zijn geworden.
Misschien had de drank de meeste bandieten beneveld. Achtereenvolgens
vond men drie van de vrouwen in even zooveel hutten, doch verstijfd van
ontzetting, gezeten bij een tafel, waaraan eveneens een man zat,
bewusteloos.
Nu ontbrak alleen Else Teichmann nog. Charly had de dames op het hart
gedrukt zich niet van elkander te verwijderen en zich verborgen te
houden achter de laatste hut, zoodat de roerganger hen niet zou kunnen
zien. En nu ging hij alleen naar de hut van den kapitein.
Toen hij er nog slechts weinige meters af was, hoorde hij het geluid
van een driftige stem.
Het was Grandloup, die sprak.
„Je wilt dus niet, mijn duifje. Ik zal je dus moeten dwingen? Je hebt
getracht mij te bedwelmen door een poedertje in mijn wijn te mengen
nietwaar. Maar ik heb je gesnapt en nu zal je moeten boeten, schoon
kind.”
Met een paar sprongen was Charly bij de hut. Naast de deur bevond zich
een klein rond venster.
Dat venster stond open, maar was aan de binnenzijde voorzien van een
gordijntje, zoodat men niet naar binnen kon zien als men het niet ter
zijde kon schuiven.
Met een ruk trok Charly het gordijn open, stak de kleine revolver door
de opening om die op het hoofd van den ellendeling te richten.
Hij kwam juist bijtijds. De Franschman stond op het punt zich op het
jonge meisje te werpen.
„Handen op, of ik schiet je neer!” beval Charly kortaf. „Gauw wat. Ik
ben niet erg geduldig moet je weten, mijnheer de Franzoos.”
Bevend van woede en haat trad de booswicht een paar schreden terug,
waarbij de kleine revolver hem voortdurend volgde.
„Maak de deur open, Fräulein,” verzocht Charly, zonder zijn blikken van
het gelaat van Grandloup af te wenden.
In een ommezien had het jonge meisje den sleutel in het slot
omgedraaid.
„Neem nu de revolver van mij over en houd den kerel er mee in bedwang,
tot ik dat werkje van u kan overnemen. Aarzel niet den trekker over te
halen, al zou hij ook maar met de oogen knippen.”
Met vaste hand nam het meisje vlug de revolver van Charly aan, en
richtte die dadelijk op den bandiet, die tegen een der wanden was terug
geweken en er nu uitzag als een panter, die in het nauw is gedreven en
geen uitweg meer ziet.
Vlug kwam Charly het vertrek binnen.
Hij verloor niet veel tijd met praten, maar trad op Grandloup toe en
sloeg hem eenvoudig tegen den grond, voor hij eenig geluid had kunnen
geven. Daar bond hij hem, daarbij bijgestaan door het jonge meisje, dat
over een groote dosis persoonlijken moed scheen te beschikken.
Een prop van poetskatoen in den mond belette hem het schreeuwen.
„Het smaakt wel niet lekker,” zeide Charly bij wijze van
verontschuldiging, „maar het is practisch. En nu moeten wij spoedig
handelen, Fräulein. Uwe medegezellinnen zijn gelukkig gered, tenminste
voorloopig. Zij bevinden zich aan de voorzijde van een der hutten, maar
kunnen daar niet weg, want als zij het dek oversteken, zouden zij in
het gezicht komen van den man aan het roer. Bovendien kunnen ieder
oogenblik leden der bemanning daar voorbij komen of een bootsman kan de
ronde doen en alles ontdekken.”
„Maar verbeeld ik het mij, of vaart de motorboot veel langzamer?” vroeg
Else verwonderd.
„Dat hebt gij goed opgemerkt, dat is mijn werk.”
En nu deelde Charly haar in enkele woorden mede, wat hij zooeven gedaan
had—
„Maar wat is daarmede uw doel?” vroeg het jonge meisje. „Wij kunnen
immers toch dit vaartuig niet verlaten?”
„Toch wel.”
„Op welke wijze dan?”
„Met de kleine motorboot, die daar ginds tusschen die davits hangt.”
„Maar die zullen wij nooit kunnen strijken, zonder dat die schurken het
zien.”
„Dat moet,” zeide Charly op zacht en, maar vastberaden toon. „Die boot
moet tot iederen prijs gestreken worden. Luister Fräulein. De geheele
bemanning schijnt wel beschonken te zijn, op eenige uitzonderingen na.
Ik heb twee Mauserpistolen in mijn zak, geladen en wel, afgenomen van
twee officieren. Gij kunt waarschijnlijk wel een boot besturen?”
„Ik heb zelf een groote motorboot.”
„Des te beter. Let dan goed op. Ik zal nu aanstonds den roerganger
onverhoeds aanvallen en gij volgt mij dadelijk. Trek dan zijn overjas
aan, zoodat men het bedrog niet aanstonds merkt. En neem zijn plaats
in. Het behoeft maar eenige minuten te duren, want dadelijk ligt de
boot stil. Gelukkig staat de roerganger onder een soort luifel en men
zal op de commandobrug, verondersteld, dat zich daar iemand bevindt,
niet kunnen zien, wat er met den man aan het roer gebeurt.”
„En als gij hem machteloos gemaakt hebt, mijnheer?”
„Dan moeten wij het er op wagen, de boot uit te zetten. Tot ons geluk
hangt de motorsloep slechts weinige meters boven het water. Het is
bovendien zeer duister op het dek, de nacht zal onze onderneming
begunstigen.”
„Maar is er benzine aan boord van de sloep?”
„Daarvan zal ik mij eerst gaan overtuigen. Blijf hier op mij wachten.”
Charly kroop als een slang over het dek, lichtte het zeil van de
motorsloep op en overtuigde zich, dat de benzinehouder tot den rand toe
gevuld was.
Hij kroop op dezelfde wijze terug en deelde zijn bevindingen aan het
jonge meisje mede.