„Let nu goed op,” fluisterde Charly. „Van uw plaats aan het roer kunt

gij de motorsloep vaag onderscheiden en gij zult het dadelijk zien,

wanneer wij ons beginnen in te schepen. Alles moet zoo stil mogelijk

geschieden. Ik herhaal dat het een groot geluk is, dat bijna iedereen

aan boord dronken schijnt te zijn, of slaapt, of reeds door ons is

machteloos gemaakt. Wanneer ik zachtjes fluit, laat gij het roer in den

steek en voegt u bij ons. Wij beiden zullen dan zoo snel mogelijk de

sloep te water laten en als het moet, dan zal ik van mijn vuurwapens

gebruik maken.”

Charly bukte zich opnieuw en gevolgd door Else sloop hij naar de

plaats, waar de roerganger aan het stuurrad stond en in de dichte

duisternis over de golven tuurde.

Boven zijn hoofd was een soort luifel aangebracht en zoodoende was het

voor degenen, die op de commandobrug stonden, onmogelijk, hen te zien.

Hij stond in een soort kamertje, dat alleen aan de voorzijde open was,

en waarvan de wanden niet hooger dan een meter waren, behalve aan de

achterzijde, waar de stuurstoel aan de commandobrug leunde.

Charly sloop onhoorbaar voorwaarts.

Reeds had het schip zijn vaart aanzienlijk vertraagd.

En hij kon den roerganger reeds duidelijk een paar verwonderde vloeken

tusschen de tanden hooren mompelen.

Aanstonds kon de machinist naar boven komen stormen en dan was

misschien alles verloren.

Hij moest dus snel handelen.

Charly had nu den stuurstoel van terzijde en een weinig aan de

achterzijde weten te naderen.

En nu hief hij zich eensklaps op, greep den roerganger bij de keel en

drukte hem met kracht achterover.

De aldus verraste man trachtte zich te verweren, maar Charly’s vingers

knepen als de bekken van een nijptang.

Toen greep de roerganger, die dreigde te stikken, naar zijn mes, maar

hij was te laat. Charly liet een oogenblik los en gaf den man zulk een

geweldigen stoot tegen de kin, dat hij als een blok omviel en

bewusteloos bleef liggen.

Dadelijk had Else Teichmann haar plaats aan het stuurrad ingenomen.

Niemand had iets van den overval gemerkt.

Men hoorde niets dan het luide gesnork van de bemanning, voor zoover

die aan het dek was gebleven.

Charly ijlde nu haastig naar de plek, waar de vier vrouwen in groote

onrust bijeen waren blijven staan, en deelde hen op gedempten toon

mede, wat zij te doen hadden.

De zee was gelukkig heel kalm en er bestond volstrekt geen vrees dat

men met de motorsloep gevaar voor omslaan zou loopen. Bovendien moesten

de politiebooten uit Varna of een andere haven nu reeds onderweg zijn

en het kon niet langer dan eenige uren duren voor zij het kaperschip

hadden ingehaald, dat nu machteloos op de golven dreef.

Zoo snel zij konden begaven de vrouwen zich aan boord van het

motorschip.

Zij zouden voorloopig onder zeil verborgen blijven, wegens hun lichte

japonnen, die haar ten ontijde zouden kunnen verraden.

Zoodra dit geschied was, liet Charly een zacht gefluit hooren en

dadelijk stond het dappere jonge meisje naast hem.

Het schip was nu geheel stuurloos.

Charly en Else maakten snel de takels los en met behulp van de lieren

lieten zij de sloep buiten boord zakken. Het was een oogenblik van de

hoogste spanning.

Ieder oogenblik kon het gerucht van den stalen kabel over de zware

schijven worden gehoord.

De boot had bijna de oppervlakte van de golven bereikt, toen de

machinist luid schreeuwend en vloekend de trappen kwam opstormen.

„Vlug, vlug,” beval Charly opgewonden. „Aanstonds brult die kerel het

geheele schip bijeen.”

De motorboot dreef nu op het water en het schip lag nu zoo goed als

geheel stil.

Het geraas van de machine had geheel opgehouden.

Op het achterschip scheen eindelijk beweging te komen onder de

beschonken manschappen.

Boven alles uit hoorde men de razende en tierende stem van den

machinist, die om den eersten stuurman scheen te roepen.

Snelle voetstappen weerklonken.

Blijkbaar begreep men aan boord van de motorboot nog steeds niet den

waren aard van het ongeluk dat geschied was.

En daaraan zouden Charly en de vijf geredde vrouwen zeer waarschijnlijk

hun redding te danken hebben.

Vliegensvlug hadden Else en Charly ieder een van de stalen kabels

gegrepen en lieten zich nu in de motorsloep afzakken.

Dadelijk zette Charly zich aan het kleine stuurrad en haalde den

hefboom over, die de motor in beweging bracht, terwijl het jonge meisje

met den bootshaak de sloep afzette van het groote schip. De motor sloeg

aan.

Maar het geluid klonk helder en duidelijk over het stille water.

Dadelijk ontstond aan boord van de motorboot een geweldig geschreeuw.

Woedende vloeken werden vernomen.

Voetstappen stormden over het dek.

Het scheen of de schrik en de woede eensklaps de gansche bemanning

weder nuchter had gemaakt.

Allerlei bevelen werden door elkander gebruld en eenige oogenblikken

heerschte aan boord van het schip een hopelooze verwarring.

Charly haastte zich hiervan gebruik te maken door de sloep zoo hard

mogelijk te laten loopen en zich in de duisternis aan iedere vervolging

te onttrekken, indien die al mogelijk ware geweest.

Maar dit was niet mogelijk, want Charly had er zorg voor gedragen, dat

hij de vlet, het eenige andere vaartuigje, dat zich aan boord van de

motorboot bevond en dat van een aanhangmotor voorzien kon worden,

onbruikbaar had gemaakt, door de stop uit den bodem te trekken, zoodat

het ranke scheepje bij het te water laten dadelijk zou volloopen en

zinken. Dit geschiedde dan ook inderdaad en eindelijk schenen de

bandieten te beseffen, wat er aan de hand was.

Zij hadden natuurlijk de gebonden en bewustelooze officieren ontdekt en

eveneens de ontvluchting van de vrouwen.

Onder een helsch geschreeuw van woede vuurden de bandieten in alle

richtingen in den blinde over de golven, want van de motorsloep was

niets meer te bespeuren.

Zij konden dus alleen afgaan op het snel afnemende geraas van de motor.

Daarop zetten zij de vlet uit; maar aanstonds liep het scheepje vol

water en verdween onder de golven, voor de verraste bandieten tijd

hadden gevonden het weder aan de davits te bevestigen en op te hangen.

En nu was de motorboot weerloos en machteloos. Het zou op zijn minst

een vollen dag duren voor de schade aan de machine hersteld was, en

alle booten waren verdwenen.

Intusschen voer de sloep snel buiten het bereik van de geweren en de

revolvers der razende Bolsjewisten.

Twee van de vrouwen waren van ontroering en schrik flauw gevallen en

Else Teichmann en Susanne Chaumont moesten te hulp komen.

De anderen waren alleen maar hongerig en leden door dorst.

En toch zouden de vluchtelingen nog geruimen tijd moeten wachten,

alvorens zij honger en dorst zouden kunnen stillen.

Charly liet de sloep nog eenigen tijd doorvaren tot hij niets meer

hoorde, zelfs niet van het schieten en zette toen de motor af om een

onderzoekingstocht op het vaartuig te ondernemen.

En tot zijn vreugde vond hij tenslotte in de cockpit een vaatje

drinkwater en een bus scheepsbeschuit, welke de bandieten daar

waarschijnlijk in geval van nood gereed hielden.

Nu kon men tenminste de uitgeputte krachten herstellen.

De uren verliepen en langzaam brak de dag aan.

Om drie uur kon men reeds vrij duidelijk op grooten afstand zien.

Een kwartier later slaakte Else een kreet en wees in de verte naar een

zwart voorwerp.

Het was de motorboot van de bandieten, die daar hulpeloos rond dreef.

En bijna op hetzelfde oogenblik nam het geoefende oog van Charly Brand

aan den gezichtseinder een drietal vaartuigen waar, die in snelle vaart

naderden. Eenige minuten later, toen de dag voller was aangebroken,

onderscheidde hij den vorm der naderende schepen. Het waren twee

torpedojagers en een snelle havenboot van de politie. Allen voerden de

Roemeensche vlag.

Zijn draadloos bericht had dus doel getroffen.

Met een juichkreet richtte Else, die de schepen eveneens gezien had,

zich op en zwaaide met haar zakdoek.

Er verliep nog een kwartier en toen kon men zelfs met het bloote oog de

personen op het dek der te hulp snellende schepen onderscheiden.

Nog eenige minuten en de beide vaartuigen lagen langszij.

Dadelijk werden de vrouwen overgescheept en daarop kon Charly zich aan

de borst van zijn vriend werpen.

Raffles was meer ontroerd dan hij wilde laten blijken, en drukte Charly

de hand, alsof hij haar wilde verbrijzelen.

Wat Henderson betreft, het scheelde weinig of de brave kerel was van

opwinding en vreugde in tranen uitgebarsten.

Maar diep ontroerend was het weerzien tusschen de vrouwen en hun

echtgenooten en vaders, die allen te Varna aan wal bleken te zijn

gegaan. Het voorbeeld van Raffles volgend, en die door hem aanstonds op

de hoogte waren gebracht na de ontvangst van het radiogram—door Charly

afgezonden—het toeval had gewild, dat de ongelukkige mannen en vaders,

als het ware door een soort instinct daartoe aangedreven, hun intrek in

hetzelfde hotel hadden genomen, waar Raffles vertoefde.

Intusschen waren de beide torpedojagers vlug voort gevaren, de kanonnen

dreigend op het kaperschip gericht, nadat Charly door den scheepsroeper

den kapitein had toegeroepen, dat het schip onmogelijk kon ontkomen.

Het duurde dan ook niet lang of alle bandieten, die wel inzagen, dat

tegenstand vruchteloos was, waren aan boord van de twee oorlogsschepen

in de boeien gesloten, terwijl het met buit beladen schip door een der

torpedojagers op sleeptouw werd genomen.

Daarop werd de terugreis naar Varna aanvaard.

Onbeschrijfelijk was de vreugde die er aan boord van de motorboot

heerschte en Charly had de grootste moeite zich aan alle loftuitingen

te onttrekken. Maar op eenige mijlen voor Varna geschiedde er nog iets

onverwachts....

De op sleeptouw genomen motorboot begon te zinken.

„De schurken! Zij hebben een lek in den bodem gemaakt, uit louter

wraak,” kreet Henderson woedend.

„Dat schijnt wel zoo Henderson,” zeide Raffles. „De motorboot zinkt

tenminste snel.”

Dadelijk keerde een der torpedojagers naar het geladen schip terug om

te trachten het lek nog te stoppen, maar zij kwam te laat.

Zij moesten zich zelfs haasten uit de zuiging van het zinkende schip

weg te komen....

Toen ging de motorboot met zijn lading van goud en juweelen naar den

kelder.

Raffles had schijnbaar onverschillig toegezien.

Maar toen er niets meer van het schip te zien was, fluisterde hij

Charly toe:

„Wij zullen eens goed onthouden, waar het schip gezonken is, men kan

nooit weten.”....

Lord Lister No. 0372: Een Bolsjewistisch avontuur · 第 4 / 4 段