heb mij laten vertellen, dat die Russische methodes binnen een jaar
over geheel Europa zullen zijn ingevoerd.”
Raffles trok de wenkbrauwen op en hernam:
„Het is mogelijk, Henderson. Ik ga verder en wil zelfs wel erkennen,
dat het waarschijnlijk is, en dan kunnen wij slechts de hoop koesteren,
dat het in de westelijke staten van Europa een weinig minder bloedig en
ruw zal toegaan dan in het ongelukkige Rusland, wat nu je vraag van
zooeven betreft, het spreekt vanzelf, dat de bandieten, die de
„President Carnot” hebben leeg geplunderd en er met een buit van
minstens een paar honderd duizend pond sterling vandoor zijn gegaan, de
Zwarte Zee niet hebben kunnen verlaten, tenzij zij het gewaagd zouden
hebben, die groote binnenzee door de Bosporus te ontvluchten, om aldus
door de zee van Marmora de vrijheid te erlangen.”
„Waarom zouden zij dat niet durven doen denkt gij, Mylord?”
„Omdat ook naar Constantinopel een waarschuwingstelegram is gezonden en
daar vertoeven nog steeds veel troepen der geallieerden, terwijl een
intergeallieerde commissie voor de openbare veiligheid zorgt. Dat
zullen de bandieten evengoed weten als wij.”
„Maar dan zijn zij opgesloten als ratten in de val, Mylord,” riep
Henderson uit. „Vroeg of laat zullen zij dan toch in handen van de
politie moeten vallen.”
„Dat zou wel eens kunnen, Henderson,” hernam Raffles glimlachend,
„indien er niet toevallig op de kust van de Zwarte Zee nog andere dan
alleen Roemeensche, Grieksche, Turksche en Bulgaarsche havensteden
waren. Er zijn ook Russische, vergeet dat niet. Goed beschouwd hebben
de Bolsjewisten de keus uit een groot aantal havens. Zij zouden
bijvoorbeeld naar Odessa kunnen gaan, dat zich in handen van de
Bolsjewisten bevindt, maar niets belet hen, het oostelijker te zoeken
en Otschakoff, Cherson, Perekop, Sebastopol, Kertsch of Jenikale binnen
te loopen. Maar ook daartoe is hun keuze niet beperkt. Wie zou hen
beletten in de buurt van Batoem en Trebizonde een kreek op te zoeken,
en daar hun buit aan wal te brengen?”
„Dan wordt het dus op die manier een heel werkje om die schavuiten weer
te achterhalen, Mylord,” zeide Henderson, de wenkbrauwen fronsend.
„Dat vrees ik ook, James, en als mijnheer Brand geen kans ziet, zich
met ons in verbinding te stellen, dan kan ik niet inzien, hoe wij ooit
deze bandieten in handen zullen krijgen.”
HOOFDSTUK V.
AAN BOORD VAN DE MOTORBOOT.
Het was omstreeks half zes in den middag, toen de motorboot, die was
gekomen om de bandieten van boord van het geplunderde schip te halen,
in pijlsnelle vaart koers zette naar het oostelijke deel van de Zwarte
Zee.
Men had de vrouwelijke gevangenen, zes in aantal, in een vertrek in het
vooronder opgesloten en daar wachtten zij in een toestand van stomme
vertwijfeling hun lot af, dat niet twijfelachtig kon zijn....
De bandieten, zeer verheugd over het welslagen van hun onderneming,
hadden zich over het dek verspreid, nadat de buit was weg geborgen in
de kajuit van den kapitein, teneinde later te worden verdeeld, en
hielden zich nu onledig met zingen, drinken, kaartspelen en schreeuwen.
De kapitein stond zelf aan het roer.
Het was een zeer groote, forsch gebouwde kerel, met een kenmerkend
Mongoolsch type, uitstekende jukbeenderen, kleine, een weinig scheef
geplaatste oogen, een zware aan weerszijden van den mond stijl
neerhangende snor en een laag voorhoofd.
Die man was Iwan Nykin, en als men de gevangenisregisters van de stad
Odessa eens had kunnen opslaan, dan zou men daarin zijn naam vinden met
een rood kruisje er achter, hetgeen beteekende, dat Nykin tot de
gevaarlijkste recidivisten behoorde.
Hij had reeds eenige jaren in die gevangenis doorgebracht, veroordeeld
wegens poging tot moord en diefstal, toen hij verlost werd door de
Bolsjewisten, die de gevangenisdeuren wagenwijd open zetten en aldus
gelegenheid schonken aan de gevaarlijkste schurken, de gulden vrijheid
weder te herkrijgen.
Het duurde niet lang, of Nykin was er ingeslaagd een bende mannen om
zich heen te verzamelen, gewetenloos, en tot alles in staat en die al
spoedig de schrik waren van alle boeren in den omtrek van Odessa.
Maar eenmaal raakte dit land uitgeplunderd, er viel niets meer te
stelen en zoo richtte Nykin zijn roofgierige blikken naar elders.
Hij wist een groote motorboot machtig te worden en daarmee stroopte hij
nu de Zwarte Zee af, met ongehoorde stoutmoedigheid, en daarbij
geholpen door talrijke medeplichtigen op den vasten wal, die hem
geregeld op de hoogte hielden van het vertrek der groote mailbooten.
De „President Carnot” was de eerste groote boot, die als slachtoffer
viel.
Alles was lang van te voren tot in de minste bijzonderheden geregeld.
Een vijftigtal bendeleden hadden zich langs verschillende wegen naar
Constanza weten te begeven, voorzien van valsche passen en hadden zich
als passagiers van het schip laten inschrijven.
Van het oogenblik af, dat zij zich aan boord bevonden en de „President
Carnot” zee had gekozen, was hun plan reeds voor de helft gelukt.
Iwan Nykin stond in zijn volle lengte opgericht aan het stuurrad en
keek met zijn kleine groenachtige zwarte oogen triomfantelijk om zich
heen, de aanslag was buiten verwachting goed geslaagd, en gaf hoop voor
de toekomst.
Ook de buit was bijzonder meegevallen.
Nykin grinnikte even voor zich heen, zoodat zijn groote blinkend witte
tanden zichtbaar werden, en spuwde op het dek.
Toen richtte hij zich tot een man met gitzwart haar en korten gedrongen
bouw, die naast hem stond, met de handen op den rug gevouwen en zeide
in het Russisch:
„Een goede dag, Grandloup.”
„Het had slechter kunnen zijn, patroon,” antwoordde de aangesprokene,
een Franschman, die jaren in Rusland vertoefd had en die landstaal
uitstekend sprak. „Heel veel goud en zilver, een stapel diamanten, en
dan spreek ik nog niet eens van de vrouwtjes, die in hun soort immers
ook juweelen zijn.”
„Haha,” lachte Nykin, het hoofd achterover buigend, „die Franschen zijn
toch altijd even galant. Je zou zeker wel een van die diamanten het
jouwe willen noemen, Franschman?”
„Wel chef, ik geloof, dat ik er, als de eerste luitenant, wel
eenigszins recht op heb,” antwoordde de ander luchtig, maar met
scherpen blik uit zijn zwarte oogen naar het lachende gezicht naast
hem.
„Nu, ik zou je niet gaarne dat plezier ontnemen. Je weet hoezeer ik je
hulp op prijs stel,” hernam Nykin. „En om je te toonen, hoe bijzonder
hoog ik je schat, zul je aanstonds een keuze uit de zes poesjes mogen
doen, wel te verstaan, na mij.”
Grandloup zeide niets, maar knikte zwijgend.
Nykin vervolgde, met zijn zware vuist op het stuurrad slaande:
„Wij zullen ons amuseeren, nietwaar? En als wij genoeg van hen hebben,
nu, dan moeten zij maar een goed heenkomen zoeken, haha. De bordeelen
in ons land zijn immers nog niet verdwenen. Die kunnen altijd nieuwen
aanvoer gebruiken.”
Hij stiet een ruwen vloek uit en spuwde opnieuw op het dek.
Toen scheen hem iets in te vallen.
„Wij kunnen die lieverdjes wel eens aan dek inviteeren,” riep hij uit,
terwijl zijn oogen schitterden. „Dan kunnen de drie anderen, die in de
termen vallen, eveneens hun keus doen, of anders moet er geloot worden.
Laat den roerganger eens hier komen, dan kan hij het roer van mij
overnemen. Hij weet waarheen de koers is”....
Grandloup verwijderde zich en een oogenblik later trad er een man op
het kleine plankier, waar zich het stuurrad bevond, om dit uit de
handen van zijn chef over te nemen.
Nykin trad op het dek, en zeide handenwrijvend tot Grandloup:
„Ik zal zelf maar eens naar beneden gaan, en zien, hoe onze duifjes het
maken, dan kan ik meteen hen goed opnemen, want daartoe heeft mij tot
dusverre de tijd ontbroken.”
Hij knikte Grandloup toe, die was blijven zwijgen, en richtte zijn
schreden naar de trap, die naar beneden voerde.— — —
In het vooronder, waar de vijf vrouwen en Charly waren ondergebracht,
heerschte bijna volkomen duisternis.
Boven de smalle tafel hing een kleine olielamp, maar de pit was bijna
geheel opgebrand en vermocht slechts een zwak schijnsel te werpen over
de zes gestalten, die roerloos in elkaar gedoken in de hoeken of aan
tafel zaten, strak voor zich uitkijkende.
Nu en dan vernam men een onderdrukten snik, maar voor het overige was
het stil in het vertrek, waar een man als Henderson nauwelijks recht
overeind had kunnen staan.
Voor de deur hoorde men de eentonige voetstappen van den schildwacht.
Nu en dan wisselde deze man een paar woorden met iemand anders, ten
bewijze dat er zich nog andere bandieten in de buurt moesten bevinden.
De ongelukkige vrouwen en meisjes waren aan de diepste neerslachtigheid
ten prooi, want zij hadden maar al te goed begrepen, welk lot hen boven
het hoofd hing, een lot, dat door geen aardsche macht scheen af te
wenden.
Maar eensklaps klonk er een fluisterende stem, die allen het hoofd deed
opheffen.
Een der vrouwen had iets gezegd.
Aller oogen richtten zich naar de spreekster, een knappe, blozende
verschijning met vol blond haar en mooie blauwe oogen.
Het was Charly Brand.
En hij had deze woorden gefluisterd:
„Kom allen zoo dicht mogelijk bij mij, zoodat ik niet luid behoef te
spreken.”
Zonder eenig gerucht te maken, naderden de vijf vrouwen, en zetten zich
dicht bij Charly aan de tafel neder, de oogen in gespannen verwachting
op zijn gelaat gericht.
Charly keek even in witte, smartelijk verwrongen gezichten en begon
toen op zachten, fluisterenden toon:
„Ik zal u zeker wel niet behoeven te zeggen, welk lot ons allen
beschoren is, nietwaar?”
Else Teichmann antwoordde.
Haar beeldschoon gezichtje was marmerbleek en haar oogen hadden een
koortsachtigen gloed, toen zij op heeschen toon antwoordde:
„Ik zal geen gevaar loopen, dat verzeker ik u.”
„Hoe?” kwam Charly verbaasd. „Gij meer dan een ander van ons. Gij zijt
zeer schoon, gij zijt jong, een kind nog haast.”
„Ik mag een kind zijn, maar ik zal mij weten te verdedigen,” hernam
Else Teichmann, met opeengeklemde tanden.
„En hoe zoudt gij dat dan wel doen, als ik vragen mag?” vroeg Charly
hoofdschuddend.
„Met behulp van dit voorwerp,” antwoordde Else Teichmann stroef.
En op hetzelfde oogenblik haalde zij een zeer kleine, sierlijke
revolver met parelmoeren kolf uit haar zak te voorschijn.
De smalle witte hand omklemde het wapen stevig, en haar oogen hadden
een vastberaden uitdrukking gekregen.
„Wat is dat? Hebt gij een wapen?” vroeg Charly Brand op levendigen
toon, de handen naar de revolver uitstrekkend.
„Ja, ik droeg het steeds bij mij en men heeft ons niet onderzocht,”
antwoordde het jonge meisje zacht.
„En, is het geladen?” vroeg Charly.
„Er zitten zes kogels op.”
„Is het een deugdelijk wapen. Geen speelgoed?”
„Het is van Smith & Wesson.”
„Geef het mij dan,” drong Charly aan.
„Ik zou het u geven?” hernam het meisje verbaasd. „En waarom juist aan
u, die ik nimmer gezien heb? Hoe moet ik mij dan verdedigen, als een
van die schurken het zou wagen, mij aan te raken?”
„Gij zoudt u in het geheel niet kunnen verdedigen, Fräulein,”
antwoordde Charly ernstig. „Bedenk, dat hier aan boord zestig man, en
waarschijnlijk nog meer zijn. Wat zoudt gij met een revolver tegen hen
allen kunnen uitrichten? Wanneer gij een enkel schot gelost zoudt
hebben, zou men u overweldigen en gij zoudt er uw lot slechts des te
vreeselijker door hebben gemaakt.”
„Maar in welk opzicht zoudt gij dan in een betere positie zijn, dan ik
zelf?” vroeg het jonge meisje verwonderd, terwijl zij Charly strak
aankeek.
De jonge man antwoordde niet dadelijk.
Toen kwam het langzaam over zijn lippen:
„Ik verzoek u dringend, door geen enkel geluid hoe gering ook uw
verwondering te uiten, over hetgeen ik u nu zal zeggen. Ik gevoel, dat
het beter is, niet langer te zwijgen. Ik zou aan uw revolver meer
hebben dan gij, omdat gij een vrouw zijt.... terwijl ik....”
Hij voltooide den zin niet, maar lichtte even behoedzaam zijn pruik op,
zoodat zijn eigen donkerblond haar zichtbaar werd.
Ondanks zijn waarschuwing had het weinig gescheeld, of twee der vrouwen
hadden aan hun verbazing door een kreet lucht gegeven.
Gelukkig wisten zij zich nog op het laatste oogenblik te beheerschen.
Allen keken Charly verstomd aan, als begrepen zij niets van deze
verkleeding.
Else Teichmann was de eerste, die weder sprak.
„Wie zijt gij, mijnheer, en hoe komt gij in ons gezelschap?”
Charly gevoelde duidelijk het wantrouwen, dat in den toon van haar stem
weerklonk, een wantrouwen, dat hij maar al te goed kon begrijpen.
Rustig antwoordde hij:
„Ik ben een gentleman, Fräulein. Wat uwe landgenooten geloof ik een
cavalier noemen. Gij behoeft niet te vreezen, dat ik mij bij u heb
ingedrongen, teneinde u in een valstrik te lokken. Ik was de reisgezel
van Graaf Palmhurst en ik heb mij met opzet aan boord van de motorboot
laten opnemen, vermomd als vrouw, teneinde u te kunnen helpen. Moet ik
u nog zeggen, dat de bandieten mij onmiddellijk zouden hebben
neergeschoten, indien zij mij als man hier aan boord hadden
aangetroffen?”
„Maar dan loopt uw leven het grootste gevaar,” fluisterde een der
vrouwen, een Française.
„Dat wil ik niet ontkennen, madame,” antwoordde Charly eenvoudig, „maar
daaraan kunt gij veel doen, door volstrekt niet te verraden, dat onder
u een lid van het andere geslacht is. En luister nu naar mij, want ik
wil trachten, u allen te beschermen tegen een lot, dat ik niet nader
wil noemen, maar dat iedere vrouw die dien naam verdient met afschuw
moet vervullen.”
„Liever sprong ik over boord,” zeide een der vrouwen op heeschen toon.
„Ik hoop, dat het zoover niet behoeft te komen!” hernam Charly. „Ik zal
u een middel aan de hand doen, de ellendelingen, die u te na willen
komen, althans tijdelijk onschadelijk te maken.”
„Maar hoe dan, mijnheer?” vroeg de Française, Susanne Chaumont
geheeten.
Inplaats van dadelijk te antwoorden, haalde Charly een klein pakje uit
zijn zak, dat hij opende en waaruit hij een tiental papiertjes nam,
zorgvuldig opgevouwen.
Hij liet zijn stem tot zacht fluisteren dalen, toen hij hernam:
„Deze papiertjes bevatten ieder een weinig poeder, hetwelk een sterk en
uiterst snelwerkend slaapmiddel bevat. Een tiende deel van den inhoud
door een weinig vloeistof gemengd is voldoende, den sterksten man
binnen een minuut in een vasten slaap te doen vallen. Moet ik u het
doel nog nader uiteen zetten? Zeker zullen de schurken u willen laten
drinken. Sla dit dan in geen geval af, maar kies een gunstig tijdstip
om een weinig van dit poeder door den wijn te mengen. Biedt men u niets
te drinken aan, vraag er dan om. Zeg dat gij dorst hebt, speel comedie.
Bedenk dat het om iets hoogers nog dan het leven gaat. Om uw eer.”
Een diep stilzwijgen volgde op deze woorden.
Toen bewoog de kleine fijne hand van Else Teichmann zich over de tafel
naar Charly toe, en zacht kwam het over haar lippen:
„Geef mij dat poeder.”
Het volgende oogenblik omsloten haar vingers het papiertje, dat zij
snel in haar blouse deed verdwijnen.
Dadelijk volgden de andere vrouwen haar voorbeeld.
„En, wilt gij mij nu uw revolver niet in ruil geven?” vroeg Charly,
zich glimlachend tot de jonge Duitsche wendend.
Nog even aarzelde het meisje.
Toen stak zij Charly het wapen toe, en zeide:
„Ziedaar, gij hebt gelijk. Gij zijt een man, gij zijt zelfs een moedig
man, dat blijkt uit alles. Gij zult van het wapen meer nut kunnen
trekken dan ik, behoud het dus.”
„Ik dank u,” zeide Charly eenvoudig.
„Maar hoe denkt gij u nu zelf te gedragen, en wat raadt gij ons te
doen, wanneer de ellendelingen komen, die het op onze eer voorzien
hebben, bewusteloos zijn?” vroeg Else Teichmann weder.
„Wat mijzelf betreft, Fräulein, ziehier mijn plan. Ik zal den kerel,
die mij tracht te verleiden, wel zien te overmeesteren, of ook hem
bedwelmen, dan wil ik trachten, het doel van de motorboot te weten te
komen, en zoodra dit mij bekend is, zal ik in de hut van den marconist
trachten door te dringen, dien schelm machteloos maken en onmiddellijk
een radiogram naar verschillende havens zenden, waarin ik mededeel,
waarheen zich het schip begeeft en waar het op dat oogenblik zich
bevindt.”
„Maar dan zullen zij dadelijk den koers wijzigen,” meende Susanne.
„Dat zullen zij niet madame, want ik zal er wel voor zorgen, dat de
marconist niet meer tot zichzelf komt, voor wij ter bestemder plaatse
zijn aangekomen,” zeide Charly op zulk een overtuigenden toon, dat
eenige vrouwen een zucht van verlichting slaakten, alsof het gevaar
reeds geweken was....
HOOFDSTUK VI.
DE STRIJD OM EEN VROUW.
Nauwelijks hadden alle vrouwen het papiertje met het bedwelmende goed
veilig weg geborgen, of de deur werd geopend en Iwan Nykin verscheen op
den drempel.
Hij scheen echter niet veel te kunnen onderscheiden in de donkere
ruimte en beval den man, die op post had gestaan:
„Breng mij een lantaarn, opdat ik de lievertjes eens wat beter zal
kunnen beschouwen.”
Er verstreek een minuut en toen keerde de wacht terug met een groote
kaarslantaarn, die een tamelijk helder licht in de kajuit verspreidde.
Nykin trad binnen.
Zijn breed pokdalig gezicht vertoonde een afschuwelijke uitdrukking,
zooals hij nu de ongelukkige vrouwen monsterde.
Toevallig zat Charly het dichtst bij de deur.
En zoo gebeurde het, dat de kapitein hem het eerst in het oog kreeg.
„Wel, wel, wat een aardig blondje,” riep Iwan Nykin bewonderend uit,
terwijl zijn kleine oogen begonnen te fonkelen. „Zeker de vrouw van
zoo’n vervloekten bourgeois, niet? Dat kan men wel aan de dure kleeding
zien. Nu, je zult je er op moeten voorbereiden, mooie juf, dat al die
pracht niet lang meer stand zal houden.” Hij ging verder, monsterde de
vrouwen een voor een aandachtig, en bleef eindelijk stil staan voor
Else Teichmann.
Hij liet een zacht gefluit hooren, trad naderbij, en streek het meisje
liefkoozend over de wangen. Het arme kind trok het hoofd met een gebaar
van onzegbare walging terug en Charly had de grootste moeite, zich in
te houden, en den schoft niet naar de keel te vliegen.
Hij begreep evenwel, dat dit alles zou bederven, wanneer hij zich thans
door zijn woede en verontwaardiging liet meesleepen.
„Ik ben maar blij, dat Henderson niet in mijn plaats is,” zeide Charly
tot zichzelf, „want onze reus zou waarschijnlijk den ellendeling al
hebben neergeslagen, met het gevolg dat hij nu reeds een blauwe boon in
zijn hersens zou hebben en dat de heele motorboot reeds in rep en roer
zou zijn, natuurlijk niet ten voordeele van deze arme schepsels.”
Iwan Nykin keek het jonge meisje nog eenigen tijd met half dicht
geknepen oogen aan, op een wijze, die haar al het bloed naar de wangen
dreef en mompelde toen bij zichzelf: „Ik heb mijn keus al gedaan.
Grandloup zal het met een van de anderen moeten stellen.”
Daarop vervolgde hij met luider stemme:
„Wel schatje, ik geloof wel, dat wij het met elkander kunnen vinden.”
Hij streek haar nogmaals over het prachtige blonde haar en vervolgde:
„Wel dames, er zijn hier nog meer vrienden van mij aan boord, die niets
liever wenschen, dan eenige uren van uw aangenaam gezelschap te
profiteeren. Heidaar, maak eens wat meer licht, ik kan nog steeds niet
genoeg zien.”
Dadelijk werden er nog een paar lantaarns bijgebracht door enkele
schepelingen, die grijnzend naar de ongelukkige vrouwen gluurden.
De kapitein gaf een hunner op fluisterenden toon een paar bevelen, en
een oogenblik later kwamen een paar matrozen binnen, met glazen, een
paar flesschen champagne, een tafellaken, borden, messen en vorken en
maakten zich gereed de smalle tafel te dekken.
Iwan Nykin keek even toe, overtuigde zich dat zijn bevelen werden
opgevolgd en verliet het vertrek.
Een oogenblik later keerde hij terug met Grandloup en met nog vier
andere Bolsjewisten, die waarschijnlijk tot de officieren of
aanvoerders aan boord van de motorboot moesten worden gerekend.
Dit bleek evenwel alleen uit hun houding en wijze van optreden, want
zij droegen geen enkel zichtbaar distinctief.
Het waren allen Russen op Grandloup na.
Allen waren omstreeks veertig jaar, misschien iets jonger, behalve
Nykin zelf, die zeker naar de vijftig moest loopen.
De ongelukkige vrouwen hadden zich als verschrikte schapen in een hoek
van het vertrek verzameld en keken met doodelijk ontstelde oogen naar
de binnentredenden, alsof hun laatste uur geslagen had. Het scheen
echter een betrekkelijk kleine ruimte, waar men zich bevond en de
kapitein scheen het ook te vinden, tenminste hij riep uit:
„Wij zullen ons hier nauwelijks kunnen bewegen, kameraden; ik heb mijn
keus al gedaan en ik zal mij met jullie welmeenen, met mijn dame
verwijderen.”
Met deze woorden trad hij op Else Teichmann toe, greep haar beet en
trok haar met zich mede, naar de smalle deur, die op de kleine gang
uitkwam, aan welker einde de trap naar het dek ging.
Het jonge meisje scheen er een oogenblik aan te denken, verzet te
plegen, maar een waarschuwende blik van Charly bracht haar tot andere
gedachten en zij volgde met gebogen hoofd.
Maar nog hadden zij de deur niet bereikt toen een stem riep:
„Een oogenblik, ik eisch dat jonge meisje voor mijzelf op.”
Het was de Franschman, die deze woorden gesproken had. Hij was Nykin in
den weg getreden en er lag een duistere gloed in zijn oogen, toen hij
deze woorden uitte.
Nykin bleef onwillekeurig staan en keek den Franschman aan, alsof hij
meende, dat hij niet goed verstaan had. Toen schreeuwde hij woedend:
„Wat durft gij zeggen? Gij zoudt u tegen mij durven verzetten? Gij
pleegt insubordinatie.”
„Dergelijke begrippen erkennen wij niet meer, Nykin,” antwoordde
Grandloup schouderophalend. „Subordinatie, eerbied en discipline, dat
zijn dingen uit een vroeger tijdperk, waarmede wij hebben afgedaan. Ik
meen dat ik evenveel recht heb als gij op dit schoone jonge meisje en
ik laat die rechten gelden.”
Nykin wierp zijn eersten stuurman, want dat was Grandloup, een
duisteren blik toe en riep uit:
„Denkt gij mij soms vrees aan te jagen, gij schurk? Ik heb in den
laatsten tijd reeds eenige malen gemerkt, dat gij tegen mij in verzet
wilt komen, maar ik zweer u, dat ik dit niet zal dulden. Ik ben de baas
hier aan boord en dat zal ik blijven, zoolang ik adem heb. Ik heb nu
reeds veel door de vingers gezien. Daar moet een einde aan komen. Op
zij, laat ons door.”
De Franschman bewoog zich echter niet en bleef met gekruiste armen voor
de deur staan.
Toen slingerde Nykin het jonge meisje van zich af, zoodat zij op haar
knieën in een hoek neer viel, trok een breed mes uit zijn gordel, en
brulde:
„Je weigert? Je hebt het zelf gewild. Dan zul je er aan gelooven.”
Grandloup had op zijn beurt bliksemsnel zijn dolkmes getrokken en duwde
nu met de linkerhand Nykin van zich af, toen deze zich op hem wilde
werpen, terwijl hij gromde:
„Hier niet. Hebt gij dan alle respect voor de dames uit het oog
verloren. Ik vecht niet in tegenwoordigheid van vrouwen. Ga mede naar
het dek. Het verheugt mij, dat de gelegenheid zich voordoet, eens en
voor goed met u af te rekenen. Ja, ik zeg het hier rond uit, ik haat u.
Ik verkies niet langer uw bevelen te volgen.”
„Zoo, waait de wind uit dien hoek,” zeide Nykin hoonend. „Nu, dan
zullen wij het uitvechten. Komt vrienden, weest er getuigen van, hoe ik
dien hond zal straffen voor zijn ongehoorzaamheid.” Het volgende
oogenblik stormden allen weg en de doodelijk beangste vrouwen hoorden,
hoe hun voetstappen zich verwijderden.
Een luid gestommel boven hun hoofden bewees hen, dat daar boven alles
in rep en roer was.
„Laten de wolven elkander maar verscheuren,” fluisterde Charly, zich
tot de arme vrouwen wendend, die bevend en bleek bijeen gedrongen
stonden.
Hij liep op zijn teenen naar de deur, maar de wachtposten hadden haar
reeds weder gesloten en hij hoorde hun regelmatige voetstappen evenals
vroeger en die mannen schenen er zich volstrekt niet om te bekommeren,
dat zich boven een bloedig drama afspeelde.
Nu was het boven op het dek stil geworden, waarschijnlijk had die
afschuwelijke tweestrijd een aanvang genomen.