LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 372 EEN BOLSJEWISTISCH AVONTUUR.
EEN BOLSJEWISTISCH AVONTUUR.
HOOFDSTUK I.
DE „PRESIDENT CARNOT”.
Het was zeer druk in de haven van Constanza, de voornaamste Roemeensche
haven aan de Zwarte Zee.
De scheepvaart op deze grootste binnenzee van Europa had zich nog niet
lang hersteld, sedert de oorlog voorbij was.
Het was dan ook niet verwonderlijk, dat alle reizigers, die zich naar
een of andere havenstad moesten begeven, aan de kust van de Zwarte Zee
gelegen, hetzij die tot Roemenië, Rusland, Bulgarije, Turkije of Klein
Azië behoorde, zich letterlijk verdrongen om een plaatsje te krijgen op
een van de weinige booten, die den dienst onderhielden.
Voor het meerendeel waren het oude booten, slecht in de verf en slecht
onderhouden, met stoomketels, die ieder oogenblik den geest schenen te
zullen geven en meestal zoo smerig, dat men zich in normale
omstandigheden nog wel een paar maal bedacht zou hebben, alvorens zich
aan boord van deze drijvende varkenskotten te begeven.
Thans echter was men maar al te verheugd, zich een plaats op een van
deze schepen te verzekeren—in de flauwe hoop, dat men wel ergens een
spoorwegaansluiting zou vinden, dat er bij toeval een trein zou loopen
van de plaats af, waar men voet aan wal zou zetten.
In geheel Roemenië was het spoorwegverkeer nog altijd jammerlijk
ontwricht.
Duizenden vervelooze personenwagens stonden kilometers ver op dood
spoor—zonder dat iemand zich blijkbaar om hun lot scheen te bekommeren
en zij werden er gezelschap gehouden door eenige honderden
stijfgeroeste locomotiefen, waarvan het wel leek, of geen macht ter
wereld meer in staat zou zijn, ze ooit weder in beweging te brengen.
Slechts van Boekarest naar de voornaamste plaatsen, waaronder
Constanza, werd de dienst nog onderhouden, weliswaar verre van geregeld
en men moest soms dagenlang op een plaats wachten, maar als er eenmaal
een trein vertrokken was, dan bestond er groote kans, dat hij tenminste
het einddoel wel eens zou bereiken.
Geduld, en een groote mate van opgewektheid, benevens een schier
onuitputtelijke beurs, dat was alles wat er van de reizigers verlangd
werd.
Reeds gedurende eenige dagen, op de mare, dat van Constanza een schip
naar Constantinopel zou vertrekken, hadden zich tal van reizigers uit
Galatz, Braila, Boekarest, Roestschuk, Sadova en andere plaatsen in
groote getale naar Constanza opgemaakt.
Daar zou in den vroegen morgen van een dag in het begin van den herfst,
de „President Carnot” vertrekken.
Een groot Fransch stoomschip, dat in vroeger jaren van Brest op een
Zuid Amerikaansche haven had gevaren, maar na de vredesluiting voor een
goeden prijs aan een ondernemende Scheepvaartmaatschappij te Constanza
was verkocht.
Met aanzienlijke kosten had men het schip, dat zeker wel een
uitzondering vormde, geheel gerestaureerd.
Er waren drie klassen en men moest onder de zeer gegoeden behooren
wanneer men de passage eerste klasse kon betalen.
De „President Carnot” volgde geen vaste route, maar voer nu eens hier,
dan weder daarheen, al naar de behoefte zich deed gevoelen.
In den laatsten tijd was er bijzonder veel vraag geweest naar
Constantinopel, en daarom zou het schip ditmaal naar de hoofdstad van
Turkije trekken.
Men zou echter als tusschenstations de havens Varna en Burgas aandoen,
niet alleen om reizigers aan boord te nemen, maar ook om diegenen af te
zetten, die daartoe den wensch hadden te kennen gegeven.
Reeds zeer vroeg in den morgen begonnen de reizigers, die zich van te
voren reeds van een plaatsbewijs hadden moeten voorzien, zich aan boord
van de „President Carnot” te begeven.
Het groote schip lag aan een der voornaamste steigers gemeerd, en drie
loopplanken onderhielden de verbinding met den vasten wal.
Nog zelden had men ergens ter wereld voor den oorlog zulk een
zonderling allegaartje van reizigers kunnen opmerken, zelfs in de
cosmopolitische havensteden als Bombay, New-York of Singapore.
Men trof er lieden van alle standen der Maatschappij—rijk gekleede
Russen, die bijtijds hun land waren ontvlucht met stug gelaat, en die
instinctief aansluiting bij elkander zochten, havelooze Roemeniërs die
wilden trachten elders hun fortuin te beproeven, die hun eigen land
waarschijnlijk niet meer kon onderhouden, Slovaken, Tsjechen, Bulgaren,
Serviërs, Armeniërs, en voorts vertegenwoordigers uit alle landen van
Europa.
Duitschers naast Franschen, Hongaren naast Engelschen, en natuurlijk
ook de onvermijdelijke Amerikanen met hun als uit hout gesneden
gezichten, hun houten pijp, en hun wijde reiskleederen.
De bagage leverde al een even bont schouwspel op—dure lederen koffers
die wel bijna een burgerfortuin moesten hebben gekost, en armoedige
bundeltjes, samengehouden door een rooden zakdoek, en aan een stok over
den schouder gedragen, zware reismanden, en armelijke papieren
handvaliesjes, die ieder oogenblik dreigden te barsten, zoo vol als men
ze had gestopt.
Soms schreeuwend en scheldend, dan weer zwijgend en onverschillig al
naar de landaard, baanden de reizigers zich een weg over de drie smalle
loopplanken.
Onder hen bevond zich een drietal personen, die blijkbaar bij elkander
hoorden.
De oudste hunner kon ongeveer 40 jaar zijn, tenminste wanneer men moest
afgaan op zijn hoofdhaar, dat aan de slapen reeds een weinig begon te
grijzen, ofschoon de schittering in zijn staalgrijze oogen op groote
levenskracht en energie en onbuigzamen wil wees.
Deze man was gekleed in een stevig reiscostuum, van grijsgeruite stof,
zijn hoofd was bedekt met een pet van dezelfde stof.
In zijn rechter oog was een monocle geklemd, dat daar wel vastgekit
scheen te zijn.
Het gladgeschoren gelaat was lichtbruin.
Een zijner metgezellen was een jongeman van nog zeer jeugdigen leeftijd
met een grijsgespikkeld reispak.
Hij had een vroolijk opgewekt gelaat, waarop nog geen enkel rimpeltje
te bespeuren viel, groote blauwe oogen, die schitterden van levenslust
en een eigenaardige blanke huid, waarop menige vrouw jaloersch geworden
zou zijn.
Hij was bijna een hoofd kleiner dan zijn metgezel, en zooals zij daar
naast elkander stonden, wachtend tot de eerste drukte en het gedrang
voorbij zouden zijn, zou men ze wel voor vader en zoon hebben kunnen
aanzien.
De derde man eindelijk was een ware reus.
Hij was grooter dan de man met het grijze haar, en zijn geweldige
schouders, zijn breede borst en zijn zware vuisten wezen op een
geweldige kracht.
Deze drie mannen waren John Raffles, de lang gezochte „Groote
Onbekende”, de vijand van de Londensche politie, de stoutmoedige
gentleman-inbreker: de jonge man met de vroolijke blauwe oogen was zijn
vriend Charly Brand, die in al zijn moeilijke avonturen deelde, en de
reus met de breede schouders was James Henderson, de derde in het
verbond, die den stoutmoedigen avonturier reeds menigmaal met
levensgevaar had gered—een dienst evenwel, die hem telkenmale met
woeker was terug betaald.
Het zal wel niet nader behoeven te worden verklaard, dat Raffles zich
niet onder zijn eigen naam had laten inschrijven op de passagierslijst
van de „President Carnot” en reisde thans onder den aangenomen naam van
Graaf Palmhurst—een pseudoniem, wat hij meestal koos, wanneer hij
gegronde redenen had, om te beletten, dat men te Londen navraag deed
naar de verblijfplaats van Lord Aberdeen, onder welken naam de Groote
Onbekende reeds lange jaren in de Regent street woonde.
Hoe hij hier kwam, wat hij hier deed, dat zullen de lezers weldra
vernemen uit het verdere verloop van dit verhaal.
Nog een half uur en de boot zou moeten vertrekken.
„Wordt het niet haast tijd, Edward, dat wij ons aan boord begeven?”
vroeg Charly, na een blik op zijn horloge te hebben geworpen.
„Nog een oogenblikje, Charly. Het is nog zeer druk op de loopplanken en
ik vind het een belangwekkend gezicht, al deze menschen,
vertegenwoordigers van minstens twintig nationaliteiten, langs me heen
te zien trekken.”
„Interessant zijn zij zeker, maar je vergeet mijn opmerking, dat ik
onder hen heel veel boeventronies ontdek, die mij niet zeer aanstaan,”
mompelde Charly.
Raffles haalde glimlachend de schouders op.
„Dat komt, omdat wij hier op den Balkan zijn, mijn jongen. Die
zoogenaamde boeventronies zijn hier als het ware inheemsch. Wij met
onze manier om onze gezichten kaal te scheren, zijn al zeer spoedig
geneigd, om iemand met baard en knevel te versieren met het epitethon
„boeventronies”.
„Maar let liever eens op de schilderachtige gewaden, die de mannen en
vooral ook de vrouwen dragen. Ik wil er niet aan denken, dat er
misschien ooit een tijd zal aanbreken, waarop al die kostelijke
kleederdrachten tot het verleden zullen behooren. De hemel beware deze
menschen voor den invloed van het Westen.”
„In dat opzicht moet ik je gelijk geven, Edward. Ik zou het zeer
betreuren wanneer de prachtige, schilderachtige, nationale costuums van
de Roemeensche, de Russische, de Grieksche en de Bulgaarsche vrouwen
werden afgeschaft.”
„Zoover zijn wij gelukkig nog niet, mijn waarde,” hernam Raffles. „In
ieder geval zal het onzen tijd wel uithouden.”
„Je blijft bij je voornemen, om tot het einddoel van de reis,
Constantinopel, mede te gaan?”
„Ja, dat is het allerbeste. Wij hebben dan de meeste kans, weer in meer
beschaafde streken te lande te komen.”
„Het klinkt misschien wat ondankbaar, Edward, maar ik zal den hemel
danken, als het zoover is. Het is natuurlijk maar verbeelding van mij,
maar ik heb het gevoel, alsof het hier op den Balkan stinkt naar uien,
knoflook en slechte sigarettentabak.”
„Ik hoop, dat je indrukken zich niet daartoe beperken, Charly,” hernam
Raffles met een flauwen glimlach. „Er is hier waarlijk wel iets meer en
beters op te merken. Ik wil je echter halverwege tegemoet komen, en
erkennen, dat het reizen op het Balkan schiereiland op dit oogenblik
niet bepaald een vermaak is. En wanneer ik mij niet eens persoonlijk
had willen overtuigen, hoe het met mijn huizen in Boekarest gesteld
was, en wanneer ik hier niet een paar oude vrienden had willen
bezoeken, dan zou ik waarschijnlijk op dit oogenblik niet staan te
midden van een groep lieden, die, het moet gezegd, wel zeer sterk de
geuren uitwasemen, welke je zooeven noemde.”
„Maar was er geen andere weg geweest om terug te keeren?”
„Misschien wel, maar ik kies met opzet den omweg over Constantinopel.”
„Waarom?”
„Wel, omdat Constantinopel als het ware aan den ingang van de
Middellandsche Zee ligt.”
„En wat zou dat?”
„Kom, ik zal je maar niet langer laten vragen.
„Het was mijn plan eens naar onze arme duikboot om te zien, welke wij
in de onderzeesche rots op de Afrikaansche kust in den steek hebben
moeten laten, omdat op een zeer noodlottig tijdstip, toen wij
achtervolgd werden door oorlogsschepen, onze schroefas ons in den steek
liet.”
„Mijn hemel, dat ik dat kon vergeten,” riep Charly uit. „Het was anders
geen zaak om zoo ligt in het vergeetboek te geraken, want het had maar
weinig gescheeld, of het had ons hachje kunnen kosten. Het was een zeer
gevaarlijke tocht, en als het geluk ons niet gunstig was geweest, dan
zou het waarschijnlijk onze laatste geweest zijn.”
„Intusschen ligt onze arme „Bruinvisch” daar nu gewond in het geheime,
groote hol, en het wordt hoog tijd, dat wij eens naar haar gaan
omzien.”
„Ik kan mij volstrekt niet voorstellen, hoe je die boot nog ooit
gerepareerd krijgt.”
„Dat zal je meevallen. De as bestaat uit verschillende deelen en het
stuk waar de breuk plaats vond, is gemakkelijk te vervangen. Met behulp
van Henderson, die zoo’n voortreffelijk monteur is, zal het een kwestie
van een week zijn.”
„Maar dat stuk van de as?”
„Dat is kant en klaar te koop bij iederen fabrikant van groote
motorjachten. Daarmede heb ik juist rekening gehouden met den bouw van
de „Bruinvisch”.”
Terwijl de beide mannen met elkander zoo stonden te praten, minderde de
stroom van reizigers merkbaar, en eindelijk konden zij zich op hun
beurt aan boord begeven.
Reeds vele dagen van te voren had Charly, die meestal dergelijke dingen
voor zijn rekening nam, een paar hutten der eerste klasse besproken.
Een hofmeester, die behalve Fransch, ook nog Engelsch, Duitsch,
Russisch, Grieksch en Roemeensch bleek te kunnen spreken, wees hun met
vele buigingen den weg, want zijn scherp oog had in hen dadelijk de
schatrijke Engelsche of Amerikaansche toeristen meenen te herkennen.
Zoodra het uur van het vertrek had geslagen, groote uitzondering in dit
land van wanorde en onregelmatigheid, werden de drie loopplanken
ingehaald, de stoomfluit liet een snerpend gefluit hooren, de beide
schroeven sloegen het gele water tot schuim, en langzaam verliet de
„President Carnot” de pier.
HOOFDSTUK II
IN HANDEN DER BOLSJEWISTEN.
Het was een verrukkelijke morgen, doch buitengewoon warm voor den tijd
van het jaar, en de meeste reizigers bevonden zich dan ook aan dek.
Het bleek Raffles al spoedig, dat de boot niet bijzonder veel behoefde
onder te doen, wat weelderige inrichting betreft, voor hare zusters in
West-Europa.
De eetzaal was zeer groot, en ontving haar licht door een reusachtigen
koepel.
De wanden waren versierd met paneelen, op den vloer lag een wijnrood
tapijt en men kon daar dineeren aan tafeltjes van verschillende
grootte, bestemd voor groote gezelschappen, maar ook voor groepjes van
twee, vier en zes personen.
De hutten der eerste klasse waren uitstekend ingericht, en aan alles
kon men merken, dat de scheepvaartmaatschappij er op gerekend had, zeer
rijke en verwende reizigers aan boord te krijgen.
En na het eerste ontbijt bleek het reeds, dat ook voor den inwendigen
mensch goed gezorgd was.
Het eenige wat men de „President Carnot” zou kunnen verwijten, was, dat
zij wel wat heel langzaam liep—maar dit was een wijze
voorzorgsmaatregel van den kapitein, die heel goed wist, dat vele
gedeelten van de Zwarte Zee nog steeds onveilig werden gemaakt door
losgeslagen, drijvende mijnen, die ten tijde van den oorlog waren
uitgezet door de Russen, zoowel als door de Turken.
De bemanning bestond voor het meerendeel uit Roemeniërs, maar de
kapitein was een Franschman, die vele jaren in Roemenië had geleefd, en
de taal des lands volkomen machtig was.
Zoodra Raffles en Charly zich hadden overtuigd, dat hun bagage in de
hutten was gebracht, begaven zij zich naar het dek, om te genieten van
het verrukkelijk schouwspel, dat zich aan hun blikken vertoonde.
Onder het lichtblauwe uitspansel, waaraan slechts een enkel wit wolkje
voortdreef, teekende zich de heerlijke kust af van de Dobroedcha met
haar dichte wouden, haar groene heuvels en haar weelderige akkers, die
hier meestal tegen de hellingen der bergen zijn aangelegd.
Langzaam gleed de boot over de golven en vaak doemde een kleine stad
op, uit louter witte huizen bestaande, als een Fata Morgana, daar er
een zeer lichte nevel over het water hing, die de gewoone scherpte aan
alle omtrekken en vormen ontnam.
Er was op gerekend, dat de tocht naar Constantinopel ongeveer drie
dagen zou duren.
Op den eersten dag, laat in den avond, zou men Varna aandoen, in den
middag van den tweeden dag Burgos, en in beide havensteden zou men niet
langer dan een vol uur blijven liggen.
Reeds was men al Adjidja en Tusla voorbij gevaren en beide steden waren
duidelijk zichtbaar geweest, want de boot bleef op slechts korten
afstand van de oevers.
Omstreeks half twee in den middag werd het middagmaal opgediend en
Charly, die tamelijk verwend en een soort smulpaap was, moest erkennen,
dat het weinig te wenschen overliet—er waren abrikozen—er was zelfs
Rijnwijn.
Hij wist echter ook, dat Raffles dan ook een verbazend groote som voor
de passage had moeten betalen, al was het dan waar, dat die som heel
wat zou slinken, wanneer zij eenmaal werd opgerekend in Engelsche
ponden. Toen de beide vrienden de eetzaal weder verlaten hadden,
Henderson had volgens zijn onveranderlijke gewoonte in het volkslogies
gedineerd, begaven zij zich weder naar het dek om daar hun sigaret te
rooken.
Talrijke passagiers hadden desgelijks gedaan en men zag nu deftige
Turken met de roode fez op hun hoofd, rijk geworden Grieken, en anderen
langzaam rondwandelen, genietend van het heerlijke weder.
„Het is merkwaardig,” zeide Charly na eenigen tijd op zachten toon.
„Maar ik zie die boeventronies ook onder de passagiers van de eerste
klasse.”
Raffles haalde de schouders op en zeide:
„Je vergeet steeds, dat wij hier niet in het Westen van Europa zijn. De
teint der menschen is eenmaal anders en wat wij in Engeland een
ongunstig uiterlijk zouden noemen, dat noemt men onder de Slaven zeer
waarschijnlijk een heel goed gezicht. Intusschen er is een kern van
waarheid in je bewering. Reeds in de eetzaal heb ik een paar mannen
opgemerkt, van wie een politierapport zou gewagen, dat het waren „als
heer gekleede personen”, die er wel een weinig afschrikkend uitzagen,
met hun zwarte, verwarde baarden en ongekamde haren en een woesten
blik.”
Raffles had deze opmerking nauwelijks gemaakt of de beide vrienden
wendden zich verschrikt en verrast om—op de voorplecht hadden zij snel
achter elkaar een paar schoten meenen hooren vallen.
„Wat was dat?” vroeg Charly verrast, terwijl hij Raffles verwonderd
aankeek.
„Het klonk alsof er geschoten werd. Misschien een veete tusschen een
paar leden van de bemanning.”
Maar weer had Raffles nauwelijks uitgesproken, of daar klonken opnieuw,
nu reeds wat dichter bij, drie scherpe knallen.
„Maar voor den drommel, daar heeft een geregeld gevecht plaats,” riep
Charly verschrikt uit. „Laten wij spoedig eens gaan kijken.”
Zij snelden over het breede promenade-dek van de voorzijde van het
schip en op hun weg daarheen ijlden verscheidene reizigers hen bleek en
zeer ontsteld tegemoet.
„Wat is er toch aan de hand?” vroeg Charly nu werkelijk in de hoogste
mate ongerust, zonder dat hij zichzelf kon begrijpen waarom.
„Ik weet het niet beter dan jij, Charly,” antwoordde Raffles een weinig
ongeduldig.
Hij trachtte een paar van de passagiers onder het voortsnellen staande
te houden, maar dezen rukten zich los, en ijlden voort alsof zij een
groot gevaar te duchten hadden.
Raffles en Charly waren nu bijna de commandobrug genaderd, en toen
geschiedde er iets, dat hun aanstonds den geheelen ernst van den
toestand maar al te duidelijk onder het oog bracht.
Een vijftal mannen kwam snel aanstormen en allen waren met groote
Mauserpistolen gewapend, die van zeven tot negen schoten kunnen
afvuren, zonder opnieuw te worden geladen.
Twee hunner bestormden de commandobrug aan de eene zijde, de drie
anderen snelden de trap aan den anderen kant op.
En tegelijkertijd klonk een kreet over het schip, die dadelijk den
geheelen toestand ophelderde:
„De Bolsjewisten!”
Raffles en Charly bleven een oogenblik verstomd staan, zoo zeer had
deze plotselinge gebeurtenis hen verrast. Toen zij tot het besef kwamen
van de werkelijkheid, scheen het reeds te laat te zijn, om handelend op
te treden.
De Bolsjewisten, of wat zij dan ook zijn mochten, hadden alles van te
voren blijkbaar tot in de minste onderdeelen geregeld.
De vijf mannen, die de campagne waren opgesneld, hadden zich in een
ommezien meester gemaakt van den kapitein en van den roerganger.
De tweede stuurman was zoo onvoorzichtig, zich te willen verzetten, en
dit kostte den ongelukkige het leven. Een kogel uit een der
Mauserpistolen velde hem neer. De kapitein, de stuurman en nog een
officier, die zich op de brug hadden bevonden, werden gebonden en
onmiddellijk namen twee der bandieten hun plaats in.
Want dat men hier met roovers te doen had, wat of wie zij dan ook
waren, dat stond maar al te vast.
Dit alles was zoo vlug in zijn werk gegaan, dat Raffles en Charly
nauwelijks tot het besef waren gekomen, van wat er eigenlijk
geschiedde. Maar toen riep Raffles ook uit:
„Vervloekt. Zullen wij dit zoo maar dulden?”
Hij bracht reeds de hand naar zijn zak, maar de arm was nog niet geheel
gedaald, of hij voelde zijn pols vast grijpen door sterke vuisten.
Hij wendde zich snel om en keek in het woeste gelaat van een man, dien
hij aanstonds herkende als een van de lieden, op wie in de eetzaal zijn
aandacht was gevallen. Hij trachtte zich los te rukken, maar dadelijk
was er een andere bandiet bij de hand, die hem den loop van de revolver
tusschen de ribben drukte en in slecht Engelsch uitriep:
„Geen beweging, of wij schieten.”
Tegelijk stak hij zijn hand in den zak van Raffles, en haalde er een
kleine revolver uit, die hij over boord wierp.
Daarna onderging Charly hetzelfde lot.
Intusschen hadden op verschillende plaatsen van het groote schip
dezelfde tooneelen plaats.
Men had het echter in de eerste plaats op de bemanning voorzien, die
uit ongeveer zestig koppen bestond.
De ongewapende mannen konden gemakkelijk overmeesterd worden, onder de
bedreiging der Mauserpistolen werden zij door een twintigtal
Bolsjewisten bijeen gedreven en in het volkslogies opgesloten, waarvoor
een der bandieten de wacht hield.
Het was onmogelijk te zeggen, waar de bandieten zoo eensklaps vandaan
kwamen.
Het moesten er minstens veertig of vijftig zijn, en zij waren allen
juist op dezelfde wijze gewapend.
Reeds aanstonds hadden zij een paar leden van de bemanning, die
tegenstand hadden durven bieden, lafhartig neergeschoten en de
ongelukkigen hadden hun verzet met den dood moeten boeten—hun bloed
verfde de witte planken van het voordek rood.
Terwijl dit geschiedde en de bemanning machteloos was gemaakt,
verspreidden de Bolsjewisten zich over het geheele schip en zij hadden
al zeer weinig moeite met de passagiers, die zoodanig door den schrik
als het ware verlamd waren, dat verreweg de meesten er niet aan
dachten, eenig verzet te plegen, hetgeen reeds aanstonds uitgesloten
was voor degenen, die ongewapend waren.
Een paar Franschen, wier noodlot wilde, dat zij een kleine Browning bij
zich droegen, en die ieder een Bolsjewist hadden neergelegd, werden
aanstonds door zeven of acht kogels gedood.
En hierdoor werd zulk een schrik verwekt, dat de passagiers zich zelfs
niet meer durfden bewegen.
Velen werden in hun hutten opgesloten, anderen werden weer op het
achterdek bijeen gedreven, en de rest werd in bedwang gehouden in de
groote eetzaal, de rookzaal, of de bibliotheek. Aanstonds waren de
Bolsjewisten begonnen, hun slachtoffers te fouilleeren.
Ook dit geschiedde volgens een blijkbaar vooraf beraamde methode.
Paarsgewijze stroopten de Bolsjewisten als het ware het geheele schip
af.
Terwijl de een met opgeheven Mauser den doodelijk ontstelden passagier
in bedwang hield, onderzocht de ander zijn zakken en stopte alles van
waarde, dat hij daarin vond, in een grooten linnen zak, die al verdacht
veel geleek op een postzak, welke de bandieten waarschijnlijk elders
hadden gestolen.
Sommige passagiers hadden een wapen bij zich, en in alle gevallen werd
hen dit afgenomen en aanstonds over boord geworpen.
HOOFDSTUK III.
DE AFTOCHT.
Een groep van vijf Bolsjewisten had zich dadelijk naar de kajuit van
den kapitein begeven en zich daar meester gemaakt van alle
geldswaardige papieren welke zij er aantroffen en die den
opperbevelhebber in bewaring waren gegeven door angstige passagiers.
Het was nog volkomen dag, toen dit alles plaats greep en men moest zich
verwonderen over de stoutmoedigheid van de bandieten, die zich niet
ontzagen, een schip van ruim zes duizend ton, met meer dan drie honderd
en zestig passagiers aan boord, en om zoo te zeggen in het gezicht van
de kust, leeg te plunderen.
Het spreekt vanzelf, dat sommige van de passagiers er aanstonds aan
gedacht hadden, den marconist te waarschuwen, opdat deze het
s.o.s.-sein zou kunnen geven, waarop waarschijnlijk aanstonds hulp zou
komen opdagen, maar ook hierop bleken de Bolsjewisten bedacht te zijn
geweest, want de marconist was een der eersten die door de kerels
overvallen en machteloos gemaakt was.
Zij waren zijn cabine binnen gedrongen, en hadden hem met een hevigen
vuistslag neergeveld, vóór hij wist wat er geschiedde.
Aanstonds hadden de bandieten daarop het toestel voor het afzenden van
radiografische berichten onbruikbaar gemaakt.
Er was nog geen half uur verloopen, sedert de eerste schoten gevallen
waren, en op dat tijdstip was het schip letterlijk kaal geplunderd.
In de eerste en de tweede klasse hadden de Bolsjewisten letterlijk geen
kast ondoorzocht gelaten en wat gesloten was hadden zij met behulp van
bijlen en koevoeten met geweld geopend.
Hier en daar hadden zich reizigers onder de smalle bedden of de
canapé’s verstopt, maar zij werden bijna allen ontdekt, en niet alleen
nam men hen alles af, maar tot straf werden zij bovendien nog
mishandeld ook.
Wat Raffles en zijn twee metgezellen betreft, zij hadden er niet aan
kunnen denken, tegenstand te bieden.
Henderson had te doen gekregen met een troep van twaalf Bolsjewisten.
Hij bevond zich op dat oogenblik juist op weg naar zijn meester, want
hij hield zich meestal op het voordek op, het verblijf van de
tusschendekspassagiers.
Door zijn drift verleid, en aanstonds begrijpende, wat er aan de hand
was, had hij een paar van de bandieten neergeslagen, maar bijna was hem
dit slecht vergaan, en als zijn aanvallers niet geweten hadden, dat hij
in dienst was van den schatrijken edelman, dan was het wel mogelijk
geweest, dat hij zijn stoutmoedigheid met den dood had moeten betalen.
Nu bepaalden de Bolsjewisten zich er toe, hem bij tien tegelijk te
overvallen en met sterke touwen te binden.
Een oogenblik had Raffles gehoopt, dat hij de passagiers zou kunnen
verzamelen en hen zou kunnen bewegen tegen de Bolsjewisten op te
rukken—minder vanwege hun bezittingen dan wel ter wille van zijn eigen
beurs.
Hij moest hiervan echter spoedig afzien, want de passagiers waren
letterlijk verlamd van schrik, en durfden zich bijna zelfs niet
bewegen.
Daarenboven hadden de bandieten hun aanstonds de wapens afgenomen—en al
vormden de passagiers een numerieke overmacht—zonder wapens zouden zij
toch niets kunnen uitrichten tegen de roovers.
Raffles en Charly hadden zich dus kalm in hun lot geschikt—tezamen
ongeveer 2000 pond sterling armer, welke som zij in Engelsch bankpapier
bij zich hadden.
Met een aantal andere reizigers waren zij opgesloten in de rookkamer.
Voor de deur hoorden zij de zware stappen van twee mannen, die daar
heen en weer liepen en de wacht hielden.
„Wat zouden zij nu eigenlijk van plan zijn?” vroeg Charly nu op zachten
toon aan Raffles.
„Vermoedelijk zullen zij wel van het schip worden afgehaald, Charly,”
antwoordde Raffles.
„Waarom?”
„Omdat zij het wel zullen laten een of andere haven binnen te loopen.
Dat is natuurlijk veel te gevaarlijk, want zij zouden wel eens geen
tijd kunnen hebben om te vluchten met al het geroofde goed.”
Op dit oogenblik klonk het geraas van de beide schroeven veel
onduidelijker en de reizigers kregen den indruk, alsof de „President
Carnot” langzamer voer, en tenslotte bijna stil lag.
Men scheen alleen wat vaart in het schip te houden om het zijn
bestuurbaarheid niet te laten verliezen.
„Wat voeren zij nu uit?” riep Charly verwonderd. „Ik geloof dat wij
stil liggen.”
„Stil liggen niet, mijn waarde, maar het scheelt toch niet veel,”
hernam Raffles. „Je ziet dat het al duister wordt en ik denk dat de
bandieten de machines tijdelijk hebben stop gezet in de hoop, dat zij
dan het geraas zullen hooren van het schip dat hen komt afhalen.”
Een paar malen werd deze manoeuvre herhaald—telkens voer de „President
Carnot” een weinig verder om dan weer stil te liggen.
Eenige keeren hadden de reizigers een korten stoot uit de stoomfluit
gehoord—klaarblijkelijk een sein.
Het was duidelijk, dat Raffles gelijk had, en dat de boot, die de
bandieten van het schip moest halen, over haar tijd was, of de
„President Carnot” niet had kunnen vinden.
In het vooronder was de toestand bijna even gedrukt en neerslachtig als
in de zalen van de eerste en tweede klasse.
Van de schepelingen was weliswaar niets afgenomen, met uitzondering van
de officieren, maar de matrozen vreesden, dat de Bolsjewisten het schip
misschien zouden laten zinken, wanneer zij het verlieten.
Henderson lag een weinig afgezonderd, stevig met touwen gebonden, en
wierp grimmige blikken om zich heen.
Een paar maal had hij eenige matrozen in de buurt verzocht, zijn touwen
los te maken, maar de stakkerds hadden zulk een heilige vrees voor de
Mauserpistolen, zij hoorden de voetstappen van de beide wachtposten zoo
duidelijk, dat geen hunner het waagde.
Maar Henderson was er de man niet naar, om zich zonder meer goedschiks
de mindere te verklaren van een troep bandieten.
Hij wilde weten wat er met zijn meester geschied was en hij zou het
weten.
De reus begon dus naar een middel om te zien, om zich van de touwen te
bevrijden en eindelijk had hij iets ontdekt.
De twee smalle en zeer lange tafels, waaraan het scheepsvolk den
maaltijd gebruikte, waren met ijzeren pooten in den bodem bevestigd.
Die pooten waren vervaardigd van zoogenaamd T-ijzer en hadden dus een
tamelijk scherpen kant.
Niet zonder moeite wist Henderson, op zijn rug liggend, een van deze
pooten te bereiken en aanstonds begon hij met het grootste geduld, op
de knieën liggend, het touw, dat zijn armen tegen zijn lichaam gedrukt
hield, en dat ruim een duim dik was, tegen de scherpe kanten op en neer
te wrijven.
Hij moest daarvoor voortdurend het lichaam op en neer bewegen, en dit
was zoo vermoeiend, dat hij iedere vijf minuten moest ophouden, om van
houding te veranderen.
Na een tijd van ongeveer een half uur ingespannen arbeid, waarbij de
matrozen bleek en werkeloos toekeken, kon hij met een forschen ruk het
stuk gerafelde touw lostrekken.
Nu kwamen zijn polsen aan de beurt, en dit ging heel wat vlugger.
Een kwartier later waren zijn handen bevrijd.
Henderson wreef de gekneusde polsen eens duchtig, maakte toen de
touwen, die zijn knieën en enkels bijeen hielden los en bromde
intusschen:
„Ik wil niemand beleedigen, maar als hier Engelsche bemanning aan boord
was geweest, dan zouden die kerels zich wel anders gedragen hebben. Het
lijkt waarachtig wel, of ik in een Zondagschooltje verzeild ben
geraakt. Kijk me nou die lui eens als dooie dienders kijken, of hun
laatste oortje versnoept is.”
Nu gebiedt de waarheid om te verklaren, dat Henderson dit onmogelijk
goed kon zien, want de duisternis was bijna zoo goed als geheel
gevallen en in het groote logies brandde geen lamp.
En toch had er een kunnen branden, want daartoe behoefde men eenvoudig
den schakelaar van het electrisch licht om te draaien.
Henderson begreep dit ook, en geduldig ging hij op zoek naar dien
schakelaar, daar hij niet verkoos het woord te richten tot de
„kostschooljuffies” zooals hij de verschrikte matrozen noemde.
Eindelijk had hij dit kleine voorwerp ontdekt, en het volgend oogenblik
was het logies helder verlicht.
Maar de beide wachtposten daarbuiten schenen dit gemerkt te hebben en
een barsche stem schreeuwde een bevel door de gesloten deur.
„Wat brult die kerel daar?” wilde Henderson weten. „Heeft hij het tegen
ons?”
Een van de matrozen, die het dichtst bij hem stond en die blijkbaar een
weinig Russisch verstond, knikte haastig met verschrikte oogen en wilde
reeds de hand naar den schakelaar uitstrekken.
Maar Henderson greep die hand vast, zoodat de man een pijnlijk gezicht
trok en vroeg op gedempten toon:
„Wat moet dat beteekenen. Wil je daar wel eens met je vingers
afblijven, vriend?”
De man kende geen woord Engelsch, maar hij begreep blijkbaar de
beteekenis van de vraag, want hij wees achtereenvolgens op den
schakelaar en op het electrische licht.
Henderson was vlug van begrip en riep dan ook uit:
„O, is dat de zaak! Een van die zwarte schobbejakken, die zoo
vreeselijk naar kaarsvet en uien ruiken, heeft zeker bevolen dat het
licht weer moet worden uitgedraaid, nietwaar? Nu, als hij het weer uit
wil hebben, moet hij het zelf maar komen uitdraaien.”
De matroos wilde blijkbaar nog iets zeggen, maar Henderson legde hem
zijn zware hand met zooveel nadruk op den mond, dat zijn protesteerende
stem verstierf tot een kinderachtig gebabbel, hetwelk niemand kon
verstaan.
Henderson drukte nog een weinig harder met het gevolg, dat de man op
den grond kwam te zitten en voor de rest slechts een welwillend
toeschouwer bij het drama kon worden genoemd.
De andere matrozen hadden verschrikt toegekeken, maar durfden zich niet
bewegen.
Toen vloog de deur open en de beide Bolsjewisten verschenen op den
drempel.
Hun verschijning was echter van zeer korten duur, want hun noodlot
wilde, dat de deur naar binnen openging.
Het was een ijzeren deur en Henderson stond er achter...
De beide Bolsjewisten, de revolver opgeheven en dreigend om zich heen
ziende, deden een stap in de kamer.
En verder dan dien eenen stap zouden zij niet komen.
Want Henderson wierp de deur met zooveel geweld weder dicht, dat zij
als het ware de beide bandieten wegveegden, van de been sloeg, en met
geweld achterover in de gang deed tuimelen.
Henderson had dadelijk de deur weder open gerukt, en voor de twee
schelmen weder overeind waren gekrabbeld had hij hen vastgegrepen.
Voor iedereen, die Henderson kende, zou deze aanduiding voldoende zijn
geweest.
Het beteekende, dat de beide Bolsjewisten eenige seconden later niets
meer wisten van hun bestaan en als een pak vodden in den hoek van het
volkslogies lagen, met bebloede koppen, wezenlooze blikken en zonder
besef van wat er om hen heen voorviel.
Toen Henderson dit werkje in enkele seconden had opgeknapt en de twee
Mausers in zijn zak had laten glijden, steunde hij even de handen in de
zijde, keek om zich heen en riep toen met stentorstem uit:
„Wie gaat met mij mee naar boven om even schoon schip te houden?”
Niemand antwoordde—ofschoon zeker de meeste matrozen de beteekenis van
de vraag wel begrepen hadden, toen Henderson zich verduidelijkte door
met uitgestrekte handen naar de openstaande deur te wijzen.
En in de stilte die nu volgde klonk eensklaps weder de stoomfluit die
nu snel achter elkaar drie stooten liet hooren.
„Wat beteekent dat nu weer?” vroeg Henderson in zichzelf.
Hij snelde de smalle gang in, liep haar ten einde—en stond voor een
ijzeren deur die op slot was.
Tevergeefs rukte hij er aan.
Hij ijlde de gang weder terug, sloeg een dwarsgang in, liep een trap
af—verdwaalde in de benedenste ruimen van het groote schip, moest weder
terug, probeerde nog een aantal andere gangen en trappen—en toen hij
eindelijk het dek bereikte begreep hij de beteekenis van die drie
stooten op de stoomfluit.
Het was een waarschuwingssein geweest voor de Bolsjewisten aan boord,
om zich te verzamelen.
Op een kabellengte van het schip verwijderde zich snel een motorboot,
van de grootste soort, die gemakkelijk zestig of zeventig personen
konde bevatten.
Op het dek meende Henderson in de duisternis eenige witte vlekken te
ontdekken, het leken wel de witte japonnen van vrouwen....
Henderson slaakte een kreet van woede, en trad op Raffles toe, die met
bleek gelaat naar de snel wegvarende motorboot keek.
Met luid geraas ontsnapte aan de flank van het groote schip een dikke
witte rookpluim.
„Moeten wij dat zoo maar toelaten, Mylord,” riep de brave reus uit, met
de hand aan de kolf van zijn Mauserpistool.
„Wij kunnen niet anders Henderson—de schurken hebben den stoom
afgeblazen voor zij het schip verlieten en wij zouden het eerste uur
slechts met halve kracht kunnen varen”.
„Maar waar is mijnheer Brand, Mylord?” vroeg Henderson op gedempten
toon. „Ik zie hem niet.”
„Mijnheer Brand... bevindt zich aan boord van gindsche motorboot,”
antwoordde Raffles op ernstigen toon.
HOOFDSTUK IV.
EEN GEVAARVOLLE ONDERNEMING.
Henderson keek Raffles eenige oogenblikken met strak gezicht aan, en
hernam toen:
„Is hij als gevangene mede gevoerd, Mylord?”
„Neen—hij heeft zich vrijwillig aan boord begeven.”
„Maar dan loopt hij het grootste gevaar.”
„Hij loopt zeker gevaar—maar minder dan je denkt. Hij bevindt zich aan
boord onder een vermomming—hij is daar als vrouw. Je weet hoe
voortreffelijk mijnheer Brand de rol van een vrouw weet te spelen.”
„Maar Mylord—ik begrijp er niets van,” opperde Henderson. „Mijnheer
Brand was toch volstrekt niet als vrouw verkleed, hoe kwam hij zoo
spoedig aan de kleederen, aan de pruik, en alles wat hij noodig had?”
„Het toeval is ons daarbij gunstig geweest, vriend. Aan boord bevond
zich een klein troepje tooneelspelers dat zich naar Turkije wilde
begeven en de meesten hadden hun pruiken en schmink als hutbagage bij
zich. Wij werden in de rookkamer opgesloten met bijna tachtig man en
eenige vrouwen, die kans hadden gezien hun weinige bagage mede te nemen
naar dat vertrek. Onder haar bevonden zich een paar tooneelspeelsters,
en dat bracht mijnheer Brand op het denkbeeld zich verdienstelijk te
maken. Wij hadden namelijk gillen hooren slaken—en wij begrepen wel dat
de schurken voornemens waren eenige van de schoonste vrouwen te
ontvoeren.”
„Maar Mylord—kon dat niet belet zijn geworden?” riep Henderson woedend
uit. „Er waren toch een massa passagiers aan boord?”
Raffles haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde toen:
„Al die menschen waren als verlamd van schrik, ik heb nooit geweten dat
een paniek zoo aanstekelijk kon werken. Niemand hunner scheen in staat
te zijn geregeld te denken en hun vrees was zoo groot, dat zij niet
alleen volstrekt niet naar mij wilde luisteren, toen ik hen vermaande
zich te weer te stellen, maar zelfs dreigden mij aan de Bolsjewisten te
zullen verraden.”
„Dat is—dat is ongeloofelijk,” zei Henderson tandenknarsend. „Ik hoop
voor de eer van het land, Mylord, dat er aan boord weinig Engelschen
zijn.”
„In de rookkamer waren er vijf of zes, Henderson, en ik ben wel
verplicht om te zeggen, dat zij zich volstrekt niet moediger gedroegen
dan de rest. Voor de deur van de rookkamer stonden twee gewapende
bandieten en later kwamen er nog twee bij. Wij zouden volkomen
nutteloos ons leven geofferd hebben, mijnheer Brand en ik, als wij
hadden willen trachten die schurken met geweld de baas te worden. Maar
Charly had een van de tooneelspelers terzijde genomen—en een oogenblik
later zag ik hoe hij zich in een afgelegen hoekje haastig begon te
verkleeden. Je weet hoe bijzonder mijnheer Brand in dergelijke zaken
is. Het duurde geen tien minuten, of hij had zich met behulp van een
pruik, vrouwenkleeren, schmink tot een bevallige jongedame weten te
veranderen.”
„Maar met welk doel, Mylord. Met welk doel?” vroeg Henderson.
„Slechts met het doel, Henderson, aan boord te komen van de boot, welke
wij reeds in de verte door de kleine patrijspoorten hadden zien
naderen, toen de duisternis nog niet geheel gevallen was.”
„En—wat geschiedde er toen, Mylord?”
„Wel, de motorboot kwam langszij liggen, de stoomfluit weerklonk drie
malen en dadelijk daarop hoorden wij haastige voetstappen zich
verwijderen, het waren onze wachtposten, die zich gingen inschepen.
Nogmaals trachtte ik mijn metgezellen te overtuigen, dat het thans
misschien mogelijk zou zijn, ons met ons allen op de Bolsjewisten te
werpen, die zich nu in een ongunstige positie bevonden, maar hazen
hadden niet vreesachtiger kunnen zijn.”
„En mijnheer Brand?”
„Wij hadden reeds een korte afspraak gemaakt en hij opende dadelijk de
deur zoodra de voetstappen van onze bewakers niet meer hoorbaar waren.
Toen moet hij het dek op een snellere wijze bereikt hebben dan de
Bolsjewisten, tenminste toen ik op mijn beurt kwam zag ik dat zijn
krijgslist gelukt was.”
„Maar ik heb toch nog meer vrouwen aan boord gezien van die motorboot?”
drong Henderson aan.
„Zoo is het, Henderson,” zeide Raffles op doffen toon. „Wij stonden
machteloos—de ongelukkigen bevonden zich reeds aan boord van de
motorboot, toen wij het dek bereikten, het zou volkomen nutteloos zijn
geweest, zelfs al hadden wij niet te doen met lafaards, om tegenstand
te bieden want met hun Mauserpistolen hadden de Bolsjewisten een
vreeselijke slachting onder de passagiers kunnen aanrichten.”
„Ik begrijp het, Mylord—maar het is toch vreeselijk. Die arme vrouwen.
Wat zal hun lot zijn?”
„Hun lot is maar al te zeker, Henderson, als wij tenminste niet tijdig
tusschenbeide kunnen komen,” antwoordde Raffles. „Zij zullen slechts
een speeltuig zijn in de handen van de ellendelingen.”
„Maar op welke wijze zullen wij de ongelukkigen nog kunnen redden?”
riep Henderson wanhopig uit.
„Ik hoop, dat mijnheer Brand ons daarbij van groot nut zal kunnen zijn,
Henderson. Hij is bijzonder slim en misschien weet hij wel een middel,
om de plannen van de schavuiten te dwarsboomen. In ieder geval zal hij
in de eerste haven waar zij voor anker gaan een draadloos bericht
zenden naar een Roemeensche haven. En dan zullen de Roemeensche
autoriteiten zich wel haasten, een oorlogsschip op die roovers af te
zenden.”
„Maar dan krijgen zij het misschien met de regeering te Moskou aan den
stok.”
„Als de regeering te Moskou dergelijke schurken de hand boven het hoofd
houdt, Henderson, dan is het te wenschen dat het Bolsjewisme spoedig
met wortel en tak wordt uitgerukt,” riep Raffles op heftigen toon uit.
„Moge de Roemeensche regeering nog maar een oogenblik aarzelen—dan
zullen wij drieën eens zien, waartoe wij in staat zijn.”
„Zoo mag ik het hooren, Mylord,” riep de reus, met schitterende oogen.
„Het zou verschrikkelijk zijn, als wij die ellendelingen maar kalmpjes
hun gang lieten gaan.”
Dit gesprek had plaats gevonden dicht bij de verschansing en
afgezonderd van de overige opvarenden.
Intusschen was er aan boord van het schip weer groote bedrijvigheid
ontstaan.
De matrozen, van hun schrik bekomen, nu het gevaar geweken was,
verspreidden zich weder over het schip, de kapitein, de officieren,
namen hun posten weder in en dadelijk begon men alles in het werk te
stellen, om de installatie tot het verzenden van draadlooze telegrammen
weer in orde te brengen.
De chef-machinist was met zijn helpers naar de machinekamer gesneld,
had de buis weder afgesloten, waardoor de stoom ontsnapte en had
dadelijk bevel gegeven, de waterketels bij te vullen en zooveel
mogelijk steenkolen op de haardvuren te werpen, teneinde het schip in
staat te stellen, ten spoedigste zijn reis voort te zetten.
De reizigers hadden zich naar hun hutten begeven, teneinde zich te
overtuigen van de geleden verliezen en nu hoorde men overal
jammerklachten opgaan.
In bijna alle talen der wereld hoorde men schreeuwen, en vooral veel
vloeken.
Deze had tien duizend piasters verloren, gene honderd duizend roebels,
weer een derde verklaarde dat men hem voor een waarde van 12 000 pond
sterling aan diamanten had ontstolen—en zoo klonk de klacht over het
geheele schip.
Een troep sprinkhanen had een bloeienden akker onmogelijk zoo kaal
kunnen vreten als de Bolsjewisten het de „President Carnot” hadden
gedaan.
Maar vreeselijk was de toestand van een paar ongelukkige echtgenooten
en vaders, die tot de ontdekking waren gekomen, dat men hun vrouwen en
dochters had ontvoerd.
Er mankeerde vijf vrouwen, twee Armenische, twee Françaises en een
Duitsche, wier opvallende schoonheid aan boord dadelijk de aandacht had
getrokken, de achttienjarige dochter van een handelaar uit Hamburg,
Heinrich Teichmann geheeten, een rijke weduwnaar, wiens eenig kind zijn
oogappel was.
De ongelukkige man verkeerde in een toestand die voor zijn verstand
moest doen vreezen en het gelukte pas aan Raffles met veel moeite, om
hem weder eenigszins tot bedaren te brengen.
Tot tweemaal toe had de ongelukkige vader een poging gedaan om zich in
de golven te werpen, met het krankzinnige plan de snelle motorboot
achterna te zwemmen.
Hij zat nu, met Raffles aan zijn zijde, in zijn hut en keek met
starenden blik voor zich uit, den mond krampachtig vertrokken.
Het bleek al spoedig dat het toestel voor draadlooze telegrafie zoo
grondig vernield was, dat het zeker een paar dagen zou duren, voor de
reservedeelen op hun plaats waren gebracht.
Men behoefde er dus niet aan te denken, zich op die wijze in verbinding
te stellen met een der kustplaatsen.
Het eenige mogelijke was, de dichtstbijzijnde haven binnen te loopen—in
dit geval Mangatis, een kleine plaats op een honderdtal kilometers in
rechte lijn van Varna gelegen.
Zoo werd ook besloten en om elf uur in den avond liet het groote schip
op de reede van de genoemde stad het anker vallen.
Mangatis bezit geen haven, groot genoeg om schepen van een lengte en
een diepgang van de „President Carnot” te herbergen en zoo moest het
schip wel buitengaats voor anker gaan.
Onmiddellijk werd echter de kleine stoombarkas uitgezet, die met den
eersten officier, den scheepsdokter en acht matrozen bemand zoo spoedig
mogelijk koers zette naar de haven teneinde de autoriteiten op de
hoogte te brengen van het voorval, dat zich zooeven als het ware in het
gezicht van de stad had afgespeeld.
Dadelijk werd de telegraaf in werking gesteld en naar alle havensteden
in de Zwarte Zee, voor zoover zij langs den draad te bereiken waren,
werden telegrammen verzonden.
En nu kon men verder niet veel anders doen dan het resultaat afwachten,
al begrepen alle opvarenden van de mailboot wel, dat de kans om nog
iets van hun bezittingen terug te zien, bitter klein was.
Raffles had met Charly een afspraak gemaakt, dat hij in ieder geval te
Varna aan wal zou gaan met Henderson.
Het had thans geen doel om tot Constantinopel door te gaan en Raffles
wilde zoo dicht mogelijk in de buurt blijven van het schouwtooneel van
den overval.
Varna is een zeer groote, en uitstekend ingerichte haven en vandaar zou
hij spoedig genoeg naar een andere stad op de kust van de Zwarte Zee
kunnen gaan, zoodra zulks noodzakelijk mocht blijken.
In ieder geval dacht Raffles er geen seconde aan, zich goedschiks te
schikken in het verlies van zijn reispenningen.
Niet zoodra had Raffles zich met Henderson te Varna ontscheept, of hij
stelde zich in verbinding met de stedelijke autoriteiten om zijn beklag
te doen en te verzoeken hem dadelijk op de hoogte te brengen, indien er
eventueel en onverhoopt toch nog een telegram van een der havensteden
aan de Zwarte Zee mocht worden ontvangen.
Daarop ging hij met Henderson een hotel aan de haven opzoeken—en het
was ditmaal geen groot hotel.
Zelfs had Raffles, om aan geld te komen, teneinde zijn logies te kunnen
betalen, zijn toevlucht moeten nemen tot den lommerd, en door Henderson
een van de kleine diamanten, die hij steeds in geval van nood in de hak
van een zijner laarzen verborgen hield, laten verpanden.
De opbrengst van den kostbaren steen zou in ieder geval wel voldoende
zijn om desnoods een week te Varna te kunnen blijven—en de bankier van
Raffles te Londen zou hem des verlangd in dien tijd geld kunnen toe
zenden.
Om zoo spoedig mogelijk bij de hand te zijn, in geval er eenig bericht
van de Bolsjewisten mocht worden ontvangen, besloot Raffles, het hotel
zoo weinig mogelijk te verlaten.
Hij had den man, die er als oberkellner fungeerde, maar veel meer
geleek op een straatslijper, die zich in een oude kale rok had
gestoken, in opdracht gegeven, hem dadelijk te waarschuwen, wanneer hij
iets wist aangaande het lot van de motorboot, welke de bandieten van
het beroofde schip hadden afgehaald.
Een goudstuk zette klem bij aan dit verzoek.
En nu zat Raffles in gezelschap van Henderson op het terras voor het
kleine hotel en keek vol belangstelling naar het drukke gewoel voor de
haven.
„Mag ik een vraag stellen, Mylord?” vroeg Henderson, die stil voor zich
had uit zitten staren, na eenigen tijd.
„Ga je gang, Henderson,” zeide Raffles.
„Hebt ge er eenig vermoeden van, waarheen die drommelsche motorboot
zich kan hebben begeven?”
„Het eenige wat ik je hierop kan antwoorden, is, dat de Bolsjewisten
zich nog wel eens zullen bedenken, alvorens in een niet Russische haven
te landen. Dat zou zelfs des nachts met gevaar gepaard gaan, want op
dit oogenblik zijn alle Roemeensche, Bulgaarsche, Servische en
Grieksche, benevens enkele Turksche havensteden gewaarschuwd en in geen
van die landen gevoelt men bijzondere sympathie voor de Bolsjewisten,
en natuurlijk nog heel wat minder met de uitwassen van het Bolsjewisme,
zooals wij er nu een hebben beleefd, want gelukkig is het echte
Bolsjewisme toch nog wel iets anders dan rooven en plunderen,
Henderson.”