van het Mal.-Javaansche _pasar_, markt of bazaar. Dit laatste woord, dat
eigenlijk Perzisch is, maar ook door de Arabieren wordt gebruikt (zie
Dozy's „Supplément aux Dictionnaires Arabes” in v.), heeft met _pasar_
eene overeenkomst die waarschijnlijk bloot toevallig is. Marsden in
zijn „Mal. Woordenbk.” en Roorda in zijn „Jav. Handwoordenboek” schijnen
_pasar_ en _bazár_ voor identisch te honden; doch hier is veel tegen
te zeggen. Vooreerst schijnt de beteekenis niet geheel dezelfde te
zijn, daar _bazaar_ eigenlijk het _overdekte marktgebouw_ (zie Dozy,
„Oosterlingen” in v.), _pasar_, evenals ons markt, in het algemeen
_tijd en plaats voor de samenkomst ten handel_ schijnt te beduiden. Ten
andere doet het gebruik van _pasar_ in het Javaansch, in verband met de
overoude instelling der _pasarweek_ (zie mijn „Java”, D. I, bl. 502),
een ouderdom van dit woord vooronderstellen, die veel hooger opklimt
dan de Perzisch-Arabische invloed. Ten derde is de overgang van den
vorm geheel onaannemelijk. _Bazaar_ zou in het Jav. en Mal. eenvoudig
_badjar_ zijn geworden (zie van der Tuuk, „Bataksch leesboek” D. IV,
bl. 211); want voor de verwisseling van _b_ met _p_ bestond hier geen
reden, en de _zā_ van het Arab.-Perz. alfabet gaat in het Maleisch en
Javaansch steeds in _dj_ over, zooals in _tradjoe_ (het Perz. _trazoe_),
_djakat_ (het Arab. _zakáh_), _djimat_ (het Arab. _ʾazîmah_) enz.
Er bestaat in het Maleisch voor _markt_ nog een tweede woord _pekan_,
dat in het Javaansch _pĕkĕn_ wordt uitgesproken en in de hooge
taal _pasar_ vervangt.
Pagger.
_Pagger_ is gevormd van het Maleische _pagar_ (Jav. _pager_), zooals
_passer_ van _pasar_, _dammer_ van _damar_ enz. Het woord beteekent
heining, heg, haag, wand, schutting, scheidsmuur, omtuining. Hoezeer
het woord in Indië is vernederlandscht, blijkt uit het samengestelde
paggerkoffie zooals, in tegenstelling met de tuin- en boschkoffie, die
koffie genoemd wordt, die, meestal onder de schaduw van pisangboomen,
binnen de omheining der inlandsche kampongs groeit. Een in Indië
zeer gebruikelijk en zuiver Nederlandsch maar toch nauwlijks in het
moederland bekend woord, _omwanding_, omgeving door een _wand_[59],
heeft waarschijnlijk het voorbeeld gegeven voor _ompaggering_, omgeving
door een _pagger_, dat evenzeer in algemeen gebruik is.
[59] _Omwanding_ is in Indië, waar men van inlandsche gebouwen
spreekt, een zeer gepast woord, daar eerst het geraamte van
het huis wordt nedergezet, en dit, eerst nadat het dak daarop
geplaatst is, met een wand van planken, bamboes of boomschors wordt
omgeven. Zie van Hasselt, „Volksbeschrijving van Midden-Sumatra”,
bl. 159. De Vries en Verwijs hebben in de tweede reeks van het
„Nederlandsch Woordenboek” (beginnende met de letter O), kol.
737, het woord _omwanding_ opgenomen, en vermelden kol. 754 het
deelwoord _omwand_; maar beschouwen het werkwoord _omwanden_ als
ongebruikelijk. Al kan ik er niet dadelijk voorbeelden van geven,
meen ik het toch ook wel eens gelezen te hebben.
Fettor.
De langdurige en tot heden over het oostelijk deel des eilands
gehandhaafde heerschappij van Portugal op Timor heeft natuurlijk
aanleiding gegeven, dat op dat eiland onderscheidene Portugeesche
woorden in zwang en zelfs in de taal der inlanders overgegaan zijn, die
elders niet worden gebruikt. Zoo wordt het opperhoofd der zoogenaamde
zwarte Portugeezen _Tenente-_ (verkorting van _Locotenente_ of
_Lugartenente_) _general_, d. i. _Luitenant-generaal_, genaamd, en
de leden der ongeregelde troepen-korpsen, die te Delli, Batoe gedeh
en Manatoetoe dienst doen, _Moradores_, dat letterlijk _inwoners_,
_ingezetenen_ beduidt. Ook voeren vele hoofden en regenten in het
Portugeesch gedeelte van Timor, zelfs in officieele stukken, den titel
_Dom_ (= het Spaansche _Don_, en ook in het Port. in het meervoud
_Dons_), waarvan het vrouwelijk _Dona_ misschien de grondvorm is,
waaruit door verbastering de Maleische woorden _nona_ of _nonna_ (zie
op Liplap) en _nonja_ ontstaan zijn.[60] De vorsten op Timor hebben
veelal als districtshoofden rijksgrooten onder zich, die in het
Timoreesch _Siko_ heeten, maar meer algemeen onder den Portugeeschen
naam van _fettor_ bekend zijn. Ook in Nederlandsche stukken over Timor
komt dit woord telkens voor. Maar het heeft ook een meer algemeen
gebruik; want op sommige eilanden worden ook de _Europeesche_ ambtenaren
bij het gewestelijk bestuur aldus genoemd. Dit laatste is een
overblijfsel uit den tijd der Compagnie, toen _fettor_ (in plaats van
het in Europa gebruikelijke _factoor_) dikwijls gebezigd werd van een
_opziener van den handel_, het _hoofd eener factorie_. Het woord is toen
ook in het Maleisch overgegaan in den vorm _pétor_, daar de Maleier de
_f_ niet kan uitspreken.
[60] _Nona_ wordt gebruikt voor een jong meisje en _nonja_ van een
getrouwde vrouw. De inlanders gebruiken deze woorden niet enkel van
mestiesche vrouwen, maar ook wel van dames van zuiver Europeesche
afkomst. Zoo hoort men ze b. v. wel eens spreken van de _nonja
residen_. _Signo_ (_sienjo_) is verbastering van het Port.
_senhor_.
In het Portugeesch luidt dit woord eigenlijk _feitor_, eene verweeking
van het Lat. _factor_, waarvan ook ons _factoor_. Het beteekent in het
algemeen _dader_, _bedrijver_, maar heeft de bijzondere beteekenis
erlangd van _zaakwaarnemer_ of _administrateur_ van een handelszaak,
een fabriek of een landgoed (o administrador e negociador de fazenda
alheya).
Dammer.
_Dammer_ is in de omgangstaal der Europeanen in Indië en in de werken
over de Indische eilanden, de gewone, op de wijze van _passer_, _pagger_
en vele andere dergelijke (zie op _Rotting_) vernederlandschte vorm van
het Maleische en Javaansche _damar_, waardoor de tot fakkels gebruikte
en ook voor het batikken (zie dat art.) onmisbare hars van de damar-den
(_Dammara alba_) en andere boomen wordt aangeduid. Men schrijft ook wel
_dammar_, b. v. Perelaer, „Ethnologische beschrijving der Dajaks”, bl.
189, waar de inzameling van de dammer (_njating_ bij de Dajaks) op
Borneo wordt beschreven.
Tjambok, Sambok.
Dit woord behoort tot het Hollandsch dialect van Zuid-Afrika, of de
zoogenaamde Afrikaander taal, en is waarschijnlijk daarin overgenomen
uit het Maleisch, waaraan ook de woorden _amper_, _baar_, _bakklei_ voor
_bakkeleien_, _banjak_, veelal afgekort tot _banje_ of _baing_[61],
_oorlam_, _sambal_ en andere ontleend zijn. Ik heb die woorden niet
behandeld, tenzij ze ook in Nederland in gebruik zijn, maar wensch
een paar opmerkingen te maken over _tjambok_, omdat het, ofschoon in
het moederland niet gebruikelijk, dikwijls, zij het ook in zeer
verschillende vormen in Nederlandsche geschriften over Zuid-Afrika
voorkomt. Ziehier eerst enkele voorbeelden. Schüssler, „Zuid-Afrika”,
bl. 128: „Wij voorzagen ons van den noodigen voorraad zweepen en
_tjambokken_”. Ald. bl. 129: „Bij het uittrekken van zware vrachten uit
rivieren of tegen hoogten, bezigt men, buiten de zweep, ook stokken met
ijzeren punten of tanden voorzien, om door prikken of steken de ossen
tot meerdere krachtsinspanning aan te sporen. Ook gebruikt men tot
dit doel lange of korte karwatsen—_tjambokken_—van rhinoceros-huid
vervaardigd, welke bijna onverslijtbaar is”. H. P. N. Mulder
„Herinneringen uit Afrika”, bl. 69 v.: „De koetsier pakt zijne zweep,
die verscheidene meters lang is,.... en weet dan behendig de voorste
dieren te treffen, terwijl de tweede reiziger met een kort karwatsje van
nijlpaardenvel vervaardigd, een zoogenaamde _sjambok_, de achterste
ezels aandrijft”. Daniël Veth's „Reizen in Angola”, bl. 306: „De huid
van den hippopotamus verschaft hun de grondstof voor een soort van
zweepen, die zij _achterossimbok_ noemen, en die bij het drijven der
ossenwagens worden gebezigd”. Nog andere vormen van het woord leeren wij
kennen uit Mansvelt's „Kaapsch Hollandsch Idioticon”, die het behandelt
op _sambok_, bij verkorting _smok_, en omschrijft als „een soort van
karwats, bestaande uit een lange, dunne reep van de huid van een zeekoe
(rivierpaard)[62], ook _aapstert_[63] genoemd. Om de achterossen van een
span aan te sporen, bezigt men den _achteros-_ of _handsambok_”. Dat op
al deze plaatsen hetzelfde werktuig bedoeld wordt, al is nu eens de huid
van een rhinoceros, dan eens die van een hippopotamus genoemd als de
stof waaruit het vervaardigd is, kan, dunkt mij, aan geen twijfel
onderhevig zijn. Het materiaal wordt waarschijnlijk nu eens van den
een, dan eens van den ander dezer pachydermen verkregen.
[61] Zie Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”, bl. 174, 180. Mansvelt
in zijn „Idioticon” schijnt alleen de verminkte vormen _banje_ en
_baing_ of _bajang_ te kennen, maar dat ook banjak gebruikt wordt,
blijkt uit Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 8 en 79.
[62] Van der Kellen in „T. v. h. A. G.”, 2e serie, D. IV, „Verslagen
en Meded.”, bl. 490: „Van de Merwe wilde zich hier eenigen tijd
ophouden om „zeekoeien te jachten”, wat, in gewoon Hollandsch
overgebracht, zooveel zegt als: „rivierpaarden te jagen”.”
[63] D. i. apestaart.
In de Maleische woordenboeken vinden wij het woord in de volgende vormen
en met de daarachter gevoegde beteekenissen vermeld: bij Marsden (vert.
van Elout) _tjaboek_, een zweep; bij Roorda v. Eysinga _tjabokh_, zweep,
geesel; bij Crawfurd: _chabuk_, a whip; bij Pijnappel _tjaboek_,
_tjamboek_, zweep, en _tjĕmoek_, geeselroede (met een vraagteeken).
Het „Javaansch Wdbk.” van Prof. Roorda, vermeldt de vormen _tjaboek_,
_tjamboek_ en _samboek_, met de beteekenis _zweep_, en het „Soendaasch
Wdbk.” van den heer Oosting _tjamboek_ en _tjamoek_, met de beteekenis
_karwats_, soms ook _rijtuigzweep_.
Pijnappel, Roorda, Oosting, Crawfurd en ook v. d. Tuuk, en Homan's
„Handleiding voor 't Batav. Maleisch”, bl. 88, zijn allen van meening,
dat het woord uit het Perzisch stamt, maar verschillen ook ten opzichte
van den Perzischen vorm, dien de drie eerstgenoemden _tjamboek_, de
beide laatsten _tjaboek_ (_chabuk_) schreven. Mansvelt vergelijkt ook
een paar vermeende Perzische vormen, t. w. _tsjoembah_ of _tsjambah_.
In het _Lexicon Persicum_ van Vullers vind ik alleen den vorm _tjaboek_
(_scutica_, _flagellum_) en wel als een zeldzaam, slechts bij enkele
schrijvers voorkomend en waarschijnlijk uit Hindostan stammend woord
voor het gewone _tâzijânah_ of _tâzânah_. Het schijnt mij derhalve nog
lang zoo zeker niet dat de talen van Maleischen stam werkelijk dit
woord uit Perzië hebben ontvangen.
De verschillende vormen, wanneer wij het waarschijnlijk foutieve of
enkel lokale _sjimbok_ ter zijde stellen, laten zich gemakkelijk
verklaren en worden dadelijk erkend als door gewone letterverwisselingen
benevens de insertie der liquida _m_ (zie de artt. _Amfioen_,
_Pampoesjes_ en _Banaan_), wanneer men ze in de volgende orde plaatst:
_tjabok_, _tjambok_, _sjambok_, _sambok_, _tjámok_, _tjĕmok_, _smok_.
Het verschil tusschen _tjabok_ en _tjaboek_ enz. is onwezenlijk.
De beteekenis is kennelijk noch bepaaldelijk een _zweep_, noch
bepaaldelijk een _karwats_, maar in het algemeen een werktuig om
trekdieren aan te drijven en omvat dus beide. De Afrikaansche boeren
hebben een lange zweep met een verbazend langen riem, waarmede zij zeer
behendig elken os, van het uit veertien tot twintig bestaande span,
die eene vermaning behoeft, weten te treffen, en bovendien een kort
karwatsje dat alleen voor het aanzetten der achterste ossen bestemd is.
Dit laatste noemen zij _achterssambok_ of _achterossambok_, soms ook
_handsambok_, en daar voor de lange zweep het woord _sambok_ eenigszins
in onbruik schijnt geraakt te zijn, ook dikwijls enkel _sambok_.
Sambal.
Het Maleische _sambal_, in het Jav. _sambĕl_ uitgesproken, heeft
sedert lang een soort van burgerrecht in onze taal gekregen, en is toch
door van Dale niet opgenomen. Ik hoorde het als kind in de ouderlijke
woning gebruiken van een toespijs bij vleesch, hoofdzakelijk bestaande
uit komkommers die door middel van een daartoe ingericht mesje in
zeer fijne reepjes worden gesneden of geschaafd. Volgens een oud
recept werden zij daarna 24 uren in de pekel gelegd en vervolgens met
bijvoeging van peperwortel en laurierbladen in een flesch gedaan, die
verder met besten azijn werd gevuld.
In het Kaapsch-Hollandsch beteekent _sambal_, volgens Mansvelt's
„Idioticon”: „een bij vleesch gebruikte toespijs, uit fijn gesneden
uien, kweeperen, komkommers enz. bestaande en met azijn toebereid.”
In het Maleisch en Javaansch heeft echter _sambal_ geene zoo tot
eene enkele toespijs beperkte beteekenis. Het is een algemeene naam
voor allerlei als toespijs bij de rijst gebruikte bereidselen, die
onder een groote verscheidenheid van namen voorkomen. Gemalen Spaansche
peper is meestal een hoofdbestanddeel. De sambals, die gebakken of
gefruit worden, heeten _sambal goring_. Bij de familiën uit Indië in
Europa weergekeerd wordt vaak nog de rijsttafel aangerecht en de
benoodigdheden voor de toespijzen, die echter niet altijd in gelijke
volledigheid worden aangeboden, zijn in de voornaamste magazijnen van
comestibles in onze groote koopsteden geregeld voorhanden. Wanneer men
in deze familiën het woord _sambal_ zonder specificatie hoort gebruiken,
denkt men daarbij aan de Maleische beteekenis, die al de eindelooze
verscheidenheden der toespijs bij de rijst omvat.
Padi.
_Padi_ (soms _paddi_ geschreven) is de Maleische naam voor rijst in de
aard, zooals zij halm voor halm met de padi-sikkel (ani-ani) gesneden,
opgeschaard en ter markt gebracht wordt. De Javaansche vorm is _pari_.
De samengestelde woorden _padi-sikkel_, _padi-oogst_, _padi-schuur_,
_zaai-padi_ en vele andere bewijzen, hoezeer dit woord in de taal der
Nederlanders in Indië het burgerrecht heeft erlangd. De rijst komt
echter ook gepeld en gereinigd in den handel en wordt dan in het
Maleisch _bras_ genoemd. Dit woord is echter minder in gebruik bij
de Europeanen, en vandaar het voor een met Indische eigenaardigheden
minder vertrouwden Europeaan eenigszins vreemd verschijnsel, dat in
handels-staten dikwijls naast eene zekere hoeveelheid _padi_, ook
eene zekere hoeveelheid _rijst_ genoemd wordt. De rijst heeft in de
inlandsche talen, naar gelang der omstandigheden, verschillende namen.
Zij heet _padi_ zooals ze gesneden wordt, _gabah_, als ze van het stroo
ontdaan, maar nog in den bolster is, gelijk zij gezaaid wordt, _bras_,
wanneer ze ontbolsterd is, zooals zij gekookt wordt, en _nasi_
(_nassi_), als zij gekookt is, zooals zij gegeten wordt.
Men onderscheidt van de rijst vier hoofdsoorten en tallooze
verscheidenheden. Van de hoofdsoorten worden _oryza sativa_ en _oryza
praecox_ gekweekt op velden die een groot deel van het jaar onder water
worden gehouden, de algemeen bekende _sawah's_. Dit woord is Maleisch,
Javaansch en Soendaasch en ook bij de Nederlanders in Indië algemeen in
gebruik. De namen voor de droge en hooggelegen gronden, waarop de derde
soort, _oryza montana_ of bergrijst gekweekt wordt, Jav. _tĕgal_,
Soend. _tipar_, Mal. _ladang_, worden niet zoo dikwijls van Europeanen
gehoord. De vierde soort, _oryza glutinosa_ of kleefrijst, Jav.
_kĕtan_, heeft vele verscheidenheden, deels voor natte, deels voor
droge kultuur geschikt, en wordt voornamelijk gebruikt tot bereiding van
kwee-kwee (van het Soend. _koewèh_), zooals de Europeanen doorgaans het
inlandsche _gebak_ noemen.
Ritsje.
_Ritsje_, veelal, in het meervoud, _ritsjes_, was eertijds in Ned.-Indië
onder de Nederlanders de gewone naam der Spaansche peper of _capsicum_,
die in het Jav. en Soend. _lombok_ en _tjabé_, in het Mal. ook _tjili_
heet[64]. Over den oorsprong van ritsje zegt Rumphius, „Amb. Kruydb.”,
D. V, bl. 249: „De Portugeesche naam is in Indiën _Recche_, of gelijk
wij lezen _Retsje_, waarvan komt _rechear_ en _rechead_, d. i.
allerhande vruchten in azijn en peekel ingeleid, 't welk nooit geschied
zonder deze houwen. In 't Duits noemen wij ze _Ritsje_, en de Ternatanen
en Amboinezen _Ritsja_”. Volgens de Clercq, „het Maleisch der Molukken”,
zou _Ritjà_ in gebruik zijn in Menado en Banda, en zou men op Ternate
_Koeroes_, op Ambon _tjili_ gebruiken. Ten onrechte zeker beschouwt
hij op het art. _Ritjà_ dit woord als een soortnaam voor _Capsicum
pyramidale_, terwijl hij toch het art. _Koeroes_, als een synoniem
aanmerkt van dit laatste, ofschoon hij daaraan de beteekenis van
_capsicum_ in het algemeen geeft.
[64] Ik geloof, dat de hier opgegeven namen algemeene voor alle
capsicum-soorten zijn. In de soortnamen heerscht nog groote
verwarring. Het ware wenschelijk, dat de geheele nomenclatuur der
Ned.-Ind. plantennamen zorgvuldig herzien werd naar het beginsel
der strenge onderscheiding van geslachts- en soortnamen. Ik
veroorloof mij daaromtrent te verwijzen naar mijne Inleiding op
de „Bijdragen tot de kennis der Flora van Midden-Sumatra” (in het
groote werk „Midden-Sumatra”, D. IV, 2e ged.), bl. 9.
Ik vind het woord _recche_ niet in de Portugeesche Woordenboeken,
die ik op dit oogenblik kan raadplegen[65]. Misschien is het een
woord van Amerikaansche afkomst, door de Portugeezen naar de _Molukken
overgebracht_. Miquel, „Flora van Ned.-Indië”, D. II, bl. 661, zegt, dat
waarschijnlijk alle capsicum-soorten van Amerikaanschen oorsprong zijn.
Maar, zoo laat hij volgen: „in Oost-Indië en den Sunda-Archipel zijn
deze gewassen reeds sedert aloude tijden ingevoerd, zoodat Rumphius tot
de meening overhelt, dat zij aldaar inlandsch zijn.” Als men de plaats
bij Rumphius inziet, bemerkt men, dat hij niet slechts tot die meening
overhelt, maar ze geheel omhelst. „Ik houd het,” zegt hij, „voor een
inlands gewas, al van oude tijden door geheel Oost-Indiën bekend, en
daar is niet een huisje of erfje zoo klein en niet een huisvader zoo
arm, die maar een klein hoekje land bij zijn hutje heeft, of hij gund
den _Tchili_-boom een plaats, omdat het een zoo algemeene specerij
is, en in de dagelijkse kost noodig.” Dit neemt echter niet weg, dat
Rumphius een _Capsicum occidentale_ kent, dat bij de Portugeezen
_pimenta_ of _pimentâo_ heet en de eigenlijke _Spaansche_ peper van
ons Nederlanders is, „omdat het uit de nieuwe Spaansche landen is
aangebracht.” Al nemen wij nu aan, dat slechts deze ééne soort door de
Portugeezen naar de Molukken is overgebracht, dan zou daarmede toch de
verbreiding van haren Amerikaanschen naam verbonden kunnen geweest zijn.
[65] En waartoe niet behoort dat van Moraes Silva, dat ik langen tijd in
gebruik had van de bibliotheek der Maatschappij van Nederlandsche
Letterkunde te Leiden en toen bijzonder leerde waardeeren.
Dat _recche_ in eenig verband zou staan met de Portugeesche woorden
_rechear_ en _recheado_, zooals Rumphius' meening was, komt mij in ieder
geval zeer onwaarschijnlijk voor. _Rechear_ beteekent niet _inleggen_,
maar opvallen, _volstoppen_, het fransche _farcir_, of zooals het Port.
woordenboek van Da Costa e Sá het verklaart: „Encher de carne picado, de
peine picada”. Voor _rechead_, dat geen woord is, moet men bij Rumphius
waarschijnlijk _recheâo_ lezen, dat vermoedelijk de beteekenis _vulsel_
had. Echter heeft de tegenwoordige taal daarvoor _rechêo_ of _recheio_,
door Da Costa e Sá verklaard: „Carne, peixe ou outro monjar picado com
hervas, ovos e especes, com que se enchem aves, alcachofras etc.”, d. i.
vleesch, visch of andere spijs bereid met kruiden, eieren en specerijen,
waarmede vogels, artisjokken, enz. gevuld worden.
_Ritsjes_ is thans niet alleen in Nederland onbekend, en ook in
Ned.-Indië, zoo het schijnt, in onbruik geraakt, maar het heeft zijn weg
gevonden naar de Kaapkolonie, waar nog, volgens Mansvelt's „Idioticon”
_Rissies_, verbasterd uit _ritjes_, voor Spaansche peper in gebruik is.
Massa.
_Massa_ komt bij van Linschoten voor als naam van de foelie, die in het
Fransch, Spaansch, Duitsch en nieuw-Latijn _macis_, in het Engelsch
_mace_, in het Italiaansch gewoonlijk _mace_, doch in d'Ulloa's
vertaling van de Barros, Decel. II, lib. 6, c. 7, _mazza_, en in het
Portugeesch _maça_. Van dit laatste is _massa_ bij van Linschoten
ongetwijfeld afkomstig. De plaats, „Itinerario”, bl. 90, luidt als
volgt: „De notemuscaet heeft omheen een harde schulp gelijc hout, so
dat die noot daer los in leyt, ende deze houte schille ofte schulpe
is bedect ende becleet met muscaten bloemen, die men _massa_ heet....
Somtijds soo berst die foelie ofte massa; welcke is de oorsake dat
altemet die noten sonder massa komen, ende wanneer men die note muscaten
drooght, so gaeter die massa af, ende die coleur van root verandert
in orangien coleur, gelijc men mach sien aan de massa die herwaerts
overgebracht wort.” Dat ook de andere genoemde natiën dit woord aan de
Portugeezen verschuldigd zijn, acht ik zeer waarschijnlijk, ofschoon de
overgang tot den vorm _macis_ moeilijk te verklaren is.
Maar nog moeilijker is het van den oorsprong van _maça_ zelf rekenschap
te geven. Eertijds hield men het voor identisch met het Grieksche
_maker_, bij Plinius, H. N. XII: 16 _macir_ („Et macir ex India
advehitur, cortex rubens radicis magnae, nomine arboris suae; qualis sit
ea, incompertum habeo”). Uit die plaats volgt echter dat _macir_ iets
geheel anders moet zijn dan de foelie, zooals ook door Piso in „Mantissa
aromatica” en Rumphius, „Amb. Kruydboek”, II, bl. 16, zeer wordt op den
voorgrond gesteld. Echter moet men erkennen, dat eene verwarring van
beide, in voorkomen, zoo het schijnt, wel eenigszins overeenkomende
zaken niet zoo geheel ondenkbaar is.
Het is echter ook niet ondenkbaar, dat het woord _massa_ afstamt uit
de taal der Bandaneezen, op wier eilanden de muskaatnoten het meest
voorkomen. Van deze taal is ons zeer weinig bekend en de bevolking werd
reeds door Koen verdreven en verstrooid. In de „Curieuse Aenmerckingen”
van S. de Vries, I, bl. 125, leest men, dat de muskaatnooten op Banda
door de inwoners _pala di massa_ genoemd werden, en de bloemen, d. i. de
foelie, _buna pala_. Volgens Rumphius t. a. p. heet de muskaatnoot op
Banda en bij alle Maleiers _pela_. „Het roode netjen”, dus gaat hij
voort, „dat op de houten schaalen ligt, werd in 't nieuw-Latijn genaamd
_macis_” [over welks verschil van _macer_ hij dan verder uitweidt],
„maar 't woord macis schijnt afkomstig te wezen van 't Javaanse woord
_massa_, gelijk ze noch op het Portugeesch heet. Hedendaags noemt
men ze in 't Maleyts _Bonga-pala_... op 't Nederduits _foely_ en
muschaaten-bloemen... De regte Maleiers verstaan door _Bonga-pala_ de
kleine bloempjes, ofte eigentlyke bloeizel van de Noteboom, dewelke zij
gedroogt tot eenige medicyne bewaaren, en men kan ze genoegzaam bekoomen
aan de zoorte, die men Pola-Boy noemt en voor 't manneken van de tamme
nooteboom gehouden wert; daarentegen de foely noemen ze _sarony_ of
_boncus-pala_, d. i. scheede of zak van de Noot, en zeker dat met beter
reden, want wat gelykenis heeft de foely met een bloem?”
In de aangehaalde plaatsen, zoo van de Vries als van Rumphius, zijn
de namen uit de inlandsche talen aangehaald eenigszins misspeld of
verbasterd[66], maar zij zijn gemakkelijk te verbeteren.
[66] Burman, de uitgever van het Amboinsch Kruydboek, heeft
waarschijnlijk niet veel van de inlandsche talen van den Archipel
geweten, en dienvolgens in het H. S. verkeerd gelezen. Men kan
niet aannemen, dat Rumphius zelf nu eens pela, dan eens pala zal
geschreven hebben.
De muskaatnoot heet in het Maleisch niet _pela_, maar _pala_; in plaats
van _buna pala_ en _bonga pala_, moet men _boenga pala_ lezen, van
_boenga_, bloem en _pala_, muskaatnoot; in plaats van _sarony_, het
bekende _sarong_ of _saroeng_, d. i. scheede of koker; in plaats van
_boncus_ schrijve men _boengkoes_, omhulsel. Dat _boenga-pala_ en het
nog in het Duitsch gebruikelijke Muskatblüthe geheel verwerpelijke namen
voor de _foelie_ zijn en niets anders dan den bloesem der muskaatboomen
kan aanduiden is ook, zooals wij zagen, reeds door Rumphius aangeduid.
De foelie heeft niets met den bloesem te maken, maar is wat men thans
gewoonlijk een _zaadmantel_ of _zaaddek_ (_arillus_) noemt.
Wat nu de meening van Rumphius betreft, dat de naam _massa_ Javaansch
zou zijn, deze wordt geenszins door onze woordenboeken bevestigd. Deze
zijn intusschen nog verre van volledig. Maar daar de muskaatboom op
Java niet groeit, kunnen zijne producten ook niet wel oorspronkelijke
Javaansche namen hebben; maar zullen ze wel door de Javanen genoemd
zijn met de namen, die er in het land van herkomst aan gegeven worden.
Behoort het woord _massa_ werkelijk in de inheemsche talen van den
Archipel te huis, dan zullen wij het wel in de eerste plaats op Banda
moeten zoeken. Ik acht het daarom zeer opmerkelijk dat bij de Vries
_pala di massa_ als de Bandaneesche naam van den muskaatboom wordt
opgegeven. Sommige lexicografen (b. v. Crawfurd) geven aan _pala_ in de
eerste plaats de algemeene beteekenis van vrucht. Mocht dus massa de
naam van de foelie zijn, dan zou men misschien _pala di massa_, door de
_vrucht_ of _noot in de foelie_ kunnen vertalen.