taal alleen gebruikt wordt, is de Maleisch-Javaansche naam van een soort
van zetmeel of meelachtig merg, dat in de stammen der Cycadeeën en van
vele soorten van palmen, zooals de Arengpalm, de Gebangpalm, eenige
soorten van het geslacht _Caryota_, maar bovenal in de palmen van het
geslacht _Metroxylon_, bij uitnemendheid _sagoboomen_ genoemd, wordt
aangetroffen. De sagoboomen zijn over den geheelen Archipel verspreid,
ook op Java, waar zij in het Javaansch _boeloe_, in het Soendaasch
_kirai_ heeten en in de administratieve taal bij den naam van
_zoetwater-nipah_ bekend zijn. Zij worden daar in sommige streken veel
aangeplant, omdat de bladeren een goede dakbedekking (atap) opleveren
en uit de bladstelen sterke matten gevlochten worden; maar het meel
is er in geen tel, en wordt slechts door zeer arme lieden of bij
groote schaarschte van rijst als voedsel gebruikt. Van de sago en hare
aanwending op de overige groote Soenda-eilanden schijnt weinig bekend
te zijn, behalve dat met Maleische vaartuigen groote hoeveelheden ruwe
sago van Borneo's Noordwestkust en Sumatra's Oostkust te Singapore
worden aangebracht, om daar in fabrieken, die bijna allen aan Chineezen
behooren, tot korrel- of parel-sago, den vorm waarin de sago in Europa
in den handel komt, te worden verwerkt. Maar het eigenlijke gebied der
sago, waar met geringe moeite uitgestrekte sagotuinen worden aangeplant
en onderhouden, waar het merg uit de gevelde en doorgezaagde stammen
losgeklopt en uitgelicht en vervolgens gewasschen en van houtvezels
gereinigd wordt, en waar het dus verkregen meel, op verschillende wijzen
bereid, nam. als pap (_papéda_), broodjes (_lempeng_) en als koekjes en
gebakjes van velerlei soort, het hoofdvoedsel der bevolking uitmaakt,
zijn de Moluksche en Papoesche eilanden in het algemeen en Amboina met
de omliggende eilanden bovenal.
Alang-alang.
_Alang-alang_ is de, bij de Europeanen in Indië algemeen gebruikelijke,
laag-Javaansche naam van eene soort van lang rietgras, (_Imperata
arundinacea_ of _Imperata Königii_), die in hoog-Javaansch _kambĕng_,
in het Soendaneesch _eurih_, in het Maleisch _lalang_ heet. Dit gras,
tot eene hoogte van drie à vier voet opschietende en dicht bijeen
groeiende, vormt op Sumatra, Java en elders uitgestrekte, door vele
tijgers bewoonde wildernissen, daar het mijlen ver de vlakten en
zachtglooiende berghellingen met een eentonig, vaalgroen kleed bedekt.
Het vertoont zich spoedig overal, waar vroeger voor den landbouw
ontgonnen velden weder verlaten en der woeste natuur prijsgegeven
worden. Men bedient zich van het _alang-alang_ veelvuldig tot dekriet
voor inlandsche woningen. Vgl. op _Atap_.
Atap.
_Atap_ Mal., _atĕp_ Jav. en Soend., schijnt oorspronkelijk in het
algemeen _dak_ of _dakbedekking_ te beteekenen; men spreekt daarom ook
van de atap, of het dak, eener Javaansche kar (pedati). Wanneer men dus,
gelijk dikwijls gebeurt, het alang-alang-gras of de nipah-bladeren
_atap_ noemt, heeft dit geen betrekking op de planten; maar op het
materiaal voor dakbedekking dat zij opleveren. Atap is nooit een
plantennaam. De uitdrukking „een dak van atap” of „een atappen dak”,
dikwijls door Europeanen gebezigd, is daarom ook eigenlijk niet juist;
want wie zal van „een dak van dakbedekking” spreken. Zij is echter
eenigszins verschoonbaar en brengt althans geen misverstand teweeg,
omdat het gebruik gewild heeft dat atap, ook door de inlanders, gebruikt
werd van het gewone dakmateriaal, dat in sommige streken het nipah-blad,
in andere het alang-alang-gras is, en zulks in tegenstelling met de
daken vervaardigd van _sirap_, kleine houten plankjes of platte stukjes
bamboes, op de wijze onzer dakleien geplaatst, en van _talahab_ of
gekloofde bamboeleden, waarvan eerst eene laag met de holle en dan eene
met de bolle zijde naar boven op het dakgeraamte gelegd wordt.
Bandjer.
_Bandjer_ of _Banjer_, een zeer gewoon woord bij de Europeanen in
Indië en in geschriften die over Indië handelen, is het Mal. en Jav.
_bandjir_, d. i. overstrooming, watervloed, zooals die op Java, ten
gevolge van het plotseling zwellen der rivieren, in den regentijd
voorkomt. Men kan in dien tijd nauwelijks berichten over Java opslaan,
zonder van bandjirs gewag te vinden. Van de vreeselijke uitwerkingen
van zulk een bandjir gaf eenmaal Douwes Dekker, ik meen in zijn
boekje: „Wijs mij de plaats waar ik gezaaid heb”, eene aangrijpende
beschrijving.
Het zeer algemeene woord is terecht opgenomen in het „Nieuw Ned. Wdbk.”
van van Dale; maar zijne verklaring: _stortvloed_, _zware regenbui_, is
niet geheel nauwkeurig; want _bandjir_ duidt nooit den zwaren regen
zelven aan, maar steeds zijn gevolg: den _stortvloed_.
Djaksa.
_Djaksa_, Mal. en Soend. (de Javaansche vorm is _djĕksô_), heet ook
bij Europeanen, en zelfs in officieele stukken, de openbare aanklager,
fiskaal, of, zooals men thans meestal zegt, officier van justitie
bij de inlandsche rechtbanken. Zie b. v. van der Lith en Spanjaard,
„Staatsinstellingen van Ned.-Indië”, bl. 144: De titel van de inlandsche
officieren van justitie is die van _hoofd-djaksa_ op de hoofdplaatsen
der gewesten, elders die van _djaksa_. Adjunct-djaksa's staan hun
gewoonlijk ter zijde.
Balé-balé.
In het Javaansch beteekent _balé_ in de eerste plaats ongeveer hetzelfde
als _ambèn_, d. i. eene bank, zit- of ligplaats, doorgaans van bamboe
vervaardigd, en die het voornaamste stuk huisraad in eene Javaansche
woning uitmaakt. Op zulk eene bank strekt de Javaan gaarne op het
warmste van den dag de van den arbeid vermoeide leden uit, om zich over
te geven aan eene droomerige rust. Gelijk vele andere woorden wordt ook
_balé_, althans in de hier vermelde beteekenis, dikwijls verdubbeld, en
bij de Indo-Europeanen op Java is het bepaaldelijk de gewoonte geworden,
altijd dien geredupliceerden vorm te bezigen. Zoo lezen wij b. v. bij
van Hoëvell, „Reis over Java”, D. I, bl. 127: „Menigmaal kon ik de
verzoeking niet weerstaan, mij op een oogenblik op een _balé-balé_ voor
een der woningen neder te zetten.”
Door eene uitbreiding van het gebruik beteekent het Jav. _balé_ ten
tweede ook een _pandôpô_ of paviljoen, dat bij bijzondere gelegenheden
tot zitplaats dient, en hieraan sluit zich de beteekenis van het
Maleische _balei_, dat ongetwijfeld hetzelfde woord is, dus omschreven
in het „Mal. Woordenboek” van Pijnappel: „een aan de vier kanten open
gebouw, dat voor vergaderingen, het huisvesten van vreemdelingen enz.
dient, het raadhuis.” Zulk een gebouw is inderdaad te vergelijken met
eene groote overdekte rustbank. Vgl. Klinkert's „Supplement”. Ook in
dezen zin komt _balei_ wel eens in Nederlandsche geschriften voor,
b. v. van Hasselt, „Volksbeschrijving van Midden-Sumatra”, bl. 142;
Verkerk Pistorius, „Studiën over de inlandsche huishouding in de
Padangsche bovenlanden”, bl. 9. Laatstgenoemde schrijft ook dit woord
_balei-balei_, waarschijnlijk omdat hem die vaak, schoon in andere
beteekenis, op Java gehoorde klank voor den geest zweefde.
Er ligt iets verleidelijks in om ons _balie_, in den zin van
_rechtbank_, van dit Maleische _balei_ af te leiden; want in beide heeft
het woord bank eene gelijksoortige uitbreiding erlangd. Het denkbeeld
is dan ook werkelijk geopperd; maar het woord behoort volstrekt niet
tot die klasse van woorden, die ons Nederlandsch aan het Maleisch
verschuldigd is. Maar bovendien is het niet twijfelachtig of de ware
beteekenis van _balie_ is afpaling, afschutting, hek, slagboom, het
Latijnsche _cancelli_ (waarom het ook voor het afschutsel eener stoep,
de leuning eener trap enz. gebezigd wordt), en dus ook de afschutting
tusschen de rechters en advokaten. De advokaat spreekt dus vóór de
balie. Misverstand dier uitdrukking zal aanleiding gegeven hebben dat
het woord op de rechtbank zelve werd overgebracht.
Moksa.
Ik verkies deze schrijfwijze boven de gewone _moxa_, niet alleen omdat
het Nederlandsch het gebruik der letter _x_ verwerpt, maar ook omdat,
zooals zoo aanstonds blijken zal, in het Japansch, waaraan dit woord
ontleend is, de _k_ en _s_ afzonderlijke letters zijn, zelfs door een
korte vokaal gescheiden. Van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”, art. _Moxa_,
omschrijft de beteekenis dus: „bijvoetwol, uitwendig als brandmiddel
gebruikt ter genezing van jicht en podagra.” Inderdaad is het niet de
bewerking, maar de stof, die _moxa_ genoemd wordt, zoodat die naam ten
onrechte door de Europeanen gebezigd wordt, wanneer men eene andere stof
dan de _bijvoet_ voor de brandwonde bezigt. Wijlen Prof. Hoffmann gaf
mij omtrent dit woord op mijn verzoek de volgende opheldering: „_Moksa_
is de vulgaire Japansche naam van _Artemisia vulgaris_ L. (bij ons
_bijvoet_). Het woord wordt ook _Mo-kusa_ (_Mo-ksa_) en _Mo-gusa_
geschreven, en beteekent naar mijne opvatting _brandkruid_, van _Mo_,
_Moye_ = branden (intransit.) en _Kusa_, kruid. De wetenschappelijke
Japansche naam is _Yo-mogi_, de Chineesche _Gai_ of _Ngai_. Men bezigt
de stelen tot pitten van waskaarsen en de gedroogde bladeren tot het
zoogenaamde moksa-branden, waarvoor de Europeesche kliniek thans
schietkatoen bezigt. De Japaneezen hebben het moksa-branden van de
Chineezen geleerd, en de Europeanen (Kaempfer, Thunberg enz.) zijn
het eerst door de Japaneezen hiermede bekend geworden.” Uitvoerige
mededeelingen over het moksa-branden, de bereiding der stof, de wijze en
het doel der aanwending vindt men in Kaempfer's „Japan” (Ned. tekst),
bl. 463–472. In de hedendaagsche geneeskunde is het moksa-branden
nauwlijks meer bekend.
Soja.
Gewoonlijk schrijft men _Soya_; doch ik zie geene reden waarom wij eene
lettergreep volkomen gelijkluidend met _ja_ in _jagen_ en _Java_, in
andere woorden _ya_ zouden schrijven. In het Engelsch heeft de _y_ de
waarde onzer _j_, en de _j_ de waarde die wij in vreemde woorden door
_dj_ (of _dsj_) uitdrukken, omdat geene letter in onze taal aan dien
klank beantwoordt. Iedere taal houde zich in de spelling aan haar
eigen klankstelsel; anders geraakt men in onoplosbare verwarring en
bevordert verkeerde uitspraak. Dus ook geen _u_ (als in het Duitsch
en Italiaansch) of _ou_ (als in het Fransch) voor den klank dien
wij met _oe_ uitdrukken. Alleen in vreemde eigennamen, waarvan geen
Nederlandsche vormen bestaan en die in het oorspronkelijk met dezelfde
letterteekens (ofschoon niet altijd met dezelfde waarde) als in de onze
geschreven worden, behoude men de vreemde spelling. Het spreekt echter
van zelf dat deze regelen niet toepasselijk zijn op wetenschappelijke
werken, waarin een vast stelsel van transscriptie gevolgd wordt, zooveel
mogelijk alle talen omvattend. De lezer behoort dan echter gewaarschuwd
te worden, dat hij met eene _algemeene_, _niet_ met eene _Nederlandsche_
spelling te doen heeft.
_Soja_ is de naam eener Japansche saus, die ook bij ons door velen als
een aangenaam toevoegsel bij vele spijzen beschouwd wordt. In het
Japansch luidt het woord _soo-joe_ of _sjoo-joe_ en beteekent
_uitstekende saus_.
Het hoofdbestanddeel dezer saus is een soort van boon, die door Linnaeus
_Dolichos soya_, door Mönch _Soya hespida_ genoemd werd. De plant is,
zoo het schijnt, oorspronkelijk in Japan te huis, waar men zomer- en
herfstboonen onderscheidt. De late soort komt in Europa, zooals uit
proeven in den Leidschen hortus gebleken is, zelfs na een gunstigen
zomer niet tot rijpheid. Daarentegen is de plant met goeden uitslag naar
de tropische deelen van Azië overgebracht. Op Java noemt men ze soms
_katjang djĕpoen_, d. i. Japansche boon, maar gewoonlijk _kadĕlé_
of _kĕdĕlé_. De Javanen bereiden daaruit, behalve de _soja_, ook
de _témpé_, die, tot platte koekjes gevormd en gebakken of gebraden, een
zeer geliefde toespijs is bij de rijst.
In de Soja onderscheiden de Japanners twee soorten, naarmate ze met
gerst of met tarwe is vermengd. De met tarwe bereide wordt smakelijker
geacht.
In een stukje over de „bereiding van de Japansche Soja”, medegedeeld
door Prof. Hoffmann, in de „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenk.
van N.-I”., 3e Volgreeks, D. V, bl. 192, wordt de bereiding der Soja
nauwkeurig beschreven volgens de Japansche Encyclopaedie _Wa-kan san-sai
dzu-e_, en ter vergelijking ook de beschrijving opgegeven die in
Kaempfer's _Amoenitates exoticae_ wordt aangetroffen.
Saki.
_Sake_, meestal als _saki_ uitgesproken, is de algemeen bekende naam
van een bierachtigen drank dien de Japanneezen uit rijst bereiden.
Prof. Hoffmann schreef in de „Bijdragen voor Taal-, Land- en Volkenk.
van N.-I.”, 3e Volgr., D. V, bl. 179, een uitvoerig opstel over de
„rijstbier- of sakibrouwerij in Japan” naar Japansche bronnen, waarin
de volgende verklaring van het woord voorkomt. „De uit rijst of andere
granen bereide gistende drank, die in het Chineesch Tsieu[58] genoemd
wordt, heet in het oud-Japansch _Ki_, hetgeen de Japanneezen zelven
voor identisch honden met het Chineesche _Ki_, geest, essence. Vandaar
de Japansche woorden _Sira-ki_ en _Kuro-ki_, d. i. wit of klaar en
donker of troebel rijstebier, en _Mi-ki_, de eerewijn, die aan de goden
en vorstelijke personen wordt voorgezet. De naam _sàke_ (_saki_) later
aan deze aftreksels gegeven, wordt verschillend uitgelegd; de meeste
waarschijnlijkheid heeft die uitlegging voor zich, welke in _Ke_ eene
variant van het oude _Ki_, essence, ziet, en het woord _Sake_
terugbrengt op _Masa-ke_, echte geest.”
[58] Vgl. het art. _Tjoe_.
Tjoe.
_Tjoe_ is in Nederlandsch-Indië een ook bij de Europeanen algemeen
bekende Chineesche naam voor een soort van sterken drank, dien de heer
Lange, „het eiland Banka”, bl. 105, _Chineesche arak_ noemt. Het is
het Chineesche _tsioe_, dat in het Cantonsch dialekt als _tsau_,
maar in andere dialekten ook als _tsieu_, _tsjoe_ of _tjoe_ wordt
uitgesproken. Volgens de woordenboeken beteekent het een drank uit rijst
gedistilleerd, en is dus het Chineesche aequivalent voor het Japansche
_saki_; maar het wordt ook op andere sterke dranken en zelfs op wijn
toegepast. Het behoeft ons dus niet te verwonderen, indien wij bij den
heer de Sturler, „Handboek v. d. Landbouw in N. O.-I.” op bl. 162
lezen, dat de Chineezen op Java ook aan de saguweer den naam van _tjoe_
geven.
_Saguweer_, om dit hier even in het voorbijgaan op te merken, is een
der meest gebruikelijke namen voor den palmwijn of het gegiste sap dat
van den arèn- of suikerpalm verkregen wordt. Men schrijft ook wel
_sagoweer_. De oorsprong van den naam is onbekend, doch het schijnt dat
wij dien hebben overgenomen van de Portugeezen, die zoowel het sap als
den boom _sagueiro_ noemen. Misschien is die naam afkomstig uit dezelfde
Moluksche taal, waaruit ook _tifar_, ons _tijferen_ (zie op dat woord)
afkomstig is. Zie Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, D. I, bl. 59, en de
Sturler, t. a. p. bl. 157, 161 v.
Boha.
Een volkswoord waarvan de ware vorm en de juiste beteekenis even onzeker
zijn als de oorsprong. Ik zou het hier niet vermelden, indien niet van
Lennep in zijn „Zeemans Woordenboek” het stellig als een woord van
Maleischen oorsprong had opgegeven. „Wanneer”, zegt hij, „men met de
sloep over de modderbank voor Batavia varende, vastraakt, moeten de
roeiers er uit om te sleepen, 't welk uit hoofde der menigvuldige
kaaimannen, die zich aldaar bevinden, niet weinig gevaarlijk is. Wanneer
nu de Javanen, die op de modderbank visschen, eene sloep zien vast
zitten, roepen zij aan de Equipage toe _bohaya_, 't welk in 't Maleisch
_kaaiman_ beteekent, ten einde men hen de sloep doe sleepen en zij er
wat aan verdienen. Uit dit herhaald en luid geschreeuw der Javanen
is ontstaan, dat de matrozen een schreeuwer, een rumoermaker, een
_bohamaker_ noemen.” Deze verklaring schijnt mij niets meer dan een
vernuftige inval, waarvan men zeggen kan: se non é vero, é ben trovato.
De gissing van van Lennep is in strijd met de zekerheid die wij
bezitten, dat de phrase „de bohay maken” reeds vóór 1573 in het
Nederlandsch bekend was. Zij komt namelijk voor in den in genoemd jaar
uitgegeven „Schat der Nederduytscher spraken” van Plantin. Zie daarover
van Dale's „Nw. Ned. Wdbk.” in voce.
Ik noemde den vorm van het woord onzeker. Plantin schreef, zooals
wij zagen, _bohay_, van Lennep schrijft _bohei_ of _boha_, Franck,
„Etym. Wdbk. der Ned. taal” _boeha_ of _boha_, waarnevens hij ook de
Nederduitsche en nieuw-Hoogduitsche vormen _buhé_, _buhai_, _bruhé_,
_bruhai_ vermeldt. Van Dale zegt, dat men in de volkstaal ook
_boeha_, _boehaai_, enz. hoort. In gedrukte stukken, de woordenboeken
uitgezonderd, heb ik het woord slechts eenmaal aangetroffen, nam. in
een schrijven van den Gouv.-Gen. Camphuys, dd. 27 Oct. 1688, bij de Jonge
„Opkomst v. h. Ned. gezag in O.-I”, VIII, bl. 53. „Met het bohay van 't
groot Javaansch leger... is het gansch in rook verdwenen”. Daarentegen
hoorde ik het dikwijls uit den mond des volks, vooral in mijn
geboorteplaats Dordrecht, maar dan gemeenlijk _poeha_ uitgesproken. Voor
het geslacht wordt gewoonlijk mannelijk opgegeven; door Camphuys wordt
het woord als onzijdig gebruikt.
De eigenlijke beteekenis van het woord is ook bezwaarlijk vast te
stellen. Plantin verklaart _de bohay maken_ door „faire beau semblant,
dissimuler ou feindre”; Waesberge, „Grand Dictionnaire Français-Flamen”
(eveneens door v. Dale aangehaald) _den boha maken_ door „faindre
et faire semblant d'avoir beaucoup a faire”. Volgens van Lennep is
_boha_ geschreeuw, geweld, rumoer. In de plaats van Camphuys zou men er
_ophef_, _bluf_ voor in de plaats kunnen stellen.
De waarschijnlijkste verklaring van het woord is, dunkt mij, dat het
slechts een natuurkreet is, een nabootsing van de natuurgeluiden, die
bij een alarm, een getier, een uitkraaien van de beteekenis eener zaak
worden vernomen. Daaruit laat zich dan ook het best verklaren, waarom er
zooveel verscheidenheid in den vorm wordt waargenomen, en geene stellige
beteekenis kan worden opgegeven.
Padrie.
Dit woord, sedert lang in de Maleische taal opgenomen om een priester
aan te duiden, is het Portugeesche _padre_, vader. Marsden voert het aan
in zijn „Maleisch Woordenboek” en verklaart het: „een priester, een
Europeesch geestelijke”. Men moet zich daardoor niet laten misleiden om
te gelooven, dat padre _alleen_ van Europeesche geestelijken gebruikt
wordt. Het beste bewijs van het tegendeel is het door Marsden zelven uit
een Maleisch geschrift aangehaald voorbeeld: „Wij hebben eenen padri,
Hadji Kasim genaamd.” Want Hadji Kasim is een Arabische naam.
Aan de hadji's en priesters, die zich in de Menangkabausche landen op
Sumatra in 1803 aan het hoofd stelden der beweging, om den godsdienst
te zuiveren en te hervormen, is door de Maleiers zelven den naam van
_Padries_ gegeven (zie de Stuers, „De vestiging en uitbreiding der
Nederlanders ter Westkust van Sumatra,” D. I, bl. 33), en deze naam is
later, ik denk vooral door ons Europeanen, tot al de aanhangers der
hervorming uitgebreid. In de Nederlandsche geschriften over Indië,
beteekent dus Padries de ons vijandige partij op Sumatra, waarmede wij
van 1821 tot 1838 in oorlog waren, en die, vooral door de heldhaftige
verdediging van Bondjol in de geschiedenis van Ned.-Indië beroemd is.
Cipay, Sipoy.
De inlandsche soldaten in dienst der Engelsche regeering in Hindostan,
worden door de Engelschen gewoonlijk _Seapoy_ of _Sepoy_ genoemd; de
Fransche vorm daarvan is _cipaye_. In navolging van dit laatste en
tengevolge, zoo het schijnt, van de zonderlinge neiging bij ons volk om
alle woorden, die het niet kent voor Fransch te houden en op Fransche
wijze te spellen, schrijven sommige Nederlandsche schrijvers _Cipay_,
b. v. de Boer, „Krijgs- en geschiedkundig overzicht van den Punjab”,
bl. 260, 261. Anderen houden zich meer aan den Engelschen vorm, maar
toch dikwijls met eenige afwijking. Zoo nemen b. v. van Dale, „Nw. Ned.
Wdbk.” en de „Kunstwoordentolk” van Kramers-Bonte den vorm Sipoys
(meervoud) op, en de heer Steyn Parvé, „de Bijbel, de Koran en de
Veda's”, D. I, bl. 12, 14 schrijft Sepay op. De beste schrijfwijze is
sipahi, zooals geschreven wordt door Prof. Pijnappel in de „Bijdragen
voor Ind. Taal-, Land- en Volkenkunde”, D. II, bl. 130, in de vertaling
van een Maleisch stuk, welks schrijver in den vorm _Soepei_ eene andere
verbastering van het woord te aanschouwen gaf. De schrijfwijze _sipahi_
heb ik ook nagevolgd o. a. in mijn „Java”, D. II, bl. 589. Zij houdt
zich nauwkeurig aan den oorspronkelijken Perzischen vorm. In die taal is
_sipahi_ een adjectief gevormd van _sipah_ leger, evenals _lasjkari_
van _lasjkar_ (zie op _Laskar_). Uit dit _sipahi_ is bij samentrekking
ook _spahi_ ontstaan, een naam der Turksche ruiters, waarover men Dozy's
„Oosterlingen” in v. raadplege.
Gamĕlan.
Velen schrijven _gamĕlang_ (vgl. het gezegde op _orang oetan_ en
_tang_), welke schrijfwijze in de volgende woorden gegispt wordt door
Dr. Groneman „In den Kedaton”, bl. 4: „Waarom schrijven velen, die
't beter kunnen weten, nog altijd gamĕlang? 't Is 't werkwoord
_gamĕl_ (_muziek maken_, _begeleiden_ met _muziek_) met het
achtervoegsel _an_, en de _g_ is dus geheel overtollig”. Men zou ook
evenzoo kunnen vragen: „Waarom doen sommige schrijvers, die 't beter
kunnen weten, het ten onrechte voorkomen als ware de _gamĕlan_
een enkel instrument, terwijl het inderdaad een Javaansch orkest,
een stel van Javaansche muziekinstrumenten vordert.” 't Is waar dat
een _gamĕlan_ voor verschillende gelegenheden verschillend is
samengesteld, maar dat is ook met onze orkesten het geval. Alleen is bij
de Javaan de samenstelling zoowel wat het aantal spelers, en de keus der
instrumenten betreft, voor verschillende gelegenheden aan vaste regelen
onderworpen, en voeren de verschillende samenstellingen verschillende
namen, waaraan de kenner ze dadelijk herkent. Verkeerd is het dus,
wanneer de heer Gevers Deynoot, in zijne „Reis naar Oost-Indië”, bl. 79,
van den Javaan zegt „de gamĕlang, die het best met een zeer zacht
klokkenspel kan vergeleken worden, is zijn meest geliefd _instrument_”.
Tegenwoordig zijn zulke verkeerde voorstellingen niet meer te
vreezen: de gamĕlan is te dikwijls beschreven, de instrumenten
waaruit zij bestaat zijn te zeer in onze ethnologische verzamelingen
vertegenwoordigd, en te vaak op tentoonstellingen vertoond en bespeeld.
Men zie b. v. den Catalogus der Nederlandsche koloniale afdeeling van
de Tentoonstelling te Amsterdam van 1883, 2e groep, bl. 296. Eene
uitvoerige, maar niet geheel van misstellingen vrije beschrijving der
gamĕlans en daartoe behoorende instrumenten, gaf ik in mijn „Java”,
D. I, bl. 468–480.
Passer.