Eer ik dit artikel besluit, wil ik nog even opmerken, dat de naam van

Turksch koren of Turksche tarwe, waarmede wij in Nederland veelal de

maïs noemen, eene navolging is van het Fransche _blé de Turquie_, ook

_Turquet_. Het schijnt dat in dit land de maïs eerst uit de Levant is

ingevoerd, toen zij haren tocht door het Zuiden van Europa volbracht

had. De naam _blé de Turquie_ wordt door Littré volstrekt afgekeurd.

Tamarinde.

Reeds in Dozy's „Oosterlingen” verklaard als _tamr_ (of _tamar_)

_hindi_, d. i. in het Arabisch _Indische dadel_. Zie ook „Glossaire des

mots Espagnols et Port. dérivés de l'Arabe”, op _Tamarindos_. In het

Fransch zegt men _tamarin_ en voor den boom _tamarinier_, ofschoon

men tegenwoordig in de dagbladen dagelijks _tamar indien_ leest. De

verklaring van het woord heeft grammatisch niet het minste bezwaar; maar

waarin het punt van vergelijking tusschen de tamarinde en de dadels

gelegen is, blijft raadselachtig, ook na raadpleging der plaats van Van

Linschoten, „Itinerario”, bl. 99, die ik hier laat volgen. „De Malabaren

heetent _pulii_, de Gusaratten en de ander Indianen _ambilii_, de

Arabyers _tamarindi_, overmidts dat _tamaras_ in Arabyen zijn, die men

bij ons daalen heet[54], ende omdat se de _Tamarinio_ anders geen beter

gelijckenis weten te geven als naer de datylen ofte daalen, soo noemen

se die _Tamarindi_ (d. i. tamaren ofte daalen van Indië), waerom van de

Portugesen ook _tamarinio_ genoemd wordt.” Het moeten dus de vruchten

zijn, die tot den naam Indische dadels hebben aanleiding gegeven; maar

wanneer men bedenkt, dat de tamarindeboom (_Tamarindus indica_) tot de

leguminosen behoort en eene lange peul draagt, die van zes tot twaalf

kleine zaden bevat, en de dadel (_Phoenix dactylifera_) een palm is, met

vleezige, slechts één zaad bevattende vruchten, dan gevoelt men, dat ook

de overeenkomst tusschen de vruchten niet groot kan zijn. Zij schijnt

hoofdzakelijk te bestaan in de trossen waarin beide groeien.

[54] Thans zegt men _dadels_, maar te Amsterdam hoort men nog steeds de

Joden _geconfijte dalen_ venten.

Dat de tamarindeboom een overvloed van fijn gevederd loof draagt en de

prachtigste lanen vormt, en dat de vrucht een heerlijk zuur voor de

spijsbereiding oplevert, waarom de boom in het Javaansch _wit-asĕm_,

in het Maleisch _pohon-asam_, dat beide de _zuurboom_ beteekent, genoemd

wordt, zijn bijzonderheden, die geen plaats laten voor de meening, dat

hij soms in andere opzichten iets met den dadelpalm kan gemeen hebben.

Kerrie.

_Kerrie_ (Eng. _curry_) is de algemeen bekende naam eener soort van

specerij, uit de gepulveriseerde bladeren van verschillende aromatische

planten vervaardigd, die ons uit Oost-Indië wordt aangebracht en

doorgaans in flesschen in den handel komt. Onder de planten uit wier

bladeren kerrie bereid wordt, noemt men _Bergera Königi_, _Canthium

parviflorum_ en andere. Het woord stamt uit het Tamielsch, luidt in die

taal juist gezegd _Kari_ (zooals het ook te Batavia door de inlanders

wordt uitgesproken), en beteekent eigenlijk een _gerecht_, een

_schotel_. Daar nu de inlandsche gerechten der Malabaren doorgaans met

geurige kruiden worden toebereid, hebben de Europeanen dien naam niet

van het gansche gerecht, maar alleen van die toespijs opgevat.

Bij van Linschoten, „Itinerario”, bl. 99, vindt men den vorm _carryl_

gebezigd: „koken nimmermeer rijs ofte daer moet _tamarinio_ bijwesen,

waaruit hunnen compost, die zij _carryl_ noemen, toemaken.” De

tegenwoordige vorm _kerrie_ schijnt rechtstreeks van het Engelsche

_curry_ af te stammen, evenals wij, naar het mij toeschijnt, herrie,

dat een gewoon volkswoord geworden is,[55] ofschoon het nog in geen

Nederlandsch woordenboek gevonden wordt, hebben gemaakt van het

Engelsche _hurry_, dat _spoed_, _overhaasting_, _verwarring_, _rumoer_

beteekent.

[55] Ziehier eenige voorbeelden. Van Lennep, „Poëtische werken”, XIII,

bl. 189:

„Al te lang reeds heeft die herrie,

Heeft die warboel mij gestuit”.

Van Maurik, „Uit één pen”, bl. 146: „om schandaligheid of _herrie_

voor meheertje (den commissaris van politie) te vermijden”; Cremer,

„Anna Rooze”, D. III, bl. 334: „naar de _herrie_ gaan kijken”.

Laatstgenoemde schrijver gebruikt ook _geherrie_, b. v. „Anna

Rooze”, III, 150: „een Sultan met zoo'n massa vrouwen aan 't been,

moet toch altijd in een afgesukkeld _geherrie_ zitten”. Ibid. bl.

236: „och kind! _geherrie_”.

Benzoë.

Deze, voor zoover mij bekend is, alleen in het Hoog- en Nederduitsch

gebruikelijke vorm tot aanduiding der welriekende hars of gom van

_Styrax Benzoïn_ (een zeer geacht voortbrengsel van den Ind. Archipel,

inzonderheid van Sumatra) is de algemeene bij onze hedendaagsche

schrijvers (b. v. Miquel, „Sumatra”, bl. 72; de Sturler, „Handboek v. d.

Landb. in N. O. I.”, bl. 997; van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”). Vroeger

schreef men _benjuin_ (Baldaeus, „Beschrijv. van Malabar en Chorom.”,

bl. 13) en gewoonlijk _benzoïn_ (Valentijn, „Sumatra”, bl. 2;

Eschelskroon, „Beschrijving van Sumatra”, bl. 64; ook nog Ritter,

„Indische herinneringen” (1843), bl. 265). Radermacher, „Verhh. v. h.

Bat. Gen.”, D. III, bl. 44, schrijft _benzuin_. In de „Hist. Beschr. d.

Reizen” D. XXI, bl. 37, leest men _benjoïn_, den gewonen Franschen vorm,

die uit den oorspronkelijken tekst in de vertaling zal zijn overgegaan.

In het Engelsch zegt men _benzoin_ of _benjamin_, het laatste vooral in

Indië gebruikelijk en ontstaan uit de zucht, om vreemde woorden naar

bekende klanken te verknoeien. De Italiaansche vormen zijn _belzuino_

en _belguino_, de Spaansche _benjui_ en _menjui_. De Portugeesche

schrijvers eindelijk, die het woord misschien wel het eerst gebezigd

hebben, gaven het de vormen _benjoïm_, _beijoim_ of _beijuim_.

Onder deze menigvuldige vormen is het moeilijk te bepalen welke de

zuiverste is, waardoor ook de nasporing van den oorsprong wordt

bezwaard. De vormen in de inlandsche talen van den Archipel zijn niet

minder menigvuldig, maar wijzen toch ook op een gemeenschappelijken

oorsprong. Daar de echte benzoë vooral in de Bataklanden op Sumatra te

huis is, mag de Bataksche vorm _kemèndjen_ (Daïrisch _hamindjon_) wel

het meest als de oorspronkelijke in aanmerking komen. „Dit _kemèndjen_,”

schreef mij de heer Neubronner van der Tuuk, „is in 't Menangkabausch in

't noordelijk dialect _koemòjon_, in 't zuidelijk _koemajan_, voorts in

't gewoon Maleisch _kemènjan_ en in 't Javaansch en Bataviaasch-Maleisch

_menjan_ geworden.”

Ofschoon _beijoin_ (in 't Portugeesch de meest gebruikte vorm) en

_kemèndjen_ zeer ver van elkander schijnen te staan, vertoont zich een

sterke toenadering tusschen _benjoïn_, dat mij de oudste Portugeesche

vorm schijnt te zijn, en _menjan_. Het eerste kan door gewone

letterverwisselingen tot het tweede herleid worden, en men vindt dan

ook in het Spaansche _menjui_ de _m_ terug. De mogelijkheid schijnt mij

hiermede gegeven, om in _mendjen_ den grondvorm van al de verschillende

vormen te vinden.

Intusschen heeft men ook eene afleiding van het woord uit het Arabisch

voorgesteld, die niet van waarschijnlijkheid ontbloot is. Wij danken

haar aan Valentijn, „Groot-Java”, bl. 67. De Arabische naam van de

benzoë is _loebân djâwi_, d. i. Javaansche, of liever, wegens de ruimere

beteekenis die _Djawa_ oudtijds bij de Arabieren had (zie mijn „Java”,

D. II, bl. 11–13) Indonesische wierook. Hieruit zou, door weglating

der eerste lettergreep en samenvatting in één woord, _bândjawi_, naar

Afrikaansche uitspraak _beendjâwi_, en door verdere verbastering

_beenzâwi_, _benzoïn_, _benzoë_ ontstaan zijn. Werkelijk komt de

volledige naam loebân djâwi voor bij Ibn Bathoetha, IV, bl. 228,

ofschoon de Arabieren gewoonlijk òf alleen _loebân_ òf alleen _djâwi_

gebruiken, zooals Dozy, „Glossaire des mots Espagnols,” enz. p. 239, met

voorbeelden doet. Ook zegge men niet, dat de vorm _benzoïn_ of _benzoë_

in het Portugeesch onbekend is. Ofschoon hij in de woordenboeken

ontbreekt, leest men bij Moraes Silva het daarvan afgeleide bijv. nw.

_benzoïco_.

Deze afleiding uit het Arabisch krijgt, zooals terecht door v. d. Tuuk

is opgemerkt, daardoor waarschijnlijkheid, dat de Portugeezen de namen

van Oostersche producten doorgaans onmiddellijk van de Arabieren hebben

ontvangen. Ik durf echter niet zoover gaan als Prof. Dozy, die in zijn

aangehaald „Glossaire” deze verklaring zonder voorbehoud „la véritable

étymologie de ce mot” noemt. Indien werkelijk benzoë met de Indonesische

namen dezer stof niets te maken heeft, is de klankovereenkomst, die toch

ongetwijfeld tusschen de Europeesche en Indonesische namen bestaat, een

zonderling toeval.

Guerilla.

Dit woord behoorde eigenlijk _guerrilla_ geschreven te worden, want

het is een Spaansch deminutief van _guerra_, oorlog. De letterlijke

beteekenis is dus _kleine oorlog_, d. i. een oorlog die, althans van

ééne zijde, gevoerd wordt door ongeregelde, aan geen militaire tucht

onderworpen troepen, die zich in het gebergte of in de bosschen schuil

houden, en in kleine partijen hunne tegenstanders overvallen en zooveel

mogelijk afbreuk doen, om zich dan weder ten spoedigste voor hen te

verbergen. In zulk een oorlog vallen dus geene veldslagen voor en vinden

geene geregelde belegeringen plaats. Men heeft echter in Spanje den naam

_guerrilla_ ook overgedragen op de ongeregelde benden zelven, die op

deze wijze krijg voeren, met dien verstande, dat alsdan doorgaans in het

meervoud _guerrillas_ wordt gebezigd.

De Franschen, dit woord overnemende, hebben daarin eene der r's laten

vallen, en schrijven dus _guerilla_, wat bij het gebruik in onze taal

wordt nagevolgd. Men spreekt bij ons ook wel van een _guerilla-oorlog_,

eene uitdrukking die natuurlijk onbestaanbaar is, als men _guerilla_ in

de oorspronkelijke beteekenis opvat, maar zich zeer goed laat verdedigen

als men denkt aan een oorlog, door _guerillas_ of ongeregelde troepen

gevoerd.

Tinka.

Zoo wordt dit woord geschreven door den heer J. ten Brink, die er

telkens gebruik van maakt in zijne „Oost-Indische dames en heeren”, en

wel altijd in de beteekenis van _grillen_, _kuren_, _nukken_; b.v. D. I,

bl. 35: „_Tinkaas_! als ze niet dadelijk stil is, moet Moenah met haar

naar binnen”; bl. 72: „We moeten ze wat ontzien, al hadden ze ook de

lastigste _tinkaas_”; bl. 214: „Altemaal _tinkaas_!”; D. II, bl. 165:

„Lucy is een zottin met een massa kuren en _tinkaas_.” Bij van Rees,

„Herinneringen”, vinden wij hetzelfde woord, in dezelfde beteekenis

_tingka_ geschreven; b. v. D. I, bl. 124 (3e druk): „Het is geen wonder

dat die paarden _tingka's_ hebben.” Inderdaad is _tinka_ voldoende, daar

de _n_ vóór de _k_ van zelve als _ng_ wordt uitgesproken.

Het woord, zeer gebruikelijk in de samenleving der Indo-Europeanen te

Batavia, is uit de inlandsche talen overgenomen. Het is gemeen aan het

Javaansch, Soendaasch en Maleisch, en heeft in die talen niet alleen

de _ng_, maar ook nog een _h_ op het einde (dus _tingkah_), die echter

in de uitspraak niet of nauwelijks gehoord wordt. Het heeft echter

oorspronkelijk eene meer algemeene beteekenis, namelijk die van _wijze

van zijn_ of _van doen_, _manier_. De overgang tot de meer beperkte

beteekenis van _bijzondere, in het oog loopende manieren_, _grillen_

of _kuren_ is nagenoeg dezelfde als die in onze taal, wanneer wij van

_manier_ en _gemanierdheid_ in de kunst spreken.

Bendi.

_Bendi_, soms ook _bindi_ (en in het Tamielsch, waaruit het misschien

afkomstig is, _wendi_) geschreven, is op Java de gewone, ook onder de

Europeanen zeer gebruikelijke naam van een licht, tweewielig rijtuig of

sjees. Ziehier eenige voorbeelden: Van Hoëvell, „Reis over Java”, I, bl.

128: „De Regent bood mij eene _bindi_ aan om mij verder te brengen”. Van

Rees, „Herinneringen”, 3e druk, D. I, bl. 123: „Onder een afdak op het

smalle plaatsje, tegenover den stal, prijkte een keurige _bendy_”. Ten

Brink, „Oost-Ind. dames en heeren”, I, bl. 250: „soms was een _bendi_

hen voorbijgesneld”. (Zie ook bl. 67, 90, 109, 148, enz. enz.) Van

Rees, t. a. p., gebruikt ook het samengestelde _bendyjongen_. Voor het

gebruik der _y_ in dit woord is geen reden.

Baboe.

_Baboe_ beteekent in het Javaansch en Maleisch de voedster of minne van

een kind, hetzij de moeder zelve of eene andere vrouw die taak vervult,

en bij uitbreiding ook de oppasster van een kind of kindermeid. Het

gebruik van het woord komt zeer overeen met dat van het Engelsche

_nurse_; de baboe is zoowel _dry nurse_ als _wet nurse_. Ook in

Nederland is dit woord zeer bekend en gebruikelijk. De Javaansche

meiden, die vaak de uit Indië terugkeerende familiën tot verzorging

der nog jonge kinderen naar Europa vergezellen, zijn algemeen bij den

naam van _baboe_ bekend, en in onze dagbladen zijn advertentiën niet

zeldzaam, waarbij eene naar Europa overgekomen _baboe_ hare diensten

aan naar Indië vertrekkende familiën aanbiedt, of gelegenheid zoekt op

andere wijze naar haar vaderland terug te keeren.

Ampas.

_Ampas_ is een Javaansch en Maleisch woord, dat volgens het „Jav.

Woordenboek” van Prof. Roorda beteekent: „het vaste overblijfsel van

iets, waarvan de waterdeelen uitgeperst zijn, of dat uitgetrokken

of uitgekookt is, zooals van uitgeperst suikerriet, koffiedik of

teebladeren”. Volgens Klinkert's „Supplement op het Mal. Woordenb.

van Pijnappel” beteekent het te Riouw ook uitvaagsel, afschrapsel.

Bij de Europeanen in Indië is dit woord zeer in gebruik voor den afval

in de fabrieken van suiker en indigo, bv. de Sturler „Handboek v. d.

Landbouw in Ned. O.-I”, bl. 823: „De dessahoofden wier indigo-product

verwerkt wordt, moeten zorgen dat er steeds brandstof voorhanden is,

wanneer de _ampas_ (in dit geval de takjes der bladeren) ontbreken

mocht”.

Bibit.

_Bibit_ is Javaansch en Maleisch en is een zeer gebruikelijk woord bij

den landbouw in Ned.-Indië, om de jonge plantjes van rijst, suikerriet,

tabak, enz. aan te duiden, die op kweekbeddingen worden geteeld, om

later op den akker te worden overgeplant. De Sturler, „Handboek voor

den landbouw in Ned.-Indië”, bl. 1108: „Voor _bibit_ neemt men jonge

stekken van het boveneinde”. Van Rees, „Herinneringen”, 3e druk, D. II,

bl. 17: „Met kinderlijke onnadenkendheid verkoopt de Javaan den oogst

van de pas geplante rijst-_bibit_, de vruchten die nog aan zijne boomen

moeten wassen”.

Bij de cochenielje-teelt worden ook de jonge insecten die op nieuwe

nopalplanten worden overgebracht, _bibit_ genoemd. De Sturler, t. a. p.

bl. 1014: „Gedurende de eerste vijf dagen dat de cochenille aan het

baren is, is zij het best geschikt om voor _bibit_ te dienen, teneinde

op andere nopals overgebracht te worden.”

Kris.

De _kris_ is het gewone wapen der Javanen, dat zij zelfs in den diepsten

vrede altijd bij zich dragen. „Men kan de _kris_ een ponjaard noemen,

omdat het lemmer (behoudens de golving) steeds recht en slechts drie à

vier palmen lang is; maar het is daarentegen altijd plat, als dat van

een zwaard, ofschoon scherp aan beide zijden. De snede, hoewel nooit

_ver_ van de rechte lijn afwijkend, volgt in vele der meest voorkomende

verscheidenheden eene golflijn met meer of minder, en grooter of kleiner

bochten.” In deze korte beschrijving, die ik hier overneem uit mijn

„Java”, D. I, bl. 611, heb ik getracht de onnauwkeurigheden te

vermijden, die gewoonlijk in de omschrijvingen van het woord worden

aangetroffen. De kris heeft _niet_ den vorm eener slang en kan zelfs

geheel recht van snede zijn; een kris is dikwijls vergiftigd, maar dit

behoort niet tot zijn wezen.

Het is zonderling dat in een zoo eenvoudig woord, dat met de letters

onzer taal nauwkeurig kan worden uitgedrukt, zoovele verschillende en

verkeerde schrijfwijzen voorkomen, vooral daar men den juisten vorm

_cris_ (= _kris_) reeds vindt in „Begin en Voortgang”, tweede schipvaerd

der Hollanders, bl. 12. Van Linschoten, „Itinerario”, bl. 25, schrijft:

„de pongiaerden, die men in Indië heet _cryses_.” Bij Wouter Schouten

vind ik nog in de uitgave van 1780 _kritzen_ gespeld. Vooral vindt men

dikwijls _krist_ geschreven.

Van _kris_ heeft men in Indië het werkwoord _krissen_ gevormd, voor _met

de kris afmaken_. Zoo zal men er bijv. zeggen: „de ter dood veroordeelde

misdadigers werden vroeger in de Vorstenlanden op Java _gekrist_.”

Martavaan.

_Martavaan_, soms _martevaan_ geschreven, is onder de Europeanen in

Indië de naam van een soort van groote aarden vaten of potten van oude

herkomst en bij de inlandsche bevolking in groot aanzien. Beroemd was

van ouds de Martavaan van Soya op Amboina, door Valentijn, III, 1, bl.

9, beschreven als: „een verglaasde, groote _Siamsche_ pot”, die omtrent

een half uur van het dorp op eene hoogte stond, waarbij eene godheid

haren zetel had, die, als na het offer van een witten haan, met een

bamboestokje uit het naburig bosch in den pot geroerd werd, onmiddellijk

regen gaf. Wanneer de inlanders boven de hoogte regenwolken zagen,

plachten zij te zeggen: „Radja Soya roert zijn pot”. Vgl. nog ald. bl.

30 en Brumund, „Indiana”, II, 73. In het „Tijdschr. v. N.-I.” 1871,

D. II, bl. 238 v. wordt gewaagd van merkwaardige overblijfselen der

oudheid, voornamelijk bestaande uit een oud stuk geschut, een verminkt

beeld en een groote _martavaan_, gevonden bij den oorsprong der

Tjitaroem in de Preanger Regentschappen.

Men leest somtijds van „_Japansche_ Martavanen”, b.v. bij Perelaer,

„Ethnologie der Dajaks”, bl. 112, die niet of nauwelijks verschillen

van de oude tampajans of koelpotten, door de Dajaks zoo hoog in eere

gehouden (zie mijn „Borneo's Westerafdeeling”, D. II, bl. 262). De

herkomst dier oude, vaak zoo verbazend duur betaalde potten wordt als

onzeker beschouwd. (Zie Sal. Muller's „Reizen en onderzoekingen in den

Ind. Archipel”, D. I, bl. 264). Mij schijnt het toe dat zij echte

Martavanen zijn, maar dat thans onder dien naam ook Japansche en

Chineesche namaaksels in den handel komen, die echter de Dajaks (vgl.

Perelaer, bl. 117) zeer wel van de echte weten te onderscheiden.

Doch, daargelaten welke betrekking er tusschen de echte Martavanen

en de tampajans der Dajaks bestaat, zeker is het dat de herkomst van

eerstgenoemde aan onze oude schrijvers niet onbekend was. Valentijn,

zooals ons reeds bleek, noemt ze Siamsche potten, en dit is in zooverre

juist, dat hun eigenlijk vaderland Martaban, een landschap van

Achter-Indië, dat thans deel uitmaakt van de Britsche provincie

Tenasserim, aan Siam grenst en er oudtijds toe behoorde (zie Valentijn,

III, 2c, Tonkin enz., bl. 58). Dit Martaban, welks gelijknamige, aan

de Golf van Martaban gelegen hoofdstad, in vroeger eeuwen een zeer

belangrijke handelsplaats was, maar thans als zoodanig geheel door

het naburige Maulmain is in de schaduw gesteld, wordt door Valentijn

bestendig _Martavan_ genoemd, eene spelling die wegens de zoo gewone

verwisseling van _b_ en _v_ niets bevreemdends heeft. Een nog oudere

schrijver, P. v. d. B(roeck), in zijne „Curieuse beschrijving van

verscheyde Oost-Indische gewesten” (Rott. 1677), schrijft zelfs

herhaaldelijk _Martavaan_ (bl. 112, 117, 121), geheel zooals de naam

der potten gewoonlijk geschreven wordt. Maar v. d. Broeck noemt ook

uitdrukkelijk, waar hij, bl. 121, de handelswaren dezer landen opsomt:

„Potten, groot en kleyn, die men naar het land _Martavanen_ noemt”, en

verzekert ons een paar regels verder, dat deze potten _alleen_ van

Martavaan en Taway komen. Ook Valentijn, V, 1, bl. 118, spreekt van:

„Verglaasde potten, _Martavanen_, na 't land daar zij eigenlijk vallen,

genoemt”, en voegt er ook bij dat zij alleen in 't rijk van Martavan en

Taway worden gekocht. Er kan dus omtrent de herkomst der Martavanen en

den oorsprong van hun naam geen twijfel bestaan. Die naam is een der

vele voorbeelden van waren, die eenvoudig naar de plaats van herkomst

genoemd worden.[56]

[56] Ik noemde eenige voorbeelden van manufacturen in art. _Gingang_.

Vele soorten van wijnen, b. v. Bordeaux, Bourgogne, Champagne,

Madera, Malaga, worden op dezelfde wijze benoemd.

Diezelfde naam voor dezelfde potten was ook, doch in den vorm Martaban,

aan de Arabieren bekend, en kan wellicht door onze voorouders van hen

zijn overgenomen, een vermoeden dat voor de hand ligt, daar _martaban_

of _martavaan_ in de talen van den Ind. Archipel niet schijnt bekend te

zijn. De Arabieren gebruikten deze potten tot bewaring van confituren,

specerijen, geneesmiddelen enz. De Arabische reiziger Ibn Bathoetha

verhaalt, dat hij van eene Indische vorstin vier Martabanen ten

geschenke kreeg, gevuld met gember, peper, limoenen en andere provisiën.

Zie de noot op een fragment van Ibn Bathoetha door Dulaurier, „Journal

Asiatique”, 1847, I, bl. 252.

De heer Logan spreekt over de Martavanen in den Jaarg. 1850 van het

„Journal of the Indian Archipelago”, p. 336. Hij gewaagt daar van „the

fame which Pegu, and especially Martaban, at one time enjoyed for their

beautifully glazed and gilded vases, sometimes of enormous size.” Deze

woorden zeggen nog iets meer dan de plaatsen van v. d. Broeck, Valentijn

en Ibn Bathoetha, van welke Logan de laatste aanhaalt, maar de beide

andere waarschijnlijk niet eens kende; hieruit is af te leiden dat de

Martavanen en hunne vervaardiging te Martaban hem ook uit andere bronnen

bekend waren. Hij voegt er bij dat de vraag naar deze vazen (hij noemt

ze „dragon vases” omdat zij met draken versierd zijn) eenmaal zeer groot

moet geweest zijn bij de Hindoe-kolonisten op Java, daar op dat eiland

dikwijls martavanen met andere overblijfselen van den Hindoe-tijd worden

opgegraven. Voor hem is het ook niet twijfelachtig of de tampajans

der Dajaks zijn werkelijk als Martavanen te beschouwen. Volgens deze

aanduidingen moet er eenmaal tusschen de volken langs de Irawaddi en

de bevolking van westelijk Insulinde een druk verkeer hebben plaats

gegrepen,—een feit dat de bijzondere aandacht verdient van hen, die

zich aan de studie der ethnologie en oude geschiedenis van den Indischen

Archipel wijden.

Benting.

_Benting_, ook _benteng_ en _binting_ uitgesproken, is een Javaansch

en Maleisch, misschien van het Sanskritsche _bhitti_, wal, gevormd

woord, dat een _schans_ of _bolwerk_ beteekent. Het woord is iederen

Nederlander gemeenzaam, die niet geheel vreemdeling is in de

krijgsgeschiedenis van Ned.-Indië, en de werken van Weitzel, de Stuers,

Lange, van Rees, Perelaer over onze oorlogen op Java, Sumatra, Borneo en

Celebes heeft gelezen. Voorbeelden komen in die werken bij honderden

voor en het is bevreemdend, dat _benting_ noch in het „Nieuw Ned. Wdbk.”

van van Dale, noch in den „Kunstwoordentolk” van Kramers en Bonte is

opgenomen. Vooral in den Javaanschen oorlog met Dipå Negårå spelen de

bentings een groote rol. Er werden toen door het Nederlandsche leger een

verbazend aantal van die kleine schansen op de wijze der inlandsche

versterkingen opgericht. De vijand was er langen tijd in geslaagd,

door de taktiek om ernstige gevechten te vermijden, maar zich in

kleine afdeelingen over een groot terrein verspreidende, onze troepen

aanhoudend te verontrusten, van tijd tot tijd belangrijke voordeelen te

bevechten. De Generaal de Kock besloot nu elken voet gronds, op den

vijand veroverd, door de oprichting eener kleine benting met blijvende

bezetting tegen zijn terugkeer te waarborgen. Die bentings werden door

wegen met elkander verbonden, waarop aanhoudend kleine mobiele kolonnes

heen en weder trokken, om de gemeenschap tusschen de versterkingen

te onderhouden en het doordringen van den vijand tusschen de posten

te beletten. In onze Indische krijgsgeschiedenis is deze wijze van

oorlogen, die later door den Maarschalk Bugeaud in Algerië tegen

Abd-el-Kader werd nagevolgd,[57] bij den naam van _bentingstelsel_

bekend. Dit stelsel wordt door den Generaal Weitzel, „de oorlog op

Java”, D. II, bl. 34–42, uitvoerig beschreven en door de afbeelding

eener benting toegelicht.

[57] Dat hier terecht het woord _navolgen_ gebruikt is, wordt door den

heer Weitzel, bl. 37, aangetoond.

Sago.

Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden · 第 18 / 22 段