Wanneer aan het woord _pikol_ het Nederlandsch burgerrecht wordt

toegekend, kan de vraag rijzen of het niet verkieslijk zou zijn, daaraan

den reeds nu niet geheel ongebruikelijken verhollandschten vorm _pikel_

te geven, die geheel met de gewone uitspraak overeenstemt, en waarvoor

ook pleit het in Indië van pikol als werkwoord gevormde, en in den zin

van _over den schouder dragen en vervoeren van lasten_ gebruikte,

vernederlandschte werkwoord _pikelen_.

Gelijk damar, pasar, klapa, rotan, pikir en vele andere Mal. of Jav.

woorden in het Nederlandsch met verkorte vokaal en verdubbelde consonant

worden uitgesproken (zie op _dammer_, _passer_, _klapper_, _rotting_,

_pikkeren_), zoo kan ook uit _pikol_ de nieuwe vorm _pikkel_ ontstaan

zijn.

Het woord _pikkel_ is in het Ned. bekend: 1o. als bijvorm van _bikkel_

(zie Franck, Etym. Wdbk. op _bikkel_); 2o. in de aan de Vlaamsche

gewesten eigene beteekenis van voet of onderstel (b. v. van een tafel,

een stoel, een pot)[51]; 3o. in de beteekenis van zeker weegwerktuig,

dat alleen plaatselijk schijnt bekend te zijn, waardoor deze beteekenis

in onze woordenboeken niet vermeld wordt. Te Rotterdam en Dordrecht nam.

is _pikkel_ de naam van een werktuig uit drie palen bestaande, die van

boven onderling met scharnieren verbonden en van onderen van ijzeren

punten, waarmede zij tusschen de straatsteenen kunnen worden vastgezet,

voorzien zijn. Tusschen die palen hangt een haak, waaraan een balans met

schalen bevestigd wordt. Men bezigt dit weegwerktuig op de kaden bij het

lossen van schepen. De arbeiders die met het wegen met de pikkel belast

zijn, vormen in de genoemde plaatsen een soort van veem, en hieruit is

de spreekwijze te verklaren: „die man is aan de pikkel”, d. i. hij

behoort tot dat veem. Te Rotterdam (wellicht ook op andere plaatsen)

zijn de pikkelloonen bij stedelijke verordening vastgesteld.

[51] Kiliaan op _Pickel_: „pes mensae, sedis”, op _Pickelpot_,

„chytropus, olla pedes habens”. Heremans, „Ned.-Fr. Wdbk.”:

„_Pikkel_, voet eener tafel, eens stoels”.

Dit weegwerktuig kan zijn naam ontleend hebben aan zijn vorm of aan zijn

bestemming. In het eerste geval is misschien _pikkel_ een verkorting van

het Vlaamsche _pikkelstoel_, dat volgens Heremans _un trépied_, volgens

van Dale _een drievoet_, _elk meubelstuk dat op drie voeten rust_,

beteekent. Dit _pikkelstoel_ zal wel met het bovengenoemde _pikkel_,

voet van een stoel of tafel, samenhangen, maar hoe het aan de speciale

beteekenis van een _drie_-voet komt, blijft zeer onduidelijk. Intusschen

zijn het alleen _de drie voeten_, die niet oorspronkelijk tot het begrip

van pikkel schijnen te behooren, die bij de pikkel als weegwerktuig aan

den pikkelstoel doen denken.

Eenvoudiger is het wellicht aan te nemen dat pikkel als weegwerktuig

het vernederlandschte _pikol_ is, dat allengs zijne beteekenis van

schoudervracht met die van een handelsgewicht heeft verwisseld.

Misschien werd in den tijd der Compagnie ook in Nederland bij pikols

gewogen. Men zal dus de weegloonen _pikkel-loonen_ genoemd hebben, en

vandaar het werktuig, waarmede gewogen werd, de _pikkel_.

Men zie in alles wat hier over het woord pikkel gezegd is, niet meer dan

een poging om op een verwaarloosd woord opmerkzaam te maken, en om het

raadsel van zijn oorsprong op te lossen. Groote waarschijnlijkheid durf

ik zelf aan mijne oplossing niet toekennen.

Dikir.

De _dikir_ is een gewone vorm van godsvereering in den Indischen

Archipel, daarin bestaande, dat mannen en vrouwen zich vereenigen en

onder het aanhoudend slaan op een gong of trom en het aanhoudend geroep

van „lá iláha illaʾlláhoe” (er is geen God dan Allah), het lichaam

gedurig heen- en weerschudden, waarbij sommigen in een staat van

vervoering geraken en na allerlei sprongen en kronkelingen onder hevige

stuiptrekkingen bewusteloos neerzijgen. Deze soort van godsvereering

gaat echter niet altijd met zulke heftige verschijnselen gepaard. Men

moet een onderscheid maken tusschen die eenvoudige dikirs, die reeds

tot de eerste tijden van den Islam opklimmen en door Mohammed zelven

in praktijk werden gebracht, en die meer omslachtige en kunstmatige,

waardoor zich later de Çoefi's onderscheidden (zie Niemann's „Inleiding

tot de kennis van den Islam”, bl. 352), en die wij bij de Derwisjen in

Turkije en Egypte (zie Dozy, „het Islamisme”, bl. 330; Lane, „Modern

Egyptians”, 5th ed., p. 243), en bij sommige dweepzieke sekten op

Java, b. v. bij de zoogenaamde _tiang doel_ (zie T. v. N.-I., Jg. 1855,

D. II, bl. 14; Meded. v. wege het Ned. Zendelinggen., Jg. IV, bl.

241; mijn „Java”, D. I, bl. 339), ook op Borneo in den tijd van den

Bandjermasinschen krijg bij de broederschap der _beratip beamal_ (zie

van Rees, „de Bandjermasinsche krijg”, D. II, bl. 186, Tijdschr. v.

N.-I. Jg. 1869, D. II, bl. 197; Gramberg, „Madjapahit”, D. II, bl. 195)

aantreffen. Wanneer wij b. v. bij Wallace, „Insulinde”, D. II, bl. 178

lezen: „Nadat wij van wal waren gestoken, begon de oude djoeragan

eenige gebeden op te zeggen, waarop allen in het rond, onder begeleiding

van eenige slagen op de gong, „_lá iláha illaʾllahoe_” antwoordden,”

dan wordt daar ongetwijfeld een _dikir_ beschreven, maar een dikir die

geheel vrij is van de buitensporigheden der geestdrijverij. Ook de

plechtige dikirs die op Java op den Moeloed-dag, den geboortedag van den

Profeet, door de priesters gehouden worden (zie mijn „Java”, D. I, bl.

393, D. III, bl. 624), schijnen van die heftige vertooningen vrij te

zijn. Men kan in Sprenger's „Leben und Lehre Mohammeds”, D. I, bl. 317

vv., of in de vertaling van dat stuk in „T. v. N.-I.” Jg. 1870, D. I,

bl. 405, nalezen, hoe deze bijzondere vorm van godsvereering, die met de

vijf voor elken dag voorgeschreven gebeden niets gemeens heeft, ontstaan

is en zich ontwikkeld heeft.

_Dikir_ is de Javaansche en, wat de uitspraak betreft, ook de Maleische

vorm van het Arabische woord _dzikr_, dat _vermelding_, _lofvermelding_,

_verheerlijking_, nam. van God, beteekent. De Arabische letter _dzâl_

kan de Javaan niet uitspreken; zij wordt vanzelve _d_. Tusschen de

sluitconsonanten _k_ en _r_ wordt, omdat de in de literaire taal

gebruikelijke uitgang die de naamvallen aanwijst, verloren is gegaan,

als vanzelve de vokaal der eerste letter vluchtig herhaald. (Vgl. het

aangeteekende op _Attar goel_). Zoo ontstaat dus het woord _dikir_,

dat door den heer Verkerk Pistorius, „Studiën over de inlandsche

huishouding in de Padangsche Bovenlanden”, bl. 211, minder goed _sikir_

geschreven en daardoor moeilijk herkenbaar wordt. In den laatsten tijd

las men in de Indische dagbladen ook dikwijls _dzikir_ (en als werkwoord

_dzikirren_); maar deze poging om den oorspronkelijken Arabischen vorm

beter uit te drukken, is niet aan te bevelen in een woord dat niet in

zijn Arabischen, maar in zijn Javaanschen vorm tot ons is gekomen.

Brani.

_Brani_ is een Maleisch woord, waarvan _wani_ het Javaansche aequivalent

is, ofschoon de Javanen ook somtijds het Maleische woord gebruiken. Naar

den aard dier talen, die wel bijzondere verbale vormen hebben, maar niet

noodwendig substantief, adjectief en verbum onderscheiden, beteekenen

deze woorden zoowel _stoutmoedig zijn_, _durven_, _wagen_, als

_stoutmoedig_, _dapper_, _driest_, en _een stoutmoedige_, _een dappere_,

_een held_. Het woord _brani_ wordt niet slechts in Indië veel door de

Europeanen gebruikt, maar is ook in Nederland in de volkstaal

ingedrongen. Zoo lezen wij, b. v., bij van Maurik, „Van allerlei slag”,

bl. 32: „Kijk ereis aan, die wil den _brani_ uithangen”.

Pikeren, Pikkeren.

Deze woorden zijn ontleend aan het Maleische en Javaansche _pikir_,

overdenking, overleg, gedachte, dat zelf weder niets anders is dan

de inlandsche uitspraak van het Arabische _fikr_. Daar de Maleische

taalstam geen _f_ kent, gelijk de Arabische taal geen _p_, moest de _f_

door haar naaste verwante de _p_ vervangen worden; voor het overige werd

_pikir_ van _fikr_, gelijk _dikir_ van _dzikr_ gevormd. De verdubbeling

der _k_ in _pikkeren_, dat dikwijls in plaats van _pikeren_ gebruikt

wordt, is ook een gewoon, reeds meermalen door mij ter sprake gebracht

verschijnsel; zie art. _Rotting_. In het Maleisch en Jav. wordt, naar

den aard dier talen, _pikir_ ook als werkwoord gebruikt, in den zin

van _overleggen_, _overdenken_; bij den Indo-Europeaan wordt hetzelfde

uitgedrukt door aan het inlandsche woord den Nederlandschen verbaalvorm

te geven. Zie op _Soebatten_. _Over iets pikkeren_ is eene gewone

Ned.-Indische spreekwijze, zooals o. a. opgemerkt is door Gevers

Deynoot, „Herinneringen eener reis naar Ned.-Indië”, bl. 41, en in van

der Hoog's roman „Wonosari”, D. II, bl. 43, waar men leest: „wat loopt

gij dan ook zoo te piekeren, zooals men zegt.”

Tang.

Dit woord zullen de meeste mijner lezers wel niet verwacht hebben hier

aan te treffen. Het is dan ook slechts in de zeer bijzondere beteekenis

die het als scheldwoord heeft, dat er hier sprake van kan zijn. De

uitdrukkingen: _een tang van een wijf_, _een oude tang_, zouden, volgens

eene gissing van Prof. de Vries in „de Taalbode”, II, 292, afkomstig

zijn van _seetang_ of _zeetang_, eene Europeesche verbastering van het

Maleische _seitan_ of _sétan_. Prof. Moltzer zegt daarvan in zijne

aankondiging in „de Gids” voor 1872, II, 161: „Lepidius quam verius”, en

drukt zijne overtuiging uit dat te eeniger tijd de ware eerste _tang van

een wijf_ uit het een of ander oud kluchtspel zal te voorschijn treden.

Maar dit is geene verklaring. Zou _de tang_ ook kunnen staan voor de

persoon die er zich van bedient? Het is een werktuig dat men gebruiken

kan om te slaan en te knijpen en vast te houden, en dat eene vrouw uit

de volksklasse allicht ter hand vindt als zij haren toorn koelen wil.

Onmogelijk schijnt mij die opvatting niet.

De gissing van Prof. de Vries is echter lang zoo onwaarschijnlijk

niet als zij zich op het eerste gezicht voordoet, en kan ook nog wel

voorgesteld worden op eene wijze, die haar meer aannemelijk maakt. Het

woord _seetan_ is oorspronkelijk niet Maleisch, maar het Arabische

_sjeitan_ (dat echter van het Hebr. _Satan_ schijnt af te stammen),

door de Maleiers en Javanen, wier spraakorganen de _sj_ (of _sch_)

van het Arabisch alphabet niet kunnen voortbrengen, als _seitan_ of

_sétan_ uitgesproken. Daaruit schijnt in het zoogenaamd laag-Maleisch,

dat is het door de Europeanen gesproken brabbel-Maleisch, _sĕtang_

ontstaan, want ofschoon die vorm in onze Maleische woordenboeken en

woordenlijsten, ook die van het laag-Maleisch, zooveel ik weet, nooit

wordt opgegeven, vind ik hem reeds bij den ouden Bontius, „Hist. Nat.

et Med. Ind. Orient.”, p. 79, waar hij van een kleinen gehoornden visch

sprekende zegt: „Piscatores Indi vocabulo Arabico ipsum _ican setáng_

vocant, i. e. piscem diabolum, vel quod cornua gerat, seu, quod ictus

ejus admodum virulentus sit.” De betoning van de _a_ in de laatste

lettergreep, die Bontius door een accent aanwijst, vordert bepaaldelijk

dat de _e_ in de eerste als ĕ wordt uitgesproken. Echter is die

verkorting van den klinker _é_ bevreemdend, en alleen te verklaren uit

eene verplaatsing van den klemtoon, zooals ook in andere talen soms

plaats heeft. Men zegt wel te Amsterdam steeds _vierkánt_ in plaats

van _víerkant_, en te Groningen _óverleg_ in plaats van _overlég_,

ofschoon beide geheel met ons taaleigen strijden. Minder bezwaar heeft

de verandering op het einde van de zuivere _n_ in de nasale _ng_, die

bijzonder aan het laag-Maleisch eigen is, zooals ik op _Orang oetan_

en _Rotting_ opmerkte. Stel nu (wat ik niet durf verzekeren, maar dat

gemakkelijk kan worden uitgemaakt door ieder die eenigen tijd te

Batavia heeft vertoefd) dat die vorm _sĕtang_ nog heden in het

straat-Maleisch in gebruik is, dan kan het woord licht door onze

matrozen zijn opgevangen, en, met verwaarloozing der eerste toonlooze

lettergreep, waardoor het tevens den vorm kreeg van een gewoon

Nederlandsch woord (zie op art. _Kaalkop_) in de Nederlandsche volkstaal

overgebracht. Ik vind _orang sétan_ als een gebruikelijke laag-Maleische

uitdrukking voor een _duivelsch_, een _boosaardig mensch_ vermeld.

Dezelfde beteekenis heeft dan _sĕtang_ of _tang_.

Akal.

Dit uit Java medegebracht, maar eigenlijk ook al weder Arabisch woord,

verneemt men uit den mond onzer Indo-Europeanen tot zelfs in de

vergadering onzer volksvertegenwoordigers. In de zitting der Tweede

Kamer van 16 November 1885 waarschuwde de heer van Gennep tegen de

_akals_, die zouden kunnen worden aangewend om aan gelden voor een

bepaald doel beschikbaar gesteld, ten nadeele der inlandsche bevolking,

eene andere bestemming te geven, en de _Nieuwe Rott. Courant_ van 16

Oct. 1888, beschuldigt, in navolging daarvan, in een artikel over de

Indische begrooting den Minister van Koloniën van zulk een _akal_ om de

Begrooting ten koste van den Javaan te ontlasten. Ook de Indische pers

maakt dikwijls van het woord gebruik, b.v.: „Er moest dus een _akal_

gezocht worden, om met een zoet lijntje tot hen door te dringen.”

(Kruseman, „Eenige dagen onder de Badoewies”, in „Java-bode” van 31 Oct.

1888.) Het zal dus noodig worden ook dit woord onder de aanwinsten onzer

taal uit Indië op te teekenen. Het Arabische _ʾaql_ door de Javanen

en Maleiers _akal_ uitgesproken, beteekent eigenlijk _verstand_,

_doorzicht_, _scherpzinnigheid_, _schranderheid_; bij de Inlanders

bepaaldelijk ook inzicht in de waarde der geheimzinnige teekenen, die

de goede of kwade eigenschappen van paarden, buffels, vechthanen, en

vele andere zaken bepalen. Maar bij de Indo-Europeanen wordt het, ook

in navolging der Inlanders, veelvuldig gebruikt van _behendigheden_,

_sluwheden_, _listen_, en bij dit gebruik laat het natuurlijk ook het

meervoud toe.

Hegira.

Dit woord, waarvan de hierboven geplaatste, vroeger bij ons algemeene

schrijfwijze eene navolging schijnt te zijn van het Fransche

_Hégire_[52], is reeds behandeld in de „Oosterlingen” van Prof. Dozy,

en zou dus hier achterwege zijn gebleven, zoo ik niet gewenscht had

opmerkzaam te maken op een opstel van Dr. Snouck Hurgronje in de

„Bijdragen van het Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde van

Ned.-Ind.” 5e Volgr., D. I, bl. 356, waarin hij aantoont, dat het

Arabische woord _Hidjra_ (want zoo luidt de juistere, thans ook door

velen gevolgde, transscriptie) ten onrechte doorgaans door _vlucht_

wordt vertaald. De wortel beteekent: _afsnijden_, _verlaten_, _zich

afwenden_ van personen of zaken, _zich afscheiden_. Dozy heeft de

ware beteekenis niet over het hoofd gezien, zooals blijkt uit zijne

verklaring: „_het verlaten der geboorteplaats_, _het vertrek_,”

maar wordt toch ook weder minder juist, als hij er ook _de vlucht_

aan toevoegt. Wie zijne geboorteplaats verlaat en zich van zijne

stadgenooten afwendt, kan zeker daartoe gedwongen zijn en dus

_vluchten_; maar Mohammed's vertrek van Mekka was geene vlucht, maar

eene vrijwillige, lang overlegde en voorbereide daad, zooals dr. Snouck

Hurgronje in bijzonderheden aantoont. Wij zouden der historische

waarheid meer recht laten wedervaren door niet van _de vlucht_, maar

van de _uitwijking_ van Mohammed te spreken.

[52] De _g_ in dit woord stelt de _djîm_ of _djô_ der Oostersche

alfabets voor, die wij thans gewoonlijk door _dj_ uitdrukken. Zij

stemt wel het best overeen met de Engelsche in _joy_, _journey_

etc.

Adonis.

_Adonis_ is in de Grieksche mythologie de naam van een schoonen

jongeling, hartstochtelijk door Venus bemind, en, toen hij op de jacht

door een ever gedood was, niet minder hartstochtelijk beweend. In den

zin dezer mythe willen wij ons hier niet verdiepen. Ik herinner slechts

dat in Syrië en Phoenicië, en later ook in Griekenland, ter eere van

Adonis een jaarlijksch feest werd gevierd, vooral gekenmerkt door de

luide jammerklachten der vrouwen. De hoofdzetel van dezen cultus was

vroeger Byblus in Phoenicië, later Amathus op het eiland Cyprus. De naam

_Adonis_ is Phoenicisch en Hebreeuwsch, en samengesteld uit _Adoon_, dat

_heer_ beteekent, en het aangehecht voornaamwoord _i_, met de beteekenis

van _mijn_. _Adonis_ was dus oorspronkelijk niet de naam eener

bijzondere Godheid; elke Godheid had Adoon kunnen genoemd worden, en in

het Hebreeuwsch werd het woord in den meervoudvorm _Adonai_, vooral ook

van den Eenigen God gebezigd. Voor de Grieken echter had dit woord, dat

zij tegelijk met de Adonisfeesten uit het Oosten ontvangen hadden, eene

zeer bepaalde beteekenis. Zonder zich om den oorspronkelijken zin te

bekreunen, of dien zelfs te kennen, dachten velen daarbij alleen aan den

schoonen, door Venus beminden jongeling.

In de moderne talen, ook in de onze, heeft het woord Adonis het

karakter van een eigennaam weder verloren en beteekent het in het

algemeen een jongeling van buitengewone schoonheid, en vooral, in

scherts, een man, die zich inbeeldt schoon te zijn en zich beijvert om

zich als zoodanig voor te doen, een pronker. De Vries en te Winkel in

het „Nederlandsch Woordenboek” geven daarvan een voorbeeld uit „Willem

Leevend”, dat gemakkelijk met andere te vermeerderen ware geweest.

Maar zeer eigenaardig is het gebruik van het woord, als _Adoons_

uitgesproken, in de taal der Kaapsche Boeren. Volgens Mansvelt's

„Idioticon” noemen zij zoo den _baviaan_, zeker om met zijne afzichtige

leelijkheid den spot te drijven.

Sjalot.

Ook deze naam eener algemeen bekende moesgroente stamt in zekeren zin

uit het Oosten; want hij is ontleend aan de stad Askalon, eene der in

het Oude Testament vermelde steden der Philistijnen. Het voorkomen

van uitgestrekte uienvelden bij Askalon wordt vermeld bij Strabo en

Stephanus Byzantinus. Die uien werden echter onderscheiden als eene

bijzondere soort, reeds bij Theophrastus _ascalonion krommyon_, bij

Plinius en Columella _caepa ascalonia_ genoemd. Vandaar ook de

tegenwoordige botanische naam der sjalot _Allium ascalonicum_.

De verbastering van dit ascalonia of ascalonium tot _sjalot_ (Duitsch

_Schalotte_, Eng. _Shallot_) schijnt aan de Franschen te moeten geweten

worden, uit wier taal het tot de andere moderne talen schijnt te zijn

overgebracht. Bij oud-Fransche schrijvers door Littré, art. _échalote_,

aangehaald, vindt men de vormen _escalone_, _eschaloingne_ en

_eschalote_. Het onverstane woord schijnt in de uitspraak allengs meer

verbasterd te zijn.

Maïs, Miloe, Djagoeng.

Deze drie en nog vele andere namen behooren aan de voortreffelijke

graansoort, de _Zea Mays_ der botanici, die, als men in aanmerking neemt

hoe wijd hare cultuur over alle warme gewesten verspreid is, nevens de

rijst als het eerste der voedselgewassen mag beschouwd worden. Dat de

maïs uit Amerika afkomstig is, wordt thans nauwelijks meer betwijfeld,

ofschoon vroeger, onder andere door Bonafous, „Hist. nat. du maïs”,

(Paris, 1836), de meening is voorgestaan, dat de maïs lang vóór de

ontdekking van Amerika in de oude wereld bekend was, en dat zij door de

Arabieren en de kruisvaarders uit het Oosten naar Europa is gebracht.

Zeker is het, dat de maïs, tijdens de ontdekking van Amerika, daar

overal door de Indianen verbouwd werd, en dat men reeds maïsklossen (zoo

noemt men gewoonlijk de dikke rolronde aren) in de graven der Inka's

heeft gevonden. Vanhier, dat in de Vereenigde Staten, waar de cultuur

van maïs een groot gewicht heeft erlangd, dit gewas nog met den naam

van _Indian corn_ wordt aangeduid. Ook is de _naam_ _maïs_ stellig uit

Amerika tot ons overgekomen; men meent dat het de naam is, dien deze

plant op Haïti droeg. (Zie Hernandez, „Hist. plantarum”, VI, 44). Van

maïs (maïze) is afgeleid _maïzena_, zooals een fijn meel genoemd wordt,

dat van de maïs wordt bereid, en in de laatste jaren ook bij ons een

veelvuldig gebruik heeft erlangd in de samenstelling van poddingen.

_Miloe_, de naam dien de maïs bij inlanders en Europeanen in de

Minahassa draagt, is eene verbastering van het Portugeesche _milho_,

dat zelf niets anders is dan het Latijnsche _milium_. Onder den naam

van _milho_ worden in het Portugeesch verschillende soorten van

gierstgrassen (Paniceae), zooals _milho painço_, _milho miudo_, enz.,

samengevat, maar hij is ook uitgebreid tot de maïs, die dan tot

onderscheiding ook wel _milho grosso_, _milho zaburro_ of _milho da

India_ wordt genoemd. Waarschijnlijk noemden de Portugeezen reeds in

Amerika de maïs _milho_; ik vind ze althans _millio_ genoemd bij

Hartsinck, „Beschrijving van Guiana”, bl. 901. Met het graan zelf

brachten zij dan ook dezen naam over naar Afrika en Oost-Indië, en in

beide gewesten werd hij, meer of min verbasterd, door de Nederlanders

van hen overgenomen. Bij de Marrée, „Beschrijving van de Goudkust”, D.

I, bl. 82 en 93, vind ik _milhio_ geschreven, maar in de Kaapkolonie

is daaruit _miellies_ of _mielies_ ontstaan. Zie Tromp, „Herinneringen

uit Zuid-Afrika”, bl. 28, 39, 164, en Mansvelt's „Kaapsch-Hollandsch

Idioticon”. Met het Eng. adjectief _mealy_, meelachtig, dat

laatstgenoemde vergelijkt, heeft mielies ongetwijfeld niets uitstaande.

Het voorkomen van den Portugeeschen naam der maïs tot in de Minahassa

maakt het ongetwijfeld zeer waarschijnlijk, dat de verbreiding van dit

gewas vooral aan Portugal moet worden toegeschreven. Maar ook Spanje

heeft daartoe bijgedragen, en men beweert zelfs, dat reeds Columbus de

maïs naar Spanje heeft gebracht, dat zij reeds in 1520 in dat land werd

verbouwd, en dat zij vandaar naar Italië, Turkije en de Levant kwam.

Ook in Insulinde ontbreken de sporen van Spaansche herkomst niet.

Rumphius, „Ambonsch Kruydboek”, D. V, bl. 203, zegt: „de Turkze

Tarwe.... wast nu ook op vele plaatsen van deze Eilanden, wordt

echter voor een uitlandsch gewas gehouden, door de Spanjaarden eerst

ingevoerd. Men heet het op Maleyts _Jagum_, Baleys _Jagum Castila_.

In Ternaten _Bira Castela_”. In deze namen is _Jagum_ kennelijk het

Maleisch-Javaansche _Djagoeng_, waarop ik zoo aanstonds terugkom,

en Castela (Kastîla) beteekent _Spaansch_ (van Kastilië). _Bira_

doet denken aan den Makassaarschen naam der maïs _Birâlle_, in het

Boegineesch _Barälle_ of _Warälle_. _Bärrä_ of _Wärrä_, beteekent in die

taal het ontbolsterde graan, hetzij rijst, gierst of maïs (het Mal.-Jav.

_bĕras_, Makass. _berasá_). Is _bîra_ daarvan soms slechts een andere

vorm en _birâlle_ eene samentrekking voor _bira castelle_?[53] Zoo zou

de anders vreemde _l_ in _birálle_ en _bärälls_ eene natuurlijke

verklaring gevonden hebben.

[53] Die samentrekking ziet er oppervlakkig niet zeer waarschijnlijk

uit, maar men wordt er als met noodwendigheid toe gebracht door die

anders onverklaarbare _l_.

Op Java, waar de cultuur van de maïs van betrekkelijk jongen oorsprong

schijnt te zijn, is zij thans een algemeen en hoogst gewichtig

voedingsgewas, dat niet alleen door de inlanders, maar ook door de

Europeanen, zelfs als zij Nederlandsch spreken, altijd met den naam

_djagoeng_ of _djagong_ genoemd wordt. Houdt men dit _Djagoeng_ voor

een oorspronkelijk inlandsch woord, dan kan men het aanwenden om de

meening omtrent de Oostersche herkomst van de plant te steunen; maar

waarom zouden dan alle andere namen dezer graansoort in den Archipel

gebruikelijk naar Spanje en Portugal als het land van herkomst wijzen?

Het reeds vermelde _djagoeng kastila_, d. i. _Spaansche djagoeng_,

door Rumphius vermeld als op Bali gebruikelijk, wijst ook daarheen, en

toont tevens dat _djagoeng_ op zichzelf eene ruimere beteekenis had;

want waartoe zou anders het bepalende _kastila_ dienen? Vergelijkt

men _djagoeng kastila_ met het Ternataansche _bira kastila_, dan zal

men zich genoopt voelen aan _djagoeng_ eene analoge beteekenis met

_bira_ toe te kennen. Ik waag omtrent dit woord de volgende gissing.

_Djawa_ beteekent _gierst_ (zie mijn „Java”, D. II, bl. 3 en 5), of

oorspronkelijk misschien in het algemeen _graankorrel_, dat dan in een

land, waar oudtijds geen ander graan groeide dan gierst, natuurlijk

toch de naam van dit graan werd. Later noemde men op Java de gierst

_djawawoet_, samengetrokken uit _djawa awoet_, d. i. _fijne korrel_. De

maïs zal men daarentegen _djawa agoeng_ of _djawa goeng_, d. i. _groote

korrel_, genoemd hebben, volkomen beantwoordende aan het Port. _milho

grosso_. Later werd dan _djawa goeng_ tot _djagoeng_ samengetrokken.

Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden · 第 17 / 22 段