Van Dale schijnt alleen gedacht te hebben aan de _Praoe tambangan_, de

veer- en laadprauwen, die in de verschillende havens voor het vervoer

van personen en goederen, het laden en lossen van schepen werkzaam zijn.

Daarvoor bestaan verschillende Vereenigingen of Vennootschappen, zooals

het Bataviaasch Prauwenveer, het Nieuw Prauwenveer te Batavia, het

Tagalsch Prauwenveer, het Semarangsch en Nieuw Semarangsch Prauwenveer,

het Particulier Prauwenveer en Nieuw Prauwenveer te Soerabaja, de

Oost-Java Prauwmaatschappij en het Padangsch Prauwenveer. Deze

vereenigingen, waarin de belangen van vele in Nederland vertoevende

oud-kolonisten betrokken zijn, en waarvan verslagen en mededeelingen

omtrent de geldelijke resultaten van tijd tot tijd in de dagbladen zijn

te lezen, zijn in Nederland beter bekend, dan de prauwvaart voor handel

en militaire doeleinden, die geheel Insulinde omvat.

Jonk.

_Jonk_ beteekent volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdb.”: „een Chineesch

koopvaardij- en oorlogschip van eenigszins plomp maaksel, gemeenlijk met

drie masten en zeilen van biezen matten of vrij dik katoen.” Men vindt

dit woord terug in de meeste hedendaagsche talen van Europa, b. v. Sp.

en Port. _junco_, Ital. _ionco_, _zonco_, Fr. _jonque_, Eng. _junk_ enz.

Algemeen wordt aangenomen dat het van Chineeschen oorsprong is. Zoo

zegt b. v. Littré: „du Chinois _Tschouen_, bateau, vaisseau, prononcé

à Canton _chune_, suivant l'orthographie Anglaise, c'est à dire en

Français _tchoun_.” Het bedoelde Chineesche woord is, naar Prof.

Hoffman mij zeide, _tschuen_.

Ofschoon ik den Chineeschen oorsprong van dit woord niet betwisten

wil, houd ik mij echter overtuigd dat het niet rechtstreeks uit het

Chineesch, maar uit het Arabisch of Perzisch in de talen van Europa is

gekomen, en daarom niet misplaatst ware geweest in Dozy's „Oosterlingen”

en „Glossaire”. De vormen in die talen komen veel meer dan de Chineesche

met onze Europeesche overeen. De Arabische is _djonk_, door Freytag,

„Lex. Arab.”, I, p. 315 verklaard: „navis maximae molis in China”[48]:

de Perzische is _djong_ of _tjong_, door Vullers, „Lex. Pers.”, I, p.

533, verklaard door _navis magna_. Dat hiervan ook het Javaansche

_djong_, het Maleische _djoeng_ of _ĕdjoeng_ afstammen, springt in

het oog. Dat het woord tot in de Aroe-eilanden is doorgedrongen, leert

ons Wallace, „Insulinde”, I, bl. 269.

[48] Daar het woord zeldzaam schijnt, heeft Freytag een paar voorbeelden

aangehaald, waarbij men nog voegen kan Ibn Bathoetha, IV, p. 247.

Het woord _jonk_ heeft voor het overige in Ned.-Indië nog eene tweede,

geheel verschillende beteekenis. Het is namelijk ook de naam eener

Javaansche landmaat, die gelijk is aan vier bouws. In dezen zin is

_jonk_ het Javaansche _djoeng_, dat anders ook been beteekent, evenals

_bahoe_, waaruit ons _bouw_ is ontstaan, _schouder_.

Wangkang.

Waar van de scheepvaart der Chineezen sprake is, worden de benamingen

_jonk_ en _wangkang_ meestal door elkander gebruikt, zooals ik ook zelf

gedaan heb in mijn Borneo's „Wester-Afdeeling”, I, bl. 313. Strikt

genomen behoort men echter de _jonken_, als de grootere vaartuigen, van

de _wangkangs_, als de kleinere, te onderscheiden. Zoo b. v. „Batavia in

derzelver gelegenheid”, III, bl. 24: „Wegens de groote vaart van zwaare

Chineesche vaartuigen op Batavia, werdt in 't jaar 1654 een besluit

genomen, om voor een groote jonk, wegens uit- en inkomende rechten, te

doen betalen 1500 rijksdaalders, en voor een wangkan, zijnde een kleiner

soort van vaartuig, 1000”. Op de hier aangehaalde plaats vindt men

_wangkan_, elders _wankang_ geschreven; doch Prof. G. Schlegel verzekert

mij, dat de rechte uitspraak _wangkang_ is. Omtrent den oorsprong

verkeert hij echter geheel in het duister. „De Chineezen op Java”, dus

schrijft hij mij, „zeggen zelven dat het niet Chineesch is”.

In het „Jav. Wdbk.” van Prof. Roorda wordt het woord mede _wangkang_

geschreven en als gemeen aan de hooge en lage taal opgegeven. Hij

verklaart het: „naam van een soort van Chineesche jonk.” Men zou hieruit

opmaken, dat Prof. Roorda aan het woord een Polynesischen oorsprong

toekent, en hiertegen pleit eigenlijk ook niets dan dat het zoo bepaald

van _Chineesche_ vaartuigen gebruikt wordt. Neemt men aan dat dit louter

toevallig is, en dat het oorspronkelijke woord in het algemeen eene

_boot_, een _klein vaartuig_ beteekent, dan wordt de Polynesische

oorsprong aanbevolen door de vergelijking van _waa_ (_vaa_), _waka_

(_vaka_), _wangka_, waardoor een kano in de talen der Taïtih-

en Sandwichs-eilanden, van Nieuw-Zeeland, de Marquesas- en de

Tonga-eilanden en van de Fidji-eilanden wordt aangeduid. De sluiting

der open lettergrepen door den neusklank _ng_ is, gelijk ieder weet,

een zeer gewoon verschijnsel in den Polynesischen taalstam.

Talie.

Dit woord is in de meeste beteekenissen waarin het in onze taal eertijds

gebruikelijk was of nog is (zie Kiliaan), niets anders dan het Fransche

_taille_; maar in de beteekenis van _touw_ is het stellig uit den

Indischen Archipel afkomstig. _Talie_ in den zin van _touw_ heb ik

reeds gevonden bij Baldaeus, maar de plaats is mij ontgaan. Gewoonlijk

echter is het een zeewoord voor _scheepstouwen_, _takel_, _takelage_,

en vooral gebruikt in samenstellingen, als _taliehaak_, _taliereep_,

_talielooper_, _noodtalie_, _inhaaltalie_, _reeftalie_, _Spaansche

talie_ enz. In 't Maleisch en laag Javaansch is _tali_ het gewone

woord voor _touw_, het meest bekend door de _tali-api_ of lont (lett.

_vuurtouw_), om sigaren aan te steken; maar het woord is ook zeer bekend

bij de Maleische zeevaarders om de scheepstouwen aan te duiden, die

dikwijls collectief _tali-toemali_ of _tali-mali_ genoemd worden. Er kan

dus weinig twijfel bestaan of wij hebben ook dit woord aan matrozen te

danken, die het uit Oost-Indië medebrachten.

Pagaai.

_Pagaai_, Fr. _Pagaie_ of _Pagaye_, is de korte, breede, niet op

het vaartuig rustende, maar aan een kruk met de handen vastgehouden

roeiriem, schepriem, of roeischop, waarmede de eilanders der Stille

Zuidzee hunne kano's voortstuwen, maar die ook zeer veel gebruikt wordt

bij de volken van den Indischen Archipel, en ook bij onze zeelieden,

vooral op de oorlogschepen, niet onbekend is. Men heeft ook pagaaien met

twee roeischoppen, die door snelle omdraaiing beurtelings met het water

in aanraking gebracht worden. In het Engelsch heet de pagaai _paddle_ en

het roeien met dit werktuig, dat wij _pagaaien_ noemen, wordt in het

Engelsch _to paddle_ genoemd.

Het woord _pagaai_ is zoo al niet rechtstreeks van Maleischen oorsprong,

stellig met den in het Maleisch daarvoor gebezigden naam verwant. De

lange riem heet in het Maleisch _dajoeng_, de schepriem _pengajoeh_.

Dit laatste komt af van _kajoeh_, waarvan de verbaalvorm _mĕngajoeh_

het voortstuwen van een boot met schepriemen aanduidt. Denkbaar is het

dat _pagaai_ door verminking en afkorting van _pĕngajoeh_ gevormd is;

maar ik mag niet onopgemerkt laten dat _kajoeh_ in het Javaansch ook

door _gajoeh_ wordt vervangen, waarvan _pĕgajoeh_ of _pagajoeh_, met

de beteekenis van de zaak die dient tot datgeen wat door het grondwoord

aangeduid wordt, (zie Roorda's „Beknopte Jav. Spraakk.”, bl. 108) met

volkomen regelmatigheid zou worden afgeleid. Ware deze vorm werkelijk in

gebruik (en wie verzekert ons dat hij dit nergens is of nooit geweest

is?), dan zou men zeker geen bezwaar maken _pagaai_ als rechtstreeks

daarvan gevormd te beschouwen.

Toko.

_Toko_ is in Nederlandsch-Indië, zoowel onder de Europeanen als onder

de inlanders, een _winkel_, een _magazijn van allerlei koopwaren_, een

_bazaar_ waar van alles te verkrijgen is. Men houdt het woord gewoonlijk

voor Chineesch, ofschoon Prof. Roorda in zijn „Jav. Wdbk.”, in het

art. _toko_, achter Chineesch een vraagteeken heeft geplaatst. Prof.

Hoffmann, dien ik over dit woord raadpleegde, schreef mij daarover

het volgende: „Wanneer het zeker is dat het woord _toko_ niet tot de

Indische talen behoort, maar Chineesch is, dan kan het, hoewel ik een

samengesteld woord _toko_, dat zooveel als bazaar zou moeten beteekenen,

nog niet gevonden heb, niets anders zijn dan eene samenstelling van

_Toe_, Canton-dialect _To_, plaats, lokaal, en _Koe_, magazijn. Toe-koe

of To-ko beteekent dan „het _plaatselijk_ magazijn, het magazijn voor

een bepaalde _plaats_”, in denzelfden zin als wij van _plaatselijk_

bestuur, van _lokale_ tongvallen spreken.”

Deze verklaring, hoewel niet onaannemelijk, toont echter dat _toko_,

voor zoover bekend is, geene gewone Chineesche uitdrukking is. En wat

de reserve betreft, door Prof. Hoffmann gemaakt: „wanneer het zeker is

dat het woord _toko_ niet tot de Indische talen behoort”, moet worden

opgemerkt, dat het zeer gewaagd zou zijn die verzekering te geven. In

het Jav. is _toekoe_, in sommige streken bijna als _toko_ uitgesproken,

het gewone woord voor _koopen_. Het beteekent wel-is-waar nooit een

winkel of magazijn, maar hoe lichtelijk kan door de onkunde van

Chineezen of Europeanen het woord in de beteekenis van winkel zijn

overgegaan. Men kan zich b. v. zeer goed voorstellen dat men een winkel

aanvankelijk een _tokohuis_, d. i. een _koophuis_, heeft genoemd, en uit

_tokohuis_ allengs tot enkel _toko_ heeft afgekort.

Hoezeer het woord _toko_ het burgerrecht in de Nederlandsche taal heeft

erlangd, blijkt uit de zeer gewone samenstelling _tokohouder_. Ook

begint men reeds aan eenige magazijnen of verkoophuizen in onze groote

steden den naam van _toko_ te geven.

Koelie.

Het woord is afkomstig uit het Tamiel of de taal van Malabar en

beteekent een _gehuurde arbeider_, een _daglooner_, bij uitbreiding

ook een _sjouwer_. Het is algemeen in gebruik in Britsch-Indië, en is

ook in het Maleisch en Javaansch overgegaan in dezelfde beteekenis. De

woordenboeken zijn in de opgave dier beteekenis doorgaans niet zeer

nauwkeurig. De „Kunstwoordentolk” van Kramers-Bonte geeft wel-is-waar

de algemeene beteekenis van _daglooner_, _lastdrager_ op; maar laat dan

volgen: „Hindoes uit eene der laagste kasten, die thans bij menigten

naar de Britsche koloniën in West-Indië als veld- en plantage-bebouwers

vertrekken.” Daarentegen zegt van Dale alleen: „Chineesche arbeider of

arbeidster in dienst bij de Oostindische planters.” Lucas, die in zijn

„Englisch-Deutsches Wörterbuch” slechts den meervoudvorm _Coolies_

opgeeft, vermeldt ook wel de algemeene beteekenis van _Handarbeiter_,

_Lastträger_, maar voegt er aan toe: „Leute welche zu niederen Arbeiten,

besonders auf Mauritius zur Theecultur gebraucht werden.” Littré,

„Dictionnaire de la langue Française”, had eerst den vorm _coolis_

(uitgesproken _couli_) als enkelvoud opgegeven, met de verklaring:

„Nom donné à des Indiens qui contractent des engagements pour aller

travailler dans les diverses colonies européennes moyennant salaire,”

met de etymologie: „Angl. _coolee_, de l'indoustani _culi_, laboureur

qu'on loue à la journée, du turc _culi_, esclave, serviteur.” Dit

artikel is reeds vrij verward; het wordt deels verbeterd, deels nog

erger gemaakt door de bijvoegselen in het Supplement. Wat de spelling

betreft merkt Littré daar terecht op: „l'orthographie _coolis_ au

singulier est mauvaise; il faut écrire _cooli_. Quant au pluriel on le

formera regulièrement _coolis_. Cependant quelques-uns le forment à

l'anglaise _coolies_.” Maar waarom wordt hier in het geheel de Engelsche

schrijfwijze met _oo_ behouden, waarvoor toch het Fransche aequivalent

steeds _ou_ is? Ik keur niet af dat men ook in het Fransch _groom_ en

niet _groum_ schrijft, maar dit is een zuiver Engelsch woord, dat

onveranderd behouden wordt; _cooli_, _cooly_ of _coolee_ is ook in het

Engelsch een vreemd woord, dat er geen aanspraak op kan maken, in andere

Europeesche talen overgenomen, een Engelsch karakter te behouden. Wat de

beteekenis betreft, wil Littré in het Supplément, bijgevoegd zien: „2o.

il se dit aussi des Chinois engagés comme travailleurs”, alsof een woord

dat _daglooner_ beteekent, van beteekenis verandert wanneer het van een

Chineeschen, in plaats van een Hindoeschen, daglooner gezegd wordt.

Het minst nog schijnt Littré goedkeuring te verdienen op zijne

bijvoeging of verbetering omtrent de afkomst: „La dérivation de

l'anglais _coolee_, par l'indoustani _culi_, laboureur qu'on loue à la

journée, du turc _coli_, esclave, serviteur, parait fausse. En effet M.

L. Rousselet, „Rev. Anthrop.”. T. II, p. 267, dit que _coolee_ est le

nom d'une peuplade dite aussi _Kôle_ ou _Khôle_, qui fournit des hommes

robustes et d'une force remarquable, employés dans les villes de la côte

aux rudes travaux”.

De schrijvers die ik heb geciteerd, hebben allen de ware en eenige

beteekenis van _Koeli_ op den achtergrond geschoven, en gedrukt op

eenige bijzondere gevallen, waarin van koeli-diensten wordt gebruikt

gemaakt. Het aantal van die bijzondere gevallen zou men nog zeer kunnen

vermenigvuldigen en spreken, b. v., van Chineezen in dienst gesteld door

de Europeesche tabaksplanters in Deli, Langkat en Serdang op Sumatra's

Oostkust, of van Hindoes en Chineezen naar Suriname overgevoerd, om daar

op de plantages het werk te verrichten, vroeger aan de negerslaven

opgedragen. Maar ook op deze en meer andere dergelijke gevallen past

altijd de algemeene beteekenis van het woord: een voor loon gehuurde

arbeider. Strikt genomen heeft ook de nationaliteit daar niets mede

te maken. Er zijn niet enkel Hindoesche en Chineesche, er zijn b. v.

ook Javaansche koelies, en er zouden ook Makassaarsche koelies zijn,

indien men eenmaal te rade werd te Makassaar gehuurd werkvolk naar de

tabaksplantages van Oost-Borneo over te voeren. Kwam het woord niet

uit het Oosten tot ons, en bleef het niet daardoor in het gebruik tot

Oosterlingen beperkt, men zou ook onze daglooners koelies kunnen noemen.

De eenige min of meer van de oorspronkelijke afwijkende, maar toch nauw

met haar verwante, beteekenis waarin het woord _koeli_ voorkomt, is die

van _sjouwer_ of _lastdrager_. Ook de sjouwer verhuurt zijne diensten,

maar niet voor lange termijnen of met vaste verbintenissen, maar slechts

voor een enkele karwei, die meestal in weinige uren afloopt. Koelies

van die soort worden zeker ook elders gevonden; maar zij zijn vooral in

Nederlandsch-Indië te huis. Wie, die maar eenigszins in de literatuur

der reisverhalen en novellen te huis is, waarvan Nederlandsch-Indië het

tooneel vormt, is niet met de Bataviasche koelies bekend? Dat onze

lexicographen wel van Hindoesche en Chineesche arbeiders, die zich als

koelies verhuren, maar nooit van de Bataviasche koeli's gehoord hebben,

is wel weder een van die treurige bewijzen, hoe weinig de Nederlanders

hunne koloniën kennen in alles wat niet rechtstreeks de belangen der

schatkist raakt! Men vraagt zich af door wie toch al die boeken over

Indië gelezen, voor wie toch zij geschreven worden.

Het is hier de plaats niet om lang bij den Bataviaschen koelie stil te

staan, die waarschijnlijk ook al in de laatste jaren, bij het opkomen

van stoom- en tramwegen, en het verleggen der haven van Batavia naar

Tandjong Priok, groote veranderingen in zijn bedrijf zal hebben

ondervonden; ik zal alleen verwijzen naar de uitstekende schets die de

heer W. L. Ritter, in zijn „Java, tooneelen uit het leven van Java's

bewoners”, bij de afbeelding der Bataviasche koelies door den heer E.

Hardouin, van deze klasse van menschen heeft gegeven (bl. 137–143). Al

het eigenaardige van hun bedrijf en hunne levenswijze, en de onkreukbare

eerlijkheid waardoor zij zich onderscheiden, worden daar met levendige

kleuren geteekend. Ook de Padangsche koelies en de diensten die zij,

veelal met grooten onwil, aan de expeditiën tijdens den Padri-oorlog

bewijzen moesten, worden daarbij niet vergeten.

Het misverstand, dat Rousselet, en in navolging van hem Littré, _koeli_

als eigenlijk de naam van een volksstam deed opvatten, is gemakkelijk te

verklaren. Er leeft inderdaad in Britsch-Indië, met name in de provincie

Guzeratte, een wilde roofstam, Koolees geheeten, verdeeld in talrijke

clans, die ieder haar eigen opperhoofd hebben, en van oudsher befaamd

als even gehard en dapper, als onrustig en bloeddorstig. Deze stam, die

door de Britsche troepen met veel moeite bedwongen is, wordt kortelijk

beschreven in Stocqueler's „Oriental interpreter”, p. 128. „The

Portuguese”, zegt die schrijver, „used the name _coolee_ as a term of

reproach, and from them it has passed in the same sense in the English

language. This must not be confounded with the word _cooly_, commonly

used in Southern India, which is derived from the Tamil language, and

merely means a labourer for hire”.

Kongsi.

_Kongsi_ is in Ned.-Indië de gewone naam van de mijnvereenigingen der

Chineezen, hetzij deze voor eigen rekening werken, als in Borneo's

Westerafdeeling, hetzij ze in dienst staan van het Gouvernement, als

op Bangka, hetzij ze voor een particuliere Maatschappij van Europeanen

arbeiden, als op Blitong. Zoo b. v. Lange, „Het eiland Banka”, bl. 104:

„De Chineezen welke een associatie door hen _kongsie_ genaamd, uitmaken,

worden bij den administrateur van het district gesignaleerd.” Dezelfde

naam werd vroeger op Borneo ook toegepast op de vereenigingen van eenige

dier mijnassociatiën tot grootere politieke lichamen. Zie mijn „Borneo's

Westerafdeeling”, I, bl. 319.

Dit woord _kongsi_ is inderdaad Chineesch, maar wordt door de

Europeanen niet volkomen nauwkeurig gebruikt, daar het eigenlijk niet de

geheele mijnvereeniging, maar hare bestuurders aanduidt, die intusschen

de geheele vereeniging in alle publieke aangelegenheden in hare rechten

en belangen vertegenwoordigen. Daar de Europeesche ambtenaren alleen met

de eigenlijke _Kongsies_ of de besturen te doen hebben, wordt het woord

natuurlijk genoeg niet alleen van de besturen zelve gebruikt, maar ook

van de maatschappijen, die slechts door tusschenkomst dier besturen met

de Europeesche ambtenaren in betrekking komen. Het woord _Kongsi_ is

samengesteld uit de Chineesche woorden _kong_, publiek, en _ssi_ of

_sse_, bestuur. De huizen waarin de leden van het bestuur vergaderen en

alles bewaard wordt wat aan de vereeniging gemeenschappelijk behoort,

worden _kongsihuizen_ genoemd, een naam dien wij door _gemeentehuizen_

zouden kunnen verklaren.

Het woord _kongsi_ heeft in Indië in het dagelijksch leven een ruimer

beteekenis gekregen en wordt toegepast op iedere associatie van

Chineezen voor handelszaken, industriëele ondernemingen, verpachtingen

of wat ook (zie b. v. Kielstra in „de Gids” voor 1888, D. IV, bl. 62,

64), en wordt er, althans in het dagelijksch gesprek, ook wel tot de

maatschappijen of associatiën van niet-Chineezen, b. v. tot eene

spoorwegmaatschappij, uitgebreid.

Toptafel, Topbaan.

De Chineesche speelhuizen, die alleen in de hoofdsteden van Java mogen

gehouden worden, en wel door hen die het uitsluitend recht daartoe

hebben gepacht, worden in de administratieve taal _toptafels_ of

_topbanen_ genoemd. Het eerste lid dezer namen is Chineesch, namelijk

een samentrekking van _toe-pŏ_, _to-pok_ of _to-pho_, hazard-spellen

spelen, inzonderheid, zoo het schijnt, met kaarten.

Gewoonlijk onderscheidt men in Indië van het _to-pho_ of Chineesche

kaartspel, het _pho_ of dobbelspel en het _tafui_, een spel dat met

tinnen duiten of boonen gespeeld wordt, die men in kopjes telt op de

wijze van het _tjongkak_- of _dakon_-spel der Maleiers en Javanen.[49]

Ik moet de nadere verklaring dezer namen aan de Sinologen overlaten.

[49] Een dergelijk spel is ook bekend aan sommige stammen van Afrika.

Zie v. d. Kellen in „T. v. h. Aardr. Gen.” Verslagen en Meded.,

1887, bl. 506.

_Toptafel_ komt o. a. voor in „Batavia in derzelver gelegenheid”, III,

bl. 17: „Aan de luitenants der Chineezen zijn tot een bestaan gegeven

de toptafels dier natie”; doch het is vreemd dat daar van de toptafels

wordt onderscheiden het Chineesche spel _pho_ en _to-pho_, dat gezegd

wordt aan de kapiteins dier natie te zijn afgestaan. Het onderscheid

schijnt hier niet juist te zijn gemaakt; ten minste zou uit de hierboven

voorgestelde, ook door den heer G. Schlegel goedgekeurde afleiding

volgen, dat de _toptafel_ juist voor het _to-pho_-spel diende.

Zeer vreemd klinkt in onze ooren de uitdrukking _topbaan_. Wij verstaan

door _baan_ een geëffende vlakte, zooals inderdaad gevorderd wordt voor

sommige spelen. De namen _kolfbaan_ (of zooals men oudtijds ook zeide

_klosbaan_), _kegelbaan_, _kaatsbaan_, zijn ons niet vreemd, maar dat

plaatsen waar men zich met kaart- en dobbelspel bezighoudt, ook _banen_

genoemd worden, is in strijd met ons hedendaagsch spraakgebruik.

Intusschen schijnt _baan_, bij uitbreiding, ook de algemeene beteekenis

te hebben gehad van _speelplaats_. Volgens Kiliaan beteekent _bane_:

_via_, _platea_, _planities_, _callis_; maar hij scheidt daarvan af

een tweede _bane_, met de beteekenis van _area, locus ubi luditur_,

waarbij hij klosbaan (kolfbaan) en tuischbaan (elders door hem _area

aleatoria_ verklaard) als voorbeelden noemt. Mijns inziens is baan

voor _speelplaats_ hetzelfde woord als in den zin van gebaanden weg

of vlakte, maar, nadat het in gebruik was gekomen in den zin van

speelplaats voor spellen die eene geëffende baan vereischen, door minder

eigenaardige uitbreiding voor iedere plaats gebruikt, die bepaaldelijk

voor eenig spel bestemd was.

Mogol.

_Mogol_ (vgl. het Eng. _Moghul_) is de echte Aziatische naam van den

Tartaarschen volksstam, dien wij gewoonlijk, met invoeging eener

_n_,[50] Mongolen noemen. De vorsten van dezen stam worden doorgaans

„de groote Mogol” genoemd. De grondlegger van de dynastie der Mogols,

die sedert het jaar 1526 haren zetel had in Delhi in Hindostan, was de

beroemde Tamerlan, die dan ook veelal als de eerste Groote Mogol wordt

aangemerkt. Zie b. v. Valentijn, IV, 2, bl. 165. Echter wordt ook de

zevende Groote Mogol, Sjah Baber, wel eens als de eerste voorgesteld,

omdat met hem de regeering dezer dynastie te Delhi aanvangt. De

Nederlanders kwamen in den tijd hunner vestiging en veroveringen in

Hindostan met de Groote Mogols dikwijls in aanraking; de Engelschen,

die in hunne voetstappen traden en hen eindelijk geheel uit dit gebied

verdrongen, hebben het gezag der Groote Mogols eerst allengs ondermijnd,

en eindelijk, toen het niets meer dan een schaduw geworden was, in 1828

opgehouden te erkennen. Desniettemin komt de naam Groote Mogol, of enkel

Mogol, niet enkel veelvuldig bij onze geschiedschrijvers voor, maar is

hij ook overgebleven in de volkstaal, om een potentaat, een despoot,

iemand die zich op zijn gezag, zelfs in geringe zaken, veel laat

voorstaan, aan te duiden. Zoo wordt zelfs bij Cremer, „Anna Rooze”, II,

bl. 348, een keukenmeid schertsenderwijze „een keuken-mogol” genoemd,

in denzelfden zin waarin wel eens in het dagelijksch leven van de

„keukenprinsessen” gesproken wordt.

[50] Zie op _Moeson_, _Amfioen_, _Pampoesjes_, en vooral ook de noot op

het art. _Banaan_.

Pikol, Pikkel.

_Pikol_, door velen, zonder eenige reden, als ware het een woord van

Latijnschen of Franschen oorsprong, _picol_ geschreven, is het Mal. en

Jav. _pikol_ of _pikoel_, dat eigenlijk _dragen_, inzonderheid _over

de schouders dragen_ (waartoe veelal een over den schouder liggende en

aan beide in evenwicht gebrachte zijden beladen draagstok, _pikolan_,

gebezigd wordt) beduidt, beteekent als zelfst. naamw. _den last dien een

man op deze wijze dragen kan_, een _schoudervracht_. Daar zulk een last

gemiddeld op honderd kati's, gelijkstaande met 125 Amst. ponden, begroot

wordt, heeft _pikol_, volgens de bepalingen van de Nederlandsche

Regeering, de bepaalde beteekenis van een gewicht van 125 Amst. ponden

of 61.7613 kilogr. erlangd, en is men thans gewoon, zoowel in Indië,

als ook in Nederland, de hoeveelheden van koloniale waren, b. v.

koffie, suiker, tin enz., bij zulke pikols te berekenen. Hierdoor

heeft dit woord, in deze bepaalde beteekenis dagelijks in de dagbladen

voorkomende, het Nederlandsch burgerrecht verkregen. Zoo zegt men,

b. v.: „Banka levert jaarlijks gemiddeld 80,000 pikols tin”; „de

residentie Pasoeroean bracht in 1870 aan het Gouvernement 274,000 pikols

koffie op.” De oude Preanger pikols van 225 Amst. ponden behooren thans

nog slechts tot de geschiedenis.

Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden · 第 16 / 22 段