Het is geenszins onwaarschijnlijk dat de Portugeezen den naam Alfoer

reeds hebben overgenomen van de aan de kusten gevestigde Mohammedanen,

en dat dezen, door Arabische zendelingen bekeerd, een Arabischen naam

hebben gegeven aan de bevolkingen die aan het Heidendom trouw bleven, en

zich juist daarom ook niet aan hun gezag wilden onderwerpen. Het woord

_Alfoer_ heeft reeds bij oppervlakkige beschouwing een eenigszins

Arabisch voorkomen, wegens de lettergreep _al_, waarmede het aanvangt,

en die hier, gelijk in zoovele andere in de Europeesche talen

overgenomen Arabische woorden (b. v. _almanak_, _alchymie_, _aldebaran_,

_alkoran_, _alizari_, _alkanna_ enz.), het Arabische lidwoord schijnt

te wezen. Maar is deze opvatting van de eerste lettergreep juist, dan

zal men ook voor de tweede een Arabischen oorsprong moeten zoeken. Nu

herinnere men zich dat in het Spaansch en Portugeesch de letters _f_ en

_h_ in de spelling gedurig met elkander verwisseld worden, zonder dat de

uitspraak verandert (zie art. _Hidalgo_ en Dozy's „Oosterlingen”, art.

_Feloek_). Zoo is dus ook het Portugeesche woord _alforria_ hetzelfde

als het Arabische _alhorria_, waarmede het ook geheel in beteekenis

overeenkomt. Beide beteekenen de _vrijheid_, de _staat van den vrije_,

het _bevrijd zijn_ van de slavernij. Het Arabische _alhorro_, d. i. _de

vrije_, de _aan geen meester onderworpene_, zal op gelijke wijze in het

Portugeesch _alforro_ worden. Nu is _forro_ inderdaad nog een gewoon

woord in het hedendaagsche Portugeesch, om een _vrijgemaakte_, b. v. van

de slavernij of van schulden of hypotheken aan te duiden, en dat dit

woord niets anders is dan het Arabische _horro_ zal wel algemeen erkend

worden. Duidelijk is het ook, dat in dit woord, evenals in zoovele

andere, het Arabische lidwoord als een soort van voorslag kon behouden

worden, met verlies zijner eigenlijke beteekenis. De oorspronkelijke

vorm van _Alfoer_ zal dus _Alforro_ geweest zijn, en de oorspronkelijke

beteekenis, _de vrije_, _de niet onderworpene_.

Met deze, zoo het schijnt, afdoende verklaring, die ik aan de wenken van

wijlen den heer van Musschenbroek verschuldigd ben (zie mijne biographie

van van Musschenbroek in het „Tijdschr. v. h. Aardr. Gen.”, Jg. 1887,

afd. meer uitg. artt., bl. 200), worden de gissingen overbodig, die

ik, op bl. 404 mijner vertaling van Wallace, „Insulinde”, D. II, heb

medegedeeld. Echter verdient nog vermelding eene zeer scherpzinnige

gissing van dr. G. A. Wilken, die ik ook reeds op de aangehaalde plaats

van v. Musschenbroek's biographie vermeld heb. Daar _Alfoeren_ vaak ook

_Halfoeren_ wordt uitgesproken, is door hem de vraag geopperd, of het

woord niet zou kunnen ontstaan zijn uit eene uit misverstand geboren

verminking van de uitdrukking „dalam _hâl foeroe_”, d. i. _in den wilden

staat verkeerende_. _Foeroe_ is, hetzij al of niet uit het Portugeesch

afkomstig, in het Maleisch van Ternate en Menado een gewoon woord voor

_wild_, _ontembaar_.

Kondé.

Van de in Indië uit Europeesche ouders geboren vrouwen (Creoolsche

dames) te Batavia sprekende, zegt Stavorinus: „Reize van Zeeland naar

Batavia”, D. I, bl. 265: „zij gaan alle blootshoofds; het hair, dat

gitzwart is, dragen zij in een wrong, met gouden en juweelen spelden

vastgemaakt; dit noemen zij een condé.... Diegeene van haare slavinnen,

die het best haar condé opmaakt, is haare voornaamste gunsteling”.

Dat nog heden dit kapsel de gewone haardracht der Creoolsche dames in

Indië is, blijkt uit de „Herinneringen” van van Rees, waar hij spreekt

van „open rijtuigen met schoone dames in een licht wit morgen-toilet;

het zware haar eenvoudig tot een _kondeh_ gedraaid[43]”. Doch niet de

Europeesche vrouwen alleen dragen de kondé; zij is evenzeer in gebruik

bij de Chineesche, zooals men zien kan uit de volgende aanteekening van

Aquasi Boachi, bij zijne „Mededeelingen over de Chineezen op Java”, in

„Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van N.-I.”, Dl. IV, bl.

281: „_Kondeh_ noemen de Chineezen eigenlijk dat vrouwelijke kapsel,

hetwelk ook in Europa onder den naam _coiffure à la chinoise_ bekend

is, en hetwelk daarin bestaat, dat men de haren van alle kanten

opstrijkt, in het midden te zamen bindt en met 2, 3, 4 of 5 haarspelden

bevestigt. Met deze haarnaalden, die òf van zilver òf ook wel van goud

en met diamanten en brillanten bezet zijn, wordt groote luxe gedreven”.

Uit dezelfde aanteekening zien wij nog, dat kondé ook wordt toegepast

op den wrong gevormd van den langen haarstaart die de onderscheidende

dracht is der Chineesche mannen. Men noemde oudtijds het van de

Chineezen geheven hoofdgeld _staartgeld_. Tijdens de Compagnie moest,

volgens „Batavia in hare gelegenheid”, D. III, bl. 23, „ieder Chinees

die een _Conde_ draagt—dus noemt men 't haar in tuiten rondom het hoofd

gelegd—38 stuivers hoofdgeld geeven.” Het schriftelijk bewijs dat deze

belasting, die eerst voor weinige jaren met de bedrijfsbelasting werd

samengesmolten, betaald was, werd, volgens Aquasi Boachi, t. a. p.,

_Soerat Kondeh_ genoemd.

[43] Ik heb de woorden aangeteekend met vermelding der bladzijde, maar

mij in de laatste vergist, zoodat ik de plaats niet kan weêrvinden.

Maar ook door de inlandsche vrouwen, Javaansche en Maleische, werd de

kondé als haardracht aangenomen. Het woord, ofschoon het van vreemden

oorsprong schijnt, is in de taal van beide volken opgenomen. Niet alle

Maleische vrouwen dragen het haar in eene knoop; maar dragen zij dien

wèl, dan schijnt _kondé_ het eenige, althans het gewone, woord daarvoor

te zijn (zie „Midden-Sumatra”, Volkenkunde, bl. 11). Het Javaansch

(zoowel de hooge als lage taal) en het Soendaasch hebben daarnevens

het woord _gĕloeng_. Het zou echter niet juist zijn _kondé_ geheel

als een synoniem van _gĕloeng_ op te vatten. Onder den naam

_gĕloeng_ zijn verschillende vormen van haarwrongen samengevat, die

door de toevoeging van verschillende soortnamen worden onderscheiden.

Zie daarover Poensen in de „Mededeelingen van wege het Ned.

Zendelinggenootschap”, D. XX, bl. 418, D. XXI, bl. 18. Een dier soorten,

en wel eene soort van waarschijnlijk vreemden oorsprong, is nu de

_kondé_. 't Is waar dat Poensen de _gĕloeng kondé_ niet vermeldt, die

misschien in de streken waar hij als zendeling werkzaam is, onbekend

bleef; maar zij wordt als bijzondere vorm van _gĕloeng_ uitdrukkelijk

genoemd in het Soendasch Woordenb. van den heer Oosting, bl. 762, kol.

1.[44]

[44] _Sanggoel_, Jav. en Soend., schijnt mij evenmin synoniem met

_geloeng_, en evenzoo eene bijzondere soort daarvan te zijn.

Crawfurd houdt in zijn „Malay Dictionary”, op _Kundai_, dit woord voor

Telingasch (= Teloegoe). Daar mij die taal volstrekt onbekend is, durf

ik dit niet tegenspreken: maar daar in het hierboven over _kondé_

bijeengebrachte, wel het een en ander voorkomt dat op een _Chineeschen_

oorsprong schijnt te wijzen, wilde ik mij althans omtrent de

mogelijkheid daarvan zekerheid verschaffen. Ik raadpleegde daarom onze

Sinologen, de heeren J. Hoffmann en G. Schlegel. Aan beide was echter

_kondé_ als Chineesch woord onbekend; maar laatstgemelde meende dat het

woord van Europeesche afkomst was, en wel van de „Coiffure à la Condé”,

die, zegt hij, in de vorige eeuw in Frankrijk in den smaak was.[45] Het

woord zou dus niet alleen door de inlanders, maar ook door de Chineezen

van de Europeanen zijn overgenomen, ofschoon het thans, in Europa

vergeten, in Indië als een woord aan de inlandsche talen ontleend wordt

aangemerkt.

Is de meening van Prof. Schlegel de ware, dan zou _condé_ de beste

schrijfwijze zijn. Zoolang dit niet vaststaat doet men beter _kondé_ te

schrijven, als beantwoordende aan de gewone transscriptie in onze taal

van Jav. en Mal. woorden. Schrijft men met sommigen _kondeh_, dan is de

_h_ op het einde slechts als het teeken der lange _e_ te beschouwen,

maar deze schrijfwijze is bepaald onnederlandsch.

[45] Ofschoon ik zelfs bij Paul Lacroix, „XVIIIe Siècle: Institutions,

Usages et Costumes”, tot mijn spijt te vergeefs naar eenige melding

van de _coiffure à la Condé_ gezocht heb, wil ik gaarne aannemen

dat zij werkelijk heeft bestaan. De vormen der kapsels, door de

Parijsche mode voortgebracht, zijn inderdaad ontelbaar.

Kraak, Korakora.

Een _kraak_ of _karaak_ is volgens Weiland „zeker oud Spaansch of

Portugeesch schip, zoowel tot den oorlog als tot den koophandel

geschikt.” Het woord komt, ofschoon niet dikwijls, toch van tijd tot

tijd voor, zoowel bij nieuwe als bij oude schrijvers. Zoo bij Baldaeus,

„Beschrijvinge van Ceylon”, bl. 98: „Korts na het overlijden van den

Onderkoningh, hadden die van Goa.... een _carake_ langzaam met

koopmanschappen beginnen te laaden”, en bij Meijer, „Heemskerk”, bl. 33:

„Dat vrij uw oog van fierheid blaak,

„Bij d'aanblik van die reuzenkraak,

„Die uit den vloed rijst als een eiland”.

Den vorm _karaak_ vindt men bij de Brune:

„Geen hulcken, of karaken groot ghenoegh”.

Het woord _karaak_ of _kraak_ is rechtstreeks ontleend aan het Spaansche

en Portugeesche _carraca_, maar behoort met dit tot eene talrijke

familie van woorden, in verschillende talen van Europa, die allen tot

het Arabische _qorqôr_ of _qorqôra_ en zijn meervoud _qarâqir_ zijn

terug te brengen. Zie Dozy, „Glossaire des mots Espagnols” enz., p. 248,

die terecht opmerkt, dat _carraca_, zooals vele andere Spaansche en

Portugeesche woorden aan 't Arabisch ontleend, van den meervoudigen vorm

afstamt, wat hier te eerder kon gebeuren, daar vaak meerdere _qorqôrs_

tot een vloot waren vereenigd, en men dan, het woord _qarâqîr_ hoorende,

dit licht ook op de enkele schepen kon toepassen. Hetzelfde gebruik van

Arabische meervouden (nam. van de zoogenaamde _pluralia fracta_) met de

beteekenis van enkelvoud komt ook dikmaals voor in de talen van den

Archipel, b. v. in _ngoelåmå_ (meerv. van _ngalîm_ of liever _ʾalîm_;

zie op _Ulema_), en laat zich te eerder begrijpen, daar de Maleiers en

Javanen, evenals de Spanjaarden en Portugeezen, van de eigenaardige

vorming der zoo talrijke pluralia fracta geen denkbeeld hebben. In het

Maleisch heeft zich van het Spaansch-Portugeesche _carraca_ het woord

_kĕrakah_ gevormd, dat o. a. gelezen wordt in de „Sjadjara Melajoe”

(zie Klinkert's „Supplement”), en onmogelijk is het niet, dat karaak of

kraak eigenlijk door tusschenkomst van het Maleisch tot ons is gekomen.

Voor 't overige behooren tot dezelfde familie als _carraca_ niet alleen

nog het It. _caracca_, het Fr. _caraque_ (vgl. Defrémery in „Journal

Asiatique”, Aug. 1867, bl. 185) en het middeleeuwsch Latijnsche

_caraca_, maar ook nog eenige andere woorden die eene wat sterkere

verandering ondergaan hebben, en waarop ik zoo aanstonds terugkom.

Het woord _karaak_ of _kraak_ had aanspraak mogen maken op eene plaats

in Dozy's „Oosterlingen”, te meer dewijl daarvan vermoedelijk afstamt

het bekende _kraakporselein_, reeds door Weiland verklaard als: „fijn

porselein, dat met Spaansche karaken of kraken [uit China en Japan] werd

overgevoerd.”

De hierboven bedoelde wat meer verwijderde afstammelingen van _carraca_

zijn het Spaansche _caracoa_ of _carcoa_ (d'Argeosola, „Conquista de los

Islas Molluccas”, p. 279: „doze carcoas”), het Fransche _caracore_, het

middeleeuwsch-Latijnsche _caracora_ en het Portugeesche _caracora_ of

_corocora_. (Vgl. bij de Jonge, „Opkomst van het Ned. gezag in Indië”,

D. III, de uittreksels uit het dagboek van Craen, waar, bl. 186, de

vormen _karacore_ en _karacolen_—dit laatste denkelijk een schrijf- of

drukfout—voorkomen.) Het Portugeesche _coracora_ heeft weder een ander

woord voortgebracht, dat dikwijls bij Nederlandsche schrijvers over de

Molukken voorkomt, t. w. _Korakora_ of _Korrakorra_. De schijnbaar

geredupliceerde vorm, die aan _Korakora_ het aanzien geeft van een

inlandsch woord, heeft niet alleen tot een verkeerde schrijfwijze

(_kora-kora_ of _korra-korra_) maar ook tot een verkeerde verklaring

geleid. _Korakora_ is de naam van zekere groote, overdekte en met

bamboezen vlerken voor de roeiers toegeruste staatsie-prauwen der

Moluksche vorsten. Valentijn, II, 1, bl. 183, misleid door den

schijnbaar Polynesischen vorm, behandelt dit woord geheel als een

inlandsch, wanneer hij, denkende aan het Maleische _kakoera_ of

_koera-koera_, het verklaart door „een waterschildpad”, en er bijvoegt:

„met reden zoo genaamt, alzo zij gemeenlijk zeer traag van voortgang

is.” _Korakora_ is klaarblijkelijk niets dan het reeds genoemde

Portugeesche _coracora_, welks afstamming van het Arab. _qorqora_ en

verwantschap met _carraca_ en ons _kraak_ reeds in het licht werd

gesteld. Woorden van Portugeeschen oorsprong zijn in de Molukken en den

geheelen Indischen Archipel niet zeldzaam, maar slechts weinige worden,

zooals _korakora_, ook telkens door Nederlandsche schrijvers gebruikt.

Nevens _korakora_ vindt men ook wel _karakor_, welke vorm eene plaats

heeft gevonden in van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” Deze vorm is bijna

geheel die van het middeleeuwsche _caracor_ en van het Arab. mv.

_qâraqîr_. _Caracora_ komt voor in „Begin en Voortgang, 2de schipvaerd

der Hollanders”, bl. 17, waar wij lezen, dat die van Amboina den

admiraal tegemoet kwamen „met drie seer kostelijcke ende cierlijk

toeghemaeckte galeijen, die sij caracora's noemen.”

Ulema.

Dit woord, dikwijls gebruikt waar van het Turksche Rijk sprake is, zou

schijnen uit Duitsche schrijvers te zijn overgenomen, daar aan de _u_

hier de klank moet worden toegekend dien wij uitdrukken door _oe_. 't

Is echter waarschijnlijker dat het uit Frankrijk tot ons kwam, want

de Franschen schrijven het evenzoo (schoon het naar hun klankstelsel

_Oulema_ moest geschreven worden), en wij volgen hen dikwijls na in de

fout van het als een enkelvoud te beschouwen en in het meervoud Ulemas

of Ulema's te schrijven. Het woord is inderdaad een Arabisch meervoud

en hetzelfde dat wij in het art. _Kraak_ hebben leeren kennen in den

Javaanschen vorm _ngoelåmå_, die ook als enkelvoud gebruikt wordt. Het

enkelvoud is in het Arabisch _ʾalîm_, en beteekent letterlijk een

_wetende_, en vandaar, evenals het Fransche _savant_, een _geleerde_.

In het Turksche Rijk beteekent _Oelema_ den stand der wetgeleerden,

samengesteld uit de _imams_ of voorgangers bij de godsdienstoefeningen,

de _mufti's_ of verklaarders der wet, de rechtsgeleerden, en de _kadi's_

of rechters. Dozy nam het woord niet op in zijne „Oosterlingen”, maar

het komt voor in van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.”

Bodega.

Eerst sinds weinige jaren is dit woord bij ons algemeen bekend geworden;

men vindt thans bodega's in al onze grootere steden en leest dagelijks

in de dagbladen de aankondiging van wat zij te koop bieden. Het woord is

Spaansch en Portugeesch en beteekent in het algemeen een magazijn van

koopwaren, een winkel. Het heeft in beide talen ook nog den bijvorm

_botica_, die meer in het bijzonder gebruikt wordt voor een _winkel van

geneesmiddelen_, een _apotheek_. Een derde vorm, _botiga_, schijnt

alleen in het Spaansch voor te komen, en behoudt doorgaans de beteekenis

van winkel, het Fransche _boutique_, het Italiaansche _bottega_.

Daarentegen wordt aan _bodega_ meestal de speciale beteekenis gegeven

van een magazijn en verkoopplaats van wijn, een wijnkelder, een

wijnhuis; en het is alleen in dien zin dat het woord bij ons in gebruik

is, met dien verstande dat in de _bodega_ alleen of hoofdzakelijk

_Spaansche wijnen_ verkocht worden.

De woorden _bodega_, _botiga_, _botica_, _bottega_, _boutique_ hebben

allen een gemeenschappelijken oorsprong. Zij stammen allen af van

het Latijnsche _apotheca_, dat weder afkomstig is van het Grieksche

_apothéké_, plaats voor terzijdestelling en bewaring, voorraadschuur,

en zijn gevormd door weglating der _a_ en verzachting der _p_ tot

_b_. De _p_ is nog over in sommige dialectische vormen zooals het

Napolitaansche _potega_ en het Sicilische _putiga_. Men ziet dus dat

_bodega_ in den grond hetzelfde woord is als ons _apotheek_.

Attar goel.

De echte of voorgewende Turksche kooplieden die zich op kermissen

en badplaatsen met hunne kramen van Oostersche snuisterijen en

toiletartikelen vertoonen, hebben doorgaans ook eene fijne Oostersche

reukstof te koop, die zij in zeer kleine fleschjes voor hoogen prijs

aanbieden, onder den naam van _Attar goel_, een naam die ook niet zelden

op de aanplakbiljetten en in de advertentiën van kappers en parfumeurs

gelezen wordt. Deze naam beteekent _reukstof van rozen_ en bestaat uit

twee Perzische woorden, waarvan het tweede volstrekt geene zwarigheid

oplevert. Het is het woord _gol_ of _goel_, de Perzische naam der roos,

en vandaar ook het eerste lid van „_Goelistan_”, d. i. Rozengaard, de

titel van een beroemd zedekundig werk, uit proza en verzen gemengd, van

den Perzischen dichter Saadi. Het andere woord, _attar_, is in den grond

niet onderscheiden van het Arabische _ʾitr_ onzer woordenboeken, dat in

onveranderde schrijfwijze ook in het Perzisch is overgegaan. Daarnevens

kent Dozy, „Supplément aux Dictionnaires Arabes”, V. II, p. 137, ook den

vorm _ʾotr_, waarvan hij den Engelschen naam van de bedoelde reukstof

_Otto of roses_ afleidt. Hij had daarnevens ook _Ottar_ als in dezelfde

taal gebruikelijk kunnen noemen („Treasury of Botany,” p. 829: „_Otto_

or _Ottar_ of roses; a fragrant oil obtained from _Rosa centifolia_ and

_Rosa damascena_.”) Maar dat ook de evenzeer bestaanbare vorm _ʾatr_

in het Oosten gebruikt wordt, blijkt genoeg uit het hier behandelde

_attar_. Dat die vormen als _attăr_, _ittăr_, _ottăr_ worden

uitgesproken, is uit den natuurlijken drang tot verzachting van _atr_,

_itr_, _otr_ te verklaren. De verdubbeling der _t_ in onze spelling

dient om te verhoeden, dat de eerste vokaal als open en lang wordt

uitgesproken. Had zij in _attar_ de grammatische waarde die haar in het

Arabisch toekomt, dan zou tevens de tweede _a_ moeten verlengd worden,

en het dus ontstane _ʾattâr_ zou niet een reukstof, maar een fabrikant

van reukwaren of een handelaar in reukwaren beteekenen.

Perzië, inzonderheid de provincie Sjiraz, is van oudsher door de

schoonheid en den heerlijken geur zijner rozen vermaard geweest. In

de tuinen van Java worden de Perzische rozen nog veelvuldig nevens

de Europeesche gekweekt. Men zou echter kunnen vragen, of zij thans

nog haar roem kunnen staande houden tegenover de prachtige hybriden,

die door de hedendaagsche bloemkweekers van jaar tot jaar in telkens

grootere volkomenheid gewonnen worden. Maar de _attar goel_ zou

misschien door haren geur den roem der rozen van Azië nog kunnen

handhaven, indien zij werkelijk was wat zij voorgeeft te zijn. Het is

echter bekend dat de Oostersche rozenolie, thans vooral in Turkije

vervaardigd, doorgaans schromelijk vervalscht in den handel komt, en

dat in onze dagen de fijnste en geurigste te Leipzig in de fabriek van

Schimmel en Co. wordt vervaardigd.

Soesah.

In een oppervlakkig maar niet onaardig stukje over de Maleische taal

in het tijdschrift „Vreemd en Eigen”, 2e Jg., aflev. 8, bl. 107, wordt

de volgende opmerking gemaakt: „De woorden _soesah_ en _senang_, die

een tegenstelling vormen, spelen een groote rol in het Maleisch. Met

_soesah_ bestempelt de Maleier alles wat hem onaangenaam aandoet,

wat hem zorg of vrees inboezemt, hem benadeelt of in zijn plannen

dwarsboomt. Slecht weer, veel muskieten, honger, geldverlies enz. is

_soesah_; een onwelkome gast maakt _soesah_, en de laatste en grootste

_soesah_ is de dood. Als de Maleier geen _soesah_ heeft, dan voelt hij

zich _senang_. _Senang_ is bijgevolg alles wat aangenaam aandoet: een

flink en mak paard vindt hij _senang_, gemakkelijke schoenen en goed

passende kleederen zijn _senang_, ook een mensch kan in den omgang

_senang_ zijn.”

Aan het begrip door _senang_ uitgedrukt beantwoordt in de taal der

Indo-Europeanen in de meeste gevallen het woord _lekker_: maar het woord

_soesah_, ook in het Javaansch en Soendaasch gebruikelijk, is bij hen

even algemeen als bij de inlanders zelven, en is door hen ook naar

Europa overgebracht, waar het zelfs niet meer tot de Indische familiën

beperkt bleef, maar een gewoon woord van het dagelijksch leven is

geworden, inzonderheid om de kleine zorgen en beslommeringen in de

huishouding aan te duiden. Met ons _soezen_ en _soes_ heeft het woord

natuurlijk niets te maken.

Barissan.

Van het Javaansch-Maleische _baris_, dat _streep_, _lijn_, _regel_,

_rij_, _gelid_ beteekent, komt _barisan_, of, naar de gewone uitspraak,

_barissan_, dat veelvuldig, ook door de Europeanen, van een troep

inlandsch krijgsvolk gebruikt wordt, zooals wij ook in onze taal _de

gelederen_ voor _het krijgsvolk_ gebruiken. Zie het „Woordenboek der

Ned. Taal” van de Vries en te Winkel, 3e reeks, kol. 1149 v. _Barissan_

vinden wij van inlandsche korpsen gebruikt in de volgende gevallen: 1o.

Van de ongeregelde korpsen die in den oorlog op Java met Dipô Negôrô in

verschillende deelen des eilands werden opgericht. Voorbeelden: „In de

verschillende districten van Kadoe werden onder inlandsche hoofden, op

wie men vertrouwen stelde, ongeregelde troepen of barissans opgericht.”

Weitzel, „de Oorlog op Java”, I, bl. 97. „In die bijeenkomst werd onder

anderen bepaald, dat eenige barissans zouden te velde gebracht worden.”

Ibid. bl. 296.—2o. Eene soort van inlandsche schutterij, uit de

familieleden en afhangelingen der Regenten samengesteld, onder hunne

bevelen geplaatst, maar door het Gouvernement bezoldigd, die v. d.

Bosch instelde met het oog op het cultuurstelsel, ten einde de macht

en den invloed van de inlandsche aristocratie te vermeerderen. Zie van

Deventer, „Landelijk stelsel”, II, bl. 202, 214. Vgl. mijn „Java”, II,

685.—3o. De inlandsche troepen onderhouden door de Vorsten van Madoera,

om steeds ter beschikking te blijven van het Gouvernement. De Louter,

„Handleiding tot de kennis van het Staats- en Administratief Recht van

N.-I.”, bl. 335. Vgl. mijn „Java”, III, bl. 896.

Overdrachtelijk wordt de naam barissan ook gebruikt van bergen die een

gesloten keten vormen en als het ware in het gelid staan. Vooral het

gebergte dat zich in schier onafgebroken lijn langs de Westkust van

Sumatra uitstrekt, wordt het Barissan-gebergte genoemd.

Prauw.

_Prauw_, vernederlandscht uit het Jav. en Mal. _prahoe_, _pĕrahoe_ of

_praoe_, is zeker een der meest bekende en gebruikte onder de inlandsche

woorden, die eerst in Indië, later ook, waar over Indië gehandeld wordt,

in Nederland, in onze taal zijn opgenomen; maar dat het woord niet

altijd juist wordt opgevat, blijkt uit de omschrijving in het „Nieuw

Nederl. Wdbk.” van van Dale: „plat vaartuig der Indianen, waarmede de

lading wordt gelost of aan boord gebracht.” Vooreerst is hier _Indiaan_,

geheel in strijd met het spraakgebruik, toegepast op Javanen en

Maleiers, terwijl het, tegenwoordig althans, bij ons uitsluitend pleegt

gebruikt te worden van de wilde stammen van Noord- en Zuid-Amerika,

zooals van Dale zelf op het woord _Indiaan_ te kennen geeft. Men zou

hierdoor in den waan kunnen gebracht worden dat de prauw in Amerika, in

stede van Insulinde, te huis behoort. Ten andere is _praoe_ inderdaad

een woord van veel algemeener beteekenis. Terecht zegt Marsden in zijn

„Maleisch Woordenboek” (Ned. vert. van Elout): „algemeene benaming

voor alle vaartuigen, van de _sampan_ of boot af tot de _kapal_ of

het schip met een vierkant zeil toe.” Verschillende soorten worden

door toevoegsels onderscheiden, zooals _praoe majang_, de gewone

visscherspink der Javanen; _praoe tôp_, een soort van handelsprauw,

in hoofdzaak op Europeesche wijze getuigd; _praoe kroewis_,[46] de

kruisprauw voor de handhaving der zeepolitie; _praoe koenting_, een

groot vaartuig met een schuinsch zeil (_lajer tandjak_ of _tandja'_),

dikwijls alleen _koenting_ en door de Europeanen bij uitnemendheid

_prauw_ genoemd, enz. Bij de namen der kleinste bootjes of kano's,

zooals de _sampan_ (van Chineeschen oorsprong zoo het schijnt) en de

_djoekoeng_ of _djoengkoeng_ (een Javaansche kano, vooral voor de

vischvangst gebezigd), wordt het woord _praoe_ zelden gevoegd.[47]

[46] Men zal licht begrijpen, dat _kroewis_ een verbastering is van het

Ned. _kruis_.

[47] _Djoekong_ (= Djoekoeng) en _sampan_ zijn door van Dale opgenomen.

Deze woorden komen zeker enkele malen in geschriften over Indië

voor; maar als men alle inlandsche woorden, waarmede dit wel eens

het geval is, in de Ned. Woordenboeken wilde opnemen, zou het

aantal schrikbarend groot worden. Ik heb mij bepaald tot degene die

in algemeen gebruik zijn; maar de grenzen zijn zeker moeilijk vast

te stellen.

Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden · 第 15 / 22 段