Op Java is _galadag_ of _gladag_, door de Europeanen _gladak_

uitgesproken, de gewone naam van den dienst der vervoermiddelen en

transporten. Zoo heeten b. v. de lastdragers _wong gladag_, de

lastpaarden _djaran gladag_, enz. De paarden voor de transportdiensten

gebruikt hebben veel te lijden en verliezen spoedig alle schoonheid en

goede hoedanigheden. Vandaar beteekent onder de Nederlanders op Java een

_gladakker_ een slecht, versleten paard, een knol. Maar die naam wordt

vervolgens ook overgedragen op alles wat leelijk en gemeen is. Zoo

worden b. v. de leelijke honden, die, zonder meester, in de dessa's

rondloopen, zoo bekend uit van Rees, „Herinneringen uit de loopbaan van

een Ind. officier”, 3e druk, Dl. II, bl. 22, dikwijls _gladakshonden_

genoemd. Maar vooral ook wordt _gladakker_ (bij ten Brink, „O.I. Dames

en Heeren,” altijd _gladak_ geschreven) gebezigd voor een gemeen en

liederlijk persoon, die door fatsoenlijke lieden geschuwd wordt.

Kĕ, Keh.

De Chineezen die pas uit hun vaderland in den Indischen Archipel komen,

worden daar aangeduid door den naam _Sin-kĕ_, d. i. _nieuw-gast_,

en in het algemeen worden de Chineezen van zuivere afkomst van de in

Indië uit de kolonisten geboren bastaard-Chineezen, die den naam van

_pĕranakan_[40] dragen, door den naam _Kĕ_ (of _Keh_), d. i.

_gast_, onderscheiden. Die naam wordt echter door de Europeanen vaak als

een soort van schimpnaam gebezigd. Van Rees, „Herinneringen”, II, bl.

16: „Het kostte ons altijd moeite den groet der Chineezen niet onheusch

te beantwoorden, en een „dag, leelijke kee!” was het minste dat zij

moesten hooren.”

[40] De _pĕranakans_ zijn inderdaad steeds bastaard-Chineezen of

mestiezen, daar de emigratie uit China aan vrouwen verboden is.

De massa der Chineezen die in den Indischen Archipel komen, behoort tot

het ruwe, maar krachtige ras der bergvolken, die in het gebergte langs

de noordelijke grenzen van Koeang-tong (Canton) en Koeang-si wonen. Men

vindt er echter ook sommigen van een meer verfijnd ras, dat in Amoy

(Hiamen) en de naburige streken te huis behoort. Men geeft aan deze

laatsten een bijzonderen naam, die zeer verschillend wordt uitgesproken.

De heer van Lynden, „Nat. T. v. N.-I.”, D. II, bl. 602, van de Chineezen

op Borneo sprekende, zegt: „De Chineezen te Pontianak, Mandor en in de

bovenlanden zijn meestal Keh's en slechts zeer weinigen Ollo's”. De heer

Tobias in de „Ned. Hermes”, Jg. III, no. 12, bl. 36, spreekt van twee

Chineesche kampongs te Pontianak, waarvan de kleinere alleen door

Chineezen uit de provinciën Emoi (Amoy) en Holy bewoond wordt, die,

zooals hij er bijvoegt, veel fijner en beschaafder van zeden zijn dan

de andere klasse van Chineezen en van dezen een afkeer hebben. Deze

onderscheiding wordt ook bevestigd door hetgeen de reizigers omtrent

Riouw berichten. Zoo b. v. de Bruyn Kops in „Nat. T. v. N.-I,” D. IV,

bl. 69: „De Chineezen (te Riouw) worden naar hunne afkomst onderscheiden

in Canton- en Emoyer-Chineezen, welke afzonderlijke kampongs bewonen en

afzonderlijke hoofden hebben. Tusschen deze beide afdeelingen bestaat

een voortdurende naijver, die somwijlen in twist uitbreekt. De Chineezen

van Canton zijn zware, sterke menschen; de Emoyers zijn in het algemeen

veel minder gespierd en houden zich meer uitsluitend met den handel

bezig.”

Zijn nu de Chineezen, die van Lynden Ollo's noemt, dezelfde als de

Chineezen van Amoy, die door de Bruyn Kops op dezelfde wijze tegen die

van Canton worden overgesteld? Dat die vraag bevestigend moet beantwoord

worden, kan dunkt mij niet twijfelachtig zijn, vooral wanneer men acht

geeft op de woorden van den heer Tobias, die de Chineezen van Amoy en

Holy bijeenstelt, om ze gezamenlijk aan de Canton-Chineezen over te

stellen. Er woont namelijk in de nabijheid van Amoy, op de grenzen

tusschen Fokiën en Canton, volgens eene mededeeling die ik van Prof.

G. Schlegel ontving, een kleine stam, welks naam deze geleerde Hok-lo

schrijft, en hij voegt er uitdrukkelijk bij dat vele Hok-lo Chineezen

te Riouw wonen. Ollo en Holy zijn dus andere transscriptiën, of

verbasteringen, voor Hok-lo, en Tobias drukt zich ongewoon nauwkeurig

uit, wanneer hij de Chineezen van Emoi (Amoy) en Holy (Hok-lo) nog

verder van elkander onderscheidt. Zij wonen dicht bij elkander, schijnen

in zeden en levenswijze overeen te komen, en worden gewoonlijk als ééne

klasse beschouwd, die nu eens Amoy-, dan eens Hok-lo of Ollo-Chineezen

genoemd worden.

Uit de boven aangehaalde plaats van den heer van Lynden, die de Kĕh's

en Ollo's tegenover elkander stelt, zou men opmaken dat alleen de

Canton-Chineezen Kĕh worden genoemd. Dit wordt echter door geene

andere mij bekende getuigenis bevestigd, en is zelfs eenigermate in

strijd met de volgende taalkundige opheldering omtrent het woord Kĕ,

mij door wijlen Prof. Hoffman verstrekt: „De Chineezen op Java

beschouwen zich zelven als Thang-Kĕ, d. i. gasten (Kĕ) uit Thang,

een vroegeren naam van China, dus als gasten uit China, en noemen de

nieuwe aankomelingen „nieuwe gasten”, _sin kĕ_. In China zelf gaan

ook reizende kooplieden, marskramers enz. voor gasten (kĕ) door,

en men noemt b. v. de reizigers die de tee-districten bezoeken en

tee opkoopen „tee-gasten”, _tscha-kĕ_, terwijl ook de winkelier

zijne klanten als _kĕ's_ beschouwt. Het woord _kĕ_ sluit het

begrip van _vreemdeling_ in. In het Canton-dialect luidt het _hak_.”

Hieruit volgt: 1o. dat _kĕ_ soms te onrecht als een verkorting van

_sin-kĕ_ wordt beschouwd. _Kĕ_ is een vreemde, d. i. een _echte_

Chinees in het algemeen, en _Sin-kĕ_ een pas aangekomene, een

nieuweling, een baar. Dit blijkt ook reeds uit hetgeen over deze

benamingen werd opgemerkt door Prof. Hoffmann in „Bijdragen tot de

Taal-, Land- en Volkenk. van N.-I.”, D. IV, bl. 280, waar hij ten slotte

nog opmerkt: „Het Chineesche _Kĕ_ heeft al de schakeeringen van

beteekenis, die wij aan ons woord _gast_ hechten, en daar het ook een

_vreemdeling_ beteekent, die ter plaatse waar hij zich bevindt niet te

huis behoort, is het in den mond van niet-Chineezen geen aangename groet

voor een Chinees op Java.”

2o. Dat in het woord _kĕ_ op zichzelf niets ligt, waarom het niet

even goed op Amoy- als op Canton-Chineezen zou toepasselijk zijn.

Smous.

Evenmin als Kĕ schijnt ook dit woord naar zijne eigenlijke beteekenis

iets beleedigends te bevatten. In de taal der boeren van Zuid-Afrika is

nog alle bijgedachte van schimp of smaad aan het woord vreemd. Volgens

Mansvelt's „Kaapsch-Hollandsch Idiotikon”, is een _smous_ een te voet,

te paard of per kar voorttrekkende Jood, die zijne waren rondvent. Zie

ook Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 9: „Zij verkoopen hun voorraad aan

reizende kooplieden of smousen. Dit woord getuigt volstrekt niet van

minachting... Reizend koopman en smous zijn woorden van één beteekenis”.

H. P. N. Muller in „de Gids” voor Mei 1888, bl. 225: „Marskramers worden

door de Boeren steeds met den liefelijken naam _smous_ betiteld, ook

al zijn zij Christenen. Het is geen scheldwoord, maar slechts eene

beroepsaanduiding”. Uit deze laatste plaats blijkt, dat _smous_ in

Zuid-Afrika eene uitbreiding van beteekenis ondergaan heeft, zoodat

het niet enkel bepaaldelijk een _Joodschen marskramer_, maar een

_marskramer_ in het algemeen aanduidt.

De oorsprong van het woord _smous_ is niet zoo duister als gewoonlijk

geloofd wordt. In het Hoogduitsch beantwoordt daaraan _Mauschel_. Heyne,

in Grimm's „Deutsches Wörterbuch” in v., zegt over dit woord: „Spottname

für einen Juden, weitergebildet aus dem jüdischen Namen Moses, in

jüdisch-deutscher Aussprache _Mausche_ oder _Môsche_, wie denn diese

und verwandte Formen als allgemeiner Rufnahme für Juden begegnen”.

Hij brengt daarna voorbeelden bij waarin Mausche, Moschi, Moschgen

als zoodanig voorkomen. Eerst de vorm _Mauschel_ of _Mauschl_ (een

deminutiefvorm) „bezeichnet in verächtlicher Weise den Juden,

namentlich den Schacherjuden”. In het Hollandsch is Mausche of Môsche

overgegaan in _mous_ of _moos_, maar met voorklamping van den sis-klank,

zoo gewoon vóór de _liquidae_, als in _smoel_ voor _moel_ of _muil_,

_smerlijn_ voor _merlijn_ (den steenvalk), _sneb_ voor _neb_, _snugger_

voor _nugger_, _snikken_ (_snokken_) voor _nokken_ (_nikken_),

_slinker_, _slinksch_ voor _linker_, _linksch_, _slank_ (voor _lang_ of

_lank_), enz., geheel in den geest der volkstaal[41]. Terecht dus heeft

reeds Weiland ons _smous_ afgeleid „van den eigennaam Mozes, waarvoor

de Joden in de gemeenzame verkeering _mous_, _mousje_, bezigen, dat

met voorzetting van eene s, _smous_, _smousje_ geworden is”. Daar nu

een gebruikelijke eigennaam op zich zelf geen scheldnaam kan zijn, is

_smous_ meer door den minachtenden toon waarop het wordt uitgesproken,

dan door zijne beteekenis tot scheldwoord gestempeld. Bij ons volk

bestaan niet die bittere vooroordeelen tegen de Joden die hun in andere

landen bloedige vervolgingen op den hals halen, maar het is hun geest

van schacheren en woekeren, die hen bij de menigte in minachting

brengt, zonder dat men bedenkt hoezeer die geest een uitvloeisel is

van de verdrukking, waaraan zij zoovele eeuwen waren blootgesteld. De

beteekenissen van het woord _smous_ laten zich dunkt mij het best zoo

ordenen: 1o. een duitsche Jood, 2o. een joodsche marskramer, 3o. een

marskramer in het algemeen (Zuid-Afrika), 4o. een schacheraar, een

woekeraar.

[41] Zulk eene _s_ komt enkele malen ook vóór andere letters voor, b.v.

_stronk_ voor _tronk_ (Lat. _truncus_), _strubbel_ voor _trubbel_

(Fr. en Eng. _trouble_).

Prof. Dozy heeft het woord _smous_ in zijne „Oosterlingen” niet

opgenomen. Dit gaf aanleiding dat bij de verschijning van dat werkje

twee nieuwe afleidingen beproefd zijn. Prof. de Goeje wilde het in

verband brengen met _Schammôsj_, een kerkedienaar, Prof. Land met

_Isj-mówet_ (uitgesproken Schmówĕs), een man des doods, dat dan

zooveel zou beteekenen als _galgebrok_, _pendard_. Beide verklaringen

zijn veel te gezocht en te geleerd, en geen van beide komen met het

gebruik van _smous_ overeen.

Ik wensch hier ook nog iets over eenige Joodsche woorden bij te voegen,

die van te weinig gewicht zijn om een afzonderlijk artikel te verdienen.

Prof. Dozy zegt in de voorrede zijner „Oosterlingen”: „Van Joodsche

woorden zijn er misschien in enkele steden, waar veel Joden wonen,

vooral te Amsterdam, meer in de volkstaal overgegaan, dan ik heb

opgeteekend”. Juister ware het te zeggen, dat daar de Joden, die onder

elkander hun eigen, met Hebreeuwsch en Chaldeeuwsch doorspekt Duitsch

spreken, ook in het verkeer met Christenen vaak Joodsche woorden in hun

taal mengen, die door hen met wie ze spreken dikwijls niet of slechts

ten halve verstaan worden. Wanneer nu zulke woorden kunnen gezegd worden

in de volkstaal te zijn overgegaan, is moeilijk te bepalen. Waar van

Maurik, die Amsterdam kent zooals Dickens Londen kende, in zijne

schetsen en novellen Joden ten tooneele voert, legt hij hun niet zelden

woorden in den mond die stellig niet algemeen verstaan worden, en toch

in den mond van een Jood zeer gepast zijn, b. v. waar in „Uit één

pen”, bl. 181, David de loterijman _tôf_ (het Hebr. _tôb_, volgens de

uitspraak der Duitsche Joden) voor _goed_[42] en _gammor_ (verbastering

van het Hebr. _chămoor_) voor _ezel_ bezigt. Maar deze woorden kunnen

geen aanspraak maken om zelfs als vreemde gasten in de Nederlandsche

taal beschouwd te worden. Meer aanspraak daarop heeft _sikker_, dat, zoo

ik geloof, vrij algemeen, althans in Amsterdam, verstaan wordt, en dan

ook door van Maurik, „Uit één pen”, bl. 142, 148, aan een Amsterdamschen

nachtwacht in den mond wordt gelegd. Het is het Hebr. _sjikkôr_, dat

_dronken_ beteekent.

[42] Men heeft ook voorgeslagen uit dit _tôb_ het Ned. _top_ te

verklaren, het tusschenwerpsel waarmede een koop wordt aanvaard

of toegeslagen. Hier schijnt echter iets meer, iets levendigers

en krachtigers gevorderd te worden, dan een woord dat eenvoudig

uitdrukt dat het _goed_ is. Het schijnt mij een geluidnabootsend

woord te zijn, dat den klank der met kracht ineengeslagen handen

nabootst en versterkt. Zie Littré in voce _toper_. Vgl. ook Weiland

op _top_ en _toppen_.

Saraceen.

Dat dit woord niet voorkomt in de „Oosterlingen” van Prof. Dozy, en,

ofschoon het ook aan de Spanjaarden en Portugeezen bekend is, evenmin in

zijn „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérives de l'Arabe”, kan

nauwlijks daaraan worden toegeschreven, dat het vergeten is. Ik vermoed

dat hij het als een eigennaam van onzekere afkomst beschouwde, waarvan

alleen bekend is dat hij van de Grieken en Romeinen tot ons is gekomen.

Onder de verschillende afleidingen van het woord, die men heeft

voorgesteld en kan nalezen bij Pococke, „Specimen Hist.-Arab.”, ed.

White, p. 33, en in Gibbon's „Decline and Fall of the Roman Empire”, in

eene noot op Ch. I, is er ééne, die bij den eersten oogopslag groote

waarschijnlijkheid heeft: deze namelijk, dat Saracenen, het Grieksche

_Sarakénoi_, afstamt van het Arab. _Sjarq_, het Oosten, dus overeenkomt

met _Sjarqioena_, Oosterlingen, en overstaat tegen _Maghrebioena_,

Westerlingen (Magrebynen), zooals de latere Arabieren de Mauretaniërs

noemden. Men denke daarbij dan ook aan den naam _Bené Qèdem_, zonen van

het Oosten, in het Oude Testament aan de Arabische stammen ten O. van

Syrië en Palestina gegeven. De vorm biedt hoegenaamd geen zwarigheid;

want de _sjîn_ gaat in het Grieksch vanzelf in _sigma_ (onze _s_) over,

en aan de lange _i_ beantwoordt in het Grieksch de _èta_.

Er bestaan echter tegen deze afleiding twee zwarigheden. De Arabieren

konden zich zelven niet wel _Oosterlingen_ noemen, en hoe kan men zich

voorstellen, dat de Grieken, die hen zeer natuurlijk zoo noemden, dit

deden met een aan de Arabieren zelven ontleenden naam. Het is vooral

deze zwarigheid die mij doet twijfelen.

De andere is van minder gewicht. Zij bestaat daarin, dat bij Ptolemaeus,

„Geographia”, V, 17, § 6, _Sarakéné_ als een landschap van Arabia

Petraea, en VI, 7, § 21, _Sarakénoi_ als een stam in Arabia Felix

voorkomen. Hieruit maakt men op dat Saracenen oorspronkelijk de

eigennaam was van een klein deel des Arabischen volks, die later, waarom

blijkt niet, bij de Grieken de algemeene naam des ganschen volks is

geworden. Aan analoge voorbeelden ontbreekt het niet. De naam van den

stam Tai is bij de Syriërs de naam van alle Arabieren geworden (Tajôjé);

bij de Franschen werd de naam der Alamanen de algemeene naam van alle

Duitschers (Allemands); wij Nederlanders zelven worden in den vreemde

naar een deel van ons volk algemeen Hollanders genoemd. Maar daaruit

volgt volstrekt niet met eenige zekerheid, dat de naam Saracenen, zoo al

Ptolemaeus terecht van een kleine bevolking dus geheeten in Arabië

gewaagt, oorspronkelijk alleen aan dien kleinen stam toekomt, en daar

men, wat de landen van het Oosten betreft, bij de oude geographen

op velerlei verwarring en misverstand kan rekenen, mis ik zelfs de

overtuiging dat werkelijk Saracenen ooit de naam van een bijzonderen

stam geweest is. Indien dus slechts een aannemelijke reden kon worden

opgegeven, waarom de Grieken een oostersch volk noemden met een woord

dat in zijne eigen taal _Oosterlingen_ beteekent, zou ik aan de

afleiding van _sjarq_ de voorkeur blijven geven.

Dajak.

Met dezen naam, waarvan de oorsprong zeer onzeker en betwist is, wordt

de inheemsche bevolking van Borneo, in tegenstelling met de Maleische

kolonisten aan de kusten, niet slechts door de Europeanen, maar ook door

de Maleiers aangeduid. Crawfurd, „Dict. of the Indian islands”, in v.

_Dyak_ zegt: „It is a word used by the Malays as a generic term for all

the wild races of Sumatra and Celebes, but more especially of Borneo,

and seems to be equivalent with them to the European word _savage_.”

Doch dat het woord zich ook tot bevolkingen buiten Borneo zou

uitstrekken wordt, voor zoover ik weet, door geen andere getuigenissen

bevestigd, en is zelfs moeilijk vereenigbaar met hetgeen Crawfurd zelf

laat volgen, dat hem door Maleische kooplieden _Dajak_ als de naam van

een stam van N. W. Borneo is opgegeven. Iets dergelijks komt voor in een

nog onuitgegeven journaal van den heer von de Wall, die door zijne vele

tochten en onderzoekingen op Borneo bekend is. De heer Robidé van der Aa

deelt in zijne uitgave van Carl Bock's „Reis in Oost- en Zuid-Borneo”,

(bl. 177) mede, dat, volgens von de Wall, „de Bonoa's, een Dajaksche

stam aan den Boengan, zijtak van den Mohakkam, die van de zuidgrens van

Pasir naar het meer Sembajan loopt, de bewoners van het grensgebergte

_Dajaks_ noemen, hetgeen _bovenlander_, _bergbewoner_ beteekent, dus

hetzelfde als _Beadjoe_ of _Ngadjoe_, van _adjoe_, Poelopetaksch _boven,

hooger op de rivier_.” Het zou zeker niet vreemd zijn (vergelijk de

gelijksoortige gevallen, vermeld in het artikel _Saraceen_), dat zulk

een naam allengs een uitgebreidere beteekenis had erlangd, wat dan ook

ten slotte het gevoelen van Crawfurd ten opzichte van _Dajak_ schijnt te

wezen.

Nadat de etymologen lange jaren omtrent den naam Dajak in het onzekere

hadden verkeerd, zonder het verder te kunnen brengen dan de hier

vermelde gissing, komt eensklaps de heer Perelaer in een soort van

ethnographischen roman, dien hij onder den naam: „Borneo van Noord

naar Zuid” (Rotterdam, 1881) heeft uitgegeven, D. I, bl. 149, het

Nederlandsch publiek met eene nieuwe verklaring van den naam Dajak

verrassen, die zoo eenvoudig en natuurlijk schijnt, dat men er nauwlijks

eenige andere tegenwerping tegen maken kan, dan de onwaarschijnlijkheid

dat iets zoo eenvoudigs en natuurlijks zoo lang is onbekend gebleven.

Vooral is het bevreemdend, dat zij den heer Perelaer zelven gedurende

zijn lang verblijf op Borneo ontgaan was, zooals blijkt uit een

vroeger werk van zijne hand: „Ethnographische beschrijving der Dajaks”

(Zalt-Bommel, 1870), bl. 2, waar hij zegt: „Hoe wij Europeanen aan het

woord Dajak komen, is mij niet mogelijk geweest op te sporen. Nergens

op Borneo, althans in dat gedeelte van het eiland hetwelk tot onze

bezittingen behoort, is dat woord te huis; het is alleen bekend in

die streken, welke met ons Europeanen in aanraking gekomen zijn”. Maar

hoe is dan den heer Perelaer in 1881 het licht opgegaan, dat hem in

1870 nog ontbrak? Zeker niet, zoover ik kan nagaan, door een nieuw

bezoek aan Borneo, maar waarschijnlijk, zooals ook de heer v. d. Aa

t. a. p. aanneemt, door een artikel in Hardeland's „Dajacks-deutsches

Wörterbuch”, dat aldus luidt: „_Dadajak_, _dajadajak_, _hadajak_,

wackelnd gehen.—_Kadajadajak_, immer, noch immer wackelnd

gehen.—_Baradajak_, alle wackelnd gehen”. Het verdient opmerking, dat

het den heer Hardeland niet in de gedachten schijnt gekomen te zijn, den

naam Dajak hieruit te verklaren.

De heer Perelaer, dit artikel uit Hardelands woordenboek, dat hij

blijkbaar tot vermeerdering der ethnologische kennis, die hij gedurende

zijn vierjarig verblijf op Borneo (1859–1863) verkregen had, ijverig

doorzocht en bestudeerd heeft, met zijne eigen herinneringen in verband

brengend, heeft op de aangehaalde plaats van zijn „Borneo van Zuid naar

Noord”, misschien met wat al te veel verzekerdheid, de bij hem opgekomen

gissing omtrent den oorsprong van den naam Dajak in deze woorden

uitgesproken: „Dajak is een verkorting van het woord „dadajak”, dat in

de taal des lands beteekent: „wankelend loopen”. De benaming _Dajak_ is

dus een scheldnaam, die ook zoo opgenomen en alleen door de Europeanen

gebezigd wordt. De bewoners van de benedenlanden hebben allen, op zeer

weinig uitzonderingen na, kromme onderdanen en als gevolg daarvan een

waggelenden gang. De oorzaak van dit gebrek is daarin gelegen, dat zij

het grootste gedeelte van hun leven, met gekruiste beenen zittende, in

hunne prauwen doorbrengen. Daarentegen is door het vele en aanhoudende

roeien hun bovenlijf zoodanig ontwikkeld, dat het van de meesten wel tot

model voor een beeldhouwer kon dienen”.

De heer van der Aa, die eenigszins spottenderwijze over deze verklaring

spreekt, en, niet zonder eenige ironie, zegt: „Prof. Veth vond deze

afleiding zoo waarschijnlijk, dat hij de schoone vondst onmiddellijk aan

het wetenschappelijk publiek mededeelde (Tijdschr. v. h. Aardr. Gen.,

D. V, Meded., bl. 182), daar dit niet licht zoo iets in een roman zou

zoeken”, kon toch niet ontkennen dat ook in zijne oogen deze afleiding

veel voor zich heeft. Doch er blijven eenige zwarigheden. Is zij juist,

waar blijven dan de beweringen, dat ook de Maleiers den naam Dajak

kennen en gebruiken; dat zij dien zelfs tot wilde bevolkingen buiten

Borneo uitstrekken; dat de naam _bovenlander_ of _wilde_ beteekent; dat

hij oorspronkelijk aan bijzondere stammen, nu eens in N. W. Borneo, dan

eens in het grensgebergte van Pasir geplaatst, eigen was? Hoe is het

ontstaan van al die beweringen te verklaren, indien Perelaer's meening

de ware is? En is het niet wat vreemd dat de Europeanen den spotnaam

waarmede zij de Dajaks aanduiden, ontleend hebben aan de, zeer zelden

door hen beoefende taal van het volk zelf, dat er mede genoemd wordt?

Alfoer.

Dit woord, dat, toen het eenmaal niet meer verstaan werd, allerlei

zeer uiteenloopende vormen heeft gekregen (b. v. Alifoeren, Arafoeren,

Halfoeren, Harafoeren, Alforen, Alfores, Alforias), duidt in het Oosten

van den Indischen Archipel de oorspronkelijke heidensche bevolking

aan, in tegenstelling van de Mohammedaansche of Christelijke. Wie

tegenwoordig in de Minahassa tot het Christendom overgaan, worden niet

langer tot de Alfoeren gerekend. Hieruit blijkt reeds, dat de naam geene

ethnologische beteekenis heeft, en dit wordt ook daardoor bevestigd, dat

de Alfoeren van de Molukken en van Celebes klaarblijkelijk tot geheel

verschillende stammen behooren.

Het gebruik van het woord schijnt op te klimmen tot het tijdperk der

Portugeesche heerschappij in deze streken, en Crawfurd gist daarom dat

het gevormd is uit het Arabische lidwoord _al_ en het Portugeesche

_fora_, buiten, zoodat het beteekende: „zij die buiten het Portugeesche

gezag leefden”. Deze verklaring voldoet vrijwel wat de uitkomst (ik meen

de beteekenis aan het woord Alfoer toegekend) betreft, maar verkrijgt

die langs een onmogelijken weg. Tegen de verbinding van een zuiver

Portugeesch, uit het Latijn stammend woord, met het Arabische lidwoord,

bestaat een onoverkomelijke zwarigheid, en om aan de uitdrukking _een

man die buiten is_, een _buitenman_, de speciale beteekenis te geven van

_een man die buiten het Portugeesch gezag leeft_, is een vervaarlijke

sprong noodig. Ik zal dus beproeven tot dezelfde uitkomst langs een

veiliger weg te geraken.

Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden · 第 14 / 22 段