_Bamboes_ is in onze taal de naam van het botanisch geslacht _Bambusa_,

dat, vooral in de soort _Bambusa vulgaris_, in een groot aantal

verscheidenheden zoowel in Hindostan als in den Indischen Archipel

voorkomt. Andere soorten vindt men in West-Indië en Midden-Afrika, en

voor de bewoners der tropische gewesten is er geen andere plant, die het

bamboesriet in nuttigheid evenaart. Om een denkbeeld te erlangen van het

eindeloos verschillend gebruik dat van deze plant en al hare deelen

gemaakt wordt, raadplege men b. v. Wallace's „Insulinde”, D. I, bl.

129–135.

Het woord _bamboes_, mv. _bamboezen_, dat ook in vele samenstellingen,

b. v. _bamboesriet_, _bamboesstok_, _bamboeskoker_ enz. voorkomt, wordt

in onze taal niet enkel van de geheele plant, maar soms ook van enkele

harer deelen gebruikt. Zoo vindt men b. v. bij Gevers Deynoot, „Reis

naar Oost-Indië”, op bl. 79 _bamboezen_ in de beteekenis van de door een

knoop gescheiden leden der bamboesplant („de inlander die eenige gelden

verzameld heeft begraaft deze in bamboezen onder den grond”), op bl. 105

in die van bamboesstokken („puntige bamboezen werden in het werk gesteld

om den tijger en den karbouw met elkander te doen strijden”). Ook wordt

van _bamboes_ het stoffelijk bijv. nw. _bamboezen_ gevormd, b.v.

bamboezen huisjes, bamboezen kooi, bij denzelfden schrijver, bl. 78 en

105.

Ons woord _bamboes_ is door toevoeging eener _s_ gevormd van _bamboe_,

aan welken laatsten vorm thans sommige schrijvers uit een streven naar

nauwkeurigheid de voorkeur geven. In den Indischen Archipel is de naam

_bamboe_ niet onbekend, maar hij is er door de vreemde, Aziatische of

Europeesche, handelaars ingevoerd. De inlandsche naam van dit riet is

_boeloeh_ (Maleisch) of _woeloeh_[34] (Javaansch). De naam _bamboe_,

waarvoor men ook _mamboe_ zegt, stamt uit Hindostan. „Oock is”, zegt v.

Linschoten „Itinerario” bl. 82, „op alle de custe van Malabar veel dick

riet, en principaelijk aan de custe van Choromandel, welck riet wordt

van de Indianen _mambu_ genaempt, en van de Portugesen _bambu_”. In de

Portugeesche woordenboeken vind ik de vormen _bambu_, mv. _bambuz_, en

_bambuz_, mv. _bambuzes_. Het kan nauwelijks aan twijfel onderhevig

zijn of wij hebben ook dit woord van de Portugeezen overgenomen en ons

_bamboes_ is naar _bambuz_ gevormd.

[34] _Woeloeh_ is de Jav. uitspraak van _boeloeh_, maar wordt volgens

de woordenboeken slechts van eene bijzondere soort, de _Bambusa

excelsa_, gebezigd. De algemeene Javaansche naam van de bamboes is

_pring_, in de hooge taal _dĕling_.

Rotting.

_Rotting_ is, volgens Weiland, „eigenlijk een rietachtig plantgewas,

dat bij de kruidkenners den naam van _rottang_ voert en verschillende

soorten heeft, en in het gebruik een staf, van dat plantgewas genomen.”

Deze verklaring is weder zeer gebrekkig; voor eene juiste zijn weinig

meer woorden, maar wat meer zaakkennis noodig. Ons _rotting_ en het

Engelsche _rattan_ zijn verbasteringen van het Maleische _rotan_,

hetwelk de algemeene naam is van de rietpalmen, behoorende tot de

botanische geslachten _Calamus_ en _Daemonorops_, en in een verbazend

aantal soorten in de bosschen van den Indischen Archipel voorkomende.

Over den oorsprong van het Maleische woord zelf uit te weiden ligt

buiten mijn bestek; men zie daarover v. d. Tuuk, „Bataksch leesboek”,

D. IV, bl. 119; maar wel is het van belang op te merken, dat reeds in

onderscheidene dialecten van den Indischen Archipel zelven, in plaats

van de finale _n_, in dit woord de neusklank _ng_ gehoord wordt, zooals

in het Makassaarsche _raoekang_, het Bataksche _hotang_, het Daïrische

_kĕtang_.[35] In de talen van Insulinde gaat de finale _n_ zeer licht

in _ng_ over en meenen de Europeanen deze laatste letter dikwijls ook

daar te hooren, waar de inboorlingen de enkele _n_ schrijven. Zoo b. v.

in het gewone _kojang_ voor het Maleische _kojan_, in _orang oetang_ v.

_o. oetan_. (zie op het woord), in _Bintang_, zooals de Europeanen den

naam van het eiland _Bintan_ uitspreken enz. Vgl. ook op _Tang_. En zoo

hebben de Europeanen van _rotan_ veelal _rotang_ gemaakt, b. v. in den

botanischen soortnaam _Calamus rotang_.

[35] De Bataksche vormen doen echter de hier aangenomen afleiding van

_raoet_, met _an_ als vormingslettergreep, in twijfel trekken

en eer denken aan den grondklank _tang_, die het begrip van

rekbaarheid en buigbaarheid schijnt uit te drukken. Mocht dit

juist zijn, dan is de _ng_ oorspronkelijk.

Eene andere opmerking tot verklaring van het verbasterde _rotting_ is,

dat de Europeanen, daarvoor grond vindende in de inlandsche uitspraak,

geneigd zijn in Maleische en Javaansche woorden de tusschen twee

vokalen, waarvan de voorafgaande betoond is, geplaatste medeklinkers

te verdubbelen of tusschen de beide lettergrepen te verdeelen, zooals

in dammer, pagger, passer, slokkan, dessa en andere. _Rotan_ werd

dus _rottang_, en de toonlooze _a_ in de laatste lettergreep, door

de versterking der voorlaatste nog meer verkort, ging in dammar,

paggar, passar in ĕ, in rottang in de nagenoeg evenzoo luidende ĭ

over.[36] Men schreef dus _rotting_, welke vorm reeds zeer oud is en o.

a. voorkomt bij Baldaeus, „Ceilon”, bl. 88.

[36] Indien men _rotteng_ in plaats van _rotting_ schreef, zou de

uitspraak niet wezenlijk verschillen.

Rotting is geheel een Nederlandsch woord geworden, zooals blijkt uit de

vele daarmede gevormde samenstellingen, b.v. rottingknop, rottingband,

rottingolie enz. In den handel onderscheidt men handrotting (zwaardere

stukken op bepaalde maat gesneden voor wandelstokken) en bindrotting

(lange, dunne stukken voor bindmiddel en vervaardiging van matten en

meubelen gebruikt.)

Bataten.

_Bataten_ of _pataten_ (patatten) is de met de plant zelve uit Amerika

afkomstige naam eener Convolvulacee, die door de botanici _Batatas

edulis_ genoemd wordt, en wier eetbare, vleezige en zoet smakende

knollen onder de voedingstoffen der tropische gewesten eene belangrijke

plaats innemen. Volgens Nieremberg, „Hist. Nat.” l. XV, c. 90,

aangehaald bij Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, D. V, bl. 369, zou het

woord _batatta_ uit Haïti afkomstig zijn, hetgeen het door Rumphius

eenigszins in twijfel getrokken gevoelen bevestigen zou, dat dit

knolgewas door Spanjaarden en Portugeezen uit Amerika naar Manilla en

vandaar naar de Molukken en andere gewesten van den Indischen Archipel

is overgebracht. Het voorkomen der bataten in het wild, zelfs op

eilanden waar nooit geregelde vestiging van Europeanen plaats had, is

hiertegen, blijkens vele soortgelijke gevallen, geen afdoend bewijs.

Ook Piso, „de Indiae utriusque re nat. et med.”, p. 254, beschrijft de

_bataten_ als een Amerikaansch gewas, waarvan hij de Peruaansche en

Braziliaansche namen opgeeft.

De naam _bataten_, Port. en Sp. _batáta_, is ongetwijfeld weder door de

Spanjaarden en Portugeezen tegelijk met de plant zelve verspreid en door

de Nederlanders in Indië, gelijk ook door de Maleiers (zie Rumphius, t.

a. p., bl. 368) van hen overgenomen. Ook is hij in den vorm _Batatas_ de

botanische naam geworden van het geslacht, waartoe deze plant behoort.

Men noemt de bataten dikwijls ook „zoete aardappelen” en inderdaad

hebben zij met de gewone aardappelen, _Solanum tuberosum_, veel

overeenkomst. Vanhier dat, toen de aardappelen, die in de bergen van

Peru en Chili in het wild wassen, maar reeds in overoude tijden door

cultuur over Amerika verspreid zijn, het eerst in Engeland bekend

werden, zij daar, als uit Virginië ingevoerd, met den naam van _Batatas

Virginiana_ bestempeld werden. Hieruit laat zich ook verklaren dat

_potatoes_, eene verbastering van _batatas_, de gewone naam der

aardappelen in het Engelsch is gebleven. Evenzoo heeten in het Zweedsch

de aardappelen doorgaans _potates_ of _potäter_, en ook in andere talen

wordt dit knolgewas nog wel eens _bataten_ of _pataten_ genoemd.

Van Dale, „Nieuw Ned. Woordenb.” verklaart _bataten_ door „groene

aardappelen”. Ik denk dat dit eene verschrijving is voor „zoete

aardappelen”, onder welken naam de bataten algemeen bekend zijn. Er

bestaan zooveel ik weet geene andere groene aardappelen dan die welke,

boven den grond groeiende en daardoor aan de lucht blootgesteld, eene

groene kleur hebben aangenomen. Doch het is ondenkbaar dat men aan deze,

die niets dan gewone aardappelen zijn, den naam zou gegeven hebben van

eene plant, die tot eene geheel andere plantenfamilie en tot de

voortbrengselen der tropische gewesten behoort.

Banaan.

Deze plant is aan Oost- en West-Indië, of, om juister te spreken, aan de

tropische gewesten van Azië, Afrika en Amerika gemeen. Men heeft zelfs

vroeger aangenomen dat zij, evenals de maïs en eenige andere planten, in

beide halfronden oorspronkelijk was; doch zulke voorstellingen worden

door de tegenwoordige wetenschap gewraakt. Wat de banaan betreft,

gelooft men thans algemeen dat zij in de oude wereld te huis behoort,

en vermoedt men dat zij in den allereersten tijd der ontdekkingsreizen

van Portugeezen en Spanjaarden door hen naar de nieuwe wereld is

overgebracht. En hiervoor pleit ook de getuigenis van Oviedus, „Hist.

Indic.”, l. 8, c. 1, dat de _platano_ door de Spanjaarden en Portugeezen

uit Groot-Kanarië het eerst naar de Nieuwe Wereld gebracht is en zich

daar later vermenigvuldigd heeft.

Deze plant, die bij verschillende volken eene belangrijke plaats onder

de voedingstoffen inneemt, heeft ook een aantal zeer uiteenloopende

namen. In het Arabisch heet zij _mauz_, waarvan de botanische

geslachtsnaam _Musa_ afkomstig is. In den Indischen Archipel heeft zij

bijna zooveel namen als er talen gesproken worden; ik noem slechts

_pisang_ in het Maleisch en hoog-Javaansch, _gĕdang_ in het laag

Javaansch, _tjaoe_ in het Soendaasch, _oenti_ in het Makassaarsch, als

voorbeelden. Zonderling is de Spaansche naam _platano_ of _plantano_;

want het eerste is in het Spaansch ook de naam van den _plataanboom_,

die niet in het minst op de banaanplant gelijkt, en _plantano_ schijnt

eer eene verbastering van _platano_, door de in den volksmond zoo

vaak voorkomende inlassching der liquida (zie bij _amfioen_ en

pampoesjes)[37], dan omgekeerd. Intusschen is van _plantano_ de gewone

Engelsche naam _plantain_ gevormd. De meest verbreide naam dezer plant

is echter _banaan_, zoo het schijnt door de Portugeezen in den vorm

_banána_ tegelijk met de plant uit Afrika naar Brazilië overgebracht,

zoodat Dapper, „Beschrijving van het Keizerrijk Sina”, bl. 221,

terecht kon schrijven, dat _bananas_ de naam dezer vrucht is bij de

Brazilianen. Evenwel worden door Piso, „de Indiae utriusque re nat. et

medica”, p. 154, geheel andere namen als voor de pisangs in Brazilië

gebruikelijk opgegeven, namelijk _pacobuçu_ en _pacobeté_. _Pacobuçu_

is de naam van de soort die de botanici _Musa sapientum_ noemen, en

_pacobeté_ de naam van de _Musa paradisiaca_, die in Suriname _bakkove_

(elders _baccovo_, _pacoba_) wordt geheeten. Men beschouwt in die

gewesten de _M. sapientum_ soms als de echte typische banaan, en

stelt ze als zoodanig tegenover de _M. paradisiaca_, die kleiner en

overvloediger vruchten draagt. Echter worden, als men algemeen spreekt,

de bakkove's onder den naam van banaan begrepen. Zegt men dus, gelijk

men zoo dikwijls leest, dat in West-Indië de banaan nevens de bakkeljauw

het hoofdvoedsel van de negerslaven placht te wezen, dan is daarmede

niet beslist of men Musa sapientum of Musa paradisiaca bedoelt; het

was zelfs doorgaans de bakkove, die aan de negers verstrekt werd.

[37] Naar mijn inzien wordt de liquida eerder ingevoegd dan

uitgestooten, waarom ik ook geneigd ben _laterna_ voor den

oorspronkelijken, _lanterna_ (waarvan ons lantaarn) voor den

verbasterden vorm te houden. Evenzoo is _taggerijn_ ouder dan

_tangerijn_. Zie Dozy's „Oosterlingen” op dit woord, waar de

vergelijking der uitspraak van de dubbele _g_ als _ng_ in het

Grieksch mij minder gepast schijnt. Rumphius, „Amb. Kruydb.”,

D. V, bl. 128, houdt in de beteekenis van „banaan” _plantano_

voor den waren vorm en wil dien afleiden van _planta_; maar hoe

dan den uitgang _ano_ te verklaren?

Ik deed reeds opmerken, dat de naam banaan door de Portugeezen uit

Afrika naar Amerika werd overgebracht. Inderdaad schijnt _banaan_

oorspronkelijk Afrikaansch te zijn. Volgens Rumphius is banaan een naam

die in Guinee te huis behoort; Th. Tromp, in zijne „Herinneringen”, bl.

50, zegt mede dat men in Afrika de pisangs _bananen_ noemt. Overigens

hebben de Franschen en Duitschers algemeen den naam banaan aangenomen,

en zelfs onder de Nederlanders, die in vroeger tijd met de minder

afgelegene en meer door Europeanen gekoloniseerde Westindische

bezittingen, veel meer dan met de door het monopolie der Compagnie voor

den ondernemingsgeest der particulieren gesloten gewesten van Insulinde

bekend waren, was de naam banaan veel meer dan die van pisang bekend. In

de laatste jaren, nu men Insulinde zooveel meer heeft leeren kennen en

waardeeren en zoovele familiën na veeljarig verblijf in Indië zich weder

metterwoon in het moederland vestigen, wordt in den dagelijkschen omgang

het woord _banaan_ meer en meer door pisang verdrongen, en is, zelfs

_de ware pisang_ eene spreekwoordelijke uitdrukking geworden. Sommigen

willen den _pisang_ van de _banaan_ onderscheiden. Daarin eene zoo wijd

verspreide cultuurplant natuurlijk een verbazend aantal verscheidenheden

ontstaan zijn, kan men met het verschil van namen ook lichtelijk

het denkbeeld van eenig soortverschil verbinden; maar bepaalde

verscheidenheden, waaraan men den naam van pisang in onderscheiding met

dien van banaan zou kunnen toekennen, zijn niet aan te wijzen. Alle

gekweekte variëteiten in Indië schijnen tot dezelfde beide soorten

als de Amerikaansche: _Musa sapientum_ en _Musa paradisiaca_ te

moeten gebracht worden. Zelfs in Afrika worden pisang en banaan hier

en daar door elkander gebezigd. Zoo leest men b. v. in Mansvelt's

„Kaapsch-Hollandsch Idioticon,” op het woord _Pisang_: „algemeene

Kaapsche naam voor _de verschillende banaansoorten_”, terwijl de

Marrée, in zijne „Beschrijving der Goudkust”, II, bl. 199, zelfs van

_pisangboomen_ als een product dier kust gewaagt.

Naar aanleiding van dit woord _pisangboom_ merk ik hier ten slotte nog

op, dat het niet zeer juist is de pisangplant een boom te noemen. De

stam is geheel kruidachtig en wordt slechts door de vast om elkander

gerolde bladscheeden gevormd.

Anemoon.

_Anemoon_ is de naam van een bekend geslacht van planten, met fraaie

bloemen, behoorende tot de familie der Ranunculaceeën, en ook bij de

botanici _Anemone_ geheeten.

Omtrent den oorsprong van den naam dezer bloem bestaat eene Arabische

legende, die door Caussin de Perceval, „Essai sur l'histoire des

Arabes”, II, p. 156, aldus verhaald wordt. „Une prairie voisine de Hira

produisait beaucoup d'anemones. Le roi Nòman affectionnait, dit-on, cet

endroit; il le prit sous sa protection, c'est à dire, qu'il en interdit

l'approche au public. Les fleurs qui y naissaient, furent appellées

pour cette raison chakaïk-an-Nòmân, fleurs de Nòmân.” Men gevoelt

dat de bedoeling is anemoon van „an-Nòmân” af te leiden, en deze

afleiding heeft o. a. bijval gevonden bij Engelmann, „Glossaire des mots

Espagnols” enz. Zij is echter ongetwijfeld onjuist, gelijk Prof. Dozy in

de tweede zeer vermeerderde uitgave van dit glossaire, p. 373, heeft

aangetoond. _Anemoon_ is toch zonder eenigen twijfel het Grieksche

_anemōné_, dat reeds bij Hippocrates voorkomt, terwijl Theophrastus

en Dioskorides reeds de soorten onderscheiden die nu nog _Anemone

coronaria_, _hortensis_, _Apennina_ genoemd worden. Zie Fraas, „Synopsis

plantarum Florae classicae”, p. 130.

En toch is het volstrekt niet onmogelijk dat _anemoon_ in den grond van

Semietischen oorsprong is, gelijk er in het Grieksch zoovele andere

woorden zijn die van de Phoeniciërs en andere volken van het Oosten zijn

overgenomen. Movers, „Phönizier,” I, p. 217, heeft reeds gegist dat

anemōné het Hebr. of Phenicische _han-naäman_, d. i. de liefelijke,

zou wezen, en met Prof. de Goeje, die daarop in zijne aankondiging van

Dozy's „Oosterlingen” heeft opmerkzaam gemaakt, acht ik dit verre van

onwaarschijnlijk.

Guttegom.

Een bekende gele, harde en blinkende, als verfstof en als geneesmiddel

gebruikte soort van gom of hars, die men verkrijgt van verschillende

Indische boomen van de familie der Clusiaceeën. Ofschoon de guttegom

thans meest van Ceilon wordt aangevoerd, waar ze doorgaans van

_Stalagmites ovalifolius_ wordt verkregen, is echter de ware van oudsher

bekende guttegomboom de _Garcinia Cambogia_ (_Cambogia gutta_ L.), die

mede op Ceilon en, vandaar ingevoerd, op Java voorkomt. Doch de naam

_Cambogia_ wijst op het gewest, dat men (waarschijnlijk niet te onrecht)

voor het eigenlijk vaderland van dezen boom hield, namelijk Kambodja in

Achter-Indië. De Engelsche naam der guttegom, _gamboge_, laat zich

daaruit gereedelijk verklaren.

In het Spaansch en Portugeesch, uit welke talen wij de namen van zoovele

Indische handelswaren hebben overgenomen, komen voor de guttegom de

volgende namen voor:

1o. _Gomma rom_. Port. Hier is het tweede lid van den naam het Maleische

_rong_, waarmede in die taal de guttegom wordt aangeduid.

2o. _Gomma gambo_. Sp. Hier is het tweede lid naar allen schijn een

verbasterde of verminkte vorm van Kambodja of Gamboge.

3o. _Gomma gutta_. Sp. en Port. (ook in 't Fransch _gomme gutte_).

Hier is _gutta_ het gewone Maleische woord voor gom, _gĕtah_, dat

in denzelfden vorm ook in _gutta percha_ voorkomt. Zie het volg.

art. Misschien heeft het Latijnsche _gutta_, droppel (de gom vloeit

_droppels_gewijs uit de boomen), op de Europeesche schrijfwijze van

dezen Maleischen naam invloed gehad. Hoe het zij, _gomma gutta_

beteekent gom-gom. Beide leden van den naam beduiden hetzelfde in

verschillende talen. Toch is daaruit door eenvoudige omzetting ons

_guttegom_ ontstaan, dat in ieder geval verkieslijk is boven _gittegom_,

zooals soms wordt geschreven en uitgesproken.

Gutta-percha.

_Gutta-percha_ heet het in de lucht tot eene lederachtige stof verharde

melksap van zekeren boom, die op het Maleisch Schiereiland, Sumatra,

Borneo en andere eilanden van den Ind. Archipel veel voorkomt,—eene

stof die, daar ze lucht- en waterdicht is, eene groote plaats in de

hedendaagsche industrie inneemt en tot ontelbare doeleinden wordt

aangewend. Voor de uitspraak van het woord is het van belang op te

merken, dat wij het van de Engelschen hebben overgenomen, en dat dus de

_ch_ in _percha_ moet worden uitgesproken als in het Eng. in _church_

of _charity_. Inderdaad vertegenwoordigt ze de _tja_ van het Maleische

Alphabet. Beide bestanddeelen van _gutta-percha_ zijn Maleisch. _Gutta_

is, evenals in guttegom (zie op dat woord) het Maleische _gĕtah_,

gom. _Percha_, in het Maleisch met een _h_ op het einde en dus naar onze

gewone wijze van transscriptie _pertjah_ of _pertsjah_ te schrijven, is

de naam van den boom die deze gom oplevert, de _Isonandra gutta_ der

botanici, ofschoon deze wel de voornaamste, maar niet de eenige boom

is, waarvan de in den handel gebrachte gutta-percha wordt verkregen.

_Pertja_ (doch zonder de _h_ op het einde) is in de verbinding _Poelo

Pertja_ ook een Maleische naam van Sumatra of een deel van dat eiland.

Wat in dien naam _pertja_ eigenlijk beteekent is onzeker. Ik voer hem

hier alleen aan, omdat vele Europeanen _pertjah_ en _pertja_ verward

hebben, en daarom gutta-percha door _gom van Sumatra_ verklaren. Zoo

b. v. Kramers-Bonte in hun „Kunstwoordentolk”, en van Dale in het „Nieuw

Ned. Wdbk.”, welke laatste niet heeft opgemerkt, dat hij met zijne eigen

verklaring in strijd is, wanneer hij vervolgens van het verharde melksap

van den _percha-boom_ spreekt. _Percha_ moet in _gutta-percha_ òf het

eiland Sumatra, òf den pertjaboom, maar kan niet beide te gelijk

beteekenen.

Gonje, Goeni.

Het woord _gonje_ las ik op een uithangbord op de Oude Schans te

Amsterdam, en bij onderzoek vernam ik dat daaronder verstaan wordt een

soort van grove zakken tot verpakking van sommige handelswaren gebezigd.

Dit deed mij dadelijk aan goeni-zakken denken. Ik herkende toch in

_gonje_ gemakkelijk een vernederlandschten vorm van _goni_ of _goeni_,

op dezelfde wijze gevormd als _katje_ van _katti_, _pitjes_ van _pitis_.

De _goeni_ bestaat uit de vezelen der tot de Tiliaceeën behoorende

en in Bengalen veelvuldig gekweekte planten _Corchorus capsularis_ en

_Corchorus olitorius_. De uit deze vezelen geweven ruwe stof dient tot

vervaardiging van de zoogenaamde goeni-zakken tot verpakking van suiker

en koffie, welk laatste product vooral geacht wordt daarin beveiligd te

zijn tegen schadelijke invloeden, anders op de zeereis te duchten. Zie

de Sturler, „Handboek voor den landbouw in N. O.-I.”, bl. 151. Daar de

Corchorus-planten, ofschoon op sommige eilanden van den Archipel in het

wild groeiende, daar niet gekweekt noch tot vervaardiging van _goeni_

aangewend worden, is het nauwlijks te denken dat het woord _goeni_

oorspronkelijk Maleisch zou zijn, en is zijne afkomst eer in Bengalen te

zoeken. De Engelschen noemen de zakken _gunny_ of _gunney_, de vezels

_jute_ (vandaar ook bij ons soms jute-vlas) en de plant _paat_, alles

vermoedelijk woorden van inlandschen oorsprong.

In Ned.-Indië wordt de naam _goeni_ ook tot andere gelijksoortige

vezelstoffen uitgebreid. „Weleer,” zegt de heer de Sturler, t. a. p.,

bl. 152, „waren wij voor de verpakking der koffie cijnsbaar aan

Bengalen, totdat men op het denkbeeld kwam om de vezelen van de

uitgebreide familiën der _Malvaceae_ en _Tiliaceae_[38] daaraan

dienstbaar te maken.” Hieruit laat zich verklaren, dat de heer de

Hollander, „Land- en Volkenk. van Ned. Indië”, 3e uitg., D. I, bl. 104,

opgeeft, dat het goeni-touw en de goeni-zakken vervaardigd worden van de

vezelen van den Genitri-boom[39]; want deze is eene op Java en in de

Molukken veelvuldig voorkomende tiliacee, de _Elaeocarpus serratus_ en

de nauw aan deze verwante _Elaeocarpus angustifolius_ der botanici. Doch

de heer de Hollander vergist zich geheel als hij t. a. p. de _Genitri_

een palm noemt.

[38] De heer de Sturler drukt zich hier niet nauwkeurig uit, daar ook

_Corchorus_ tot de tiliaceeën behoort.

[39] Of _Ganitri_. Zie Filet, „Plantk. Wdbk.”, no. 2430. Op Amboina heet

de boom _Ai-manoek_. Zie ald. no. 104.

Ook de _Crotalaria juncea_, eene Papilionacee, door de Engelschen _Sun_

of _Sunn_ genoemd, en zoowel in den Indischen Archipel als in Bengalen

gekweekt, levert eene stof op, de Indische hennip, die als surrogaat

voor de _goeni_ gebezigd en vaak onder dien naam begrepen wordt.

Het woord _gonje_ wordt in ons land ook veelvuldig gebruikt om eene van

grove, sterke vezels vervaardigde, zeer duurzame soort van tapijten aan

te duiden. Waarschijnlijk waren die gonje-tapijten oorspronkelijk

vervaardigd uit dezelfde stof als de goeni-zakken, d. i. uit de vezelen

van den Corchorus of een zijner surrogaten. Het woord _gonje_ moest in

de Nederlandsche woordenboeken niet ontbreken.

Krandjang.

Men zegt en schrijft ten onzent gewoonlijk _kranjang_, maar niets zou

nog beletten den waren vorm _krandjang_ (of _kĕrandjang_) van het

Maleisch en Javaansch te herstellen. Van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”

verklaart _kranjang_: „matwerk of gevlochten riet, waarin suiker uit

Oost-Indië verzonden wordt, baal”. In het Jav. Wdbk. van Prof. Roorda

wordt _krandjang_ verklaard: „een meer of min groote, grof gevlochtene,

lange, ronde mand, gewoonlijk van bamboe, tot verpakking en vervoer van

goederen.” Uit de Sturler's „Handboek voor den landbouw in N. O.-I.”,

bl. 496, blijkt dat de krandjang ook wel van klapperbladeren (d. z.

kokosbladeren) wordt gemaakt. Bij ons zijn de krandjangs het meest

bekend door het gebruik om stukken van oude suikerbalen in onze tuinen

tot beschutting van teederder gewassen te gebruiken.

Gladakker.

Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden · 第 13 / 22 段