Rumphius, t. a. p., bl. 35, zegt dat de echte Javaansche naam _djati_

is, zooals ook thans algemeen wordt geschreven, doch onze voorvaderen

vervingen doorgaans de Javaansche _djô_ en Maleische _djîm_ door de _j_,

b. v. ook in den naam Java zelven, die eigenlijk Djawa moet zijn (zie

mijn „Java”, II, bl. 6). Men las nog in de eerste helft dezer eeuw in

Hollandsche boeken doorgaans Jati.[29] Verder zegt Rumphius, dat _Djati_

eigenlijk _deugdzaam_, _durabel_ beteekent en ook van menschen gebruikt

wordt,—„een bewijs dat djati-hout voor 't beste en durabelste onder

alle timmerhouten in aanzien is”. En inderdaad, ofschoon _Djati_ ook

op zichzelf het hout kan aanwijzen, plaatst men in het Javaansch en

Maleisch daar dikwijls _kajoe_, d. i. hout, vóór, zoodat djati een

adjectief schijnt te zijn en _kajoe djati_ de volledige uitdrukking,

die door het _rechte, echte hout_, het _hout bij uitnemendheid_, moet

vertaald worden. Uit _kajoe djati_ is ongetwijfeld door samentrekking

_kajate_ ontstaan; maar daar in de eerste lettergreep _kajoe_, d. i.

_hout_, reeds schuilt, is de gewone vorm _kajatenhout_ (een volkomen

parallel van porte-brisée-deur) inderdaad als een belachelijk pleonasmus

af te keuren. Ofschoon dit nu alleen hen hinderen kan, die met den

oorsprong van het woord bekend zijn, ware het wellicht beter _hout_

en tevens de verbindende _n_ weg te laten en eenvoudig _kajate_ te

schrijven.

[29] Dikwijls ook _Jatti_. Over zulke verdubbelingen van een consonant

tusschen twee vokalen spreek ik nader in het artikel _rotting_. Het

door Rumphius als Latijnsche naam gebruikte _jatus_ herinnert aan

_djatos_, den hoog-Javaanschen of kråmåvorm van djati. Doch vgl.

het art. _Klapper_.

In het Soendaasch, of de taal van West-Java, beantwoordt aan kajoe

_kaï_, of bij samentrekking in samenstellingen _ki_. Men zegt

dus _kidjati_, of naar de oude wijze van transscriptie _kijate_,

waarin ook de _j_, die als overgang tusschen de klinkers _i_ en

_a_ van zelf ontstaat, ongeschreven kan blijven. Hieruit is de vorm

_kiatenhout_ ontstaan, die ongeveer evenveel recht van bestaan heeft als

_kajatenhout_. Men zou echter een zekere voorkeur voor den Javaanschen

vorm kunnen wettigen door de opmerking, dat de djatiboom, die in het

eigenlijk Java uitgestrekte terreinen bedekt, in de Soendalanden slechts

weinig voorkomt.

In Britsch-Indië komt de djati-boom vooral voor op de kust van Malabar

en verder noordwaarts. Van de Javaansche soort, die ook zelve eenigszins

variëert, verschilt de Indische ten hoogste als variëteit. De inlandsche

naam is volgens Cordes Tayk of Doda-Thayka. Hiervan maakten de

Portugeezen _Teca_, dat reeds voorkomt bij de Couto, (dec. 7, liv. 6,

cap. 6), van Reede van Drakestein (in den „Hortus Malabaricus”, lib. IV,

p. 57) _Theka_[30], de Engelschen _teak_, _teak-timber_, en waar de

_Javaansche_ djatiboom bedoeld wordt, _Java-teak_, de Franschen _Tek_

of _Teck_, _bois de Tek_, _Tek des Indes_, de Duitschers _Teakholz_,

_Tikholz_, _Thekholz_. Zelfs Nederlandsche schrijvers spreken van

_Teakhout_, zonder eenig bewijs te leveren dat hun de Jav. naam _djati_

of de oud-Nederlandsche _kajatenhout_ bekend is. In van Dale's „Nieuw

Ned. Wdbk.” verm. uitgave door Manhave, vind ik een artikel Jatti-,

Djatti- of Deak-hout, en een afzonderlijk art. Teakhout, zonder dat

daarbij naar het andere wordt verwezen. Hoe de schrijver aan _Deakhout_

komt, kan ik niet nagaan; die vorm is mij nooit ergens anders

voorgekomen.

[30] Vandaar bij Loureiro („Flora Cochinchinensis”, I, p. 169) _Tectona

theca_, bij Lamarck _Theca grandis_. De naam _Tectona grandis_ is

van Linnaeus fil.

Sedert Bontius is de Djati-boom dikwijls de _Indische eik_ genoemd. Dit

is echter slechts te beschouwen als eene hulde aan de voortreffelijkheid

van zijn hout, dat voor Indië de plaats van het eikenhout in Europa

vervulde. Botanisch bestaat er tusschen den Djatiboom en den Eikeboom

geene verwantschap.

Kajaput.

Dit woord komt schier alleen voor in de samenstellingen kajaputboom en

kajaputolie, vooral in de laatste. Het is, behoudens de verminking door

de Europeanen van een niet begrepen term, samengesteld uit de Maleische

woorden _kajoe_, hout, en _poetih_, wit; kajaputboom is dus letterlijk

_withoutboom_. Door de inlanders worden zoo genoemd verschillende boomen

van de geslachten _Melaleuca_, _Leptospermum_, _Myrtus_, _Eucalyptus_,

allen behoorende tot de familie der _Myrtaceae_ en door hunne vluchtige

oliën gekenmerkt. Men zie Filet, „Plantkundig woordenboek”, no. 120,

1737, 1938, 2885, 3423; v. d. Burg, „de Geneesheer in Indië,” Dl. II,

bl. 106, 317, 453, 611. De beroemde kajaputolie van den handel, de

_minjak kajoe poetih_ der inlanders, wordt vooral gebruikt tot

inwrijving bij pijnen van allerlei aard, alsook tot wering van insekten.

De echte kajaputolie wordt verkregen door destillatie der takken en

bladeren van _Melaleuca cajaputi_ Rexb., en vooral op het eiland Boeroe

gestookt. De olie van _Melaleuca leucadendron_ wordt vaak onder

denzelfden naam begrepen.

Cacao, Chocolade.

_Cacao_, ook wel _kakao_ geschreven, is de naam der zaden van den

cacaoboom, _Theobroma cacao_, die uit tropisch Amerika afkomstig is,

maar thans ook in andere tropische gewesten gekweekt wordt. De cacao is,

gelijk ieder weet, het hoofdbestanddeel voor de bereiding van chocolade.

De oorsprong van den naam is, evenals die van het gewas, Amerikaansch.

Piso, „Mantissa Aromatica”, p. 198, zegt van deze zaden: „Hi sunt

decantati illi ab indigenis _cacahuatl_, ab Hispanis corrupte _cacao_

nuncupati, quorum causa arbor tantopere expetita est, utpote chocolatae

potionis caput”. Van de Spanjaarden en Portugeezen is het verbasterde

cacao tot alle volken van Europa overgebracht.

Ook het woord _chocolade_ is van Amerikaanschen oorsprong en luidt in

de taal van Mexico en aangrenzende landen, volgens Piso, „Mantissa

aromatica”, p. 196, _chocolatl_, waarvan de Spanjaarden en Portugeezen,

die den naam aan alle andere volken van Europa hebben medegedeeld,

_chocolate_ gemaakt hebben. Men zegt dat wat de Mexicanen zoo noemden,

een mengsel was van cacao en maïs, op eene ruwe wijze tusschen steenen

onder elkander tot poeder gemalen en in water gekookt. Maar de

Europeanen gaven den naam chocolade aan het mengsel van cacaoboonen en

verschillende geurige zelfstandigheden, zooals vanielje, kaneel, piment

enz., dat met suiker bereid en in melk of water gekookt, den bekenden

heerlijken drank oplevert, die zich uit een Mexicaansch nonnenklooster

over de geheele beschaafde wereld heeft verbreid. Zie de Sturler,

„Handboek voor den landbouw in Nederlandsch O.-Indië”, bl. 266.

Kokos, Klapper.

De over alle tropische gewesten verspreide en in ontelbare behoeften

hunner bevolking voorziende _Cocos nucifera_ is aan ieder onder den

naam van _Kokospalm_ bekend, maar wordt in Nederlandsch-Indië onder

de Europeanen _Klapperboom_ genoemd. De eerste dezer namen is van de

Portugeezen tot ons gekomen, de andere is eene verbastering van een der

menigvuldige inlandsche namen. Over beide heb ik het een en ander te

zeggen.

_Kokos_ is eigenlijk de naam van de noot, zoodat de boom terecht

Kokosboom of Kokospalm geheeten wordt, terwijl kokosnoot strikt genomen

een pleonasmus in zich sluit. Van Linschoten, „Itinerario”, bl. 78,

zegt: „De Portugesen noemen deze vruchten _coquo_, om die drie gaetkens

die daer in sijn, ghelijckheyt hebbende met een meerkattenkop.” Indien

deze laatste woorden eene verklaring beoogen, zijn zij volkomen

onverstaanbaar voor hem die in de Portugeesche taal geheel vreemdeling

is; wie deze echter eenigszins kent, kan althans naar de beteekenis

gissen. _Coco_ (de vorm _coquo_ is thans geheel verouderd) beteekent

in het Spaansch en Portugeesch een momaangezicht of masker, waarmede

men den kinderen vrees aanjaagt. Nu heeft de kokosnoot door de gaatjes

of putjes die er in worden opgemerkt, eenige overeenkomst met een

aangezicht,[31] inzonderheid, zooals van Linschoten opmerkt, met dat

van een meerkat, en is dus niet ongeschikt om als middel te dienen om

kinderen bang te maken. Bepaaldelijk wordt de oorsprong van den naam

zoo voorgesteld door de Paiva: „Sermôes”, I, p. 232, waar hij, na de

gedaante van de kokosnoot beschreven te hebben, dus voortgaat: „per

razâo da qual figura,... os nossos lhe chamarâo _coco_, nome imposto

pelas mulheres a qualquer cousa, com que querem fazer medo as crianças”,

d. i. „om reden van welke gedaante de onzen haar _coco_ noemen, een naam

die door de vrouwen gegeven wordt aan ieder voorwerp waarmede zij kleine

kinderen willen bang maken.”

[31] Vgl. Baldaeus, „Afgoderye der Heydenen”, bl. 23, waar hij eene

mythe verhaalt, waaruit verklaard wordt, „dat den Kokos een

gedaante en aangezichte heeft als een mensch.”

Misschien zullen sommigen deze verklaring van den naam _kokos_ wat

gezocht vinden, en liever aannemen dat het woord uit de eene of andere

taal van tropisch Azië, Afrika of Amerika afstamt. Het ontbreekt echter

zooveel ik weet geheel aan getuigenissen, die dat gevoelen zouden kunnen

schragen.[32]

[32] De overeenkomst van _kokos_ met _koeki_ en _koïx_, namen

voorkomende in de „Historia plantarum” van Theophrastus, is o. a.

opgemerkt in Kramers-Bonte „Kunstwoordentolk”. _Koïx_ heeft zeker

niets te maken met de _Coïx lacryma_ der hedendaagsche botanici,

maar schijnt de _Hyphaene_ of Doempalm van Opper-Egypte aan te

duiden. Zie Fraas, „Synopsis plantarum Florae classicae”, p. 278.

Dit is althans een palm, en wel een palm welks vruchten door de

arme bevolking gegeten worden; maar de overeenkomst met den

kokosboom, dien de Grieken niet kenden, is zeer gering. Men heeft

ook nog gewezen op de overeenkomst met het Gr. _kokkos_, de pit of

kern eener vrucht, soms ook de geheele bes.

De naam _klapper_ heeft aanleiding gegeven tot eene zonderlinge

verwarring, doordien hij ook aan de Nederlanders in Europa bekend

is als naam voor een inheemschen boom en eene inlandsche olie. De

Europeesche _klapperboom_ is volgens van Dale de _abeel_, volgens

Heremans, „Ned.-Fr. Woordb.”, _le tremble_, welk woord hij in het

Fr.-Ned. deel vertaalt door _ratelaar_, _ratelpopulier_, _trilpopulier_,

_klaterabeel_. Deze namen, die allen klaarblijkelijk de _Populus

tremula_ L. aanduiden en ontleend zijn aan hare lange, saamgedrukte,

bij het minste zuchtje het blad in trillende beweging brengende

bladstelen,—kunnen dus nog met _klapperboom_ vermeerderd worden. Van

Dale's verklaring door _abeel_, indien men daardoor als gewoonlijk

de _Populus alba_ verstaat, is niet volkomen juist. De Europeesche

klapperolie is volgens van Dale en Heremans de papaverolie, de olie

getrokken uit de klapper- of klaproos. Het maakt op hen die deze

weinig gebruikelijke namen niet kennen, en daarentegen met de Indische

beteekenis van klapperboom en klapperolie gemeenzaam zijn, een

komischen indruk, wanneer zij bij Weiland onder de samenstellingen met

_klapper_, _klapperen_: „_klapperboom_, _klapperman_, _klapperolie_,

_klappertanden_”, door elkander zien aangevoerd. Ik houd mij overtuigd,

dat Weiland, die klaarblijkelijk niets van Indië en Indische zaken wist,

bij _klapperboom_ en _klapperolie_ alleen aan de _Populus tremula_ en

aan de papaverolie gedacht heeft. Zijn hem die woorden al eens in de

Indische beteekenis voorgekomen, dan heeft hij ze hoogstwaarschijnlijk

niet verstaan of ter goeder trouw gemeend dat ook in Indië

ratelpopulieren groeiden en papaverolie in algemeen gebruik was.

Heeft hij zich werkelijk zoo vergist, dan is hij de eenige niet. In

de „Annales de l'extrême Orient” gaf de heer Meyners d'Estrée een

uittreksel van een artikel over het landschap Deli in het „Tijdschrift

v. h. Aardr. Gen.”, waarin ik over de kultuur van klapperboomen sprak.

De Fransche schrijver vertaalde dit met „la culture du tremble”.

De kokosnoot heet in laag Javaansch _kerambil_, in hoog Javaansch

_kĕlôpô_ of _klôpô_. Dit laatste komt in den vorm _kĕlapa_ of

_klapa_ ook voor in het Soendaasch, alsmede in het Maleisch, dat echter

ook een eigen naam voor deze vrucht heeft, _njioer_ of _nioer_. Onze

oude schrijvers maakten van kelapa of klapa, met een latiniseerenden

uitgang, _calappus_ of _clappus_, evenals van _Jati_ soms _Jatus_

(zie op _Kajaten_). Voorbeelden van dit clappus (een enkele maal tot

_clappes_ verbasterd) vindt men o. a. bij Baldaeus, „Malabar en

Choromandel”, bl. 143, „Afgoderye der Heidenen”, bl. 136; Wouter

Schouten (uitg. van 1875), I, bl. 190; Rumphius, „Amb. Kruydboek”,

I, bl. 1; „Verh. v. h. Bat. Gen.”, V, bl. 3. Later is _klapper_,

_klapperboom_, _klapperolie_ enz. in zwang gekomen, zonder twijfel als

een uitvloeisel dierzelfde zucht om aan Indische zaken, onafhankelijk

van de beteekenis, den Europeaan gemeenzame namen te geven, waarvan ik

een aantal voorbeelden in het artikel _kaalkop_ heb bijeengesteld.

Areek.

_Areek_ heet dikwijls bij onze oude schrijvers de noot van den

Pinangpalm (_Areca Catechu_) of zoogenaamde betelnoot, die door de

bewoners van den Indischen Archipel en andere Indische volken met het

betelblad gekauwd wordt. (Zie op _Betel_). Ik bepaal mij tot een paar

voorbeelden. Baldaeus, „Afgoderije der Heydenen”, bl. 15: „daar is ook

een zoort van Bramines, haar onthoudende van betel te eten, zijnde een

groen blad met drooge areek ofte jonge genomen ende met kalk 'tzamen

gemaakt.” Rijklof van Goens bij Valentijn, „Ceilon”, bl. 243: „Men

bouwde op Coetsjin een schip, om met peper en areek na Porto Novo

verzonden te worden”.

Dit woord schijnt van Malabaarschen oorsprong te zijn, maar is van de

Malabaren overgegaan tot de Portugeezen, en van de Portugeezen tot

ons, ofschoon men thans in Indië, ook onder Europeanen, de betelnoot

gewoonlijk met den Maleischen naam _pinang_ noemt. In de botanie is

_Areca_ de naam geworden van het geheele geslacht palmen waartoe de

pinangpalm behoort. Bij Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, D. I, bl. 28,

lezen wij over dezen naam het volgende: „In Guseratten en Decan heet de

betelnoot _Suppari_, te Goa en overal daar de Portugeesche taal gebruikt

werd, heet ze, zoowel de groene als de drooge, _Arequa_ of _Areca_ en

den boom _Arequero_... Ik zelfs heb ze van de Mallabaren horen noemen,

de jonge en groene _Paynga_, de oude _Areec_ en _Pac_.”

Dat de naam _Areek_ ook nu nog niet geheel verouderd is, zien wij uit de

vermelding van areek-noten in Ritter's „Indische herinneringen”, bl.

262.

Betel.

Deze bij de Europeanen gewone naam voor de _sirih_ der Maleiers, d. i.

voor het geurige, roodsappige en bittere blad, dat zij gewoon zijn met

een stukje pinangnoot en een weinig fijne kalk, dikwijls ook met een

gambirkoekje, te kauwen, zou, volgens Bontius, in het aanhangsel op

Piso, „de Indiae utriusque re naturali et medica”, p. 90, Javaansch

zijn. Maar hoe vreemd ons zulk eene dwaling in een te Batavia gevestigd

geneesheer ook schijnen moge, het is zeker dat hij zich vergist, daar

de betel in het Javaansch in de lage taal _soeroeh_, in de hooge taal

_sĕdah_ heet. Vandaar ook de naam der residentie _Pasoeroehhan_ of

_Pasoeroewan_, in de hooge taal _Pasĕdahhan_, die _beteltuin_

beteekent.

Toen ik in „de Gids” voor Maart 1876 mijne aankondiging van Prof. Dozy's

„Oosterlingen” schreef, was de oorsprong van het woord _betel_ mij niet

bekend; maar onze beroemde linguist Neubronner van der Tuuk schreef mij

daarover het volgende: „_Betel_ is door 't Portugeesch heen tot ons

gekomen uit het Tamiel, waar het wettilei is (zie Röttger's Wdbk., bl.

236, r. 1.). Het wordt in het Tamiel _werrilei_ gespeld, maar twee r's

worden als _t_ uitgesproken”. Ik vind in de Portugeesche woordenboeken

de vormen _betele_, _betelle_, _betel_, _bethel_ en _betre_. Van

Linschoten „Itinerario”, bl. 84, schrijft _bettele_ of _bethre_. Bontius

gebruikt den vorm _betele_, die ook het naast komt aan dien gebezigd in

_Chavica betle_, den botanischen naam der plant. De Portugeezen hebben

zeker het betel-kauwen het eerst leeren kennen op de kust van Malabar,

waar het Tamiel te huis behoort. Daarom zegt ook Moraes Silva in zijn

Portugeesch Woordenboek, art. _betele_: „Herva trepadeira aromatica, que

os Malabares mascâo ordinariamente,” d. i. „eene geurige klimplant, die

de Malabaren gewoonlijk kauwen.”

Onder de veelvuldige samenstellingen, zooals _betelblad_, _beteldoos_,

_betelpeper_, _betelpruim_ enz., verdient _betelnoot_ opmerking, omdat

daardoor niet de vrucht van de sirih- of betelplant, maar de met het

betelblad gekauwde pinangnoot of areek wordt aangeduid. Zie op _Areek_.

Zuurzak.

Met dezen naam noemt men thans in Nederlandsch-Indië algemeen de

_nangka_, de vrucht van _Artocarpus integrifolia_. Dat hij echter zeer

ongepast is, kan blijken uit iedere goede beschrijving der vrucht, b.v.

uit de volgende bij Valentijn, III, 1, bl. 160: „Deze vrugt is van

groote en dikte als een lange watermeloen, zijnde omtrent anderhalve

voet en ook wel langer, en wel zoo dik als een man boven aan zijn dije

is... Zij smaken zeer _zoet_, ten deele als zoete limoenen en ook wel

wat na honig.” Heeft dus al de vorm van de vrucht eenige overeenkomst

met een zak, er is geen enkele reden om haar _zuur_zak te noemen.

Doch bij onze oude schrijvers leest men ook niet _Zuurzak_, maar

_Soorsak_, en wij schijnen hier wederom een voorbeeld te hebben van die

verbastering van vreemde woorden, om ze een meer Nederlandsch voorkomen

te geven, waaraan wij _klapper_ voor _kalapa_ en een aantal dergelijke

(zie op _kaalkop_) verschuldigd zijn. Valentijn, t. a. p., bl. 159,

noemt de _Artocarpus integrifolia_ den _Soorsakboom_, schrijft _soorsak_

cursief als een vreemd woord, noemt als soorten de _Biloelang-soorsak_

en de _Brij-soorsak_ (de laatste dus genoemd omdat zij papachtig is), en

geeft niet de minste aanleiding om te denken, dat hij _soorsak_ voor een

Ned. woord houdt. Anders echter Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, Dl. I,

bl. 105, die van deze vrucht sprekende zegt: „Naam, in 't Latijn,

_Saccus arboreus major_, bij onze Duitsche _soorzak_ of _schorzakken_,

omdat ze wel een schorre of ruige zak gelijken.” Doch in deze verklaring

schijnt Rumphius mij der taal in twee opzichten geweld aan te doen;

vooreerst door _soor_, zonder opheldering, met _schor_ te verwisselen;

ten andere door aan _schor_ in het algemeen de beteekenis van _ruw_,

_ruig_, toe te kennen, terwijl het, voor zoover ik weet, alleen in

de uitdrukking _schorre_ (d. i. ruwe, kale, steile) _kusten_, een

zeemansterm, in het dagelijksch leven onbekend, eene beteekenis heeft

die daarnaar zweemt. _Soorsak_ heeft een geheel on-Nederlandsch aanzien,

en daar alle pogingen om het woord in eenige taal of dialect van

Insulinde weêr te vinden, tot hiertoe vruchteloos zijn gebleven, ligt

het voor de hand te gissen, dat de naam uit Hindostan zal afkomstig

zijn. De Malabaarsche naam dezer vrucht is echter _Jaka_ of _Jakka_,

waarvan het Engelsche _Jack_, _jackfruit_. Ook deze naam _Jaka_ komt

bij onze oude schrijvers voor, b. v. bij v. Linschoten, „Itinerario”,

bl. 73 (die _Iaqua_ of _Iaacca_ schrijft); Nieuhoff, „Gezandschap aan

den grooten Tatarischen Khan”, D. II, bl. 146; „Batavia in derzelver

gelegenheid”, D. IV, bl. 39.

Het verdient uit dien hoofde opmerking, dat de Engelschen de uit

West-Indië afkomstige Anona's, die sedert lang naar Oost-Indië zijn

overgebracht, onderscheiden in custard-apple (_Anona squamosa_),

sweet-sop (_Anona reticulata_), en sour-sop (_Anona muricata_). Zie

Drury, „Useful plants of India”, p. 44. Als eenigszins overeenkomende

met de inlandsche Nangka, maar door de Hollanders ingevoerd, noemt men

de _Anona muricata_ in Indië _Nangka welanda_ of _hollanda_ (Hollandsche

nangka). De naam _soursop_, verbasterd tot _soorsak_, en vervolgens tot

_zuurzak_, schijnt door Rumphius, Valentijn en hunne opvolgers op de

ware inlandsche Nangka te zijn overgebracht. De vrucht van _Anona

muricata_ heeft werkelijk een zuursappig, verfrisschend vleesch. Zie

Bisschop Grevelink, „Planten van Ned.-Indië”, bl. 28.

Ananas.

Deze om haar heerlijke vruchten bekende plant, de _Ananassa sativa_,

wordt in geheel Indië, zoo op het vasteland als op de eilanden, in

talrijke verscheidenheden gekweekt. Algemeen wordt thans erkend dat deze

plant uit Brazilië of Peru afkomstig is, ofschoon de ouderdom harer

cultuur en hare verwildering op de eilanden van den Archipel Rumphius

aan haren Amerikaanschen oorsprong deden twijfelen. Zoowel als de plant

is ook haar naam uit Amerika afkomstig. Ik lees in „The Treasury of

Botany” van Lindley en Moore, p. 60, dat deze plant het eerst aan de

Europeanen bekend werd in Peru, dat zij daar te lande _nanas_ heet, en

dat zij onder dezen naam in 1555 beschreven werd door den monnik André

Thevet. Paludanus, in de aanteekeningen op v. Linschoten's „Itinerario”,

schrijft (bl. 72) „Ananas, van die Canarijns _ananasa_ geheeten, van

die Brasilianen _nana_ en van anderen in Hispaniola _iaiama_, van die

Spangiaerden in Brasyl _pinas_, om eenighe ghelijkenisse die deze vrucht

heeft met die pijnappel[33], is uyt die provincie van Sante Croce eerst

in Brasiliën, vandaer in Spaensch-Indiën ende volgens in Oost-Indiën

gebracht.” Piso, „de Indiae utriusque re naturali et medica”, zegt,

p. 194, dat de plant bij de Brazilianen _nana_ en bij de Portugeezen

_ananas_ heet, en het Portugeesch Woordenboek van da Costa e Sá zegt

op _Ananas_: „fruto e planta do Brasil”. Ook S. de Vries, „Curieuse

aenmerkinghen”, I, bl. 231, bevestigt dat _nana_ de Braziliaansche naam

is. Wij mogen dus niet twijfelen of plant en naam beide zijn door de

Portugeezen uit Amerika naar Oost-Indië overgebracht.

[33] Men herinnert zich dat _pineapple_ de gewone naam der ananas is in

het Engelsch.

Het is duidelijk dat ook wij den naam dezer plant van de Portugeezen

hebben overgenomen, terwijl in het Javaansche en Maleische _nanas_,

op wat wijze dan ook, de oorspronkelijke Amerikaansche vorm van dien

naam is bewaard of hersteld. Aan de volken van den Archipel moest het

toeschijnen dat deze naam door reduplicatie, ontstaan was; vandaar dat

hij in sommige talen (Bataksch, Dajaksch, Soendasch) de vormen _honas_,

_kĕnas_, _kanas_, kon aannemen, waardoor hij meer bepaald tot nom.

subst. is gestempeld. Merkwaardig is de Menangkabausche naam _pisang

ănas_, die zich kwalijk met den aard der vrucht laat rijmen.

Ofschoon ik in de gelegenheid was, alvorens dit stukje ter perse ging,

het (nog niet afgedrukte) art. _ananas_ in het Woordenboek van de Vries

en te Winkel te raadplegen, heb ik gemeend niets aan dit artikel te

moeten veranderen. Bij vergelijking zal bevonden worden dat beide

elkander bevestigen en aanvullen.

Vanielje.

Ofschoon dit product, dat tot de orchideeën behoort, uit Amerika

afkomstig is, moet de naam niet uit eenige Amerikaansche taal, maar uit

het Spaansch worden verklaard. Hij luidt in die taal _vaynilla_, een

verkleinvorm van _vayna_, het Latijnsche _vagina_. _Vayna_ beteekent in

het algemeen eene _scheede_, en inzonderheid de scheede die het zaad

van sommige planten bevat, de zaaddoos, peul of hauw. De vruchten der

vanielje (_vanilla aromatica_) bestaan werkelijk uit kleine, lange

hauwen, zoodat de reden van den naam geheel voor de hand ligt. De

Mexicaansche naam der vanielje is Tlilxochitl. Zie Piso, „Mantissa

aromatica”, p. 200.

Agar-agar.

_Agar-agar_ is de gewone Maleische naam van de _Plocaria (Gracilaria)

candida_, thans _Sphaerococcus lichenoïdes_, eene soort van eetbare

zeewier, soms bij Nederlandsche schrijvers _zeedruiven_ genoemd,

ofschoon ook bij hen _agar-agar_ de gebruikelijke naam is. Deze wier

komt voor langs de stranden van meest alle eilanden van den Archipel

en van Ceilon, en vormt een belangrijk artikel van uitvoer naar China.

Om ze te eten kookt men ze tot eene gelei, die door de Chineezen ook

als lijm of vernis wordt gebruikt. Te Singapore ziet men overal op de

straten venters van water, groenten, vruchten, soep en agar-agar. Zie

Wallace, „Insulinde”, I, bl. 39. Zie verder Filet, „Plantk. Wdbk.”, no.

20 en 21; v. d. Burg, „de Geneesheer in Indië”, D. III, bl. 79; Miquel,

„Sumatra”, bl. 42.

Bamboes.

Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden · 第 12 / 22 段