In Rumphius' „Amboinsch Kruydboek”, D. I, bl. 5, leest men daarover het

volgende: „De personen die op het tappen van drank uit boomen afgericht

zijn, noemt men hier te lande met een Portugeese naam _Tiffadoros_ en

het werk zelfs _tiffar_, bij onze Duytsche _tyfferen_.” Op bl. 60

herhaalt hij dit in de volgende, in hoofdzaak alleen in de spelling

verschillende woorden: „Het werk en de wetenschap om diergelijke dranken

uit boomen te tappen, heet men hier met een Portugees woord _tifar_ en

de personen die zulks doen _Tifadores_, waartoe wel de bequaemste en

ervarenste zijn de Baleyers, die ook een bijzondere en van de Amboinsche

verschillende manier van _teifferen_ hebben,” enz. Intusschen vind ik

ook in de beste en volledigste Portugeesche woordenboeken van deze

woorden _tifar_ of _tiffar_ en _tifador_ of _tiffador_ geene melding,

en ofschoon men zeker op gezag van Rumphius mag aannemen, dat de

Nederlanders in de Molukken het woord _tijferen_ van hunne voorgangers

hebben overgenomen, is daarmede de oorsprong nog geenszins verklaard.

Misschien is het door de Portugeezen ontleend aan een der dialecten van

Timor of de Molukken, waarin, gelijk men weet, de letter _f_ voorkomt,

die aan het Maleisch en Javaansch geheel en al vreemd is.

't Is zeker een curieuse bijdrage tot de kennis van 't gebruik van

't woord _tijferen_ in onze taal, dat in 1670, bij A. v. d. Burgh te

Amsterdam, een bundel gedichten in 't licht werd gegeven door zekeren

M. Cramer, onder den titel: „D'Indiaensche tijfferboom, uyt-tijfferende

verscheyden heylsame rijmen”. Zoo men zulk een titel verstaan zou, moest

het publiek, waarvoor men schreef, toch wat meer van Indië weten, dan

het tegenwoordig geslacht. Thans zou dat niemand verstaan, en wanneer

iemand de bestaande woordenboeken ging raadplegen om over de beteekenis

van _tijferen_ te worden ingelicht, zouden ook de volledigste hem

teleurstellen.

Tee, teeboei.

De gewone schrijfwijze _thee_ wil mij niet uit de pen vloeien, omdat er

voor de _h_ noch in den oorsprong noch in de uitspraak van het woord

eenige grond is. De letterverbinding _th_ wordt bij ons gebezigd in

vele woorden van Griekschen oorsprong om de thêta aan te duiden, en

in enkele andere vreemde woorden, b. v. Thaler, Thallium, enz. In

echt Nederlandsche woorden komt ze slechts voor in _thuis_, _thans_,

_althans_, omdat deze uit _te huis_, _te hands_, _al te hands_ zijn

samengetrokken. De naam _tee_, zoowel als de plant (de _Thea Chinensis_

der botanici) is tot ons gekomen uit China. De echte Chineesche vorm is

_tschā_, waaronder de Chinees eigenlijk het tee-aftreksel verstaat.

Het blad noemt hij _tschā-yĕ_, teeblad. Rechtstreeks van het

Chineesche woord stamt het Portugeesche _cha_, waarnevens echter thans

ook _teha_ gebruikt wordt. In sommige Chineesche dialekten nadert de

uitspraak wat meer tot den bij ons gebruikelijken vorm; maar vooral is

dit het geval met het Javaansche _té_ of _hĕté_ en het Maleische

_teh_, wat het vermoeden wekt dat wij wellicht ons _tee_ door

tusschenkomst dezer talen hebben ontvangen. Onze oudere schrijvers (b.

v. Baldaeus, „Beschrijvinge van Malabar ende Coromandel”, bl. 183),

hebben dikwijls _tee_ zonder de _h_. Ook de Engelschen schrijven _tea_

zonder _h_, en spraken oudtijds, gelijk dit nog in Ierland geschiedt,

dat woord juist zoo uit als wij ons _tee_, zooals blijkt uit de volgende

regels van Pope's „Rape of the lock”:

„Here thou, great Anna, whom three realms obey,

„Dost sometimes counsel take, and sometimes tea”.

Daar nu de _h_ zuiver overtollig is, schijnt de latere schrijfwijze

_thee_, enkel door de voorkeur voor een ingewikkelde spelling, misschien

onder den invloed van het Fransche _thé_, te zijn voortgebracht. Onze

oude taal heeft echter meer recht om hier de toongeefster te zijn dan

het Fransch. Want ofschoon de tee aan vele oudere reizigers bekend

was, staat het genoegzaam vast, dat deze drank het eerst door onze

landgenooten over Europa verspreid is. Zie Schotel, „Letterkundige

bijdragen tot de geschiedenis van den tabak, de koffij en de thee”, bl.

185 vv.

Onder de samenstellingen met _thee_ noemt Weiland o. a. _theeboe_,

maar zonder dit woord te verklaren. Het is natuurlijk hetzelfde als

het Fransche _thé bou_, waardoor in vroeger tijd de zwarte tee, in

onderscheiding van de groene, werd aangeduid. Men meende namelijk dat

de zwarte en groene tee van verschillende planten afkomstig waren,

die de botanici door de namen van _thea viridis_ en _thea bohea_

onderscheidden, en het is van dit _bohea_ dat het Fransche _bohé_

of _bou_ afkomstig is. Ook in het Engelsch is _bohea_ (de _ea_

uitgesproken als tegenwoordig in _tea_) als de naam eener soort van tee

bekend. Onze voorouders gebruikten dit woord evenzeer, maar spraken het

_boei_ uit, zoodat ik niet recht weet hoe Weiland aan zijn _theeboe_

komt. _Theeboei_ leest men nog bij Schotel, t. a. p., bl. 205.

De oorsprong van _bohea_ (eig. _boe-ie-tschā_) is te zoeken in den

geographischen naam van een gebergte in de Chineesche provincie Foekiën

of Hokkiën, vanwaar men de dusgenoemde soort verkreeg, Woe-ie of Boe-ie.

Voor het overige weet men thans, dat het onderscheid tusschen groene en

zwarte tee meer van de wijze van bereiding dan van het soortverschil

af hangt. Want, ofschoon in de teeplant talrijke verscheidenheden

voorkomen, zooals met alle op groote schaal in ver uiteenliggende

streken en onder verschillende omstandigheden gekweekte cultuurplanten

het geval is, kan men, in het algemeen gesproken, van dezelfde

verscheidenheid zoowel groene als zwarte tee bereiden, wat niet

buitensluit dat men wellicht sommige verscheidenheden bij voorkeur voor

het bereiden van groene tee verkiest.

Aan verschillende in den handel voorkomende teesoorten, waarvan het

onderscheid nu eens op werkelijk verschil in de planten, dan eens op

de sorteering in top-, fijn-, middel- en grofblad, dan weder op de

wijze van behandeling schijnt te berusten, worden verschillende namen

gegeven. De meest bekende zijn _Congo_ (eig. _koeng-foe_, d. i.

_werk_), _Souchong_ (_siao-tschoeng_, d. i. _kleine soort_), _Hyson_

(_hi-tschoen_, d. i. _glanzende lente_), _Uxim_ (_You-tsiën_, d. i.

_vóór de regens_), en _Pecco_ (_pih-koe_ of _pĕ-hao_, d. i. _wit

haar_, ook _tee met witte puntjes_). In Engeland is, of was althans vóór

korten tijd, ook de bohea nog in den handel bekend, maar de naam heeft

zijne vroegere beteekenis van _zwarte_, in tegenstelling met _groene_

tee verloren en dient alleen nog om tee van de geringste hoedanigheid

aan te duiden. Over de beste tee, Joosjes-tee geheeten, zie men het art.

_Joosje_.

Joosje.

In Wilcock's Engelsche vertaling der Reizen van Stavorinus, D. I, bl.

173, vond ik de volgende curieuse aanteekening over dit woord, dat bij

ons een der volksnamen van den duivel is. „The images which the Chinese

worship, are called _joostje_ by the Dutch and _joss_ by the English

seamen. The latter is evidently a corruption of the former, which, being

a Dutch nickname for the devil, was probably given to these idols by the

Dutch who first saw them, either for their hideous appearance, or from

the principle that all idolatry is demonolatry. On no better ground

than this the authors of the „Universal History” accuse the Chinese of

worshipping the devil knowingly and de facto.”

Het zwakke punt in de redeneering van Wilcock is, dat hij onverklaard

laat, _waarom_ Joostje in het Hollandsch een bijnaam van den duivel

is,—eene vraag die, als ze in ernst gedaan werd, zeer moeilijk te

beantwoorden zou zijn; want _Joostje_, zooals Wilcock het woord spelt,

is een deminutief van _Joost_, en Joost is een mansnaam, die afstamt van

het Latijnsch _Justus_, dat _rechtvaardig_ beteekent, en zeer ongeschikt

is voor een naam van den vorst der duisternis. In enkele gevallen wordt

_Joost_ ook gebruikt voor personen die _Jozua_ gedoopt zijn; maar Jozua

zou als naam van den duivel even onverklaarbaar wezen.

Dat, door de gelijkheid in vorm bedrogen, vele Nederlanders werkelijk

meenen dat Joosje als naam van den Duivel van den eigennaam Joost

afstamt, blijkt genoegzaam uit de spreekwijze „Joost haal' mij” en

andere dergelijke; maar onze oude schrijvers geven ons ook hier

het noodige licht, daar zij het ons duidelijk maken, dat Joosje

oorspronkelijk een Chineesch woord is, dat het gewone voorwerp van

de dagelijksche vereering der Chineezen aanduidt, hetwelk door de

Europeanen van ouds als de Duivel beschouwd werd. Zoo lezen wij bij

Wouter Schouten, „Reistogt naar en door Oost-Indiën” (uitgave van 1780),

D. I, bl. 23, dat de Chineezen te Batavia in hunne donkere woningen

waskaarsen ontsteken ter eere van den Vorst der hel, dien zij als

hunnen God aanbidden. „Den Schepper,” zegt Schouten, „vreezen zij niet,

wijl van Hem alles goeds komt; maar de Duivel, dien zij gemeenlijk

_Joosje_ noemen, is, zeggen zij, een machtig en geweldig vorst der

wereld, die de menschen met duizenden van plagen kan bezoeken en

gantschelijk verderven.” Deze voorstelling aangaande de vereering des

duivels door de Chineezen vindt men bij verschillende schrijvers en

zelfs nog in de „Mededeelingen over de Chineezen op Java” door Aquasi

Boachi[26], in „Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van

Ned.-Indië”, Dl. IV, bl. 283. Het is wel ontwijfelbaar dat die

vereenzelviging van Joosje, als het voorwerp der vereering van de

Chineezen, met den Duivel, tot het gebruik van Joost of Joostje in onze

volkstaal als naam van den Duivel aanleiding heeft gegeven. Dat de

voorstelling aangaande eene vereering des Duivels door de Chineezen

geheel verkeerd is, zooals Prof. Hoffmann in zijne aanteekeningen op het

stuk van Aquasi Boachi, bl. 279, aantoont, doet hier niets ter zake;

het is ter verklaring van den bedoelden naam des Duivels genoeg te

weten, dat zij vroeger algemeen was.

[26] Aquasi Boachi is een Ashantijnsche prins, dien de Generaal

Verveer van de kust van Guinea naar Nederland bracht, om daar

eene beschaafde opvoeding te ontvangen, en die, aan de Delftsche

Akademie opgeleid, een tijd lang als ingenieur bij het mijnwezen

werkzaam was, doch zich later op Java aan landbouwondernemingen

wijdde.

Den naam _Joosje_ voor het voorwerp van vereering der Chineezen

vindt men met eenige wijziging ook in het Engelsche _Joss_ en in de

samenstellingen _josshouse_, zooals de kleine Chineesche huistempels,

en _josssticks_, zooals de Chineesche offerstokjes genoemd worden. Bij

latere Nederlandsche schrijvers vindt men dit _Joosje_ vervangen door

_Djoesie_, dat waarschijnlijk de echte Chineesche uitspraak meer nabij

komt. Zie W. L. Ritter, „Java, tooneelen uit het leven, karakterschetsen

en kleederdrachten van Java's bewoners”, bl. 134; de Hollander, „Land-

en Volkenk. van Ned.-Ind.”, 3e uitg., D. I, bl. 470.

Volgens Prof. Hoffmann, t. a. p., bl. 282, zou Joosje of Joss eigenlijk

niet het door de Chineezen vereerde beeld zijn, maar hun tabernakel,

een kistje waarin een houten beeldje van Boeddha of een of anderen

boeddhistischen heilige geplaatst is. Deze kleine tabernakels of

Boeddha-huisjes heeten namelijk gewoonlijk _Tschoe tszé_, Japansch

_Dsoe-si_. Hiervan zal dan Djoe-si afkomstig zijn.

Minder waarschijnlijk dunkt mij de gissing, die Joosje of Joss voor eene

verbastering van het Port. _Deos_, Sp. _Dios_ (d. i. God) houdt. Men zou

daaruit desnoods nog het Eng. Joss, maar bezwaarlijk het Hollandsche

Joosje kunnen verklaren.

Naar alle waarschijnlijkheid staat ook nog met het behandelde _Joosje_

de naam in verband van joosjes-tee, dien de Nederlanders gewoon zijn

te geven aan eene zeer fijne soort van tee, tot zeer kleine balletjes

gekneed, waarom zij ook buskruid- of parel-tee wordt geheeten. Zie de

Sturler, „Handboek voor den Landbouw in Ned.-Indië”, bl. 392; Jacobson,

„Handboek voor de cultuur en fabricatie van thee”, I, bl. 101. De

samenhang is echter niet volkomen duidelijk. Ik waag het daaromtrent het

volgende te gissen.

De godsdienstoefening waarbij de Djoesi behoort, is geen openbare, maar

een huiselijke. Elke Chinees heeft in zijne woning een huisaltaar met

eene tafel, waarop het boven beschreven kistje staat. Op deze tafel

worden dagelijks vruchten, reukwerk en andere voorwerpen geofferd. Zou

het nu niet kunnen zijn, dat tot deze offergaven ook de bovenvermelde

balletjes van de fijnste tee behooren en deze daaraan den naam van

joosjes-tee te danken hebben? Dat tee werkelijk onder de gewone

Chineesche offergaven voorkomt, blijkt uit „Bijdragen voor de taal-,

land- en volkenk. van Ned.-Ind.”, D. II, bl. 325.

Beiram.

_Beiram_ of _Bairam_ is een Turksch woord, dat _feest_ beteekent. Het

ontbreekt in de „Oosterlingen” van Dozy; maar onze oude schrijvers

gebruiken het doorgaans tot aanduiding der beide groote feesten van den

Islam, het feest bij het einde van de vasten, en het offerfeest, dat op

den 10den der laatste maand door de bedevaartgangers te Mekka, maar ook

elders in de Mohammedaansche wereld, ter herinnering, zegt men, van

Abrahams offerande[27], met offermalen gevierd wordt. Zoo lezen wij in

C. de Bruyn's „Reizen”, I, bl. 118: „Eer wij dit hoofdstuk eindigen,

moeten wij ook yts van den Bairam of Paaschfeest zeggen”, en ald. bl.

119: „Behalve dezen Bairam, die de groote of de Bairam des Ramadans

geheeten wordt, hebben de Turken noch den kleinen, of den Bairam der

Adgi's [Hadji's] of Pelgrims van Mecha”.

[27] Zie hierover mijn „Java”, I, bl. 397.

De bijv. naamwoorden _groot_ en _klein_ zijn hier door de Bruyn

verkeerd gebruikt; want inderdaad is volgens de leer van den Islam

het Mekkaansche offerfeest het groote, en het feest bij het einde van

de vasten het kleine; maar hij is daarbij in overeenstemming met de

zienswijze der Turken, die het offerfeest het kleine, en het feest

na de vasten het groote noemen, omdat het laatste met veel grooter

vreugdebedrijven gevierd wordt. Even verkeerd is het in den grond,

wanneer de Bruyn het feest na de vasten het Paaschfeest noemt, maar ook

hier is hij in overeenstemming met der Turken spraakgebruik. Inderdaad

staat het offerfeest in nauwer historischen samenhang en heeft meer

punten van aanraking met het Israëlietische Paschen, dan het feest dat

zoo dikwijls het „Turksche Paschen” genoemd wordt.

De verwarring in de benamingen van deze feesten is reeds aangewezen in

eene noot van onzen beroemden Reland op zijn werkje: „de Religione

Mohammedica”, ed. alt., p. 109.

Efendi.

_Efendi_ of _Effendi_ is een Turksch woord, dat _heer_, _meester_

beteekent en als titel geplaatst wordt achter namen van personen en

van waardigheden, als in: Ja'koeb Efendi, de heer Jakob; Raïes Efendi,

titel van den Minister van Buitenlandsche Zaken. Men beweert dat Efendi

oorspronkelijk Grieksch is en verbasterd uit _authentis_, in

hedendaagsche uitspraak _afthendis_.

Dozy heeft het woord niet in de „Oosterlingen” opgenomen, ofschoon

hij er over spreekt bij _Aga_, dat nagenoeg hetzelfde beteekent. Het

onderscheid bestaat daarin, zegt hij, dat Aga wordt gebruikt wanneer men

van een militair opperhoofd, en Efendi, wanneer men van een burgerlijk

ambtenaar spreekt. Ook aan _Efendi_ had een afzonderlijk artikel moeten

gegeven worden, dat uit een eenvoudige verwijzing naar _Aga_ had kunnen

bestaan. Dat dit niet is geschied, zal wel een bloot toevallig verzuim

zijn.

Balkon.

Omtrent den oorsprong van dit woord bestaan twee gevoelens; volgens het

eene komt het uit het Perzisch, volgens het andere is het Germaansch,

maar gewijzigd door doorgang door het Italiaansch. Door het woord

niet op te nemen in de „Oosterlingen”, heeft Prof. Dozy getoond aan

de afleiding uit het Perzisch geen waarde te hechten. Maar in zijne

aankondiging van dat werkje in den „Ned. Spectator”, 1867, zegt Prof. de

Goeje: „Ik moet bekennen dat de afleiding van balkon van het Perzische

_bâlâkhâneh_ (opperkamer, 't bovenste van 't huis) mij althans even

waarschijnlijk voorkomt, als die van het oud-Hoogduitsche _balcho_

(balk).” Inderdaad verzet zich noch de woordvorm, noch de beteekenis

bepaaldelijk tegen die afleiding. _Bâlâkhâneh_ is samengesteld uit

_bâlâ_ boven, en _khâneh_, woning, en beteekent dus _bovenhuis_. De

overgang tot de beteekenis van balkon is niet zeer bezwaarlijk, zooals

blijkt uit de volgende verklaring van bâlâkhâneh in Stocqueler,

„Oriental Interpreter”: „Persian, Balcony, an upper-room, open in front,

and generally overlooking another and lower apartment”. Nochtans blijft

voor mij deze afleiding van balkon onwaarschijnlijk, zoolang niet is

aangetoond hoe en langs welken weg zulk een woord uit Perzië naar Europa

kon worden overgebracht; want het is veel te oud in de Europeesche talen

om over Britsch-Indië tot ons te zijn gekomen. Bovendien heeft de

beteekenis toch een veel moeilijker sprong gemaakt, dan bij de afleiding

van het Germaansche, ook in onze taal voorkomende _balk_, terwijl de

vorm geheel duidelijk wordt door de tusschenkomst van het Italiaansch,

waarin woorden van Germaanschen oorsprong zoo menigvuldig zijn, en

waaruit zoo menig woord van dien aard tot de Germaansche volken in

gewijzigden vorm is teruggekeerd. Mij dunkt de verklaring in Grimm's

„Deutsches Wörterbuch”: „Balkenvorsprung, auf dem man eines Standes

im Freien zur Aussicht geniesst, nach dem Italienischen _balcone_, das

selbst aus unserem _Balke_ entlehnt wurde”, laat weinig te wenschen

overig.

Veranda.

_Veranda_ is eene open galerij aan de buitenzijde eener woning, zooals

in de laatste jaren meer en meer aan villa's en op tuinen uitziende

vertrekken in zwang komen. De naam zoowel als de zaak is ons uit Indië

aangebracht. In Britsch-Indië zijn namelijk veranda's, uit een lichten

steenen buitenmuur en jalousiën bestaande, en bestemd om de warmte en

het licht in de vertrekken te temperen, van oudsher in algemeen gebruik

geweest. Zoowel de Portugeezen, die _varanda_, als de Engelschen die

meestal _verandah_ schrijven, hebben het gebruik dezer aanbouwsels

nagevolgd, en in hunne koloniën zoowel als in het moederland en verder

over Europa verspreid. Ook in Nederlandsch-Indië zijn zij in zwang

gekomen, en de naam veranda is in den vorm _bĕranda_ in het Maleisch

opgenomen. Bij ons schrijft men meestal in navolging der Engelschen

_verandah_; maar beter is het de _h_, voor welker gebruik geen reden

bestaat, weg te laten. Het woord is ontleend aan het Sanskriet of liever

Prakriet, waarin het _waranda_ luidt, dat ons tevens aan een ander van

ouds gebruikelijk Nederlandsch woord, _warande_, doet denken. Vondel

schreef reeds eene verzameling fabelen onder den naam van „Warande der

dieren”, en nog in onze dagen gaf de heer J. Alberdingk Thijm een aan

kunst en letteren gewijd tijdschrift onder den titel van „de Dietsche

Warande” in het licht.

In den laatsten tijd vindt men in onze dagbladen van tijd tot tijd

_veranda_ door het oude _warande_ vervangen, waarbij de schrijvers

ongetwijfeld ten doel hebben den uit Engeland ingedrongen vorm weder

door een oud Nederlandschen te vervangen. Er is trouwens geen twijfel

aan of _veranda_ en _warande_ hangen etymologisch ten nauwste samen,

en gaan beide terug tot denzelfden wortel _war_ (vanwaar _waren_,

_bewaren_). Maar dat is nog geen voldoende reden om de beide woorden met

elkander te vereenzelvigen. Zij zijn langs geheel verschillende wegen

tot ons gekomen en drukken voor ons iets geheel anders uit. Kiliaan,

die _waerande_ schrijft, verklaart dit door: „Roborarium, vivarium,

cunicularium, leporarium, theriotrophium; locus septus ubi ferae

inclusae custodiuntur et asservantur”, en vergelijkt het Fransche

_garenne_ en het Engelsche _warren_. Hieruit blijkt dus dat de

eigenlijke beteekenis van warande is „bewaarplaats voor levende dieren,

diergaarde, dierenpark”. Daar echter zulke dierenparken doorgaans ook

fraai beplant waren, werd de warande ook een lustoord, een wandelpark.

Zoo zegt Vondel in de Inleiding tot de Warande der dieren:

„Opdat wy onzen geest gins in die groen waerande,

„Een vorstelycke plaats, ververschen in de schaeuw”;

terwijl bij eenige regels verder, in het vers:

„Wy naerdren meer en meer, de _lust-plaets_ loopt ons teghen”,

het woord warande door _lustplaats_ vervangt. Men kan dus onze

tegenwoordige diergaarden of zoölogische tuinen in volmaakt goed

en teekenend[28] Nederlandsch _waranden_ noemen; maar juist daarom

klinkt het zeer vreemd, ja ongerijmd, wanneer men leest, „dat in de

Rotterdamsche diergaarde belangrijke uitgaven zijn gedaan voor het

aanbrengen van warande's”. Ik acht het dus verkieslijk voor de open

galerij den vorm _veranda_ te behouden, maar geschreven zonder de

overtollige _h_.

[28] Ik vrees dat men dit woord on-Nederlandsch zal vinden; doch wanneer

men van het water kan zeggen, dat het teekent, wanneer bij zijn val

een vochtig merk aanduidt tot hoe hoog het gewassen was, of van een

paard dat het niet meer teekent, wanneer zijn tanden niet langer

zijn ouderdom aanwijzen, dan mag men zeker ook van een woord wel

zeggen, dat het teekent, wanneer het juist en scherp aanwijst wat

men uitdrukken wil.

Zonnehout.

Zoo noemt men soms in Indië het fraai gevlamde hout van _Pterorarpus

Indicus_, dat in de Molukken _Lingoa_ en in de Minahassa _Aga-aga_ heet.

Zie Miquel, „Flora van N.-I.”, I, 1, bl. 135; Pijnappel, „Geographie van

Ned.-I.”, bl. 29. Ik laat hier eene plaats volgen uit het „Amboinsch

Kruydboek” van Rumphius, D. II, bl. 206, die schijnbaar de verklaring

van dezen naam geeft. „Deze stukken [hout] zijn zomtijds zo schoon

geadert, dat men een grooten brand, met een draayenden rook, daarin

speculeeren kan, diergelyke de Maleyers en Macassaren zeer zoeken, om

krisscheeden van te maken. Zij laten zig redelyk wel polysten, maar

houden hare coraal-roode verwe niet lange, en besterven bruin-rood.

Zulke stukken vind men ook omtrent de schorsse, daar de stam gescheurt

is, en gestadig van de zon geraakt werd, dewelke de vettigheid na deze

plekken trekt, dezelve van buiten swart en verbrand maakt, waaronder

't bruine, en daar na 't ligt-roode hout leid, doch overal zo vet,

dat voornoemde oly aan 't vuur uitsweet. Ik heb diergelijke boomen op

steenige en steile stranden gevonden, wiens voorste wortelen van 't zout

water bespat, en met beurten door de heete zon gebrant wierden, maar

de achterste of landelijkste geenzints, als zijnde met eenige ruigte

bedekt, waaraan ik bemerkte, dat de eerste wortelen vet, schoon rood en

welriekende waren, en daaruit besloot, dat de zonnehitte de vettigheid

in dezen boom bij elkander vergaderde.”

Wie deze plaats met den naam zonne-hout vergelijkt, zou allicht geneigd

zijn om dien naam te verklaren uit den invloed, dien de zon gezegd wordt

op dit hout uit te oefenen. In waarheid echter is de naam _zonnehout_

niets anders dan eene verbastering van den Javaanschen naam van

dit hout _kajoe sônô_. _Kajoe_ beteekent _hout_ en _sônô_ is het

Sanskrietsche _sana_, dat _licht_, _glans_ beteekent (vgl. het Soend.

_seuneuh_, vuur). Valentijn zegt III, 1, bl. 215, dat „sommige stukken

van dit hout den heerlijken gloed van een brandend vuur vertoonen.”

Kajaten- of Kiatenhout.

Dit is van ouds de Nederlandsche, thans wel minder gebruikelijke, maar

toch nog niet geheel verouderde naam van het beroemde Djatihout, het

hout van _Tectona grandis_, een zwaren boom, die op Java in uitgestrekte

bosschen, die als domein van het Gouvernement beheerd worden, voorkomt.

De twee vormen, tusschen welke het moeilijk is te kiezen, laten zich

beide, zooals straks blijken zal, evengoed verklaren. Daar evenwel het

woord in de woordenboeken der Nederlandsche taal niet is opgenomen,

wil ik in de eerste plaats zijn burgerrecht door eenige voorbeelden

bewijzen. Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, III, bl. 34. „Naam. In

't Latijn _Jatus_. Op 't Duitsch _Kiatenhout_. Maleyts en Javaans

_Jati_ en _Caju Jati_.” Verhuell, „Herinneringen van eene reis naar

de Oost-Indiën”, II, bl. 89: „Wij kwamen door een groot bosch van

Jati-boomen, bekend als timmerhout onder den naam van Cajaten.” J. W.

H. Cordes, „de Djati-bosschen op Java”, bl. 2: „Rheede van Drakenstein

beschreef hem met den naam van _Theca_ en de als Indische plantenkenner

zoo beroemde Rumphius als _Jatus_ en in het Nederduitsch als Kiati-boom,

het hout Cajujati of Kiatenhout.” Lang voor ik deze plaatsen kende, vond

ik op den catalogus eener verkooping van meubelen „een cajatenhouten”

kantoor-bureau vermeld. Ik vroeg mijn timmerman wat dit beteekende en

vernam van hem dat onder dien naam bij timmerlieden en kastenmakers het

_teak-hout_ van Britsch-Indië bekend is. Maar wij zullen zoo aanstonds

zien dat _Teak_ de Britsch-Indische en Engelsche naam is van den boom

die op Java _Djati_ heet. Dat hout, dat een der grootste schatten

uitmaakt waarmede de Natuur ons Java heeft gezegend, is (hoe beschamend

voor ons!), omdat men den moed mist om het naar Nederland uit te voeren,

bij ons veel meer onder den Engelschen dan onder den Javaanschen naam

bekend, en de oude Nederlandsche naam is bijna geheel vergeten.

Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden · 第 11 / 22 段