Nauwkeurig bezien is zelfs deze plaats den aanspraken van Guingamp op de

eerste productie der ginggangs en het geven van zijn naam aan die stof

zeer vijandig. In den tijd waarin Raynal dit schreef werd nog Europa

door de Engelsche en Nederlandsche O.-I. Comp. op groote schaal van de

schoone voortbrengselen der Indische weefgetouwen voorzien, en begon de

Europeesche katoennijverheid pas hare vleugelen uit te slaan. Ofschoon

thans de namen van vele in Europa vervaardigde stoffen algemeen in Indië

bekend zijn, is het moeilijk te gelooven, dat reeds vóór 1770 zulk een

naam in de inlandsche talen aldaar het burgerrecht heeft erlangd.[21]

[21] Het zou mij niet verwonderen, dat bij opzettelijke nasporingen wel

meer sporen van den hoogeren ouderdom van het woord _ginggang_

zouden gevonden worden. Het zijn toevallige vonden, geen vruchten

van systematisch onderzoek, die ik in deze artikelen den lezer

aanbied.

Toevallig vind ik een bewijs voor den hoogen ouderdom van het woord

_ginggang_ in (P. van den Broeck): „Curieuse beschrijving van

onderscheyde Oost-indische gewesten” (Rotterdam, 1677). Ik vind

aldaar, bl. 121, onder de in Pegu verkochte lijnwaden _Bore

Gingans_ genoemd. Wat _Bore_ beteekent weet ik niet, maar _gingans_

is toch zeker wel eene andere spelling voor _ginggangs_.

Ik geloof derhalve niet dat ginggang iets met _Guingamp_ te maken

heeft, maar acht de overeenkomst der beide namen bloot toevallig. Littré

zegt ook niet uitdrukkelijk, dat te Guingamp ginggans gemaakt worden,

maar slechts in het algemeen dat er „fabriques de tissus” bestaan, en

wanneer anderen nu daarvan bepaald ginggang-fabrieken maken, is het

wellicht alleen een besluit uit den eenmaal aangenomen samenhang van

ginggang en Guingamp getrokken.

Bepaald en duidelijk te zeggen wat eigenlijk ginggang is, of door welke

kenmerken het zich onderscheidt, is zeer moeilijk. Alle voortbrengselen

der nijverheid zijn aan gedurige wijziging, namaak in geringer qualiteit

of vervalsching onderhevig, terwijl de naam alleen blijft. Dat alles wat

men later ginggang heeft genoemd of nog dien naam draagt, volkomen aan

het oorspronkelijk dus genoemde fabrikaat gelijk is, zal zeker niemand

durven beweren. Volgens het „Nederlandsch Handelsmagazijn” (Amsterdam,

Diederichs, 1843) zijn de gingans, ginggans of ginghams bontgestreepte

of bontgeruite geweven stoffen, nu eens geheel uit linnen of katoenen

garens, dan eens uit katoen gemengd hetzij met linnen, hetzij met zijde,

hetzij met schors vervaardigd. Terwijl vroeger de ginggangs, zoo ik

meen, steeds als zeer fijne weefsels genoemd werden, verzekert mij

de heer Ekker dat zij thans geweven worden in verschillende, grove

zoowel als fijne, qualiteiten. Zij schijnen zelfs gewoonlijk van grover

qualiteit te zijn, want terwijl de heer Klinkert, zooals wij zagen,

ze hessen- of kielengoed noemt, schrijft mij de heer Ekker, dat zij

voornamelijk gebruikt worden voor arbeidersbroeken of -baadjes.

Vervolgens moet ik nog opmerken dat in den manufactuurhandel, de

artikelen niet enkel genoemd en onderscheiden worden naar de grondstof,

de kleur, het patroon, den aard en de fijnheid van het weefsel, maar ook

nog naar de wijze van opmaken of verpakken. Saroengs, kain-pandjangs,

slendangs, zijn, onafhankelijk van alle andere omstandigheden, in den

manufactuurhandel lappen of doeken die op een bepaalde maat geweven

zijn, en wel zoo dat ze juist de grootte en den vorm hebben die voor een

saroeng, een kain-pandjang, een slendang vereischt wordt, terwijl ze

verhandeld worden per _corge_[22], d. i. per pak dat 20 doeken bevat.

Daarentegen behooren de ginggangs tot de zoogenoemde stukgoederen; zij

zijn aan één stuk geweven tot eene lengte van 12 tot 24 yards, bij eene

breedte van 24 tot 36 inches, waarvan men afsnijdt naarmate van de

behoefte.

[22] De oorsprong van dit woord corge is te onzeker om er iets van te

zeggen.

De Engelsche vorm _gingham_, waarvan men zich in den katoenhandel

gewoonlijk bedient, zoowel als de gebruikelijke opgave van lengte

en breedte in Engelsche maat, bewijzen dat onze inlandsche

ginggang-fabrikatie, ofschoon een belangrijke tak van onze

katoen-nijverheid, op Engelschen grondslag rust en zich naar Engelsche

voorbeelden moet richten. Ik geloof echter dat, waar men niet door

handelsusantiën gedwongen is, de schrijfwijze die in het Maleisch,

Javaansch en Soendaasch wordt gebezigd, nam. _ginggang_, voor ons de

beste is te achten.

Ofschoon dit artikel omtrent den oorsprong en de rechte schrijfwijze van

den naam tot geene zekerheid leidt, mag ik het toch niet eindigen zonder

mijn dank te betuigen aan de heeren F. Driessen te Leiden en H. J. Ekker

te Hengelo voor de mij zoo welwillend verschafte inlichtingen.

Batikken.

Gevormd van het Javaansche _batik_, op de wijze die reeds in art.

_Soebatten_ werd ter sprake gebracht. _Batik_ beteekent in het Javaansch

met figuren beteekende of beschilderde (gebatikte) katoenen stof, in

tegenstelling met de uit gekleurde draden in ruiten of strepen gewevene.

De gebatikte stoffen nemen dus in de inlandsche katoen-industrie de

plaats in onzer _gedrukte_ katoenen, maar de wijze waarop ze vervaardigd

worden is oneindig veel omslachtiger en kostbaarder. Het geschiedt niet

in fabrieken, maar behoort tot den huiselijken arbeid der Javaansche

vrouwen. (Van Rees, „Herinneringen”, II, bl. 85: „Is dat werk verricht,

dan zet zij zich nevens haar man, om uit te rusten, een oud kleed

te herstellen of een nieuw te batikken.”) Elke gebatikte doek wordt

afzonderlijk uit de hand bewerkt, door eerst de omtrekken van het

patroon aan te geven, en daarna de verschillende kleuren ieder

afzonderlijk op het doek te brengen, eenigermate op de wijze onzer

chromolithographie. Gelijk bij deze de vereischte teekening wordt

verkregen door achtereenvolgens afdrukken van even zoovele met kleuren

beteekende steenen als er kleuren in de plaat moeten voorkomen, zoo

geschiedt dit bij het batikken door achtereenvolgende indompeling van

het weefsel in elk van de kleurstoffen, door wier samenstelling de

voorgenomen teekening wordt gevormd. Natuurlijk moet gezorgd worden,

dat bij elke dier indompelingen slechts die gedeelten van het doek met

de verfstof in aanraking komen, die hare kleur moeten aannemen. Deze

uitkomst wordt verkregen door vóór elke indompeling het doek in al die

deelen, waarop de kleurstof die aan de beurt is niet mag inwerken,

aan beide zijden met een mengsel van was en hars te bedekken. Deze

bewerking, die schrijven of teekenen (_serat_) wordt genoemd, wordt

verricht met een scheppertje met langen tuit, bevestigd in een bamboe,

die als een schrijfpen in de hand wordt gehouden. Door dit tuitje laat

de batikster het kokend mengsel op het doek vloeien dat vóór haar op

een raam is uitgespannen. Daar deze bewerking voor iedere kleur moet

herhaald worden, is het gemakkelijk na te gaan, hoeveel tijd en geduld

voor het batikken, vooral bij meer samengestelde patronen, gevorderd

wordt. Wie de bewerking, die ik hier slechts in vluchtige omtrekken

mocht schetsen, meer in bijzonderheden wenscht te leeren kennen, kan

zijn weetlust bevredigen door de raadpleging der geschriften van den

heer van Musschenbroek, den grooten kenner der inlandsche nijverheid

van Insulinde. Zie zijn werkje „Iets over de inlandsche wijze van

katoenverwen op Midden-Java”, (Leiden 1878) en zijne inleiding op Groep

II, 10e klasse, G. Nijverheid, in den Catalogus der Ned. Kol. Afd. van

de Amst. Tentoonstelling 1883, bl. 228, v. v.

De Europeesche nijverheid heeft door de gewone procédé's van het

katoendrukken de gebatikte stoffen zoo goed mogelijk nagebootst, maar

ofschoon het haar, wat de patronen betreft, gelukt is den inlandschen

smaak vrij wel te bevredigen, baart de fabriekmatige bewerking eene

stijfheid en hardheid der omtrekken, die den Javaan dadelijk den

vreemden oorsprong doet erkennen en zijne voorkeur voor de lossere

teekening en zachter uitvloeiende kleuren van het werk der inlandsche

vrouwen in stand houdt. Alleen de geringe prijs heeft aan de _batik

tiron_, de _nagemaakte batik_, ingang verschaft en zelfs de Javanen

genoopt, op hunne beurt, pogingen aan te wenden om de Europeesche

gedrukte stoffen met gebrekkige hulpmiddelen na te bootsen. Zie mijn

„Java”, D. I, bl. 541.

Oorkrab.

Een merkwaardig Nederlandsch-Indisch woord, dat uit het Hollandsche

_oor_ en het tot _krab_ afgekorte Maleische _kraboe_ is samengesteld.

Men gebruikt ook den verkleinvorm _oorkrabbetje_. Het gewone oorsieraad

der Maleische en Javaansche vrouwen, in laag-Javaansch of Ngoko

_Soeweng_, in hoog-Jav. of Krômô _Sengkang_ geheeten, is geen ring noch

aan een ring gehangen, maar bestaat uit een spil of schroef, die sluit

in een vrij groot in de oorlel gemaakt gat, waarin aan de voorzijde de

knop of schijf, die het eigenlijke pronkstuk vormt, wordt bevestigd,

terwijl een plaatje of moer, aan de achterzijde aangebracht, het

uitvallen verhindert.

Men onderscheidt vele soorten van oorkrabben, die in de inlandsche

talen ieder haar eigen naam hebben. Zij verschillen in grootte, vorm,

materiaal en versiering. De grootste worden gedragen op Sumatra, waar

eene soort voorkomt waarvan de schijf dikwijls een middellijn heeft van

elf centimeter en de wangen geheel bedekt. Zie wat de Sumatraansche

oorsieraden betreft, „Midden-Sumatra”, III, Volksbeschrijving, bl. 8 v.,

17 v. en Pl. XX–XXII van den Atlas. Van de Javaansche oorkrabben vindt

men de nauwkeurigste beschrijving bij Poensen, „Iets over de kleeding

der Javanen”, in „Mededeelingen van wege het Ned. Zendelinggenootschap”,

D. XXI, bl. 15, waaraan ik de volgende plaats ontleen: „De oorkrabben

kunnen soms vrij kostbare voorwerpen zijn; doch men ziet ze ook dragen,

die van luttel waarde zijn. Men draagt ze van goud en zilver, met

edelgesteenten, van been, hout, koper, enz. Het plaatje van goud enz. in

den knop van een oorkrab, daar het rosetje van juweelen op vastgemaakt

wordt, heet _djadam_; vandaar _soewĕng-djadam_, d. i. een oorkrab met

een djadam.”

Alizari.

Dit woord was door Engelmann opgenomen in de eerste uitgave van het

„Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérivés de l'Arabe”, maar

zonder andere verklaring dan: „espèce de guarance, rubia seca”, en

voorts met een vraagteeken er achter, omdat hij den oorsprong niet

kende. Prof. Dozy voegde hieraan in de tweede uitgave niets toe, maar

nam in zijn „Oosterlingen” _Alizariwortel_ op, met de opmerking dat

ook hem de oorsprong van _alizari_ onbekend was; dat het woord er

wel-is-waar Arabisch uitzag, maar dat in het Arabisch de meekrap andere

namen heeft. Prof. Land slaat in den „Nederl. Spectator”, 1867, voor,

_alizari_ te beschouwen als samengesteld uit het Arabisch lidwoord _al_

en eene verbastering van het Grieksche _isatis_, welk woord wel-is-waar

niet de beteekenis had van _meekrap_, maar de _wouw_ (_isatis tinctoria_

L.) aanduidde, doch, zegt hij, lichtelijk bij vergissing op eene andere

verfplant kan zijn overgedragen, zooals dat meermalen met oud-Grieksche

plantennamen is gebeurd. Zeer aannemelijk is die verklaring zeker niet.

Al wil men over het verschil in beteekenis en de verbinding van een

Grieksch naamwoord met het Arabisch lidwoord heenstappen, dan blijft

nog als grootste struikelblok de verwisseling van _t_ met _r_ over,

die zelfs als verbastering bezwaarlijk kan worden aangenomen. Veel

waarschijnlijker is de verklaring van Marcel Devic in zijn „Dictionnaire

étymologique des mots d'origine orientale”, geplaatst achter het

Supplement op den „Dictionnaire de la langue Française” van Littré.

Volgens dien schrijver is _alizari_ samengesteld uit het Arab. lidw.

en het eveneens Arabische _ʾaçárah_ [waarschijnlijk ook wel _ʾiçarah_

uitgesproken], welk woord, van den wortel _ʾaçara_, persen, afgeleid,

alle uitgeperste plantensappen aanduidt (vgl. de Sacy, „Chrestomatie

Arabe”, 2e ed., T. III, p. 451). Devic geeft een voorbeeld, waarin het

gebruikt wordt van de kleurstof der pastel of weede, en toont ook aan

dat in den handel de Levantsche meekrap _azala_ of _izari_ (d. i. dus

_alizari_ zonder het lidw.) genoemd werd. De letter _çad_ van het

Arabische alfabet gaat in de talen van Zuid-Europa gewoonlijk in

_z_ over. (Zie Engelmann en Dozy, „Glossaire”, p. 18). Het is zeer

denkbaar dat het handelsgebruik een woord met de algemeene beteekenis

van uitgeperst plantensap allengs, bij wijze van verkorte uitdrukking,

tot een bijzonder gewichtig artikel van dien aard beperkt heeft.[23]

[23] Het schijnt mij toe, dat op soortgelijke wijze heulsap in onze taal

een synoniem voor opium is geworden, ofschoon het oorspronkelijk

elk sap beteekende, waarbij men heul, verzachting van smart en

pijnen, vond. Ofschoon deze gissing geheel van het gewone gevoelen

afwijkt, bleek mij uit een brief van den heer van der Tuuk, waarin

hij ook de _hasjîsj_ of _bang_ een _heulsap_ noemt, dat ik in dit

gevoelen niet alleen sta.

Behalve in de toch ook niet zeer gewone samenstelling _alizariwortel_,

is _alizari_ in onze taal niet gebruikelijk, maar des te meer in den

laatsten tijd het daarvan afgeleide _alizarine_. Terwijl alizari een

handelsnaam van de meekrap is, verstaat men door alizarine de kleurstof

die de scheikunde uit de meekrap trekt, maar die in de laatste jaren

ook verkregen wordt uit steenkolenteer, eene uitvinding die aan de

meekrapteelt veel afbreuk heeft gedaan. Ook wordt eene inktsoort, waarin

meekrap als bestanddeel voorkomt, en die blauwgroen van kleur is, maar

op het papier donkerzwart wordt, _alizarine-inkt_ genoemd.

Henna, Alkanna.

_Henna_, soms met het Arabische lidwoord _alhenna_ geschreven, is

eigenlijk hetzelfde woord als _kanna_ of _alkanna_, dat voornamelijk in

den laatsten vorm gebruikelijk is. Het zijn verschillende wijzen van

uitspraak van het Arabische woord _henná_ of _hinná_, den naam van het

roodachtig gele of donker oranjekleurige sap, geperst uit de bladeren

eener altijd groene struik, die de botanici _Lawsonia inermis_ of

_Lawsonia alba_ noemen. Maar ofschoon _henna_ en _alkanna_ in den grond

hetzelfde woord zijn, verschilt het gebruik, daar het laatste slechts

van een surrogaat der echte _henna_ wordt gebezigd. De henna wordt in

het Oosten algemeen door de vrouwen aangewend om de nagels en eenige

andere deelen van handen en voeten te beschilderen. De wijze dezer

bewerking kan men het best leeren kennen door de uitvoerige beschrijving

en afbeelding in Lane's „Modern Egyptians”, 5th edit., p. 38. Hetzelfde

gebruik komt ook voor in den Indischen Archipel, althans op Sumatra,

waar de henna (in het Maleisch) _ínei_ heet. Miquel, „Sumatra”, bl. 100:

„Met het uitgekookte sap van de bladen van de inei of henna kleuren de

inlanders de nagels van handen en voeten rood.” (Vgl. ook Filet,

„Plantkundig Woordenboek”, 2e uitg., no. 1747).

Onder _Alkanna_ (Eng. _Alkanet_) verstaat men de plant, eertijds

_Anchiusa tinctoria_ en _Lithospermum tinctorium_, thans gewoonlijk

_Alkanna tinctoria_ geheeten, en hier en daar in Midden- en Zuid-Europa

gekweekt. De bruinroode kleur die zij oplevert wordt door de apothekers

tot het kleuren van zalven en tincturen, door de ververs tot het

nabootsen der kleuren en vlammen van rozenhout (d. i. het hout van

_Dalbergia nigra_) en andere Zuidamerikaansche boomen, eindelijk door

de wijnhandelaars als kleurmiddel bij het vervalschen van portwijn

gebruikt.

Manna.

Het is eenigszins bevreemdend dat Prof. Dozy aan dit woord geene plaats

heeft gegeven in zijne „Oosterlingen”, daar het stellig van Semietische

afkomst is, en een bekend handelsartikel aanduidt. Het echte _manna_ is

eene in kleine, gele, doorzichtige korrels voorkomende zelfstandigheid,

verhard uit het taaie en zoete sap, dat uit een zekere in Arabië

menigvuldig voorkomende struik, de _Tamarix mannifera_, vloeit,

tengevolge van tallooze voor het bloote oog onzichtbare wondjes, door

den steek van een insect, _Coccus manniparus_, teweeggebracht. Deze stof

is, daargelaten het wonderbare gelegen in den verbazenden overvloed

waarin ze zich voordeed tijdens de omzwervingen der Israëlieten in de

woestijn van Arabia Petraea, en in de omstandigheden waaronder ze zich

vertoonde, hoogstwaarschijnlijk niet verschillend van dat hemelsch

brood, dat in Exodus XVI onder den naam van _man_ wordt vermeld. _Manna_

is daarvan de gewone vorm, gebezigd in het Arameesch dialect dat ten

tijde van de opkomst des Christendoms in Palestina werd gesproken, en

daarom ook, bij aanvoering van woorden in de landstaal, in het N.

Testament wordt gebruikt (Joh. VI: 31, 49, 58; Hebr. IX: 4; Openb. II:

17). Het woord _man_ beteekent in het Arabisch een _geschenk_, eene

_gave_, en wanneer de Arabische schrijvers het boven beschreven manna

_mannoe's-samáï_, d. i. _gave des hemels_, noemen, dan schijnen ook zij

aan een wonderbaren oorsprong te denken, hetzij alleen omdat de herkomst

dezer stof ook voor hen in het duister school, hetzij omdat de kennis

van de wonderbare spijziging der Israëlieten in de woestijn ook tot

hen was doorgedrongen. Voor dit laatste pleit de overeenkomst met de

uitdrukkingen _hemelsch brood_ en _hemelsch koorn_, die Ps. CV: 40 en

LXXVIII: 24 worden aangetroffen. Bij de nauwe verwantschap tusschen de

Hebreeuwsche en Arabische talen, is er volstrekt geen reden om bezwaar

te maken, ook in het Hebreeuwsch de beteekenis van _gave_ aan het woord

manna toe te kennen. En wanneer wij dan Exod. XVI: 15 lezen, dat de

Israëlieten, het manna ziende, en niet wetende wat het was, tot elkander

zeiden: „man hoe,” dan is er geen reden om dit anders dan met „dit is

een gave” te verklaren. Vers 31 wil dan ook zeker slechts te kennen

geven, dat _man_, d. i. gave, sedert de naam bleef van dit van den hemel

nedergedaald geschenk. Er bestaat wel eene andere verklaring van die

uitdrukking _man hoe_, aan de Grieksche vertaling der LXX ontleend,

volgens welke die woorden op vragenden toon moeten worden uitgesproken

en vertaald worden: _wat is dat?_ zoodat, tengevolge dier vraag, _Wat_

de naam der onbekende stof zou gebleven zijn. Maar _man_ als vragend

voornaamwoord komt wel voor in de latere Aramaïseerende taal van

Palestina, maar is in het echte Hebreeuwsch onbekend[24].

[24] Wie het hier gezegde vergelijken wil met mijn art. _Manna_ in 1855

in het „Bijbelsch Woordenboek” opgenomen, zal bemerken dat ik

thans, na 33 jaren, eene andere meening ben toegedaan.

De naam _manna_ is later ook aan andere soortgelijke in den handel

voorkomende stoffen gegeven, zooals aan het manna van _Fraxinus ornus_,

welks uitvloeiing mede door den steek van een insect, _Cicada orni_,

wordt bevorderd, of dat van _Hedysarum Alhagi_, eene struik op wier

takken en bladeren zich korrels als gekristalliseerde suiker vormen, die

men tegen het najaar op ieder uur van den dag kan inzamelen. Van deze

gewassen komt het eerstgenoemde vooral in Italië, het andere, behalve in

Perzië, ook in Arabië voor.

Farizeër.

In onderscheiding van andere soortgelijke aan den Bijbel ontleende

uitdrukkingen, welker verklaring ik aan de bijbelsche woordenboeken

overlaat, gun ik een plaatsje aan dit woord, omdat het in onze taal

niet enkel de naam is der Joodsche sekte die het aanduidt, maar nog

de algemeene beteekenis van _schijnheilige_ of _huichelaar_ heeft

gekregen, en ook het adjectief _farizeesch_ (of _farizeeuwsch_) heeft

voortgebracht. Men denke b.v. aan Vondels bekende regelen: (van Lennep's

„Vondel”, V, blz 427):

„O! Farizeeusche grijns, met schijngeloof vernist,

Die 't groote lyck vervolgt tot in zijn tweede kist”, enz.

In Vondels „Joannes de Boetgezant” leest men ook _farizeeusheyt_ voor

_huichelarij_ (ald. X, bl. 74) Het Hebr. _farîsch_, waarvan de naam

afkomstig is, beteekent _afgezonderde_, _afgescheidene_, iemand die

zich door bijzonder vertoon van vroomheid van de menigte onderscheidt.

Betelgeuze.

Bij de vroeger gegeven verklaring van den sterrennaam _Rigel_ had ik ook

gaarne die gevoegd van _Betelgeuze_, die in dezelfde daar aangehaalde

verzen van Nieuwland als een door rooden gloed gekenmerkte ster in den

schouder van Orion vermeld wordt. Maar ofschoon omtrent den Arabischen

oorsprong van Betelgeuze geen twijfel kan bestaan, werd de verklaring

gedrukt door eene zwarigheid, die ik niet kon oplossen. Ik wachtte

met de behandeling van het woord tot wellicht een gelukkig toeval mij

de oplossing zou aan de hand geven. Ware mij vroeger ingevallen den

„Dictionnaire étymologique des mots d'origine orientale” van Devic,

achter het Supplement van Littré te raadplegen, dan zou ik zijne zeer

aannemelijke verklaring niet zoolang aan mijne lezers onthouden hebben.

Betelgeuze is de door de Europeesche schrijfwijze meer of min onkenbaar

gemaakte samenstelling van twee Arabische woorden: _bait_ (of _bêt_),

d. i. huis, ook in de astronomische beteekenis van de _huizen der

zon_ of teekenen van den dierenriem, en van _djauzá_ (met het lidw.

_al-djauzá_), den bekenden naam van het teeken der Tweelingen. Dus

beteekent Betelgeuze „het huis der Tweelingen”, wat op zichzelf niet de

geringste zwarigheid oplevert. Moeilijk is het echter te verklaren, hoe

diezelfde naam kan gegeven zijn aan de schitterende roode ster in den

schouder van Orion.

Uit de Arabische woordenboeken (b. v. Freytag, D. I, bl. 324b) blijkt,

dat niet alleen de Tweelingen, maar ook het sterrenbeeld Orion

_al-djauzá_ genoemd werd. Deze homonymie, zoowel als de eigenlijke,

oorspronkelijke beteekenis van _djauzá_, laat Devic onverklaard.

Misschien kunnen Ideler's „Untersuchungen über d. Sternnamen”

daaromtrent eenig licht geven; doch dit boek heb ik niet ter hand.

Verder leeren ons de woordenboeken (b. v. Freytag, D. IV, bl. 331a) dat

de ster Betelgeuze in 't Arabisch _mankiboeʾl djauzá_, d. i. de schouder

van Orion, heet, wat ons niet veel verder brengt. Maar aan Devic behoort

de verdienste van in een Arabisch HS. te hebben opgespoord, dat

_mankiboeʾl-djauzá_ ook door _jadoeʾl-djauzá_, d. i. de arm van Orion,

vervangen wordt. In de niet zeldzame uitspraak _jèd-el-djauzá_ kon dit,

zooals hij nog verder terecht schijnt op te merken, lichtelijk door hen,

die de Arabische sterrenamen gebruikten zonder ze te verstaan, met

_bêt-el-djauzá_ verward en verwisseld worden.[25]

[25] Het woord _jad_ of _jèd_ beteekent gewoonlijk _hand_, niet _arm_.

Deze tegenwerping beantwoordt Devic met de opmerking: „dans le

language scientifique _yed_ se dit de l'ensemble du bras, depuis

l'épaule jusqu'au bout des doigts.”

Tijferen.

In werken over Ned.-Indië wordt niet zelden het woord _tijferen_

gebezigd in den zin van „palmwijn door insnijding uit een boom tappen.”

Zie b. v. „Tijdschr. v. N.-Indië”, 1870, II, bl. 240: „de plaats waar de

inlanders de saguweer _tijferen_.” Het zou zeer zeker eene vergeefsche

poging zijn voor dit woord eene Germaansche afstamming te zoeken; maar

uit welke taal is het dan afkomstig?

Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden · 第 10 / 22 段