_tor_, en velen mijner lezers zullen wellicht vreemd opzien wanneer
ik het waag uit te spreken, dat daarin de naam schuilt der door de
Scandinaviërs het hoogst vereerde godheid, den Dondergod Thor. Gelijk
aan de meeste andere godheden waren ook aan Thor verschillende
diersoorten toegewijd, en daaronder ook de mestkever, misschien
oorspronkelijk wegens het nut dat hij sticht door het verteren van
onreine stoffen. Ook bij de oude Egyptenaren bestond, zooals ieder weet,
een heilige mestkever, die zeer groot aanzien genoot, de _Scarabaeus_
(_Ateuchus Sacer_). Men leerde in Gothland dat wie zulk een heiligen
mestkever op den grond zag liggen en weder op de pooten zette, daarmede
zeven zonden uitdelgde, en zag hierin een herinnering van Thor's
voorspraak bij Alvader.[14] Men noemde dus oorspronkelijk den mestkever,
en later ook andere groote kevers of zelfs de kevers in het algemeen,
bagge, bug, bok, bist (of welke andere vormen men ook bezigde),
d. i. _kever_ van Thor, en toen men later, bij de invoering van het
Christendom, diepen afkeer voor al zulk heidensch bijgeloof begon te
koesteren, den _Thordjefvul_, d. i. de duivel van Thor, waaruit in het
tegenwoordig Zweedsch als algemeene naam der kevers _Tordyfvel_ is
ontstaan. Bij ons zeide men, zoo het schijnt, oorspronkelijk _Torbok_,
dat later tot enkel _Tor_ is afgekort.
[14] Men vindt deze bijzonderheden ook vermeld in het pas verschenen
tweede gedeelte van „De Dieren in het Germaansche volksgeloof en
volksgebruik”, door mr. L. A. J. W. baron Sloet, bl. 389.
Ik ben het meeste wat ik hier heb medegedeeld verschuldigd aan Cowan's
„Curious facts in the history of Insects” (Philadelphia, 1865), p. 28.
Doch daar ik het werkje slechts uit de tweede hand ken, en in mijne
aanteekeningen mijn eigen bijvoegselen en gevolgtrekkingen niet van die
van den schrijver heb onderscheiden, kan ik niet meer met juistheid
opgeven wat ik hem verplicht ben. De toepassing op het Ned. _tor_ en
_torbok_ is in allen gevalle van mij, en zoo zij eene dwaling blijkt te
zijn, komt die op mijne rekening.
Sporen van bijgeloof met betrekking tot de torren ontbreken ook in
Duitschland niet. Scheffel, zeker een der uitstekendste kenners van de
Germaansche oudheid, weet ons in zijn „Ekkehard” (bl. 242) veel van
den eerbied des Duitschen volks voor den _Hornschröter_, ons _vliegend
hert_, te verhalen. Een der namen van dezen schoonen kever, den
grootsten van Europa, is de _Donnerkäfer_ (ook _Donnergugi_), en het
blijkt dat hij werd beschouwd als het middel waarvan de toovenaars zich
bedienden om donder te verwekken. Scheffel haalt daarbij de volgende
woorden aan uit Grimm's „Mythologie” (3te Ausg., bl. 657; vgl. bl.
176): „Dem Schröter, den es mit Donner und Feuer in Bezug setzt, mag
das Deutsche Volk besondere Ehre angethan haben.” De hier vermelde
bijzonderheden voeren ons terug tot den Dondergod Thor.[15]
[15] In het bovenaangehaalde werk van baron Sloet, bl. 387, wordt gezegd
dat het vliegend hert in verband met Thor staat, omdat het op den
aan Thor gewijden eikeboom leeft, en dat het als drager van het
hemelvuur als de oorzaak van brand wordt beschouwd.
Het vliegend hert is te zeer van den mestkever onderscheiden, om aan
te nemen dat zij vereenzelvigd werden; maar het eerstgenoemde kon met
hetzelfde recht als de laatste „Thor's kever” genoemd worden en dus
medewerken om, toen men den zin voor de oude mythologie verloor, aan
alle kevers zonder onderscheid den naam van _Thorbagge_, _Torbok_ of bij
afkorting _Tor_ te doen geven.
De vraag doet zich mij voor of het woord _tor_, als waarschijnlijk
niet werkelijk van vreemde afkomst, hier wel eene plaats had verdiend.
Daar evenwel, door het verloren gaan van tusschenschakels, de ware
verklaring van het woord in het Nederlandsch niet meer te vinden was,
kon het slechts door de hulp van vreemde talen worden opgehelderd. Ook
blijft de vraag of wij het niet inderdaad aan de invallen der Noormannen
in ons land verschuldigd zijn.
Muskiet.
_Muskiet_, zeldzamer, ofschoon juister, _moskiet_ geschreven, is bij
de Nederlanders in Oost- en West-Indië de algemeene naam voor alle
stekende en den mensch aanvallende muggen, en is ook in het moederland
gebruikelijk, wanneer van Oost- en Westindische muggen sprake is. Het is
weder een woord dat wij in de koloniën van de Portugeezen of Spanjaarden
hebben overgenomen. In de taal van beide volken is _mosquito_ een
verkleinvorm van _mosca_, het Latijnsche _musca_, en beteekent eigenlijk
_kleine vlieg_, maar toch ook _kleine mug_, daar het volk deze verwante
diertjes, beide evenzeer tot de diptera of tweevleugelige insecten
behoorend, niet altijd nauwkeurig onderscheidt.
Japon.
Van dit woord zegt Weiland: „de benaming is ontleend van Japan,
een Rijk beoosten China, derhalve een kleed in navolging van de
Japanners. Vanhier ook _japonsch_: een _japonsche_ rok, een _japonsche_,
_japansche_ deken.” Zeker is het dat onze schrijvers ook wel _Japon_ en
_Japonsch_ of _Japoensch_ schreven, gelijk men nog in het Fransch _le
Japon_ zegt. Toch acht ik de hier gegeven verklaring van ons _japon_
geheel verwerpelijk. Ik betwist niet dat men oudtijds _japonsche rok_
zeide voor hetgeen men thans een Japanschen kabaai zou noemen; maar
de verkorting van _japonsche rok_ tot enkel _japon_ is moeilijk te
verklaren, en dat men eenvoudig den naam van een Aziatisch Keizerrijk
aan een vrouwengewaad zou hebben toegekend, is nauw denkbaar. Maar wat
meer weegt, er is een woord van Arabischen oorsprong, in verschillende
vormen tot schier alle talen van Europa doorgedrongen, dat hetzelfde
of een verwant kleedingstuk aanduidt, en waarvan het inderdaad zeer
bevreemdend zou wezen, indien onze vaderen alleen den toegang daaraan
geweigerd hadden, te meer dewijl dit woord vooral ook in het Fransch
voorkomt, uit welke taal de namen van mode-artikelen van oudsher tot
ons plachten over te waaien. Het woord dat ik bedoel is het Arabische
_djobbah_, waardoor een groot, ruim kleed, doorgaans met wijde mouwen,
veel gelijkende op onze kamerjaponnen, wordt aangeduid. Men zie daarover
Dozy's „Dictionnaire détaillé des noms des vêtements chez les Arabes”,
die o. a. opmerkt: „Du mot Arabe _djobbah_ les Espagnols ont fait:
_aljuba_, _juba_, _chupa_, _jubon_, les Portugais _aljuba_, les Italiens
_giuppa_, _giuppone_ et les Français _jupe_, _jupon_.” Maar hier is
nog slechts een klein deel der talrijke nakomelingschap van het woord
_djobbah_ genoemd. Bij Littré vond ik nog als Italiaansch _giubba_
en _giubbone_, als Portugeesch _gibâo_, als Provençaalsch _jupa_,
_jupon_, _jupio_, als Normandisch _jupin_, als Bourgondisch _gipon_, als
oud-Fransch _jupel_ en _jupeau_ genoemd. In het Hoogduitsch behooren tot
deze familie _jupa_, _jope_, _juppe_, _juppel_, _joppel_ en misschien
ook _schuba_, _schaube_, in het Engelsch _jippo_, in het Nederlandsch
de bij Kiliaan voorkomende namen _jupe_ en _juype_. Tot deze laatste
stond _japon_, als _jupon_ tot _jupe_, als _giuppone_ tot _giuppa_,
namelijk als verkleinvorm, en daar door de aanhechting der verkleinende
lettergreep, de _u_ in _jupe_ toonloos werd, kon ze gemakkelijk in een
stomme _e_ of korte _a_ overgaan. Dat men _japon_ is gaan schrijven,
kan misschien ook aan den invloed van bovengemelde verkeerde afleiding
worden toegeschreven, die intusschen zooveel gezag heeft erlangd, dat ze
ook door Franck is aangenomen, en de waarschijnlijke oorzaak is waarom
Dozy in zijne „Oosterlingen” aan _Japon_ geene plaats heeft ingeruimd.
Sarong.
_Sarong_ (van het Mal. en Jav. _Saroeng_) noemen wij gewoonlijk den op
Java en elders in Nederlandsch-Indië bij de inlanders gebruikelijken
rok, welke ook bij ons te lande door vele dames, die vroeger in Indië
hebben gewoond, als huisgewaad wordt gedragen, en welke in onze
vaderlandsche katoenfabrieken op groote schaal ten behoeve van Indië
wordt vervaardigd. Evenwel wordt aan het woord, in dien algemeenen zin
gebruikt, eene ruimere beteekenis gegeven, dan het oorspronkelijk bezit.
Wat in den strikten zin een sarong is, zal ik hier kortelijk
uiteenzetten.
Het woord _saroeng_ beteekent eigenlijk _scheede_ of _koker_, en
inderdaad bestaat de sarong uit een lap katoen op de bepaalde grootte
geweven, waarvan de beide einden zijn aaneengenaaid, zoodat men er de
beenen door moet steken. Een sarong is dus strikt genomen overgesteld
aan een _kain pandjang_ of _kain lepas_, d. i. een _lange doek_ of
_losse doek_, waarvan de einden niet aaneen zijn gehecht, en die om
het lichaam gewonden en ingestoken wordt. Zulk een lange doek heet in
het Javaansch in de lage taal _djarik_ (in den mond des volks veelal
verbasterd tot _djarit_) en in de hooge taal _siendjang_. Zoowel de
sarong als de kain pandjang worden op het smalle inlandsche weefgetouw
slechts op de halve breedte geweven, zoodat twee banen in de lengte
worden aaneengezet. De Europeesche industrie weeft ze echter op de
volle breedte. Beide worden door beide seksen gedragen. De saroeng,
ook _samping_ geheeten, is meer in West-Java of de Soendalanden, de
_djarik_, die als kleed der mannen _bĕbĕd_, als vrouwenrok _tapih_
heet, in het eigenlijk Java te huis. Op de volle breedte wordt voor
de sarong een lap van ten hoogste twee meter, voor een djarik van ten
hoogste 2½ meter vereischt. Beide worden meestal om den middel bevestigd
door een gordel, die door een gesp wordt vastgehouden.
Zoowel de sarong als de djarik kunnen bestaan uit doeken die wit geweven
en later effen geverfd of gebatikt (met figuren beschilderd) worden, en
uit doeken die van vooraf geverfde draden in ruiten of strepen worden
geweven. De gebatikte stoffen komen met onze gedrukte katoenen, de
geruite en gestreepte met onze gekleurde weefgoederen overeen. Geruite
katoenen (_kain polèng_) zijn, nevens effen gekleurde, meer in trek
in West-Java; gestreepte katoenen (_kain loerik_) genieten, nevens
de gebatikte stoffen, in Midden- en Oost-Java de voorkeur. Voor de
gebatikte is de inlandsche nijverheid het meest door de Europeesche
verdrongen.
In de inlandsche gebruiken en drachten is veel aan vaste regelen
onderworpen, waarin een willekeurig ingrijpen van luim of mode niet
gaarne wordt gezien. De sarong, die zich als een meer afgewerkt en
afgerond geheel voordoet, moet met de beide aaneengenaaide einden
volkomen aaneensluiten. Aan beide einden van het doek wordt een
zoogenaamd hoofd (kapala) gemaakt. De beide vereenigde hoofden, die te
zamen ongeveer een vierde van het geheele doek uitmaken, verschillen
geheel van het grondpatroon. Bij de in kleuren gewevene hebben deze
vereenigde hoofden een effen grondkleur, met een aantal evenwijdige,
verschillend gekleurde strepen, bij de gebatikte vormen de kapala's
altijd twee reeksen van met de punt naar elkander gekeerde spitsen of
zoogenaamde torens. De djarik mist in den regel de kapala's; slechts
Chineesche vrouwen ziet men wel eens djariks met kapala's dragen.
Indien men het gebruik van het woord sarong door de Europeanen, niet
slechts in het moederland, maar ook in Indië, aan de hier opgegeven
eischen van eene echte sarong toetst, zal men waarschijnlijk bevinden,
dat het zeer dikwijls verkeerd aangewend wordt. Ook in mijn werk over
Java zijn in de beschrijving van _sarong_ en _djarik_ (D. I, bl.
601–603) eenige misstellingen ingeslopen, die ik hier volgens de
mededeelingen van den heer van Musschenbroek over de inlandsche
katoennijverheid en volgens de aanteekeningen op mijn werk van wijlen
Tjondro Negoro, den Regent van Brebes, heb verbeterd.
Baadje.
_Baadje_, d. i. buis, wambuis, niet _buisje_, zooals van Dale zegt, want
_baadje_ is geen verkleinwoord. Afgaande op een, mijns inziens, geheel
verkeerde etymologie, schreven Weiland, de „Woordenlijst” van de Vries
en te Winkel en de eerste uitgaven van het „Nieuw Woordenboek der Ned.
taal” van van Dale allen _baaitje_. Vreemder nog is het dat Franck de
goede spelling met de slechte afleiding verbindt. „_Baadje_”, schrijft
hij, „minder juist voor _baatje_, een door syncope der _i_ gewijzigden
vorm van _baaitje_, wambuis van baai of andere grove stof, het
verkleinwoord van _baai_ (wollen stof); vgl. _katoentje_ van _katoen_”.
In Manhave's nieuwe uitgave van van Dale leest men terecht: „_Baadje_.
Vroeger schreef men verkeerdelijk _baaitje_. Het woord komt niet van
_baai_, zooals men vroeger meende, maar is aan het Maleisch ontleend”.
Ik heb dezelfde meening reeds voorgestaan in mijne aankondiging van
Dozy's „Oosterlingen” in „de Gids” en ben er sedert steeds meer in
bevestigd. Ja ik zou durven verklaren, dat indien er één woord in onze
taal is waarvan de afkomst uit het Maleisch zeker is te achten, dat
wel _baadje_ moet zijn, en dat dit aan onze lexicographen bij eenige
meerdere bekendheid met den Maleischen taalstam en met de literatuur
over Ned.-Indië zeker niet zou zijn ontgaan. Zij zouden dan geweten
hebben, dat bij de volken van Insulinde algemeen een kleedingstuk in
gebruik is, dat in het Javaansch, Maleisch, Makassaarsch[16], Bataksch
en Dajaksch den naam van _badjoe_ draagt; dat dit bestaat uit een wijd,
loshangend, tot op de heupen reikend buis, om den hals sluitend met
een opstaanden kraag, en met ruime mouwen die slechts tot even over
den elboog reiken; dat er echter eenige verscheidenheden in den vorm
voorkomen, die zich door bijzondere namen onderscheiden; dat de stof
doorgaans wit of blauw gestreept katoen, in sommige gevallen ook laken,
fluweel of zijde is; en dat de naam van dit kleedingstuk ook bij de
Nederlanders in Indië algemeen in gebruik is, en door hen _baadje_ of
_baatje_ wordt uitgesproken. Bij oudere schrijvers vindt men nog wel den
oorspronkelijken vorm _badjoe_ (b. v. Valentijn, VI, 1, bl. 54: „die
wat meer van staat zijn dragen wel een zijde of ander fraai wambuis of
badjoe”); maar die vorm is allengs in _baadje_ overgegaan (b. v. van
Rees, „Toontje Poland”, I, bl. 19: „slavenmeiden met korte en halfopen
_baadjes_”). En daar de _dj_ (eigenlijk eene enkele letter, die aan de
_djim_ of _djô_ van het Maleisch-Javaansche alfabet beantwoordt) door
ons in d–j wordt opgelost, de _d_ dus sluitletter eener lettergreep
wordt, en als zoodanig in het Hollandsch (dat b. v. laadje, naadje
evenzoo uitspreekt als maatje, staatje) de waarde van _t_ krijgt, wordt
dit _baadje_ ook dikwijls door _baatje_ vervangen (zooals bij Gevers
Deynoot, „Herinneringen”, bl. 57: „mannen en vrouwen... in ligtkleurige
katoenen _baatjes_”). Ja zelfs den vorm _baaitje_ vindt men bij sommige
onzer oudere Indische schrijvers, b. v. Canter Visscher, „Malabaarsche
brieven”, bl. 46: „daarover hebben zij een _baaitje_ van fijn lijnwaad”.
Maar dat het woord ook in deze schrijfwijze in geen verband met _baai_
staat, wat gelijk ieder weet een wollen stof is, blijkt reeds daaruit,
dat alsdan een _baaitje_ van _lijnwaad_ een _contradictio in terminis_
zou wezen. Dit _baaitje_ wijst, zooals het mij toeschijnt, slechts op
eene zekere eigenaardigheid van uitspraak, zooals men ook wel
_laaitje_[17] hoort, en is verder van geen gewicht.
[16] 't Boegineesch heeft _wadjoe_.
[17] _Laaitje_ is eigenlijk het deminutief van _laai_, een nieuwen vorm
uit _lade_ ontstaan, door de verweeking der _d_ tot _j_ (als in
goeje of goeije voor goede, dooien of dooijen voor dooden enz.),
evenals _kaai_ uit _kade_. _Baaitje_ verkeert dus niet in geheel
hetzelfde geval als _laaitje_ en _kaaitje_; mijne meening is
slechts dat het door analogie met deze vormen ontstaan is.
Schippers en matrozen dragen niet zelden een baadje, en het is zeer
mogelijk dat door hen vooral zoowel de snit als de naam van dit
kleedingstuk uit Indië is overgebracht. De meeste Maleische woorden in
onze taal danken wij aan de zeelieden. Maar ik geloof, dat men zich
vergist, wanneer men meent dat het matrozenbaadje gewoonlijk van baai is
gemaakt. Bedrieg ik mij niet, dan geldt dit veel meer van den boezeroen,
waarover het baadje vaak wordt aangeschoten. Is dit juist, dan vervalt
zelfs de mogelijkheid om baadje van baai af te leiden. Ook heeft men de
opmerking gemaakt, dat, indien baadje eigenlijk een verkleinvorm van
_baai_ was, men in die Nederlandsche gewesten die het verkleinwoord met
_ke_ vormen, _baaike_ zou moeten zeggen, welke vorm echter geheel
onbekend schijnt.
Pampoesjes.
_Pampoesjes_ zijn onder onze varensgasten eene soort van schoenen van
zeildoek, die men b. v. te Amsterdam in de winkels van scheepsbehoeften
ziet uitgestald. Dit woord doet ons denken aan het Jav. _pampoes_,
schoenen zonder hakken of met lage hakken, vervaardigd van stof of
zacht leer. Volgens eene lijst van vreemde woorden in het Maleisch der
Minahassa, door den heer de Clercq, voorkomende in het „Tijdschr. voor
Ned.-Indië”, Jg. 1870, D. I, bl. 364, beteekent _pampoes_ in de
Minahassa pantoffels of damesschoenen.
Het _pampoesjes_ onzer varensgasten, waarmede men ook nog het Eng.
_pumps_ voor _dansschoenen_ kan vergelijken, kan zeer wel aan het
Javaansche _pampoes_, waarmede het de _m_ vóór de _p_ gemeen heeft,
ontleend zijn, maar stellig is dit _pampoes_ afkomstig van het Perzische
_papoesj_, door de Arabieren _baboesj_ uitgesproken, en waarvan de
Franschen _babouche_ hebben gemaakt. De ingevoegde _m_ is van denzelfden
aard als die in _Amfioen_. Zie op dat woord.
De _papoesjes_ der Oosterlingen worden in de „Reizen van Cornelis de
Bruyn door de voornaamste deelen van Klein-Asia”, enz., bl. 95, aldus
beschreven: „Als een goed Musulman aan de reinigingen voldaan heeft,
moet hij met nedergeslagen gezicht tempelwaarts gaan, en, gedenkende wat
eerbiedigheid hij aan die plaats schuldig is, zijne schoenen aan de deur
uittrekken, weshalven de Oosterlingen, dewijl zij er zoo menigmaal daags
toe gehouden zijn, een zoort van schoenen hebben uitgevonden, bekwaam
om 'er zonder het lighaam eens te buigen of 'er het behulp der handen
toe van nooden te hebben, met gemak te kunnen uittreden. Zij noemen
ze _Pabouches_[18] en [deze] mogen eer voor een slag van pantoffels
of muilen, als voor schoenen te boek gesteld worden. De kleur is
verscheiden, geel, rood, paars, swart, enz. De Turken en Franken draagen
ze gemeenlijk geel, d'Armeniërs rood, de Grieken paars en de Jooden
swart, maar niemand van alle deze natiën vermag ze, zolang als ze in
het gebied van den Grooten Heer woonen, groen te draagen, gelijk al de
wereld in Perziën mag doen. 't Zou een Christen, die in Turkije woonde,
tot een misdaad gerekend worden, een koleur aan de voeten te draagen,
welke bij de Mahometaanen door de genegentheid welke hun Propheet tot
deselve had, voor heilig werd gehouden.” Elders, bl. 131, voegt de Bruyn
er nog bij, dat de Pabouches „bijna van maaksel als muilen zijn, de hiel
met het overige der zool gelijk, doch beslagen met een halfrond ijzertje
van gedaante als een hoefijzer.”
[18] Deze spelling is blijkens het voorgaande onnauwkeurig; maar juist
zoo wordt ook het woord geschreven door Sir Walter Scott, „St.
Ronans well,” chapt. XXX.
Dozy, „Dict. détaillé des noms des vêtements”, etc. heeft een aantal
plaatsen van reizigers in het Oosten over de baboesjes bijeengebracht,
maar de beschrijving bij de Bruyn is hem ontgaan.
Slendang.
„_Slendangs_”, zegt van Dale „Nieuw Ned. Woordenb.” op het woord,
„zekere geweven stof”. Klaarblijkelijk kent hij het woord slechts van
prijscouranten van fabrieken of dergelijke stukken, en kon dus voor
eene bijzondere stof houden wat eigenlijk een bijzondere soort van
kleedingstuk is. Men zou meenen dat de _slendang_ of _selendang_
genoeg bekend is door het gebruik dat onze uit Indië gekomen dames en
hare bedienden er maken, en door de veelvuldige vermelding in alle
geschriften uit en over Ned.-Indië, om althans eene juiste opgave der
beteekenis te waarborgen. De inlandsche vrouwen dragen den slendang als
sieraad (of ook om er een kind of iets anders in meê te voeren) over
hunne overige kleedingstukken. Het is een lange, smal opgevouwen, veelal
gebatikte[19] doek, die, dubbel toegeslagen, zoo over de schouders
wordt gelegd, dat aan de rechterzijde de beide slippen lang van voren
afhangen. Soms wordt ook de slendang over het hoofd gedragen. Het woord
is aan het Maleisch en Javaansch gemeen.
[19] Zie op _batikken_.
Ginggang.
Guingamp, eene kleine Fransche stad in Bretagne (Dep. Côtes du Nord),
is sedert lang bekend door hare weverijen. In het Aardrijkskundig
Woordenboek van Kramers lezen wij, dat zij fabrieken heeft van
_gingang_, linnen en garen, en volgens den „Dictionnaire” van Littré,
is de oorsprong van het woord _gingang_ (_ginggang_), in het Fransch
_guingan_ geschreven, in den naam dezer stad te zoeken. Hier is op
taalkundige gronden niets tegen in te brengen. Bekend is het dat vele
fabrikaten, door verkorte spreekwijze, eenvoudig den naam dragen van de
plaatsen, waarvan zij afkomstig zijn. Zoo spreekt men van Manchester,
Oxford, Florence, Orleans, Valenciennes, Nankin enz., om de van die
plaatsen afkomstige stoffen aan te duiden.
Desniettemin wordt door vele schrijvers _gingang_ (of _ginggang_) als
een product der Aziatische weefgetouwen beschouwd. Van Dale's „Nieuw
Ned. Wdbk.” en Kramers en Bonte „Kunstwoordentolk”, toonen door hunne
verwijzing naar een Maleisch of Javaansch woord _ginggang_, dat in die
talen _gestreept_ zou beduiden, dat zij den oorsprong in den Indischen
Archipel zoeken. Naar den vorm (reduplicatie met veranderden klinker)
kan zeker _ginggang_ zeer wel een Javaansch of Maleisch woord zijn,
ja het komt in het Javaansch voor met de beteekenis van _afwijken_,
_uiteengaan_, waarvan men desnoods die van _gescheiden zijn_ of
_uiteenstaan_, zooals strepen van zekere kleur die door een andere kleur
gescheiden worden, zou kunnen afleiden. Evenwel wordt die wijziging der
beteekenis van _ginggang_, zoover ik weet, door geen enkel woordenboek
van de Javaansche en verwante talen bevestigd. In het „Jav. Handwdbk.”
van Prof. Roorda wordt _ginggang_ genoemd: „een soort van gestreept of
geruit Oostindisch lijnwaad, geen Javaansch fabrikaat”, terwijl in de
jongste uitgaaf Prof. Vreede ten overvloede herinnert, dat de Javaansche
gestreepte lijnwaden _loerik_ heeten. In het „Soendaasch Wdbk.” van
den heer Oosting lezen wij op _ginggang_: „benaming van een soort van
geruit of gestreept goed, _dat op Java wordt ingevoerd_.” In Klinkert's
„Supplement op het Maleisch-Ned. Wdbk.” van Dr. Pijnappel lezen wij
op _ginggang_: „geruit hessen- of kielengoed. Op Riouw _tjélé_, doch
_ginggang_ wordt ook verstaan.” Dat men op Riouw, het centrum als
het ware der Maleischsprekende bevolkingen van Insulinde, _ginggang_
ternauwernood verstaat, begunstigt stellig niet de meening dat het een
echt Maleisch woord zou zijn.
Ik moet nog opmerken, dat de aangehaalde plaatsen volstrekt niet pleiten
voor de bewering dat ginggang eigenlijk _gestreept goed_ zou wezen. Het
wordt nu eens _gestreept of geruit_, dan eens bepaaldelijk _geruit_ goed
genoemd. Hierbij mag evenwel aan den anderen kant niet verzwegen worden,
dat in de katoennijverheid soms een onderscheid tusschen _ginggang_
of _gingham_ (den Engelschen vorm van het woord) en _tjélé_ wordt
gemaakt, en dat, waar dit in acht wordt genomen, werkelijk ginggang de
_gestreepte_ en tjélé de _geruite_ stof aanduidt. De heer Ekker (firma
T. C. Stork te Hengelo) schrijft mij: „Voor Makassar en de Molukken
wordt de stof steeds bij ons aangevraagd onder den naam _gingham_,
wanneer zij _gestreept_, onder dien van _tjélee_ of _cotonnetten_, als
zij _geruit_ moet zijn. De eigenlijke beteekenis van gingham zal dus
naar mijn inzien _gestreept weefsel_ zijn. Ook voor Engelsch-Indië wordt
bij ons _gestreept_ goed onder den naam van _gingham_ aangevraagd,
_geruit_ daarentegen onder dien van _checks_.” Men begrijpt hieruit
hoe de meening ontstaan is dat _ginggang_ bepaaldelijk _gestreept_ zou
beteekenen. Inderdaad schijnen echter de woorden _ginggang_ en _tjélé_
synoniem te zijn en het onderscheid tusschen beide gemaakt slechts op
een handelsusantie te berusten.
Er kan na al het gezegde weinig twijfel zijn, of _ginggang_ en _tjélé_
zijn in den Indischen Archipel oorspronkelijk uitheemsche namen voor
uit den vreemde ingevoerde goederen. Wij zullen dus de meening moeten
opgeven, dat ginggang eigenlijk een Maleisch of Javaansch woord is. Dit
maakt echter de afkomst uit het Fransch wel waarschijnlijker, maar nog
geenszins zeker. Wij zagen reeds dat de ontkenning dat ginggang een
Javaansch fabrikaat is, niet buitensluit, dat het toch van Indischen
oorsprong, namelijk van het vasteland van Indië (of van Ceilon)
afkomstig kan zijn. En dit wordt zeer aanbevolen door de volgende
door Littré aangehaalde plaats uit de „Histoire philosophique des
Deux-Indes” van Raynal (het eerst in 1771 uitgegeven): „Une centaine de
balles de mouchoirs, de pagnes et de _guingans_ d'un très-beau rouge,
que les Malabares fabriquent à Gaffanapatnam[20], où ils sont établis
depuis très-longtemps.”
[20] D. i. Jafnapatnam op Ceilon, door Malabaren van de kust van
Hindostan gekoloniseerd.