geschriften over Indië voorkomend, in geen enkel Ned. Woordenboek, zelfs
niet in Kramer's „Kunstwoordentolk”, vindt opgenomen. Het is evenwel een
echt Nederlandsch woord, omdat het natuurlijke klanken, geuit door eene
in Insulinde levende klasse van dieren, nabootst op eene wijze, die
alleen in onze taal bestaanbaar is. Ook was het, schoon thans vergeten,
eenmaal in onze volkstaal lang niet zeldzaam. Ik herinner mij zeer goed
het ± 60 jaren geleden dikwijls in mijne geboortestad Dordrecht gehoord
te hebben; ik meen zelfs dat het een gewone spreekwijs was een knaap,
dien men als vlug en vlijtig prijzen wilde, „een koninkje van de
wouwouwen”[11] te noemen. Misschien dacht men, bij deze uitdrukking,
aan de bekende en niet geheel ongegronde verhalen omtrent de in Indië
voorkomende apenkoloniën, die een ouden aap tot leidsman, koning of,
zooals men op Java zegt, tot koewoe hebben; doch in dat geval heeft men
zich bedrogen, daar zulke koloniën altijd uit apen van eene geheel
andere soort, nam. _Macacus_ of _Cercocebus cynomolgus_, den grijzen
aap of meerkat, bestaan.
[11] Of moet het soms „koning van de wouwen” zijn, met toespeling op den
_koningswouw_ (_Milvus regalis_)?
Voor vreemde dieren, in afgelegen landen vertoevende, heeft onze taal
slechts een zeer beperkt aantal eigen woorden. De taal wordt in die
richting, gelijk op zoo menig ander wetenschappelijk gebied, niet
ontwikkeld, omdat onze geleerden meer en meer het gebruik der moedertaal
versmaden. Men moet zich dan ook in onze museën en diergaarden veelal
met Latijnsche of Fransche namen behelpen, die den beschouwer zoo vreemd
zijn, dat hij ze dadelijk weder vergeten is. Een naam als wouwouw, die
op een duidelijk kenmerk van het dier, nam. de vreemde klanken die het
voortbrengt, berust, wordt daarentegen dadelijk in het geheugen gegrift.
Wenschende dat deze naam, gelijk andere dergelijke, in onze taal zou
herleven, heb ik daarvan ook reeds in mijn „Java”, D. I, bl. 258,
gebruik gemaakt, na in mijne vertaling van Wallace's „Insulinde”, I,
bl. 107, het minder Hollandsche _wauwau_ te hebben gebezigd.
Kazuaris.
_Kazuaris_ is een bekende vogel uit Nieuw-Guinea en de Molukken, in
gestalte op den struis gelijkende, maar geheel vleugelloos en bedekt met
lange, grove, op haar gelijkende vederen. Valentijn, III, 1, bl. 298:
„De naam van dezen vogel is door gansch Indië de Kasuwaris.” Hij is
van Papoeschen oorsprong en luidt, volgens Sal. Müller, „Reizen in den
Indischen Archipel”, I, bl. 120, volgens de uitspraak der westelijke
Papoea's _Kasoewari_.
Met den naam van den Kazuaris hangt die van de _Casuarinen_ samen,
Oostindische boomen, zoo genoemd, omdat de naaldvormige takjes, die,
oppervlakkig beschouwd, de bladeren schijnen te vervangen, door onze
voorouders met de haarachtige vederen van den kazuaris vergeleken werden
(Jav. _tjemôrô_, Mal. _tjemara_, wij zouden zeggen _paardestaartboom_).
Zie Val. III, 1, bl. 222; Pijnappel, „Geogr. van Ned.-Indië”, bl. 25.
In 't Nederlandsch schrijft men echter beter _kazuaris-boom_, zooals
bestendig geschiedt in 't „Amboyns Kruydboek” van Rumphius, b. v.
D. III, bl. 87: „naam in 't Lat. _Casuarina_.... op 't Duytsch
_Casuaris-boom_ van de gedaante der bladeren.”
Papegaai.
_Papegaai_, Duitsch _Papagei_, Eng. _Popinjay_, oud-Fransch _Papegai_,
_Papegaut_, Ital. _Pappagallo_, Sp. en Port. _Papagayo_, stammen zonder
twijfel af van het Arabische _babagâ_ of het Perz. _bapgâ_; maar daar
deze woorden in hun oorsprong noch Arabisch, noch Perzisch kunnen zijn,
blijft de vraag over in welke taal zij oorspronkelijk te huis behooren.
Prof. Dozy, die _Papegaai_ niet in zijne „Oosterlingen” opnam, zegt in
zijn „Glossaire des mots Espagnols” etc., p. 326: „M. de Slane, dans une
note sur la traduction d'Ibn Khallicân (II, 149) a soupçonné qu'il
appartient à quelque dialecte Indien. Notre savant indianiste, M. Kern,
m'assure, qu'il n'est pas ainsi. Je suppose donc que c'est un terme
Africain.” Onmogelijk is dit zeker niet; maar de ondergeschikte rol die
de papegaaien in Afrika vervullen, maakt het minder waarschijnlijk. Doch
er is ook nog eene andere onderstelling mogelijk: het woord kan ook
van Papoeschen oorsprong zijn, evenals Kazuaris, of ook aan eene der
Moluksche landtalen behooren. Nieuw-Guinea en de Molukken zijn vanouds
wegens de veelsoortigheid en schoonheid hunner papegaaien beroemd
geweest. Vgl. het aangeteekende op _Kakatoe_ en _Lori_.
Kakatoe.
Deze schrijfwijze is geloof ik de meest gebruikelijke en bewaart beter
den oorspronkelijken vorm dan _kakketoe_, dat door de Vries en te Winkel
en ook door van Dale is aangenomen. In het Engelsch zegt men _cockatoo_.
Ieder weet dat _kakatoe_ een geslacht van papegaaien is, zich
onderscheidende door een kuif op den kop, een grooten, gekromden,
scherpgepunten en krachtigen snavel, en in witte en zwarte soorten
voorkomende. Het vaderland dezer vogels zijn de Moluksche of Papoesche
eilanden en hun naam, evenals die van den kazuaris, behoort dan ook,
naar allen schijn, oorspronkelijk in de talen dier eilanden te huis.
Die naam is tot de Maleiers gekomen en luidt bij hen _kakatoewa_. Uit
het Maleisch is deze in de talen van Europa overgegaan; maar dat hij
oorspronkelijk Maleisch zou zijn, is hoogst onwaarschijnlijk. In die
taal zou hij een samengesteld woord moeten zijn; maar de verbinding van
_kaka_ met _toewa_ geeft geen zin,[A] en in de Maleische landen geldt
even goed als bij ons de regel, dat dieren uit vreemde landen komende,
doorgaans hunne uitheemsche namen behouden.
[A] Toen ik de woorden nederschreef: „de verbinding van _kaka_ met
_toewa_ geeft geen zin”, dacht ik er niet aan dat men, de woorden
afzonderlijk houdende, _kaka toewa_ in het Maleisch gebruikt in de
beteekenis van een _oude vrouw_, een _oud moedertje_, eigenlijk
_oude zus_. _Toewa_ beteekent _oud_ en _kaka_ eigenlijk zoowel
_oudere broeder_ als _oudere zuster_, maar vooral het laatste. Het
is echter overbodig _toewa_ aan _kaka_ toe te voegen, wijl het er
reeds in ligt opgesloten. Dit alles heeft intusschen met _kakatoe_
als vogelnaam niets te maken.
_Kakatoewa_ heeft intusschen in het Maleisch nog twee wel niet algemeen
bekende, maar toch genoegzaam vaststaande beteekenissen. Volgens
Crawfurd, in „Journal of the Indian Archipelago”, 1850, p. 183,
beteekent het _a vice_, _a gripe_, d. i. een nijptang. Het is zeker meer
waarschijnlijk, dat men dit werktuig _kakatoewa_ heeft genoemd, omdat
zijn vorm en gebruik aan den snavel van dien vogel herinnerden, dan dat
de vogel naar de nijptang is genoemd, zooals Crawfurd schijnt te meenen.
Ook Klinkert, in zijn Supplement op het „Maleisch-Ned. Wdbk.” van
Pijnappel, kent die beteekenis van _nijptang_, maar bovendien ook die
van een _soort_ van _pagaai_ of schepriem. Dit laatste voorwerp wordt
niet nader beschreven, maar moet toch ook, dunkt mij, gekenmerkt zijn
door iets in zijn vorm dat aan een kakatoe doet denken. Pijnappel heeft
in de tweede uitgave van zijn Woordenboek ook de beteekenissen van
_nijptang_ en een _soort van pagaai_ opgenomen.
Lorre.
_Lorre_, of de verkleinvorm _Lorretje_, is de gewone naam waarmede bij
ons een papegaai, als huisdier in een kooi gehouden, wordt aangesproken.
Dus b. v. in Potgieter's „Liedekens van Bontekoe” (Verspreide en
nagelaten werken, Poëzy, D. II, bl. 28):
Ai! Lorretjen,
Kaporretjen,
Kapoe, kapoe, kapoe,
Houd mij je bekjen toe!
Ook bestaat er in onze taal een spreekwijs: „Hij is van lorretje [in
zijn hersens?] gepikt”, d. i. hij is onnoozel.
Men heeft dit woord afgeleid van het Spaansche _loro_ (volgens den
„Diccionario de la real Academia Esp.”: lo mismo que papegayo); zie
M. J. Koenen, „Sprokkelingen” (Tiel 1888). Dat _loro_ (of _louro_, wat
ik als Portug. vind opgegeven) in Indië reeds vóór onze komst door onze
Spaansche en Portugeesche voorgangers gebruikt werd, is zeker mogelijk;
maar de oorsprong van dit woord is stellig, evenals kazuaris, kakatoe
en andere namen van alleen in het Oosten van den Archipel voorkomende
dieren, in de talen van de Moluksche en Papoesche eilanden te zoeken.
Die fraaie, borsteltongige, driekleurige papegaaien, de meest gezochte
en geliefde als huisvogels, die aan de zoölogen onder den naam van
_lori_ (_lorius_) bekend zijn, komen in al hunne soorten bijna
uitsluitend op genoemde eilanden voor. Hun inlandsche naam luidt _noeri_
of, door de gewone verwisseling der liquidae, _loeri_, is ook in het
Maleisch overgenomen en is het eigenlijke grondwoord van _lori_, _loro_,
_louro_ en _lorre_ te achten.
Salanganen.
„De tot de gierzwaluwen behoorende _Salanganen_ (_Colocallia esculenta_
en _C. fuciphaga_) bouwen tegen den wand van de holen der kalkrotsen,
uit eene kleverige zelfstandigheid, die in den krop wordt afgescheiden,
de bekende eetbare nesten, die zulk een geliefd artikel voor de tafel
der Chineezen zijn, dat de exploitatie voor Gouvernements-rekening eene
niet onbelangrijke bijdrage aan de schatkist levert.” (Zie mijn „Java”,
D. I, bl. 213). In het Javaansch heeten deze vogeltjes _manoek walet_,
in het Maleisch _lajang boehi_; doch vanwaar komt de naam _salangane_,
die voor deze vogeltjes bij Franschen, Duitschers en Nederlanders
algemeen is? (Zie Littré's „Dictionnaire”, Brockhaus' „Conversations
Lexicon”, Pijnappel's „Geogr. v. Ned.-Indië”, 2e druk, bl. 4). Sommigen
leiden dien af van Salanga bij de Westkust van het Maleisch Schiereiland
(bij Valentijn Oedjang Salang, en op zijne kaart Junsalan, bij
Engelsche schrijvers Junk Ceylon met allerlei verscheidenheden in de
schrijfwijze); maar ik heb geene bewijzen kunnen vinden, dat dit
tinrijke eiland ook door zijne vogelnesten beroemd was. Eene andere
verklaring, die ik niet geloof aan een eigen inval verschuldigd te
zijn, maar meen ergens gelezen te hebben, is dat _salangane_ (door een
verwisseling der liquidae _l_ en _r_, waarvan wellicht de sporen in
sommige Maleische taaltakken zijn weer te vinden) gevormd is van het
Maleische _sarang_, nest[12]. Gelijk bij ons in den handel de eetbare
vogelnestjes doorgaans alleen _vogelnestjes_ heeten, noemen ook de
Maleiers ze enkel _sarang boeroeng_, dat hetzelfde beteekent, en die
uitdrukking is ook door de Javanen onveranderd overgenomen. Dit sarang
zou dan, als salang uitgesproken, en met een Europeeschen uitgang
vermeerderd zijn, zoodat _salangane_ zooveel als _nestvogel_ zou
beteekenen, _nest_ in de speciale beteekenis van de bekende eetbare
vogelnestjes genomen.
[12] In het Bisajasch, een taal der Philippijnsche eilanden, heet
een nest _salag_, en volgens Littré wordt door Camelus, in de
„Philosophical transactions” voor Mei en Juni 1703, _salamga_ als
een op Luçon gebruikelijke vorm van dit woord vermeld.
Kaalkop.
Ik heb reeds bij het woord _Toepassen_ gewezen op de zonderlinge
liefhebberij onzer voorvaderen, om namen voor Indische zaken, die een
zweem van overeenkomst met bekende Europeesche woorden hadden, zoodanig
te verknoeien, dat zij geheel den vorm dier Europeesche woorden kregen,
zonder dat de beteekenis daartoe eenige aanleiding gaf. Dat de gewone
Jav. rijstmaat in plaats van _Amĕt_ of _Angmĕt_ door den naam
_hangmat_ werd aangeduid; dat eene vrucht, in sommige Indische talen
_soorsak_ geheeten, den naam van _zuurzak_ ontving; dat de _paséban_,
de plaats waar de Jav. ambtenaren zitting houden, _passeerbaan_ werd
geheeten; dat men _kati_, een gewicht van 1¼ Amst. pond, als _katje_
uitsprak; dat men het eiland _Bawéan_ verdoopte tot _Baviaan_, het
_Panditô-eiland_ tot _Bandieten-eiland_, het district _Païton_ tot
_Phaëton_, de bekende koopstad _Djewônô_ of _Djoewônô_ tot _Joanna_,
den _Banian_-boom (een soort van Weringin) tot _Benjamin_ (vanwaar bij
Linnaeus _Ficus Benjamina_),—dit alles heeft niets met de beteekenis
dier woorden te maken. Geheel onafhankelijk van deze, verminkte men al
die namen, omdat zij zoo den Europeanen meer naar den mond stonden. Ik
merk dit hier op, omdat sommigen gepoogd hebben den naam kaalkop, dien
de Nederlanders aan de bekende vischsoort _kakap_ gegeven hebben, te
verklaren uit de omstandigheid dat de schubben op den kop en den nek van
dezen visch zoo klein en met elkander verwassen zijn, dat deze deelen
geheel kaal schijnen. (Zie „Batavia in derzelver gelegenheid”, IV,
bl. 94). Mogelijk is het dat deze omstandigheid tot verbreiding en
instandhouding van dien naam heeft medegewerkt, maar de aangehaalde
voorbeelden geven ons genoegzamen waarborg, dat hij oorspronkelijk uit
de corruptie van een inlandsch woord is ontstaan.
Bij de toegenomen kennis van de talen en de geographie van Ned.-Indië
zijn die verbasterde woorden allengs in onbruik geraakt en worden ze
thans zelden meer vernomen. Dit is ook reeds eenigermate met _kaalkop_
het geval; althans Dr. van der Burg, „de Geneesheer in Indië”, D. I,
bl. 156, verzekert: „Slechts zelden hoort men den verbasterden naam
_kaalkop_ voor dien visch bezigen”.
Hoe algemeen hij vroeger was blijkt b. v. uit Stavorinus „Reize naar
Batavia”, I, 48, en zelfs uit Bleeker's „Geneeskundige topographie
van Batavia” (Tijdschr. van N.-Ind. Jg. VII, D. III, bl. 408), die de
woorden: „de vermaarde kaalkop van de Europeanen dezer Indiën” daarvan
bezigt.
De _kakap_ of _ikan kakap_ (_ikan_ beteekent _visch_) is eene soort
van zeebaars, ongeveer zoo groot als een schelvisch, en heet bij de
zoölogen _Lates calcarifer_ (vroeger _Lates nobilis_). Hij is van alle
zeevisschen te Batavia de meest geachte, en is voortreffelijk als hij
versch gekookt kan gegeten worden, maar dieper in 't binnenland moeilijk
goed te krijgen, daar het vleesch bij het vervoer bijna altijd
eenigszins week en melig wordt.
Ik vermeld hier in het voorbijgaan nog even een nog zonderlinger naam
van een visch, welke naam wel-is-waar ook in Indië te huis behoort,
maar zuiver Nederlandsch in oorsprong en vorm is, en dus niet onder de
_vreemde_ woorden in de Nederlandsche taal kan gerangschikt worden. De
bedoelde visch behoort mede tot de Percidae of baarzen en wel tot het
geslacht _Serranus_, ondergeslacht _Epinephelus_. De inlanders noemen
deze vaak zeer kolossale visschen gewoonlijk _Ikan krapoe_, maar volgen
ook niet zelden het gebruik der Europeanen, die ze van oudsher _Jakob
Evertsen_ noemden. De oorsprong dezer zonderlinge benaming is vermeld
door Bontius, „Historia naturalis et medica Indiae Orient.”, p. 77:
„Piscis hic cute est flava, nigrioribus maculis per totum corpus
distincta, unde nostri navales socii, cum primum in Indiam navigantes,
circa insulam Mauritii eum cepissent, Jacob Evertsen vocabant, qui
ipsorum Nauarchus, et homo parva et compressa statura, flava cute,
plurimas similes maculas in facie gerebat, unde et per totam Indiam
adhuc idem nomen retinet”. D. i.: „Deze visch heeft een gele huid, over
het geheele lichaam met zwartachtige vlekken geteekend, waarom onze
zeelieden, toen zij, op de eerste reizen naar Indië, zulk een visch
nabij het eiland Mauritius gevangen hadden, dien _Jakob Evertsen_
noemden, omdat deze hun vlootvoogd, een man van kleine en gedrongen
gestalte en taankleurige huid, vele dergelijke vlekken in het aangezicht
had. Dien naam heeft sedert deze visch in geheel Indië behouden”. Zie
verder „Batavia in derzelver gelegenheid”, IV, bl. 26; Bleeker in T. v.
N.-I. Jg. VII, D. III, bl. 409; van der Burg „de Geneesheer in Indië”,
I, bl. 156 enz.
Kaaiman.
_Kaaiman_ is volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.” een soort van
krokodil die de rivieren van Amerika, inzonderheid van Guiana, bewoont.
Dit is volkomen juist en in overeenstemming met het oude en echte
spraakgebruik. Piso, „de Indiae utriusque re naturali et medica”, p.
282, spreekt van den _Crocodilus vulgo Cayman dictus_ als van een dier
in West-Indië, gelijkende op de krokodillen van Afrika en Azië, maar
kleiner. Bij S. de Vries „Curieuse Aenmerkinghen”, D. II, bl. 576, waar
hij van Nieuw-Granada spreekt, leest men: „de rivieren herberghen ook 't
verslindende dier, van de Indianen genoemd _Caymans_, van de Spanjaarden
_Lagartos_, zijnde een slagh van crocodillen”. Wij zien hieruit dat de
ware Kaaiman noch een _Gaviaal_, noch een echte _Krokodil_ is, maar een
_Alligator_. In het voorbijgaan zij hier opgemerkt, dat _Alligator_
slechts in schijn een Latijnsch woord is, maar inderdaad een Spaansch,
nam. _Lagarto_, vermeerderd met het lidwoord _el_, en waarin
oorspronkelijk het Latijnsche _lacerta_, d. i. hagedis, schuilt. De naam
waarvan wij _kaaiman_ gemaakt hebben, is door de Indianen van Amerika
zelven aan de hun bekende soort van krokodillen gegeven.
Intusschen wordt thans door de Nederlanders in den Indischen Archipel
de naam kaaiman algemeen toegepast op den daar menigvuldig voorkomenden
_Crocodilus biporcatus_, eene soort van echten krokodil, en men
schijnt er zich zoozeer overtuigd te houden dat _kaaiman_ van echt
Nederlandschen oorsprong en met _man_ samengesteld is, dat men, evenals
man van _timmerman_ in het meervoud _timmerlieden_, of in de volksspraak
_timmerlui_ maakt, zoo ook gewoon is van _kaailieden_ en _kaailui_ te
spreken. Dat het gebruik van kaaiman voor den Oostindischen krokodil
reeds zeer oud is, blijkt daaruit, dat Bontius, wiens aanteekeningen
over de natuurlijke historie van Indië Piso als een aanhangsel op zijn
zoo evengenoemd werk heeft uitgegeven, bl. 55 schrijft, dat de krokodil,
zooals hij te Batavia voorkomt, „per totam Indiam Cayman audit.”
Bontius was een tijdgenoot van Koen. Het blijkt dus dat de naam kaaiman
reeds zeer vroeg, òf door onze landgenooten, òf door de Portugeezen,
uit West-Indië naar Oost-Indië moet zijn overgebracht. Die vroege
verbreiding van het woord in Insulinde doet mij echter bij voorkeur
aan de Portugeezen als overbrengers denken, vooral in verband met zijn
vorm. De Portugeezen schrijven het woord _Caimâo_ of _Caimam_, vormen
die, zooals bekend is, in uitspraak schier geheel met ons _kaaiman_
overeenkomen. Wij zullen dus het woord door hunne tusschenkomst van de
Indianen ontvangen hebben.
Het woord _Caiman_ wordt ook in het Fransch gebruikt. Ik voeg hierbij
wat Littré over den oorsprong van dit woord aanteekent, omdat het mijn
gevoelen bevestigt: „Etym. _Acayouman_, nom du crocodile en langue
caraïbe. _Dict. fr. caraïbe_ du Père Raymond Breton, Auxerre, 1664. Indi
_Aquelzoallin_, alii _Caymanem_ vocant. Nieremberg, _Hist. Nat._ XII: 5.
De los lagartos o _Caymanes_ qua llaman (des lézards, ou, comme on dit,
_caimans_). Acosta, _Hist. nat. de Indias_, III, 17.”
Leguaan.
_Leguaan_ is de naam van de Kamhagedis, _Iguana tuberculata_, die
Midden- en Zuid-Amerika bewoont. Het woord is stellig uit Amerika
afkomstig en luidt in het Spaansch, waarin het vermoedelijk het eerst
is opgenomen, _Iguana_. Het Woordenboek der Spaansche Akademie zegt
uitdrukkelijk, dat Iguana de naam eener Amerikaansche hagedissensoort
is, en Littré teekent aan op _Iguane_, „Etym. _Yuana_, mot caraïbe, cité
par Oviedo en 1525”.
Maar evenals het woord _Caimâo_ of _Kaaiman_, is ook _Iguana_ of
_Leguaan_ reeds zeer vroeg naar Oost-Indië overgebracht en op de daar
voorkomende hagedissensoorten toegepast. Bontius, in het aanhangsel
op Piso, „de Indiae utriusque re nat. et med.”, p. 56, gelooft zelfs
dat _leguaan_ de inlandsche naam eener hagedis op Java is, en nog
worden de hagedissen van het geslacht _Monitor_ in Ned.-Indië algemeen
_leguanen_ genoemd, ofschoon wij thans genoeg van de talen van onzen
Archipel weten, om in te zien dat die naam er niet inheemsch kan zijn.
Zie Sal. Müller in de „Verhandelingen over de Nat. Gesch. d. Ned.
overz. bezittingen, Afd. Zoölogie, Reptiliën”, bl. 37. Nochtans zijn
wij Nederlanders waarschijnlijk niet de eersten geweest, die den
Amerikaanschen naam op Oostindische hagedissen hebben toegepast.
Vermoedelijk zijn de Spanjaarden ons daarin voorgegaan. In het
„Vocabulario de la lengua Tegala” van Fray Domingo de los Santos wordt
op bl. 515 het Spaansche _lagarto_ (_lacerta_) verklaard door _Yguana_,
als ware dit een Tagaleesch woord, en door _Bayauvac_, het _Biawak_ der
Maleiers.
Wat den vorm betreft schijnt _leguaan_, waar voor men bij onze oude
schrijvers (b. v. S. de Vries, „Curieuse Aenmerkinghen”, I, bl. 82) ook
_legaan_ leest, eene verbastering te zijn van het Sp. _Iguana_, dat de
Engelschen onveranderd hebben overgenomen, terwijl men in het Fransch
_Iguan_ of _Iguane_ gebruikt. Geene andere Europeesche natie schijnt het
woord te kennen in den door ons gebruikten vorm, met uitzondering van de
Duitschers, die hun _Leguan_ vermoedelijk van ons hebben overgenomen.
Tor.
Dit bekende synoniem van _Kever_ (Hoogd. _Käfer_, Eng., ofschoon slechts
plaatselijk, _chafer_) schijnt in het Nederd. alleen te staan; men wil
het afleiden van _tieren_, wegens het snorrend of gonzend geluid dat
sommige torren maken. Dit is echter slechts eigen aan eenige weinige
onder de vele duizenden soorten van deze insecten. Men zou dus moeten
aannemen dat het woord oorspronkelijk tot een of meer der meest
geraasmakende soorten beperkt was, en bij uitbreiding een algemeene naam
der schildvleugelige insecten geworden is. In ieder geval is _kever_,
wanneer daarin, zooals men meent, het begrip van _knagen_ ligt, een veel
gepaster naam voor de geheele groep. Merkwaardig is het dat van _tor_
noch in het Duitsch, noch in het Engelsch, ook zelfs in de dialecten,
eenig spoor schijnt voor te komen.
Die sporen ontbreken echter niet in het Zweedsch en Deensch en wijzen in
die talen op een geheel anderen oorsprong van _Tor_ dan hierboven werd
aangegeven. In het Zweedsch heet een kever _Torbagge_, _Tordyfvel_ en
_Skalbagge_. In het laatste schijnt _skal_ de schaal, het vleugelschild,
het eigenaardig kenmerk der kevers of schildvleugelige insecten, te
beteekenen. _Bagge_ houd ik voor hetzelfde woord als het Engelsche
_bug_, dat thans wel-is-waar bijzonder de wantsen of halfvleugelige
insecten aanduidt, maar vroeger wel niet zoo scherp begrensde
beteekenis zal gehad hebben, daar vele hemiptera, met hunne halve
dekschilden, niet in 't oog loopend van de torren verschillen.[13] Men
moet zich altijd herinneren, dat dergelijke namen eeuwen lang gebruikt
zijn, eer er entomologen opstonden die de klassen, geslachten en soorten
nauwkeurig onderscheidden. Van dit _bagge_ en _bug_ schijnt mij ook het
Nederlandsche _bok_ in _torbok_ niet wezenlijk te verschillen. Ik ken
dit _torbok_ slechts uit de woordenboeken van Weiland en van Dale, en
zag nooit een voorbeeld van het gebruik, maar het is mij onmogelijk met
Weiland aan te nemen, dat het hetzelfde is als _boktor_. Boktorren zijn
de _Cerambycidae_ of _Longicornia_, die zich door lange gebogen horens,
als die van een _bok_, onderscheiden. Hoe onmogelijk het volgens ons
taaleigen is, dat torbok, tenzij door later misverstand, hetzelfde
zou beteekenen, daarvan kan men zich zonder geleerde beschouwingen
gemakkelijk door een proef overtuigen. Geen Nederlander zal zich
laten diets maken, dat een _snuitkever_ ook een _keversnuit_ of een
_loopkever_ ook een _keverloop_ kan genoemd worden. In het Deensch
heet een tor _Torbist_, _Skarnbasse_ of, met een vage benaming, zooals
ons worm, ook somtijds _Bille_. In _Skarnbasse_ beteekent de eerste
lettergreep _mest_, en bewijst dus dat die naam eigenlijk aan de
mestkevers (_Geotrupes_) behoort. _Bist_ en _basse_ zullen wel met
_bagge_, _bug_ en _bok_ verwant zijn.
[13] In Amerika wordt _bug_ dikwijls van kevers gebezigd. Zoo noemt men
er b. v. den Colorado-kever _Potato-bug_.