van het noordwestelijk gedeelte van Afrika, dat tegenover Spanje ligt
en thans door Marokko en Algerië wordt ingenomen. Door de Arabieren
onderworpen en tot den Islam bekeerd, smolten de Mooren eenigermate
met hunne overheerschers te zamen, maar staken later het hoofd weder
meer zelfstandig op, zoodat de strijd dien de Christenen van Spanje
en Portugal te voeren hadden om zich van hunne Moslimsche, steeds uit
Afrika ondersteunde, overheerschers te bevrijden, veelal als een strijd
tegen de Mooren beschouwd wordt.
In hoofdzaak zijn de oude Mauri hetzelfde volk dat later door de
Arabieren Berbers werd genoemd, een naam ontleend aan het oude,
klassieke _barbaren_. In eene nadere ontleding der stammen, die onder de
namen Mooren en Berbers worden begrepen, kan ik hier niet treden. Men
zie het voortreffelijk artikel van Prof. de Goeje over de Berbers, in
„de Gids” voor 1867, D. III, bl. 13.
De naam van Mooren kreeg bovendien in tweeërlei richting eene
uitbreiding. De donkere huidskleur der Mooren, ofschoon op verre na niet
zoo zwart als die der Negers, was oorzaak dat zij in de voorstelling der
Europeanen met de overige donkerkleurige en zwarte rassen van Afrika
samensmolten en Moor of Mooriaan als synoniem met Zwarte of Neger werd
gebruikt. Vandaar in het Engelsch _blackamoor_; vandaar dat Othello „the
Moor of Venice” heet; vandaar onze spreekwijze „den Mooriaan wasschen”
of „schuren”, voor vergeefsch werk doen. Speciaal wordt nog in de
Statenvertaling des Bijbels de naam van Mooren gegeven aan de Cuschieten
of Ethiopiërs, eene van ouds beroemde zwarte of donkerkleurige natie,
wier rijk zich over het tegenwoordige Nubië en Abessynië uitstrekte.
De tweede uitbreiding van het gebruik van den naam Moor had haren
oorsprong niet zoozeer in overeenkomst van huidskleur, maar in
overeenkomst van belijdenis. De Mooren, met wie de bewoners van het
Iberische Schiereiland eeuwenlang in oorlog hadden geleefd, waren niet
alleen vijanden van hunne vrijheid, maar ook van hunnen godsdienst. De
Spanjaarden en Portugeezen streden voor het Kruis tegen de Halve Maan.
Toen hunne ontdekkingstochten hen naar Malabar en Koromandel voerden,
vonden zij ook daar een groot aantal belijders van den Islam, op wie
ze den naam van _Moros_ of Mooren overbrachten, en van de Portugeezen
leerden ook de Nederlanders het gebruik om de Indische Mohammedanen
_Mooren_ te noemen. Zoo zegt b.v. Valentijn, „Choromandel”, bl. 108:
„Behalve de Heydenen heeft men hier te lande ook zeer veel Mooren of
Mohammedanen, die mettertijd ook meesters van het land geworden zijn”.
Maar dit gebruik werd door ons hoofdzakelijk beperkt tot de Moslemen van
het vasteland van Indië. Vgl. Pijnappel, „Geographie van Ned.-Indie”,
2e druk, bl. 59. Zoo is het althans in onze dagen, maar bij vroegere
schrijvers werd ook wat op Java Mohammedaansch is niet zelden Moorsch
genoemd. Zoo leest men b. v. in „Batavia in derselver gelegenheid”,
D. I, bl. 19, van den _Moorschen_ Landvoogd van Japara; bl. 22, van
de _Moorsche_ lijfwacht van den Soesoehoenan, in tegenstelling met de
Europeesche wacht hem toegevoegd; bl. 23 van den _Moorschen_ tempel
(d. i. de moskee) van Toeban, enz. Doch van de Javanen als Mooren te
spreken, is thans geheel in onbruik geraakt.
Razzia.
Dit woord is niet opgenomen in Prof. Dozy's „Oosterlingen”, maar dat het
wel had mogen opgenomen worden, is reeds opgemerkt door Prof. de Goeje,
in zijne aankondiging van genoemd werk in „de Ned. Spectator”, 1867.
Dozy geeft echter de verklaring van _razzia_ in zijn „Glossaire des
mots Espagnols et Portugais, dérivés de l'Arabe”, art. _Gazua_. In
de eerste uitgave van het Glossaire had de heer Engelmann alleen
geschreven: „_Gazua_ portug. (expédition militaire), de _gazât_ ou
_gazâwa_, qui signifie: une expédition militaire contre les infidèles.
De ce mot Arabe les Français ont fait leur _razzia_.” Dozy doet hierbij
nog opmerken, dat ook de vorm _gazwa_, schoon ontbrekende in het
Woordenboek van Freytag, in het Arabisch menigmaal voorkomt; dat dit
eigenlijk de vorm is waarvan _gazua_ afstamt, en dat men in het Port.
ook _gazia_ en _gaziva_ aantreft. Dit _gazia_ nu, dat het meest
overeenkomt met het Fransche _razzia_, heeft ook zijn voorbeeld in het
Arabisch, zooals blijkt uit Dozy's „Supplément aux Dictionnaires
Arabes”, T. II, p. 212, nam. in _gâzia_, attaque, coup de main, prise.
Om te doen begrijpen hoe uit dit _gâzia_ razzia kon ontstaan, heb ik
alleen nog te doen opmerken, dat de Arabische letter _gain_ of _ghain_,
die noch aan onze _g_, noch aan onze _r_ beantwoordt, maar beider klank
eenigermate in zich vereenigt, evengoed door _r_ in _razzia_, als door
_g_ in _gazua_ kon worden uitgedrukt.
Dit woord _razzia_ kwam bij de Franschen in gebruik in Algiers, voor de
menigvuldige strooptochten op het gebied van vijandige stammen, om hen
van hun vee en leeftocht te berooven. Maar men gebruikt het ook voor de
slavenjachten, die nog zoo vaak door de Moslemen in Afrika gehouden
worden, als een ontaard overblijfsel van den heiligen oorlog tegen de
ongeloovigen, dien de Islam zijnen belijders tot plicht heeft gemaakt.
Een paar voorbeelden van het gebruik van razzia in onze taal mogen hier
niet ontbreken. In het Tijdschr. v. N.-I., Jg. 1863, D. I, bl. 61,
vindt men een artikel, getiteld: „Razzia's in Ned. Indië”, waarin
o. a. gelezen wordt: „Razzia's, zooals er eene tegen de Alfoeren
van Mani heeft plaats gehad, zijn voorzeker niet het middel om tot
verwezenlijking dezer inzichten te geraken.” D. Veth's „Reizen in
Angola”, bl. 387: „Portugal kan door geene dekreten de vormen veranderen
die eenmaal het Afrikaansche leven heeft aangenomen, den stempel
uitwisschen dien de razzia en de slavenhandel er sedert eeuwen diep
hebben ingedrukt.”
Azagai, Assegaai.
De Mooren waren van oudsher beroemd om hunne werpspiesen en de
behendigheid waarmede zij die wisten te hanteeren. Wie herinnert zich
niet de regels van Horatius:
„Integer vitae scelerisque purus
Non eget Mauris jaculis, nec arcu” etc.?
De werpspies der Mooren schijnt zich als wapen over geheel Afrika te
hebben verspreid. De schrijvers over de meest verschillende streken van
dat werelddeel maken van haar gewag en noemen haar Azagai of Assegaai,
een naam die, met het wapen zelf, van de Berbers afkomstig is, maar
waarschijnlijk uit het Spaansch tot de overige volken van Europa is
gekomen. Ziehier eenige voorbeelden bij Nederlandsche schrijvers. G.
v. Broekhuizen in zijne Vertaling van Dan's „Historie van Barbaryen”
(Amsterdam 1684), bl. 286: „Hun wapenen zijn een halve-piek of een
werpspies, welke zij een _Agay_ of een _Azegay_ noemen, daar ze zich met
zulk een behendigheid en kracht af dienen, dat ze er iemand op vijftig
treden ver mee doorschieten.” De Marrée, „Reizen op en beschrijving van
de Goudkust”, I, 235: „Eer hij nog de sabel konde vatten, kreeg hij van
achteren eenen worp met een _Azagai_ (werp-pijl), van welke de Negers
in vroegere tijden zich bedienden”. Th. Tromp, „Herinneringen uit
Zuid-Afrika”, bl. 171: „De oorspronkelijke wapenen van den Kaffer zijn
assegaai, knopkiri's (stokken, in den regel van assegaaihout, die van
een knop zijn voorzien), boog en lans”. Idem, „de stam der Amazoeloe”,
bl. 90: „Ketchwayo begon over te hellen tot den onstuimigen wensch van
zijn eer- en huwelijkszuchtige jongelieden, om de _assegaaien_ eens te
gaan wasschen.” Hendrik P. N. Muller, „Herinneringen uit de Transvaal”
(Gids 1888, D. II, bl. 242): „Alleen verstaan de negers [d. z. hier de
Kaffers] het smeden van _assegaai_-spitsen uit het ijzer, dat in het
noordelijk deel der Republiek bijna allerwegen wordt gevonden.” De
opmerking schijnt mij hier niet overbodig, dat de _azagai_ en andere
oorspronkelijke wapenen in vele streken van Afrika meer en meer door het
schietgeweer verdrongen worden.
Het woord _Azagai_ (onder de verschillende schrijfwijzen schijnt mij
deze de beste) is dikwijls ten onrechte voor Arabisch gehouden. Het
woord is wel-is-waar vermeerderd met het Arabische lidwoord (en luidt
dus eigenlijk _az-zagâja_); maar wanneer wij dit afscheiden blijft
_zagâja_ over, dat nog in de taal der Berbers de voorvaderlijke
werpspies aanduidt. Van daar in het Fransch gewoonlijk _zagaie_.
De aanwezigheid van het Arabisch lidwoord in den Spaanschen vorm
_Azagaya_, waaraan ons _Azagai_ onmiddellijk is ontleend, moet ons
niet verwonderen, daar de Berbertaal, ofschoon eigenlijk niets met
het Arabisch gemeen hebbende, thans met allerlei Arabische woorden en
woordvormen vermengd is.
Vgl. over dit woord vooral Engelmann en Dozy, „Glossaire des mots
Espagnols” etc.; op _Azagaya_.
Palabber.
_Palabber_ beteekent eigenlijk niets dan _een woord_, en is het
Spaansche _Palabra_, dat ook _Palavra_ kan geschreven worden (omdat
_b_ en _v_ conson. in het Spaansch niet verschillen) en steeds dien
laatsten vorm heeft in het Portugeesch. Het woord is door de Spanjaarden
en Portugeezen in zwang gebracht bij de Negers, en van dezen tot ons
gekomen, gelijk het dan ook alleen in gebruik is onder de Nederlanders
op Afrika's Westkust, of waar door onze schrijvers van de bevolking
dier kust wordt gewaagd. _Palabber_ is waarschijnlijk de gewone
negeruitspraak en daarom ook de meest gebruikelijke vorm. Somtijds
leest men _palaber_ en enkele schrijvers geven de voorkeur aan den vorm
_palaver_. Zie Tengbergen, „Reistocht en Expeditie naar de Ned. Bez. ter
Westkust van Afrika”, bl. 37, noot.
Daar het woord van Europeesche afkomst is, mag men vermoeden dat het
oorspronkelijk gebruikt werd om een woordenwisseling, mondgesprek of
onderhandeling met Europeesche handelaars of autoriteiten aan te duiden.
Ziehier een paar voorbeelden van dit gebruik. H. Muller Szn., „de
afstand der Kust van Guinea aan Engeland”, bl. 6: „In de te Cape Coast
verschijnende _West-African Herald_ komt een uitvoerig verslag voor van
een onlangs op het kasteel van Elmina gehouden palabber of vergadering,
waaruit zoowel de ijverige pogingen van de daar aanwezige Engelsche
autoriteiten en onderhandelaars blijken om de Negers over te halen
zich onder Engelsche vlag te stellen, als de onveranderlijke weigering
der laatsten om daaraan te voldoen”. Roëll, in „Jaarboek van de Ned.
Zeemacht, 1875–76”, bl. 302: „De Koningen eischten, dat wij zouden gaan
naar dezelfde plaats, waar het vorige jaar de Commodore Hewitt was
geweest tot het houden van een _palaver_”; bl. 307: „De heer Pape begon
dit _palaver_ met de mededeeling van het gebeurde acht maanden geleden”.
De Negers gebruiken echter het woord _palabber_ ook van hunne
onderhandelingen onder elkander, inzonderheid van hunne rechtsgedingen.
Gramberg, „Schetsen van Afrika's Westkust”, bl. 65: „De rechtsgedingen,
_palabers_ genoemd, die voor de vergadering [der Kromsgrooten[7]] worden
gebracht, beginnen met het drinken van rum; want zoowel de eischer als
de beklaagde is verplicht twee flesschen vooruit te betalen. Zulke
rechtsgedingen zijn uiterst langwijlig en luidruchtig; de Neger, die
zijne zaak voordraagt, houdt er van om veel over zijne familie uit te
weiden, en begint gewoonlijk met zijn grootvader of overgrootvader”,
enz. De Marrée, „Reizen op en Beschrijving van de Goudkust”, II, bl. 53:
„De algemeene Elminasche Regeering bestaat uit den Koning, een tweeden
Koning, een Onderkoning, die eigenlijk eerste Secretaris is, en nog
eenen anderen Secretaris, welke tevens in alle _palabbers_[8] het woord
voert.”
[7] Zie op het art. _Krom_.
[8] Hier zijn echter de onderhandelingen met vreemden natuurlijk niet
buitengesloten.
In de derde plaats worden, bij overdracht, ook de geschillen, de
rechtsquaesties zelve, _palabbers_ genoemd. De Marrée, a. w., I. 25:
„Het recht van den sterkste heerscht hier, en waar dit niet geldt vormen
zij [de Negers] een allerwanvoegelijkst denkbeeld van het recht van
eigendom, en de uitspraken over verschillen (palabbers) van dien aard
zijn allerellendigst.” Ald. bl. 28: „Het ellendige denkbeeld dat zij
vormen van het recht van eigendom, geeft aan hunne twistzucht oneindige
stof van verschillen (palabbers)”. Ald. bl. 159: „Een Neger had, bij
zekere afdoening van zijn palabber of geschil te Elmina, kennis gemaakt
met een der Elminasche.”
Paan.
_Paan_, ook dikwijls, door de gewone zucht der Hollanders om zich van
verkleinvormen te bedienen, _paantje_, is ter Westkust van Afrika
een zeer gewoon woord voor een doek of lap van wollen, katoenen of
linnen stof, die als kleedingstuk wordt gebruikt. Het is alweder
een Portugeesch woord _pano_ of _panno_, afkomstig van het Lat.
_pannus_, in het Spaansch _pano_ uitgesproken, in het Fransch _pagne_,
ofschoon ook _pan_ tot dezelfde familie behoort. Treffend juist is de
omschrijving bij Littré (in v. _Pagne_): „Morceau de toile de coton
ou d'autre étoffe, dont tous les nègres d'Afrique qui ne vont pas
tout-à-fait nus, s'enveloppent le corps, depuis la ceinture jusqu'aux
genoux, et quelquefois jusqu'au milieu des jambes”. Van Dale, art.
_Paan_, verklaart het door: „Schaamteschort der negerinnen”, en de
Kunstwoordentolk van Kramers en Bonte door: „een stuk stof dat de
negerinnen om haar onderlijf slaan en dat de plaats van een rok
vervangt”. Hoe komt men er toch toe om den paan alleen door de zwarte
_dames_ te laten dragen? Ik sla een paar Afrikaansche reisverhalen op
die mij het eerst in handen komen, en lees bij de Marrée, „Reizen op en
beschrijving van de Goudkust”, I, bl. 28: „De linnen of katoenen lap,
_paantje_ genaamd, mag [bij de meer vermogenden] wat fijner stoffaadje
en grooter zijn, teneinde dien over den linkerschouder te kunnen slaan;
doch overigens zijn zij allen aan elkander gelijk”. Ald., bl. 31: „De
eilanders hebben de gewoonte, dat zij, zoo lang zij op hun eiland zijn,
geen handbreed goed (of _paantje_) op hun ligchaam dragen,... de
vrouwlieden zoowel als de manspersonen;... wanneer echter deze lieden
van hun eiland naar een ander dorp gaan, dan kleeden zij zich gelijk
alle andere Negers met eenen paan, bestaande uit eenig stuk lijnwaad.”
Ald. II, bl. 57: „De Koning zelf gaat in een op zijn manier kostbaren
paan.” H. J. Pel, „Aanteekeningen op eene reis van St. George Delmina
naar Comassie”, bl. 12:[9] „Het voedsel en de kleeding der Caboceërs
[dorpsgrooten] zijn dezelfde als van den geringsten Neger; het _paantje_
is somtijds iets beter, doch bij lange na niet van allen.”
[9] Zie over dit wèl gedrukte, maar, zoo het schijnt, nooit uitgegeven,
en slechts in eenige overdrukken voorhanden reisverhaal, Veth en
Kan, „Bibliographie van Afrika”, bl. 32. De heer Suzanna, uitgever
van Pel's reisverhaal, teekent bij _paantje_ aan: „Aldus wordt de
min of meer groote en prachtige doek genaamd, waarmede zij zich het
hoofd bedekken.” Dit is een fout. Er is wel-is-waar geen reden,
waarom paan niet ook een _hoofddoek_ zou kunnen aanduiden; maar
hoofddoeken zijn op Afrika's Westkust niet gebruikelijk.
Het katoen voor de _paantjes_ aan het stuk, zooals het in den handel
voorkomt, wordt soms _panen-goed_ geheeten (de Marrée, I, bl. 109). Veel
fraai panen-goed wordt geweven te Accra, en de fraaiste soorten worden
aan de Europeanen verkocht, die daarvan dekens en spreien voor bedden en
rustbanken maken. (Ald., II, bl. 129.)
Krom.
Dit woord komt bij onze schrijvers over de Kust van Guinea ontelbare
malen voor, maar hoe Hollandsch het er ook uitziet, het schijnt een
echt negerwoord te zijn. Het is op de Goudkust de naam der _dorpen_.
Gramberg, „Schetsen van Afrika's Westkust”, bl. 31: „Alleen bij de
inlandsche dorpen of krommen vertoonen zich eenige kokosboomen.” De
Regeering van zulk een dorp bestaat uit den Koning en zijne _caboceërs_
[van het Portug. _cabeceira_] of edellieden, d. z. degenen die in de
krommen, of in de wijken waarin de voornaamste dorpen verdeeld zijn, de
meeste slaven en het meeste goud bezitten (zie de Marrée, „de Goudkust”,
I, bl. 122.). Zij worden door de Nederlandsche schrijvers dikwijls
de _Kromsgrooten_ genoemd (b. v. Gramberg, t. a. p., bl. 65.) De
Raadsvergaderingen van den Vorst en de edelen worden in de open lucht
gehouden. Gramberg, t. a. p., bl. 64: „Zelfs de kleinste _krommen_
hebben hunne opene vergaderzalen; deze bestaan eenvoudig uit eene schoon
geveegde plaats, afgesloten door vier boomen in _carré_ gelegd.” De
Marrée, „de Goudkust”, II, bl. 5, verwisselt _krom_ met _negerij_ (zie
op dat woord), en Kan, „Nederland en de Kust van Guinea”, spreekt van
_negerkrommen_.
Baar.
_Baar_ is volgens van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” „een nieuweling aan
boord, een nog onervaren, matroos; een Europeër die voor het eerst
in Oost-Indië komt, aldus genoemd in tegenstelling met een oudgast.
't Woord is ontleend aan het Maleisch.” Volkomen juist, slechts had
de beteekenis in de tweede plaats vermeld, moeten voorafgaan; want
natuurlijk is de Maleische naam _baar_ het eerst in O.-Indië aan de
nieuwelingen gegeven, en daarna door de schepelingen op de nieuwe
matrozen toegepast. De Oostindische baar is zeer goed geschetst in
Weitzel's „Batavia”, bl. 153–161. Het blijkt uit dat stuk dat men van
_baar_ ook het adjectief _baarsch_ en het afgetrokken naamw. _baarschap_
heeft gevormd. „Heeft Mijnheer de _baarsche_ stoot reeds gehad?”—„Er
bestaat een natuurlijk en een conventioneel _baarschap_.”—„Ieder is in
Indië genegen baarsche hoedanigheden op te merken in anderen, die er
korter dan hij hun verblijf hielden.”
Men ziet uit het gezegde dat in Indië _baar_ beantwoordt aan hetgeen
onze studenten _groen_ noemen; aan de Militaire Akademie te Breda
worden dan ook de nieuw aangekomen studenten _baren_ geheeten. In het
algemeen is _baar_ ieder die zich nog vreemd voelt in een kring waarin
hij pas geplaatst is, en, de daarin bestaande gebruiken niet kennend
of er althans niet in geoefend, zich telkens vergist, of er inloopt,
zooals men zegt. Vandaar heeft _baar_ ook de beteekenis gekregen van
_ongeleerd_, _ongeoefend_. In Zuid-Afrika, waar in de taal der boeren
veel Maleische woorden zijn ingedrongen (zie op _Amper_), heeft _baar_
dikwijls deze beteekenis, niet alleen waar men van menschen, maar ook
waar men van trekbeesten spreekt. Zie Mansvelt, „Proeve van een
Kaapsch-Hollandsch Idioticon” (Kaapstad, 1884), op _Baar_. In dien zin
spreekt men er ook van _baar-Kaffers_, d. z. Kaffers die nog vreemd zijn
aan alle beschaving, nog niet gewoon zijn aan den omgang met Europeanen.
Zie Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 77, 104. Een eigenaardig gebruik van
_baarsch_ vond ik vermeld bij de Marrée, „de Goudkust”, I, bl. 20. De
klimaatziekte der nieuwelingen, die de Engelschen _seasoning_ noemen,
wordt daar, volgens dien schrijver, door de Nederlanders de _baarsche
ziekte_ geheeten.
_Baar_ is het Maleische _beharoe_ of _baroe_, d. i. _nieuw_, of als
bijw. _nieuwelings_, _pas_; maar wordt vooral gebruikt als verkorte
spreekwijs voor _orang baroe datang_, iemand die pas is aangekomen. Het
staat over tegen _orang lama datang_, of bij verkorting _orang lama_ of
_oorlam_, een oudgast. Zie op _Oorlam_.
Orang oetan.
_Orang oetan_, veelal (ook door van Dale en Kramers en Bonte) _orang
oetang_, en vroeger,—tengevolge der zonderlinge voorkeur die ons volk
in vreemde namen aan de Fransche spelling geeft, (als ware al wat vreemd
is, Fransch)—_orang outang_ geschreven, is de naam dien wij, met het
geheele beschaafde Europa, aan eene bekende soort van anthropomorphische
apen geven, die alleen op Borneo en Sumatra voorkomen. De naam is
volkomen duidelijk en bestaat uit twee zeer bekende Maleische woorden:
_orang_, mensch, en _oetan_, bosch, die, dus samengevoegd, aan ons
_boschmensch_ beantwoorden. Wegens de groote overeenkomst van den in
de bosschen levenden _orang-oetan_ met den mensch, is deze naam niet
ongepast; maar de oorsprong daarvan schuilt nochtans in het duister,
daar de Maleiers zelven dien naam wel aan wilde, in de bosschen levende
menschen, maar, zooveel wij weten, nooit aan eene soort van apen geven.
Zij noemen den orang-oetan _mawas_, waarvoor men op Borneo _majas_ zegt.
Het verdient echter opmerking dat, volgens Burns, „Vocabulary of the
Kayan language”, in „Journal of the Indian Archipelago”, 1849, bl. 134,
de majas in de taal van den stam der Kajans op Borneo _orang tuan_ heet,
terwijl bl. 182 _tuan_ door _wood_, _jungle_, verklaard wordt, zoodat
dit woord geheel aan het Maleische _oetan_ beantwoordt. Misschien is
_orang oetan_ eene bij de Maleiers op Borneo wel eens gebruikte
vertaling van dezen naam, en hebben oude reizigers die uit hunnen mond
opgevangen.
Daar orang oetan, voor den majas gebezigd, geen Maleisch is, maar
alleen de Europeanen deze verbinding van twee Maleische woorden tot
aanduiding van den majas gebruiken, zijn sommigen van oordeel, dat men
ook de gewone Europeesche schrijfwijze _orang-oetang_ moet behouden.
De nasale _n_ (_ng_) op het einde der woorden is een gewone verminking
der op eene zuiver dentale _n_ eindigende Maleische woorden, in
het bij de Europeanen in zwang zijnde zoogenaamde laag-Maleisch of
brabbel-Maleisch. Daar het woord in de beteekenis van _majas_ inderdaad
tot dit brabbel-maleisch behoort, wil men het dan ook de in die
ontaal[10] te huis behoorende uitspraak en spelling laten. Het is een
zaak van zeer weinig gewicht; maar daar de samenstellende woorden beide
zuiver Maleisch zijn, kan men ze, dunkt mij, ook den zuiver Maleischen
vorm doen behouden.
[10] Ik waag het onze taal, naar de analogie van _onzin_ enz., met dit
woord te verrijken.
Wouwouw.
_Wouwouw_ is de naam van eene soort, of juister misschien van een
geslacht, van in Insulinde levende apen, en is door de Europeanen
gevormd van de klanken _oea-oea_ of _oa-oa_, door de inlanders gebezigd
als nabootsing van den onwelluidenden kreet, dien deze apen telkens
doen hooren. (Zie Sal. Müller in „Verhh. over de Nat. Gesch. der Ned.
overzeesche bezittingen”, afd. Zoölogie, bl. 48).
De vermelde inlandsche benamingen zijn lokaal. _Oea-oea_ (door
Mohnike, „Blicke auf das Pflanzen- und Thierleben in den Niederl.
Malaien-ländern”, bl. 356, _wau-wau_ geschreven) behoort volgens Müller
bij de Maleiers op Borneo, _oa-oa_ bij de Soendaneezen op Java te huis.
Het geslacht Hylobates telt vier op de groote Soenda-eilanden wonende
soorten, maar alleen op Java leeft Hylobates leuciscus, alleen op Borneo
Hylobates concolor, terwijl Hylobates syndactylus (de Siamang) en
Hylobates variegatus of agilis (de Oengko) tot Sumatra bepaald zijn. De
bewoners van Borneo bedoelen dus met hun _oea-oea_ Hylobates concolor,
die van de Soendalanden met hun _oa-oa_ Hylobates leuciscus; maar ook de
soorten van Sumatra uiten kreten die, schoon eenigszins verschillend,
met die der andere in hoofdzaak overeenkomen, zooals o. a. blijkt uit
de mededeelingen van de leden der Sumatra-expeditie in het groote werk
„Midden-Sumatra” (I. Reisverhaal, 1, bl. 118, II. Aardr. beschr., bl.
158, IV. Nat. Hist., Fauna, 1, bl. 5 en 8; vgl. ook D. Veth's „Reizen in
Angola”, bl. 89). Het gansche geslacht _Hylobates_, althans zoover het
op de Soenda-eilanden voorkomt, heeft dus eigenlijk aanspraak op den
klanknabootsenden naam _wouwouw_, en toen de heeren J. van Iperen en
Fr. Schouwman in de „Verhandelingen van het Bat. Gen.” D. II, hunne
„Beschrijving der wouwouwen” leverden, sloten zij ook de verdere soorten
geenszins buiten, al moest hunne beschrijving zich, bij gebrek van
bekendheid met de andere soorten, tot de Javaansche soort bepalen. Met
betrekking tot het gebruik van het woord verdient nog opmerking, dat in
genoemde verhandeling het wijfje _wouwouwin_ genoemd wordt.