_liblabben_ geschreven wordt, is uit geene bekende taal te verklaren,
of men moest er, met sommigen op Sumatra's Westkust, het Bataksche
_liplip_ in vinden, hetwelk beteekent: _iemand als zijn bloedverwant
verloochenen, omdat men zijne schulden niet wil betalen_. Zie v. d.
Tuuk, Bataksch Wdbk., bl. 484. Deze verklaring is echter geheel
onaannemelijk; behalve dat de beteekenis in het geheel niet past, was
de naam van Liplap reeds te Batavia in gebruik, toen men er zelfs
den naam der Bataks te nauwernood kende. _Liplap_ schijnt mij een
komisch, willekeurig gevormd woord te zijn, op de wijze van _mikmak_
en dergelijke,—een spotwoord dat, eenigszins geluidnabootsend, op de
hoogst gebrekkige en belachelijke taal dezer klasse van kleurlingen
wijst.
In de beruchte „Relation de la ville de Batavia”, als aanhangsel
gevoegd bij de „Voyages aux Indes Orientales” van Nic. de Graaf, komt,
bl. 291, eene plaats voor over de vrouwen te Batavia, waarin van de
Hollandoises-Indiennes, dat zijn de in Indië uit Europeesche ouders
geborene meisjes, gezegd wordt: „on les appelle ordinairement les
Enfants _Liblabs_; la plus part de celles-ci ont, a ce qu'on dit, le
timbre un peu felé”. Ik weet niet recht wat ik van deze woorden maken
moet. Is de naam _Liblab_ in de Graaf's tijd (omstreeks 1720) de
speciale naam geweest der in Indië uit Europeesche ouders geboren
vrouwen, of schuilt er iets bijzonders in dat _Enfants_ Liblabs? Dat
destijds de toon der Bataviasche Maatschappij uitermate slecht was,
dat ook Europeesche ouders de opvoeding hunner kinderen schandelijk
verwaarloosden, ze vaak geheel aan slaven overlieten en zelfs niet
zorgden, dat zij de Nederlandsche taal leerden, en dat de dochters zich
in reine zeden en beschaafde manieren vaak weinig boven de Liplapsche
dames verhieven, zijn zeker maar al te bekende zaken; maar dit is
toch de eenige plaats die mij ooit is voorgekomen, waarin dames van
onvermengd Europeesch bloed, in weerwil van, ja men zou zeggen juist om
hare zuiver Europeesche afkomst, _Liplappen_, of eigenlijk, wat nog
vreemder is, _Liplapsche kinderen_ worden genoemd. Wie tegenwoordig het
wagen mocht eene dame van zuiver Europeesch bloed, die gewoonlijk te
Batavia zelve al de voordeelen eener Europeesche opvoeding heeft genoten
en in niets bij hare zusters in het vaderland achterstaat, eene Liplap
of een Liplapsch kind te noemen, zou haar eene grove en waarschijnlijk
geheel onverdiende beleediging toevoegen.
Wetanger.
In de „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië”,
N. V., D. I, wordt, in een rapport over den staat van Bantam in 1786,
op bl. 147 gewag gemaakt van _Wettangers_ of Compagnies-onderhoorigen.
De Redactie tracht dit woord in eene noot te verklaren, en noemt het
„een bastaardwoord ontleend aan _Wettang_ (_wetan_), het Oosten, zoodat
Wettangers „menschen uit het Oosten” zou beteekenen”. Die verklaring is
echter zeer onvoldoende. Waar komen die Oosterlingen van daan? Waarom
wordt in een land, waar Makassaren, Boegineezen, Timoreezen, Alfoeren,
Papoea's en ik weet niet hoevele stammen meer, terecht „Oosterlingen”
kunnen genoemd worden, die naam in het bijzonder geschonken aan een
klein deel der bevolking, dat er bezwaarlijk een speciaal recht op
hebben kon?
Wij weten thans beter wat in den tijd der Compagnie de _Wettangers_ of
liever _Wetangers_ waren, uit het „Resumé van het onderzoek naar de
rechten van den Inlander op den grond in Bantam”, bl. 3. Ziehier wat wij
daar lezen: „Zij waren tot zekere straffen veroordeeld en gehouden tegen
de zeeroovers en ander kwaad volk in straat Soenda en langs de kusten te
kruisen, omtrent de schepen te rapporteeren en andere zware diensten te
doen, hetgeen ten gevolge had dat velen zich daaraan onttrokken, door
zich in de bovenlanden te vestigen. Zij waren verplicht nabij St.
Nikolaaspunt te wonen.”
De toestand dezer Wetangers schijnt mij verklaard te moeten worden uit
het inlandsch recht, volgens hetwelk schuldenaars, die hunne schulden
niet kunnen betalen, ter voldoening daarvan tot lichamelijke diensten
ten behoeve hunner schuldeischers verplicht worden, en dus in een staat
van onvolkomen slavernij verkeeren. Men noemt zulke pandelingen _orang
beroetang_ of _orang oetangan_, en uit dit laatste woord schijnt
_wetanger_ verbasterd. Zij zullen dus als het ware pandelingen der
Compagnie zijn geweest, haar door den rechter toegewezen om door
persoonlijke diensten de boeten of andere straffen te vervangen, hun
wegens misdrijven opgelegd.
Mardijker.
Mardijker is de vernederlandschte vorm van het Maleische _mardaheka_
of _mardeka_, Jav. _mardikô_, vrij, een vrij man, die niet tot
heerediensten verplicht is. Men noemde _mardijkers_ eene klasse van
inlanders, die in de geschiedenis van Insulinde eene vrij belangrijke
rol heeft vervuld, maar omtrent wier oorsprong en beteekenis veel
onzekerheid heerscht. Men vindt reeds sporen van het bestaan der
Mardijkers onder het Portugeesch bestuur, dat aan onze verovering der
Molukken is voorafgegaan. Zie Valentijn II, 1, bl. 123; 2, bl. 16. Het
is waarschijnlijk hun naam die Valentijn en anderen op het denkbeeld
heeft gebracht, dat zij afstammelingen waren van vrijgegeven of
vrijgekochte slaven; maar, ofschoon het zeer mogelijk is, dat velen
onder hen inderdaad vrijgelatenen of afstammelingen van dezen geweest
zijn, staat het toch vast dat het woord niets meer beteekent dan een
vrijman, onverschillig of hij al of niet eenmaal tot den slavenstand
heeft behoort. Men leert evenwel ook nog uit dien naam, dat de bedoelde
vrije lieden geen Europeanen, maar inlanders waren; want waarom zou men
ze anders een Maleischen naam gegeven hebben? De vrije, niet in dienst
der Compagnie staande of door haar bezoldigde Europeanen, met andere
woorden, de blanken die als kolonisten naar Indië waren gekomen, werden
Vrijburgers genoemd; zulke Vrijburgers waren nu ook de Mardijkers, maar
als men hen met den naam van Vrijburgers noemde, voegde men er doorgaans
tot onderscheiding _zwarte_ bij, daar men gewoon was alle inlanders
_zwarten_ te noemen.
De kolonel Haga, die ons, als inleiding tot een lezenswaardige
verhandeling over de Mardijkers van Timor (in het Tijdschrift v. het
Bat. Gen., Dl. XXVII, blz. 191), de resultaten van zijn zorgvuldig
onderzoek over de Mardijkers heeft medegedeeld, erkent als het doel
dezer instelling, een inlandsch element te scheppen, dat, onder het
rechtstreeksch bestuur der overheerschers geplaatst en door voorrechten
aan deze verbonden, een tegenwicht zou helpen vormen tegen de massa der
inheemsche bevolking. Het lag in den aard der zaak, dat men onder die
Mardijkers oorspronkelijk alleen zulke inlanders opnam, die, ter plaatse
waar men ze vestigde, vreemdelingen waren, welke of om eenige reden de
bescherming der Compagnie gezocht hadden, of door het voorspiegelen
van voordeelen waren gelokt. Later zich voortplantende en in aantal
wassende, erlangden zij, vooral te Batavia, eene belangrijke plaats in
de maatschappij. Velen dreven een aanzienlijken handel, inzonderheid in
kleedjes en kostbaarheden, waren vermogend en bewoonden fraaie huizen;
anderen leefden in de nabijheid der stad van tuin- en akkerbouw. Zie
Valentijn, IV, 1, bl. 254; „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl.
35.
De Mardijkers werden tijdens de Compagnie ook voor schuttersdiensten
bestemd; waar hun aantal dit toeliet werden de weerbare mannen onder
hen in compagniën of vendelen ingedeeld. Zie b. v. de beschrijving van
Batavia in D. I der Verhandelingen van het Bat. Gen., bl. 61. Niet
zelden namen de Mardijkers ook deel in de militaire expeditiën door de
Compagnie uitgerust. Zie b. v. Baldaeus, Ceilon, bl. 71 en 80, en de
Jonge „Opkomst van het Ned. gezag,” D. VI, bl. CVIII en 171. Nergens
echter hebben de Mardijkers eene grootere rol vervuld dan op Timor;
alleen op dat eiland (te Koepang en Babauw) is nog onder dezen naam
eene afdeeling militairen, uit verschillende inlandsche en vreemde
elementen bestaande, in dienst gebleven. De verhalen echter omtrent
hunne heldendaden en de hun toegekende eerbewijzen bij een aanval der
Portugeezen in 1749, berusten slechts op mondelinge overlevering, en
het legendair karakter dezer berichten is door kolonel Haga in het
aangehaalde stuk duidelijk in het licht gesteld.
Te Batavia is de naam Mardijkers sedert lang in onbruik geraakt, en
vervangen door dien van Papangers. Radermacher en W. van Hogendorp in
hun beschrijving van de stad Batavia (Verhh. v. het Bat. Gen. I, bl. 61)
gebruiken Papangers en Mardijkers als synoniemen, en het Koloniaal
Verslag over 1849 zegt over die Papangers het volgende: „Dit corps,
samengesteld uit vrijgegeven slaven, Maleiers, Mooren, Bengaleezen en
hunne afstammelingen, die hun 16e jaar zijn ingetreden en hun 40e nog
niet hebben bereikt, is reglementair eene inlandsche schutterij en staat
dan ook, behoudens het gezag van den Resident, onder de bevelen van den
kommandant der schutterij. Zij onderscheidt zich echter van de boven
behandelde schutteren daardoor, dat zij geheel voor 's lands rekening
komt _buiten_ de schutterlijke kas, en geregeld al de wachten in de oude
stad betrekt tegen dagelijksche soldij. De diensten welke dit corps bij
voortduring verricht, geven reden tot tevredenheid”. In weerwil dezer
laatste woorden blijkt uit „Ind. Staatsbl.”, 1849, no. 17, dat de
Regeering destijds reeds het voornemen koesterde, het corps Papangers te
reorganiseeren of geheel op te heffen. Dit laatste schijnt eenige jaren
later gebeurd te zijn.
Van den oorsprong van den naam Papangers kan ik geene rekenschap
geven. Onder de vreemde Oosterlingen, te Amboina wonende, worden door
Valentijn, II, 1, bl. 156, ook Pampangers (bewoners van het gewest
Pampanga op Manilla) genoemd. Men kan aannemen dat onder de Mardijkers
ook afstammelingen van die natie scholen, maar, daargelaten dat het
woord Pampangers een _m_ te veel heeft, is het niet aan te nemen, dat
zij onder de Bataviasche Mardijkers ooit zoodanig het overwicht hebben
gehad, dat _hun_ naam dien van Mardijkers verdringen kon.
Toepassen.
Zoo heet een deel der bevolking van de door de Compagnie beheerde
gewesten, dat veel overeenkomst had met de Mardijkers en dikwijls met
hen verward wordt. Zoo lezen wij in „Batavia in derzelver gelegenheid”,
D. III, bl. 35: „de Mardijkers of Toepassers zijn Indianen van
verschillende natiën, volgens veler meening Toepassers genoemd,
omdat zij de zeden en godsdienst der volkeren, bij welke zij woonen,
lichtelijk, als bij toepassing, aannemen”. Valentijn onderscheidt echter
tusschen Mardijkers en Toepassen, en zegt dat deze laatsten, althans
te Amboina, afstammelingen zijn van Portugeesche vaders en inlandsche
moeders. De belachelijke verklaring van den naam Toepassers, zoo even
vermeld, zal wel niet vele voorstanders vinden; maar het woord is
klaarblijkelijk verhollandscht en zal moeten afstammen van het een of
ander inlandsch woord, dat met het Nederlandsche woord _toepassen_ eene
toevallige overeenkomst had. Het zal dus gevormd zijn op de manier van
_kaalkop_ van _kakap_, _passeerbaan_ van _paséban_, _boetjongen_ van
_boedjang_, _Bokje_ van _Boegis_ of _Boeginees_, _Baviaan_ van (het
eiland) _Bawéan_, en andere dergelijke producten van Europeesche
onwetendheid of valsch vernuft. Zulk een woord vinden wij in het
Malabaarsche _toepay_, dat volgens Canter Visscher, „Mallabaarse
brieven”, bl. 121, _tolk_ beteekent. Men werpe niet tegen dat deze
verklaring niet met de klankwetten strookt; zulke willekeurige
verbasteringen zijn aan geen wetten onderworpen. Canter Visscher
bevestigt de meening van Valentijn, dat de Toepassen in hoofdzaak van
Portugeesche vaders en inlandsche vrouwen afstammen, en verzekert ons,
dat zij, ofschoon met slavenkinderen en vrijgelaten slaven van allerlei
natiën vermengd, zich veel op hunne Portugeesche afkomst lieten
voorstaan. Allen echter werden door hen afgestooten die niet den
Roomschen godsdienst beleden. „Daar wordt”, zegt gemelde schrijver, die
een langen brief aan de Toepassen wijdt, „een groote menigte van deze
Toepassen gevonden door Mallabaar en bijzonderlijk aan den zeekant en
bij Fortressen en Losiën (Loges) der Europeanen; men vindt er ook
vele in en rondtom deze stad Couchim, die zich generen met allerlei
Ambagten....... ook begeven zich degene welke buiten de stad wonen tot
den landbouw. Daarbij worden ze van de E. Maatschappij gebruikt in den
oorlog, of tot het bezetten van Posten, daar ze meteen tot briefdragers
dienen.”
De Toepassen schijnen dus oorspronkelijk op de kust van Malabar te huis
te behooren, en vandaar hun verminkten naam naar Batavia en de Molukken
te hebben medegebracht. De weinige naar die gewesten afdwalenden
verloren zich onder de Mardijkers, waarvan, om dit in het voorbijgaan
te zeggen, ook velen den Christelijken godsdienst beleden.
Bokje, Bokkenees.
Er is misschien geen tweede volksnaam die zoo mishandeld en op velerlei
wijzen verminkt is, als die der Boegineezen op Zuid-Celebes.
Hun Maleische naam is Orang Boegis, menschen van Boegis. Maar dit Boegis
is reeds door verwisseling der lipletters W en B ontstaan uit Woegi, een
dorp aan de rivier Tjenrana, welks bewoners in ouden tijd de rol van
tolken vervulden bij de vreemdelingen, die het Hof van den machtigsten
Vorst dier streken, Sawêri Gôding, kwamen bezoeken. De naam To Woegi,
dien deze volken zich gaven, werd weldra uitgebreid tot allen die hunne
taal spraken. (Zie Matthes, „Boegineesche Spraakkunst”, Inleiding).
Zooals men van Balineezen, Soendaneezen en Bankaneezen spreekt, maakten
de Nederlanders van Boegis soms Boegissen, maar meest Boegineezen, en
deze vorm bleef tot heden de gebruikelijke; bij oudere schrijvers echter
vindt men ook _Boekaneezen_ (Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”,
bl. 65 en elders) en _Bokaneezen_ (Stavorinus, „Reize van Zeeland naar
Batavia”, I, bl. 236: „Bijzonder maken de slaaven die van het eiland
Celebes of Macasser komen, en wel voornamelijk de Bokaneezen, zich aan
gruwelijke moorden schuldig; ook behooren de meeste amokspuwers tot deze
natie”). De Engelschen noemden ze oudtijds gemeenlijk _Buggesses_ of
_Bugguesses_. Maar de zonderlingste verbastering is die tot _Bokjes_,
welke naam te Batavia werd gegeven aan eene kolonie van Boegineezen,
na het einde der Makassaarsche oorlogen derwaarts overgebracht. Zie
„Batavia in derzelver gelegenheid”, D. III, bl. 35.
In onze volkstaal hoort men een zeer onbeschaafd en ruw mensch, iemand
van barbaarsche manieren en voorkomen, wel eens een _Bokkenees_ noemen.
Klaarblijkelijk is ook dit eene verbastering van Boeginees. Met de
beteekenis van gemelden scheldnaam komt het karakter van wreedheid en
teugellooze drift, dat men aan de Boegineezen toekende, goed overeen.
Ik wil hier in het voorbijgaan nog van een verbastering van een anderen
op Celebes te huis behoorenden naam spreken. Nabij en op de kusten van
dat eiland leeft een aanzienlijk gedeelte van den steeds op het water
zwervenden stam der Badjo's of Bayo's (bekend door Vosmaer's „Korte
beschrijving van het zuid-oostelijk schiereiland van Celebes” in Deel
XVII der „Verhandelingen van het Bat. Gen.”, en van Verschuer's bericht
„de Badjo's”, in D. VII van het T. v. h. Aardr. Gen.). Deze Badjo's
worden in het Makassaarsch _Toe-ri-djêné_ genoemd, d. i. letterlijk:
_menschen op het water_. Volgens sommige schrijvers zou die naam door
de Europeanen te Makasser tot _Trojeenders_ verbasterd zijn. De heer
Matthes zegt echter in zijne „Opmerkingen omtrent de Hollander's
beschrijving van het Gouvernement van Celebes in zijne „Handleiding bij
de L. en Vk. van N.-I.””, bl. 16, dat hij die benaming _Trojeenders_
nooit heeft vernomen.
Laskar, Laskarijn.
Indische, ook Maleische en Javaansche matrozen, op Europeesche schepen
varende, worden thans dikwijls ook in Nederland _laskars_ genoemd. De
Woordenlijst van de Vries en te Winkel en van Dale's Nieuw Ned. Wdbk.
geven den vorm _laskaar_, mv. _laskaren_, die echter minder gebruikelijk
en naar mijn inzien ook minder juist is; eerder ware dan als
vernederlandschte vorm _lasker_ aan te bevelen.
Dit woord is het Perz. _lasjkar_, dat eigenlijk _leger_ beteekent en in
dien zin ook in de Maleische taal is overgegaan, zooals blijkt uit de in
Marsden's „Malay Dictionary” aangehaalde voorbeelden. Het tegenwoordig
gebruik van _laskar_ voor Indische matrozen hebben wij van de Engelschen
overgenomen. In Stocqueler's „Oriental Interpreter” wordt het dus
verklaard: „_Lascar_, a European term for certain descriptions of
menials in India. Sailors (shipkeepers), employed in harbour,
tent-pitchers, the people employed to do the dirty work of the artillery
and the arsenals etc. are called lascars. The term is derived from
lushkur, literally an army man.” Lucas, „Engl.-Deutsches Wörterb.”,
verklaart _lascar_ door, „der Lasker, der Indische Matrose im Dienste
der Englischen Compagnie.”
Bij deze verklaringen moet echter worden opgemerkt:
1o. Dat het Perz. _lasjkar_ nooit iets anders beteekent dan _leger_,
en de beteekenis van krijgsman, soldaat, alleen toekomt aan het
denominatieve _lasjkari_, waarvan onze oude schrijvers zeer juist in het
Nederlandsch _laskarijn_ maakten, b. v. van Linschoten, „Itinerario”,
bl. 59. En zoo wordt ook bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Ceylon”, bl.
66, 71, 80, 90 enz. aan de inlandsche soldaten in dienst der Compagnie
de naam van _Lascaryns_ gegeven.
2o. Dat de samenhang en overgang der beteekenissen waarschijnlijk deze
is: _a._ soldaat, _b._ inlandsch soldaat in dienst der Engelsche of
Nederlandsche Compagnie, aan wien, in vergelijking met de Europeanen,
mindere diensten werden opgedragen, _c._ sjouwer, werkman op de werven
en kaden, _d._ inlandsch licht matroos, met het gewone scheepswerk
belast.
Neger.
Ik begrijp volstrekt niet, waarom Weiland en Lexer (in Grimm's
„Deutsches Wörterbuch”), dit woord van het Fransche _nègre_ afleiden.
_Nègre_ is de verfranschte, gelijk het Hoog- en Nederduitsche _neger_ de
verduitschte vorm van het Portugeesche (ook in het Spaansch, Italiaansch
en, behoudens de wijziging der uitspraak, in het Engelsch onveranderd
gebruikte) _negro_. Niet aan de Franschen, maar aan de Portugeesche
zeevaarders, zijn wij onze eerste kennis van West-Afrika verplicht.
_Negro_ beteekent _zwart_, een _zwarte_ en stamt af van het Latijnsche
_niger_. Met _neger_ komt overeen het Arab. _aswado_, mv. _soedân_,
vanwaar _biladoe's Soedân_, het land der zwarten of negerland.
De geographische bepaling van den naam Negerland is zeer moeilijk. Men
gaf langen tijd den naam van Negers aan alle zwarte stammen van Afrika,
en velen doen dit nog heden. De ethnologen echter beperken den naam
Neger tot de koolzwarte stammen, die ten zuiden der Sahara tot omstreeks
den Evenaar wonen. Deze vormt, zeer ruw genomen, de grens tusschen de
Neger- en de in vele opzichten van hen verschillende Bantoe-stammen, die
zich uitstrekken tot Afrika's zuidspits, behalve dat de zuidwesthoek
door de Hottentotten en met hen verwante Boschjesmannen bewoond wordt.
Ten noorden der Negers wonen Semietische en Hamietische stammen,
verspreid onder hen Nubiërs en Fellatah (Nuba-Fulah-volken). Wenschelijk
ware het dat zich het gewone spraakgebruik naar die wetenschappelijke
onderscheiding richtte. Vgl. mijne opmerkingen in „Daniel Veth's reizen
in Angola”, bl. 335–337.
Heeft ons de Kaapkolonie in betrekking gebracht tot de Zuid-Afrikaansche
stammen, onze voormalige bezittingen op de kust van Guinea plaatsten ons
te midden van echte negers. Ook daar zij uit de vermenging van blanken
en zwarten een zeker aantal kleurlingen gesproten, die eveneens, naar
den graad der vermenging, verschillende namen dragen, welke niet geheel
met de benamingen in Oost- en West-Indië gebruikelijk overeenstemmen.
Ik lees daaromtrent bij de Marrée, „Reizen op en beschrijving van de
Goudkust van Guinea”, D. II, bl. 135: „de dochter door eenen Blanke
bij eene Negerin verwekt, is eene Tapoeijerin—bij eene Tapoeijerin,
Mulattin,[5]—bij eene Mulattin, Castiessin,—en bij eene Castiessin
wederom Blanke. De dochter van eenen Tapoeijer of Mulat bij eene Negerin
noemt men Caboegerin”. Uit hetgeen voorafgaat blijkt echter dat Mulat,
daargelaten de speciale beteekenis hier vermeld, ook de algemeene naam
is van afstammelingen van blanken en zwarten.
[5] Bl. 44 worden Tapoeiers en Mulatten gelijkgesteld; bl. 52 worden
Tapoeiers genoemd „kinderen van blanken en die van de kleur.” Zij
vormen een zoogenaamd _kwartier_ en trekken op als eene Compagnie
in volle uniform, gecommandeerd door een Kapitein en twee
Luitenants. De Tapoeiers hebben eene groote neiging om de blanken
na te apen.
Caboeger (er staat eigenlijk Cabocger, maar dat zal wel een drukfout
zijn) schijnt mij hetzelfde als het in West-Indië gebruikte _Karboeger_,
waarvan ik hierboven in een afzonderlijk artikel gesproken heb. Evenals
deze naam moet ook _Tapoeier_ uit Amerika afkomstig zijn. Het is
oorspronkelijk de naam van een zeer woesten stam van Indianen, die onze
bondgenoot was in onze oorlogen met de Portugeezen in Brazilië. De
Portugeezen schrijven hun naam _Tapuya_. Zie over hen o. a. van Kampen
„Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa”, bl. 411, 425, 433, 446,
enz. Hoe deze namen naar Afrika gekomen zijn, kan ik evenmin verklaren,
als de beteekenis waarin zij gebruikt worden.
De Engelsche populaire vorm _nigger_ voor _neger_ en de omstandigheid
dat de duivel gewoonlijk als zwart wordt afgemaald, zouden ons bijna
verleiden eenig verband te zoeken tusschen den Neger en den _zwarten
Nikker_. Doch de Germaansche oorsprong van _Nikker_ (bij Vondel „Peter
en Pauwels”, II, 135, ook _Ikker_[6] geschreven), verwant met het
Zweedsche _năk_, _nek_, het Eng. _nick_ (old nick), het Hoogd.
_neck_, _necker_, _nicker_, _nixe_ enz. alles benamingen voor booze
geesten, staat te vast om eenigen twijfel toe te laten.
[6] Van Lennep, Vondel, IV, bl. 53, noot, meent dat van 't oude _den
Ikker_, door de _n_ van 't lidw. bij 't zelfst. nw. te trekken,
later _de Nikker_ ontstaan is, op de wijze zooals 't volk _Noom_
heeft gemaakt uit _den Oom_ of _mijn Oom_. Maar ofschoon die
meening het gezag van Bilderdijk voor zich heeft, schijnt het mij
dat hier het omgekeerde heeft plaats gehad, namelijk aantrekking
van de _n_ van het zelfst. nw. door het voorafgaande lidwoord,
zooals in _ar_, voor _nar_ (narrenslede). Die _n_ tusschen het
lidwoord en het volgend met een vokaal beginnend zelfst. nw. was
altijd een zeer bewegelijk element, omdat zij doorgaans niet den
verbogen vorm van het lidwoord aanduidde, maar bloot euphonisch
was.
Kafir, Kaffer.
Dit woord is Arabisch en beteekent _ongeloovige_. In eene noot op zijne
vertaling van de Warren's „Engelsch-Indië”, I, bl. 167, zegt de heer van
der Maaten: „_Kaffer_ of _Kafir_ is een scheldnaam dien Aziatische en
Afrikaansche Muzelmannen aan alle volken geven die met hen van geloof
verschillen. Waarschijnlijk afgeleid van het gebergte Kaf, dat volgens
hunne mythologie de grenzen van hun halfrond omgeeft.” Deze afleiding is
een waarschuwend voorbeeld voor allen die het wagen verklaringen van
woorden te beproeven uit talen, waarvan zij niets verstaan. _Kafir_ is
in het Arabisch het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord _Kafara_,
dat _ondankbaar, goddeloos, ongeloovig zijn_ beteekent, en wordt
inzonderheid gebruikt van allen die den Islam verwerpen. De naam is bij
ons het meest in gebruik als geographische naam van twee volken: de
bewoners van Kafiristan in het N.-O. van Afghanistan, en die van het
Kaffergebied in Zuid-Afrika, dat den zuidoostelijken hoek van dat
werelddeel tot aan de Delagoa-baai beslaat. In beide gevallen is de naam
ongetwijfeld van de belijders van den Islam afkomstig en misschien
alleen door misverstand der Europeanen bepaaldelijk een geographische
naam geworden. Zelfs als zoodanig was in vroeger tijd het gebruik in
Afrika veel minder beperkt. Zoo zegt b.v. van Linschoten, „Itinerario”,
bl. 60, dat over 't geheel naakt loopen „die swarten ofte Caffres van 't
land van Mossambique en alle die custe van Aethiopia ende te landwaarts
binnen, tot die Cabo de Bona Esperansa.”
Moor, Mooriaan.