_arm_, _bovenarm_, _schouder_ beteekent, en die beteekenis in het
Maleisch steeds behoudt, in het Javaansch in die van eene groote
landmaat is kunnen overgaan. Misschien heeft men aan het woord de
beteekenis van _de kracht eens arms_, eens _mans kracht_ gaan hechten,
en vandaar vervolgens die van een stuk lands, waarvoor, als er
werkbare of weerbare mannen gevorderd werden, ééns mans kracht,
dus één man, moest gesteld worden. Men herinnere zich hierbij dat de
heeredienstplichtigheid op Java, volgens oude herkomst, aan het bezit
van den grond verbonden was.
Creool.
Een creool is een blanke bewoner van Zuid-Amerika en de Westindische
eilanden, van vaders- en moederszijde van Europeesche afkomst, maar in
de koloniën geboren. Hij staat tegenover den Europeeschen kolonist door
het land zijner geboorte en tegenover den kleurling door de zuiverheid
van zijn Europeeschen oorsprong.
Zoo ongeveer wordt dit woord gewoonlijk verklaard en opgevat, maar er
is in die verklaring iets eenzijdigs; want men kent in Brazilië ook
neger-creolen, d. z. kinderen van negers en negerinnen, maar in Amerika
geboren en als zoodanig overgesteld aan de negers uit Afrika
aangevoerd.
Wat meer is, oorspronkelijk schijnt creool eer de in Amerika geboren
negerslaven dan de daar geboren blanken aan te duiden. Het Portugeesche
_crioulo_, waarvan ons creool afkomstig schijnt te zijn, beteekent
volgens Moraes Silva: „O escravo, que nasce em casa do senhor; o animal,
cria, que nasce em nosso poder;” d. i.: de slaaf die geboren wordt in
het huis zijns meesters; het dier, jong, dat geboren wordt in onze
macht. _Crioulo_ als adjectief verklaart dezelfde lexicograaf door „nâo
comprado”, d. i. niet gekocht. En dat ook _creool_ oorspronkelijk niets
anders dan een in het huis des meesters geboren slaaf beteekende en
in Suriname die beteekenis zelf zeer lang behouden heeft, blijkt uit
Hartsinck's „Beschrijving van Guiana” (Amst. 1770), D. II, bl. 899:
„Nog hebben wy tot slaaven, die in onze volkplantingen uit slaaven
gebooren worden, _Creoolen_ genaamd, die men voor de beste en trouwste
lijfeigenen houdt; men noemt ze Creoolen om hen te onderscheiden van de
_zoutwater Negers_, welken naam men toeëigent aan alle slaaven die van
Africa ingevoerd worden.”
Van oudsher werden de slaven in het algemeen onderscheiden in: „de
ingeborenen des huizes en de voor geld gekochten” (zie b. v. Gen. XVII:
12, Levit. XXII: 11), en overal werden eerstgenoemden, in het Latijn
_verna_ geheeten, om hunne trouw hooger geschat. Dezelfde tegenstelling
bestond natuurlijk ook in de Spaansche en Portugeesche bezittingen in
Amerika. De crioulo's als _vernae_ waren in de kolonie geboren; maar
terwijl de oorspronkelijke beteekenis van het woord allengs in
vergetelheid raakte, dacht men daarbij weldra nog slechts aan dat
geboren zijn in een ander land dan dat der afstamming, en kende dus den
naam crioulo toe aan alle negers, hetzij slaaf of vrij, in Amerika
geboren, en aan de blanken die ten opzichte van het verschil tusschen
geboorte- en stamland in dezelfde omstandigheden verkeerden.
Zoo kan men zich den oorsprong der tegenwoordige beteekenis van het
woord creool zeer geleidelijk voorstellen; mocht echter historisch
kunnen bewezen worden, dat de naam vroeger aan de blanke dan aan de
zwarte creolen gegeven is, dan zou men moeten aannemen, dat er een
eenvoudige metaphora had plaats gehad van den _ingeborene des huizes_
tot den _ingeborene des lands_.
Mijne verklaring van het woord _creool_ verschilt eenigszins van de
gewone, die het afleidt van het Spaansche _criollo_. Dit woord is
ongetwijfeld slechts een eenigszins gewijzigde vorm van het Portugeesche
_crioulo_; maar dit laatste schijnt mij het oorspronkelijke te zijn,
althans indien het juist is, wat uit het woordenboek der Spaansche
Akademie schijnt te blijken, dat _criollo_ niet gebruikelijk is in de
beteekenis van _verna_, maar alleen in die van: „el hijo de padres
europeos, nacido en America”, die echter uit die van _verna_ schijnt
te zijn afgeleid.
Intusschen is de oorsprong van het Portugeesche _crioulo_ zelf niet
geheel zonder zwarigheid. Moraes Silva geeft door de verklaring van het
voorbeeld _gallinha crioula_ (in het huis des eigenaars uitgebroede hen)
door de woorden: „que nasce e se cria em casa” (die in het huis geboren
en opgevoed wordt) genoeg te kennen, dat hij crioulo in verband brengt
met het werkwoord _criar_. _Criar_ is in het Portugeesch een tweede vorm
voor _crear_, het latijnsche _creare_. Het werkwoord _criar_ of _crear_
beteekent volgens Moraes Silva: 1o. uit niets voortbrengen, scheppen;
2o. veroorzaken, teweegbrengen; 3o. voortbrengen, van zich geven; 4o.
zogen, voeden; 5o. opvoeden. In de tegenwoordige taal wordt in de drie
eerste beteekenissen gewoonlijk _crear_, in de beide laatste, meer
afwijkende, _criar_ gebruikt. _Se criar_ beteekent dus: opgevoed worden,
opgroeien. Hieruit moet men dus opmaken dat crioulo oorspronkelijk een
voedsterling, _alumnus_, aanduidt, wat lichtelijk in de beteekenis van
een in het huis des meesters geboren en opgevoeden slaaf kon overgaan.
Niet in deze beteekenis schuilt dus het bezwaar, maar alleen in den
vorm; want die uitgang _oulo_ schijnt geheel onregelmatig en zonder
voorbeeld te zijn.
Intusschen bestaat het woord _crioulo_ in de beteekenis van _verna_ in
de Portugeesche taal, en de tweede beteekenis, die van _creool_, laat
zich daaruit geleidelijk verklaren. Er kan dus nauwelijks reden zijn om
met sommigen aan te nemen, dat creool eigenlijk een Caraïbisch woord is,
waarvoor men te vergeefs een oorsprong in eenige taal van Europa zou
zoeken.
Ik geloof hier nog te moeten bijvoegen, dat het woord creool in het
spraakgebruik niet altijd strikt de beteekenis behoudt, die er in de
woordenboeken aan wordt toegekend, maar vaak ook de verschillende
graden, vooral de lichtere, van kleurlingen omvat, die in de
Westindische koloniën geboren zijn. Zie b. v. Dumontier, in „Catalogus
der afdeeling Ned. Koloniën van de Amsterdamsche Tentoonstelling in
1883,” bl. 152. In onze Westindische bezittingen zijn creolen, ongeveer
wat wij in onze Oostindische bezittingen _inlandsche kinderen_ noemen.
De vorm van het Portugeesche woord heeft in zijn overgang tot andere
talen slechts geringe wijziging ondergaan. Wij zagen reeds dat het in
het Spaansch _criollo_ luidt. In het Ital. werd het _creólo_, in het
Fransch _créole_, in het Engelsch _creole_, in het Duitsch _creole_ en
in het Nederlandsch _creool_.
Mulat.
Door dit woord worden aangeduid die geboren zijn uit een blanken man en
eene negerin of uit eene blanke vrouw en een neger, alsmede (tot zekere
hoogte althans) die gesproten zijn uit mulatten en blanken. Het woord
behoort uit den aard der zaak vooral op de Westkust van Afrika en in
West-Indië te huis, waar wij het hebben overgenomen van de Spanjaarden
en Portugeezen. De Engelschen kennen het evenzeer in den vorm _mulatto_,
de Franschen in dien van _mulâtre_.
Omtrent den oorsprong van dit woord bestaan twee gevoelens. Volgens het
eerste stamt het af uit het Arabisch en wel van _moewallad_, waaraan men
de beteekenis toekent van „iemand die uit een Arabischen vader en een
vreemde moeder (slavin) of uit een slaaf en eene vrije Arabische moeder
geboren is”. Deze verklaring is het eerst gegeven door Reiske in eene
noot op „Abulfedae Annales Moslemici”, I, p. 264; beaamd door de Sacy
„Chrestomathie Arabe”, II, p. 155, en opgenomen in Freytag's Arabisch
Woordenboek en in Engelmann's „Glossaire des mots Espagnols”, etc.
Vandaar dat ik in mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen”, in
„de Gids” voor 1867, D. I, mij verwonderde dat dit woord, aan welks
afkomst uit het Arabisch ik toen niet twijfelde, niet in dat boekje was
opgenomen.
Later evenwel heb ik ingezien, dat dit woord niet van moewallad kan zijn
afgeleid om de volgende redenen.
1o. Vooreerst is de beteekenis van _moewallad_ door Reiske en de Sacy
niet juist opgegeven. Het beteekent: een onder de Arabieren opgenomen
vreemdeling, iemand die tot Arabier aangenomen, als zoodanig
genaturaliseerd is, of, zooals het is uitgedrukt in Zamachschari's
„Lexicon Arabico-Persicum”: „iemand die uit vreemden onder de Arabieren
geboren en met de kinderen der Arabieren naar hunne zeden opgevoed is”.
Prof. Dozy zegt, in zijne vermeerderde uitgave van het „Glossaire des
mots Espagnols” enz., p. 384, dat in Spanje, tijdens de Arabische
heerschappij, de naam van _moewallad_ werd gegeven aan de Spanjaarden
die den Godsdienst der Arabieren aangenomen hadden en dus onder de
Arabieren waren opgenomen. De plaatsen van Abulfeda en Makrizi, die
tot de verklaring van Reiske en de Sacy aanleiding gaven, kunnen
ongetwijfeld even goed van geadopteerde Arabieren als van personen van
gemengde afkomst worden opgevat.
2o. Evenmin als de beteekenis, begunstigt ook de vorm van het woord
_moewallad_ de bedoelde afleiding. Eene samentrekking als van
_moewallad_ tot _mulat_ zou in de Romaansche talen zonder voorbeeld
zijn. Alleen in het Javaansch zou men misschien een voorbeeld van zulk
eene samentrekking kunnen vinden, namelijk in _modin_ voor het Arabische
_moadzdzin_, den uitroeper van het gebed. Maar zelfs dit voorbeeld zou
vervallen als men kon toonen, dat de Javanen dit woord in den evenzeer
bestaanbaren, ofschoon dan ook minder gebruikelijken, vorm _moedzin_
van de Arabieren of Perzen kunnen ontvangen hebben.
De tweede afleiding van mulat is veel eenvoudiger; zij is die welke
Engelmann met de volgende woorden verwerpt: „il va de soi-même que ce
mot n'a rien de commun avec _mule_, dont on a voulu le deriver”. Ik zeg
daarentegen met Prof. Dozy, die trouwens zelf reeds t. a. p. heeft
opgemerkt, dat ik later van gevoelen was veranderd: „Je dois avouer que
j'approuve au contraire l'étymologie repudiée par M. Engelmann”.
Ik moet hier evenwel met een woord zeggen, welke zwarigheid mij
aanvankelijk vooral weerhield, mulat met den muilezel in verband te
brengen. Deze heet in het Latijn _mulus_, in het Spaansch _mulo_, in het
Portugeesch gewoonlijk _mu_ (afgekort uit _mulo_, waarvan echter het
vrouwelijk _mula_ nog in gebruik is). Later evenwel is mij gebleken,
dat ook de verlengde vorm _mulato_ oudtijds in het Portugeesch den
muilezel aanduidde. Dit wordt uitdrukkelijk opgegeven in het Wdbk. van
Moraes Silva, die als voorbeeld deze woorden van Sa Miranda aanhaalt:
„ou dormindo no mulato”. Het is dus dit _mulato_ zelf (waarmede men
het Fransche _mulet_ vergelijke), dat figuurlijk de personen van
half-blanke, half-zwarte afkomst aanduidde, gelijk de muilezel half
paard, half ezel is. En zoo wordt het ook door Moraes Silva opgevat. Op
het eerste gezicht heeft deze verklaring wel iets van een snaakschen,
inval; maar deze zwarigheid vervalt als men bedenkt, dat de kleurlingen
eene verachte kaste vormen, ten wier koste het volk zelf deze
geestigheid van hen muilezels te noemen, zeer wel kan hebben uitgedacht.
Voor de afkomst van _mulat_ uit het Spaansch of Portugeesch pleit ook
nog dat wij Creool en Mesties, woorden die tot dezelfde klasse behooren
(zie het voorafgaande en het volgende artikel) aan dezelfde natiën
verschuldigd zijn.
Mesties.
Onze oude schrijvers schreven _Mestice_ of ook wel _Mixtice_ en
_Mixstice_. Deze laatste vormen moesten zeker toonen, dat zij daarin het
Latijnsche _mixtus_, deelwoord van _miscere_, mengen, erkenden. Toch
bewijzen de gewone vormen, dat wij ook dit woord van de Portugeezen en
Spanjaarden ontvangen hebben, die ook in het Latijn den vorm met _x_
reeds met _mistus_ afgewisseld vonden. Wij zullen dus, om het gebruik
van dit woord goed te leeren kennen, ook nu weder de beste Spaansche en
Portugeesche woordenboeken raadplegen. In het Spaansch schrijft men
_mestizo_, en het woordenboek der Spaansche Akademie zegt daarvan:
„_Mestizo_ se aplica a la persona o animal nacido de padre y madre de
diferentes castas”, d. i.: _Mestizo_ wordt gebruikt van een persoon of
van een dier, geboren uit vader en moeder van verschillenden stam.
Evenzoo leest men in het Portugeesche woordenboek van Moraes Silva op
_mestiço_ of _mistiço_: „Filho de animaes que nâo sâo da mesme especie”,
d. i.: afstammeling van dieren die niet van dezelfde soort zijn. Dit
is dus de eerste en algemeene beteekenis, die het woord nooit heeft
verloren. Vooral blijkt dit uit het gebruik van _métis_ (hetzelfde woord
met uitstooting der s) en den bijvorm _métif_ in het Fransch. Zoo
spreekt men van „animaux métis”, „fleurs métisses”, „mestiz Français,
demi Bourgoings”, en figuurlijk „une classe métive également étrangère
à la noblesse et au tiers état”. Zie het woordenboek van Littré op
_Métis_. Zoo ook spreekt Mallat, „les Philippines”, II, p. 133, van
_métis Chinois_, waardoor hij de afstammelingen van Chineezen en
inlandsche vrouwen te Manilla aanduidt, de klasse die wij te Batavia
_perănakan tjina_ noemen.
Maar behalve deze algemeene beteekenis van persoon of dier van gemengde
afkomst, heeft het gebruik aan mesties eene speciale beteekenis gegeven,
waardoor het eene bijzondere klasse van kleurlingen aanduidt. Het
woordenboek der Spaansche Akademie laat op de aangehaalde woorden
volgen: „Dicese con especialidad del hijo de Español y India”, d. i.:
Inzonderheid zegt men het van den zoon eens Spanjaards en eener
Indiaansche vrouw. Aan deze speciale beteekenis houdt zich het „Nieuw
Ned. Woordenboek” van van Dale met de omschrijving: „afstammeling van
eenen blanke en eene Indiaansche (Amerikaansche) of van eenen Indiaan en
eene blanke”. Bij Moraes Silva zijn de woorden: „O filho de Europeu com
India, branco com mulata, etc.”, d. i.: zoon van een Europeaan met eene
Indiaansche, van eenen blanke met een mulattin enz., meer als
voorbeelden van het gebruik van mesties te beschouwen.
Zoowel in onze Oost- als in onze Westindische bezittingen hebben wij
het woord _mesties_ van de Spanjaarden of Portugeezen overgenomen.
In Oost-Indië, waar geene negers en dus ook geen mulatten voorkomen,
maar men de inlanders, schoon zeer ten onrechte, zwarten noemde,
waren mixsticen volgens Valentijn, II, 1, bl. 256: „kinderen of van
Hollandsche vaders en swarte moeders (want nooit heb ik daar kinderen
van een blanke moeder en swarte vader gesien, nog daar af gehoort) of
wel van swarte moeders en Portugeesche vaders, die men Toepassen noemt,
zijnde afsetsels der Portugeesen, die in de eerste tijden met eygen
bewilliging hier gebleven zijn.” Valentijn spreekt hier wel bepaaldelijk
van Amboina, maar hetzelfde gold van al de Indische gewesten onder het
beheer der Compagnie. Zoo onderscheidt Nic. de Graaf in zijne „Voyages
aux Indes Orientales”, bl. 290, de vrouwen te Batavia in „Hollandoises,
Indiennes, Mestices et Kastices”. De _Hollandoises_ zijn de in
Nederland geborene, die naar Indië zijn overgekomen; de _Indiennes_ of
_Hollandoises-Indiennes_ de in Indië uit Hollandsche ouders geborene;
de _Mestices_ die gesproten zijn uit een Hollandschen vader en eene
inlandsche vrouw; de _Kastices_ (zie het volgend artikel) de kinderen
van een Hollandschen vader en eene _Mestice_. Vgl. ook nog „Batavia in
hare gelegenheid” enz., D. III, bl. 3[4]. De namen Mesties en Kasties
worden thans in Ned. Oost-Indië weinig meer gehoord.
[4] Welk eene zonderlinge voorstelling men zich, toen dit werk
geschreven werd (1783), nog in het moederland van de Javanen en
Maleiers vormde, blijkt uit het volgende. De Graaf had geschreven:
„Les Mestices sont venus d'un Hollandais et d'une Moresse”. Hij had
het woord Moresse, in navolging van de Portugeezen, gebruikt voor
eene inlandsche vrouw, niet met het oog op hare kleur, maar van
haren godsdienst (zie hierover het art. _Moor_). In het aangehaalde
werk worden nu de woorden van de Graaf vertaald door: „Mestische
zijn eindelijk diegene, welke door een blanken vader bij een
_pikzwarte_ moeder zijn geteeld”.
In Ned. West-Indië zou, volgens Dr. Dumontier (in den Catalogus der
afd. Ned. Kolon. van de Amsterd. Tentoonstelling van 1883, Groep I, bl.
152) Mesties eene speciale beteekenis hebben, die evenwel van die bij
de Spanjaarden verschilt; de Mestiezen zouden daar de afstammelingen
zijn, niet van een blanken vader en een Indiaansche vrouw, maar van een
blanken vader en een mulattin, terwijl de afstammelingen van een blanken
vader en een mestiezin _kastiezen_ zouden heeten. Van Sijpesteyn,
„Beschrijving van Suriname”, bl. 161, bepaalt zich tot de opmerking,
dat de kleurlingen, naarmate zij meer tot het blanke type naderen,
Mestiezen, Kastiezen en Poestiezen worden geheeten.
Kasties.
Gelijk _mesties_ overeenkomt met het Spaansche _mestizo_ en het
Portugeesche _mestiço_, is het in het vorige artikel reeds een paar
malen vermelde _kasties_ gelijk aan het Spaansche _castizo_, en het
Portugeesche _castiço_, afstammende van _casta_, waarvan ons _kaste_
komt, waaraan vroeger reeds een artikel werd gewijd. _Castizo_ en
_castiço_ beteekenen _van goed, zuiver ras_ (vandaar _cavallo castiço_,
een raspaard, een dekhengst). Het woord is dus uit zijn aard niet zeer
geschikt om voor eenige soort van kleurlingen gebezigd te worden; maar
vele woorden hebben nevens de absolute ook een relative beteekenis,
gelijk men b. v. vele zaken _wit_ noemt die in het geheel niet zuiver
wit zijn, maar relatief wit in vergelijking met andere. Te Goa, de
hoofdstad der Portugeesche bezittingen in Indië, noemt men kastiezen,
niet te onrecht, in tegenstelling met de personen van gemengde afkomst,
degenen die, hoewel in de koloniën geboren, toch van zuiver Europeesch
ras zijn, daar beide ouders daartoe behooren (dus _Creolen_ in den meest
gewonen zin). Maar in de Nederlandsche Koloniën heeft men _die_ klasse
van kleurlingen _kastiezen_, genoemd die, door herhaalde kruising met
blanken, reeds zoozeer tot de volkomen blanken naderen, dat, wanneer
nog ééne kruising met blank bloed plaats heeft, de carnatie der
kinderen niet meer van die der Europeanen te onderscheiden is. Zoo
zegt Valentijn, II, 1, bl. 256: „de kinderen van een mixstice en een
Hollander noemt men poestiçen, en de kinderen van een poestiçe en een
Hollander castiçen, die bijna zoo blank als een Hollander zijn, en na
welke men de kinderen, uit de volgende huwelijken voortkomende, weer
onder de Hollandsche telt.” Hiermede stemt overeen N. de Graaf, op de
plaats in het art. _Mesties_ aangehaald, behalve dat hij de poestiezen
overslaat, die door Valentijn tusschen de mestiezen en de kastiezen zijn
ingeschoven. Waarschijnlijk heeft hij die onder de mestiezen
medegerekend.
In Nederlandsch West-Indië, waar men ook met _mesties_ wel een weinig in
de war schijnt te zijn, is de beteekenis van _kasties_ geheel miskend.
Zoowel volgens van Sijpesteyn als volgens Dr. Dumontier (zie de plaatsen
aangehaald in het art. _Mesties_) staan de _poestiezen_ niet, gelijk bij
Valentijn tusschen de mestiezen en de kastiezen, maar nog achter deze
laatsten, als afstammelingen van een blanken vader met een kastiezin,
en volgens Dumontier bestaat er zelfs nog een lichtere graad van
kleurlingen dan de poestiezen, namelijk de _testiezen_, gesproten
uit een blanken vader met eene poestizin en omgekeerd. Maar wanneer
er nog twee graden tusschen een kasties en een blanke staan, heeft
eerstgenoemde, dunkt mij, nog weinig recht om zelfs in betrekkelijken
zin een persoon van zuiver ras genoemd te worden.
Ik kan in geen enkele taal behalve de onze een spoor vinden van die
woorden poesties en testies. Hun oorsprong is mij onbekend en de _oe_
in het eerstgenoemde woord is iets zoo eigenaardig Hollandsch, dat
ik nauwelijks de gedachte onderdrukken kan, dat wij hier met door de
Nederlanders naar de analogie van mesties en kasties gevormde
kunstwoorden te doen hebben.
Onder de namen voor soorten van kleurlingen vind ik ook nog _Terceronen_
en _Quarteronen_ of _Quadronen_. Deze namen hebben het voordeel dat zij
door hun vorm zelf den graad van bloedmenging aanduiden; maar wanneer
ik nu als verklaring van _Terceroon_ vind opgegeven: afstammeling van
een Europeaan en eene mulattin, en van _Quarteroon_: afstammeling van
een Europeaan en van een terceronin of mesties (Kramer's „Algemeene
Kunstwoordentolk”, 4e druk, in v. v. _quart_ en _tercero_), dan weet
ik weer niet waar mij aan te houden, daar mesties òf kleurling in het
algemeen, òf, volgens speciaal Spaansch gebruik, een afstammeling van
een blanke met een Indiaansche, òf eindelijk, volgens Dr. Dumontier,
juist zelfs een afstammeling van een Europeaan en een mulattin (dus
hetzelfde als volgens de hier gegeven verklaring terceroon) beteekent.
In het belang der anthropologie wordt eene vaststelling van den zin
dezer verschillende benamingen dringend gevorderd.
Karboeger.
Een bijzondere soort van kleurlingen wordt in Suriname door den naam van
Karboeger aangeduid. Eigenlijk zijn de Karboegers een stam van Indianen,
die de oevers der Tebiti-rivier, een zijtak van de Coppename, bewoont.
Deze Karboeger-Indianen onderscheiden zich van andere Indiaansche
stammen door een donkerder huidkleur en gekroesd haar. Zij zijn
blijkbaar een gekruist ras, en men beweert dat zij afstammen van
Caraïben, die van een gestrand schip de mannen gedood en de vrouwen
weggevoerd hebben. Te Paramaribo geeft men den naam van Karboegers aan
kinderen van negers en mulattinnen of negerinnen en mulatten, die dus
drie vierden negerbloed hebben en een terugtred tot het zuiver zwarte
ras maken. Zij heeten waarschijnlijk zoo omdat hunne carnatie het meest
met die der Karboeger-Indianen overeenkomt. Zie over hen van Sijpesteyn,
„Beschrijving van Suriname”, bl. 161, en Dr. Dumontier in „Catalogus der
Ned. Koloniale afd. van de Amsterdamsche tentoonstelling van 1883”,
Groep I, bl. 151.
Liplap.
Naam die vooral op Java, misschien ook elders in Nederlandsch-Indië,
gegeven wordt aan eene zekere klasse van personen, in hoofdzaak
afstammende van de Portugeezen die tijdens de verovering der bezittingen
van Portugal door de Ned. O.-I. Compagnie in hare nederzettingen
gevestigd bleven en de Hervormde kerkleer aannamen, en te wier behoeve
te Batavia en elders langen tijd in de Portugeesche taal werd gepredikt,
totdat deze schier geheel door de Maleische verdrongen was. Ofschoon van
Europeanen, althans Europeesche vaders, die vóór twee à drie eeuwen
leefden, afstammende, moeten zij echter, wegens de sterke inmenging van
inlandsch bloed, als kleurlingen beschouwd worden. Doorgaans onder
elkander huwende of zich weder met inlandsche vrouwen verbindende,
leven zij schier geheel gescheiden van de Europeanen of kleurlingen van
nieuweren oorsprong, en vormen bijna een eigen ras, dat een mengelmoes
van Maleisch en Hollandsch van de slechtste soort als taal heeft
aangenomen, eigenaardige gewoonten volgt en zich, tengevolge van
grove verwaarloozing, veelal door groote stompzinnigheid en onkunde
onderscheidt.
„Geplaatst”, zegt van Rees, „Herinneringen uit de loopbaan van een
Indisch officier”, 3e druk, 1e serie, bl. 239, „tusschen Europeanen, die
zich niet met hunne vorming bemoeien, en inlanders, waarmede zij zich
niet willen afgeven, blijven zij op een lagen trap van ontwikkeling
staan”. Beide seksen zijn bijzonder keurig op hunne kleeding, die bij
de mannen, _signo's_ geheeten, zeer nauwsluitend en stijf is, maar
bij de vrouwen, die _nonna's_ genaamd worden, en er in hare jeugd
dikwijls allerliefst uitzien, zich door bevalligheid en goeden smaak
onderscheidt. De mannen schrijven doorgaans eene fraaie hand, en worden
dus dikwijls als kopiïsten gebezigd, maar begrijpen vaak zoo weinig van
hetgeen zij schrijven, dat hunne kopiën van fouten wemelen; de vrouwen
zijn vaardig in handwerken, hebben eenigen aanleg voor muziek en zijn
hartstochtelijke danseressen.