medegedeeld in Lindley en Moore, „Treasury of Botany” in v.
_Scorzonera_: „_Scorzonera Hispanica_ is a native of Spain; but is
cultivated in this country [Engeland], and the root is sold in the
markets as _Scorzonera_, a name derived from _escorza_, the Spanish name
of a serpent, in allusion to its cooling antifebrile effects, it having
formerly been employed in Spain on account of these properties for the
cure of serpent-bites. It has also sometimes been called viper's grass”.
De afleiding van _Scorzone_ met den uitgang _era_, is zeker te
verkiezen boven die van _Scorza nera_; maar wanneer Spanje terecht als
het vaderland der plant beschouwd wordt, zal men als grondwoord niet
_escorza_ (welks bestaan ik betwijfel), maar _escorzon_, dat in het
Spaansch aan _scorzone_ schijnt te beantwoorden, behooren aan te nemen.
De voorslag _e_ voor _sc_ is in het Spaansch volkomen regelmatig, en
doet niets ter zake. Ook de plant wordt in het Spaansch _escorzonéra_
genoemd.
Hidalgo.
Dit vaak gebruikte, ook door van Dale opgenomen, Spaansche woord,
beteekent een gentleman, een man van goede familie, schoon juist niet
van den hoogsten adel. De oorsprong van het woord blijkt uit den niet
geheel ongebruikelijken volledigen vorm, _Hijodalgo_, waarvan het
vrouwelijk, ten blijke dat het een samengesteld woord is, _Hijadalgo_
luidt, terwijl daarentegen de samengetrokken vorm, als ware hij een
enkelvoudig woord, in het vrouwelijk _Hidalga_ heeft. _Hijodalgo_ is
samengesteld uit _hijo_, zoon, de partikel _de_, van, en _algo_, iets,
eenig vermogen. Men zou dus hidalgo kunnen vertalen door „een zoon van
goeden huize”.
_Hijo_ is = fijo, het Latijnsche _filius_ (Gr. huios), door de gewone
verwisseling van F en H. Vandaar heeft het Portugeesch _fidalgo_ voor
_hidalgo_, evenals _fazenda_ voor _hacienda_ enz.
Amfioen.
_Amfioen_ is de voornamelijk in Ned.-Indië gebruikelijke naam van het
heulsap, dat wij in Nederland, evenals alle andere volken van Europa,
met den aan het Grieksche _opion_ ontleenden Latijnschen naam _opium_
noemen. Van de Grieken is die naam ook, in den vorm _afioen_, tot de
Arabieren overgegaan; de Perzen spreken dien, volgens het woordenb. van
Vullers, _afjoen_ uit, de Maleiers en Javanen, die de _f_ niet kunnen
uitspreken, zeggen _apioen_ of _apjoen_. Van al deze vormen is het
Nederlandsche _amfioen_ door de inlassching der _m_ (zie beneden) nog
kennelijk verschillend. Ook gebruikt de inlander _apioen_ alleen van het
opium in ruwen staat, zooals het door den handel geleverd wordt. Is het
gezuiverd, dan noemt hij het _tjandoe_; is het, met of zonder tabak,
voor zijn gebruik gereed gemaakt, dan noemt hij het _madat_ (van 't
Hindostanische _madad_; vgl. v. d. Tuuk, „Tobasche Spraakkunst”, bl.
125, noot 2). Bij de Nederlanders in Indië daarentegen behoudt het den
naam van amfioen onder alle omstandigheden, en zij spreken van amfioen
rooken en amfioen schuiven, van amfioenkitten, amfioenpijpen,
amfioenpillen, zoowel als van amfioenhandel en amfioenpacht.
Het woord _amfioen_ zelf is bij ons Nederlanders reeds vrij oud, zoo oud
als de vaart naar Indië zelve. Er wordt over dat heulsap reeds in 't
breede gehandeld in de „Beschrijvinge van 't Coninckrijck Gussaratten”,
in „Begin en Voortgang”, II, no. 17, bl. 61, waar het _amphion_ of
_affien_ wordt genoemd. Ook bij Baldaeus, „Malabar en Choromandel”,
bl. 144, komt de vorm _amphion_ voor, en reeds veel vroeger vindt men
dien bij van Linschoten, „Itinerario”, bl. 98, die met zijne gewone
nauwkeurigheid zegt: „het _amfion_, also ghenaemt van de Portugesen,
van de Arabyers, Mooren en Indianen _affion_”. De ingevoegde liquida _m_
(waarvoor ook de _n_ werd geschreven, die echter in de uitspraak als _m_
klonk) is dus van Portugeeschen oorsprong. In het Port. Woordenboek van
Moraes Silva, komt, nevens het thans gebruikelijke _opio_ ook _anfiâo_
voor, dat bijna als _amfion_ luidt. Ik sprak reeds met een woord over
die gewone insertie, vooral vóór de lipletters, in het art. _Moeson_,
en zal er op terugkomen bij _Pampoesjes_. _Kamfer_ voor _kafoer_ (zie
Dozy's „Oosterlingen” op het woord) en de volksuitspraak _pampier_ voor
_papier_ zijn nog een paar bekende voorbeelden, die, zoo het noodig was,
licht met andere zouden te vermeerderen zijn. Voorbeelden van _amfioen_
bij latere schrijvers zal men in het Ned. Woordenboek van de Vries en
te Winkel op dat woord kunnen vinden. Hier merk ik alleen nog op dat in
Nederlandsch-Indië _amfioen_ bestendig en uitsluitend de vorm is die in
alle administratieve stukken gebruikt wordt; _opium_ leest men daar
nooit.
Daar _opium_ en _amfioen_ inderdaad slechts verschillende vormen van
hetzelfde woord zijn, geldt van beide hetzelfde wat het geslacht
betreft. Het is verkieslijk beide als stofnaam onzijdig, als
handelsartikel vrouwelijk te maken, en het mannelijk, oudtijds voor
_amfioen_ gebezigd op grond der vergelijking van andere op _oen_
uitgaande woorden, in het geheel niet meer te gebruiken. Ik ontleen deze
opmerking aan het art. _Amfioen_ in het Woordenboek van de Vries en te
Winkel, waarvan mij, schoon het, terwijl dit gedrukt wordt, nog niet is
uitgegeven, in de proef inzage is verleend.
De uitdrukking _amfioen schuiven_ is in het Ned. Wdbk. van van Dale
geheel ten onrechte door _opium kauwen_ verklaard. Dit is gebruikelijk
bij de Turken en West-Aziaten, maar komt in Ned.-Indië zelden of nooit
voor. Ook zou voor dat kauwen _schuiven_ al een zeer zonderling gekozen
woord zijn. Ik heb de wijze, waarop het opium gerookt wordt, in mijn
„Java”, D. I, bl. 622, besproken. Ik vind voor dit _schuiven_ de
verklaring in het krachtig inzuigen of ophalen van den rook der
opiumpijp, dat van een _sissend_, _sijfelend_, _schuifelend_ of
_fluitend_ geluid vergezeld gaat, en zie dat deze verklaring ook door
Prof. de Vries is overgenomen.
Mandoor, Mandarijn.
Ik voeg deze woorden bijeen, omdat het mij waarschijnlijk voorkomt, dat
er tusschen beide een nauwe verwantschap bestaat.
_Mandoor_ of _mandoer_ (eene gewone verscheidenheid van uitspraak,
waarbij, naar ik vermoed, dialectsverschil ten grondslag ligt) beteekent
in Ned.-Indië een opzichter of meesterknecht op een fabriek of bij
eenig belangrijk werk, iemand dus die aan zijne minderen bevelen
geeft. Het woord wordt algemeen gebruikt in het Maleisch, Javaansch
en Soendaneesch; maar is ook niet minder gewoon in den mond der in
Ned.-Indië levende Europeanen. Zoo spreekt, om een paar voorbeelden
uit duizenden aan te halen, de Sturler, „Handboek voor den landbouw in
Ned.-Indië”, bl. 1126, van „meesterknechts of _mandoors_ voor het voeren
der cilinders bij het vermalen van het suikerriet”, en van Gorkom, „Oost
Indische Cultures”, II, bl. 42, van inlandsche opzichters of _mandoers_,
die bij de indigobereiding het criterium of de tijd daar was om het
vocht uit den trekbak af te laten, in den reuk of den smaak van het
vocht vonden. Dit woord _mandoor_, stellig in het Javaansch en Maleisch
van vreemden oorsprong, schijnt af te stammen van het Portugeesche
_mandar_, bevelen, gelasten, en is vermoedelijk door de inlanders
samengetrokken uit _mandador_, lastgever. „Bij Heydt: „_Geographisch-
und Topographischer Schauplatz von Afrika und Ost-indiën (1744)_,” leest
men meermalen _mandator_, b. v. bl. 95.”
Van hetzelfde Portugeesche _mandar_, of waarschijnlijker nog
rechtstreeks van het Latijnsche _mandare_, komt nu vermoedelijk ook
_mandarijn_, door de Portugeezen _mandarin_ of _mandarim_ uitgesproken.
Ik vind in het Portugeesch-Fransch Woordenboek van da Costa e Sá
(Lissabon, 1794), den latiniseerenden vorm _Mandarinus_, die, naar het
mij toeschijnt, zal zijn uitgedacht door de Jezuieten, die in de
Latijnsche taal zooveel over China en Japan geschreven hebben. Bij hen
zal men vermoedelijk den oorsprong van het woord moeten zoeken, en ik
acht het onnoodig er het Sanskrietsche _mantrin_, in het Jav. en Mal.
_mantri_, minister of raadsman van een vorst, staatsbeambte, bij te
halen, dat wat den vorm betreft zeker niet zoo goed past. Het woord
komt reeds voor bij v. Linschoten, „Itinerario”, bl. 32, 33, in den
opmerkelijken vorm _Mandoryn_. S. de Vries, „Curieuse aenmerckingen”
(1682), D. I, bl. 38, zegt over _mandaryn_: „de naem mandarijn is geen
Chineesch woord, maar voortgekomen van de Portugeezen, welcke alle
magistraten in China dien naem geven, willende daermeê sooveel seggen,
als de Nederlanders met 't woord _Commandeur_. Gelijck 't dan ook
schijnt, dat de naem mandarijn is afgeleyd van 't Lat. woord _mandare_.”
Een Chineeschen oorsprong kan 't woord _mandarijn_ stellig niet hebben,
maar het wordt in alle Europeesche talen gebruikt om een hoogen
staatsbeambte in China aan te duiden. Ook noemen wij Mandarijnappels
of Mandarijntjes (Fr. _Mandariniers_), een soort van kleine, zoete,
bijzonder geurige, licht geribde, eenigszins afgeplatte en zeer los in
de schil liggende oranjeappels, die naar men zegt in China vooral
gebruikt worden om ze aan de mandarijnen ten geschenke te zenden. Zie
Lindley en Moore, „Treasury of Botany”, p. 292.
Gorgelet.
_Gorgelet_ is een woord nu aan weinigen bekend, maar dat dikwijls
voorkomt bij onze oude schrijvers over Indië; b. v. Baldaeus, „Afgoderye
der Heydenen”, bl. 62: „zij stopte den hals van 't gorgelet, zoodat het
water daaruyt niet konde loopen.” Valentijn, IV, 1, bl. 54: „de derde
slavin draagt een gorgelet met water na.” Zulk een gorgelet wordt door
van Linschoten uitvoerig beschreven, waar hij in zijn „Itinerario”
handelt „van de manieren ende usantiën der Portugaloysers ende Mestisen
vrouwen in Indië”, bl. 47. „Desgelijcks, wanneer zij drincken,” zegt
hij, „hebben een manier van potgiens, gemaeckt van swarte aerde, zijn
seer fijn ende dun, op die manier van de pullen die men bij ons
ghebruyckt om die bloemen in te setten, ende binnen in den hals is een
schildeken vol gaetgiens; dit cruycxken wordt ghenaemt _Gorgoletta_, om
dieswille dat als men wil drincken soo hout ment omhoog om niet aen de
mont te raken, ende alsdan comt het water door de gaetgiens die binnen
in den hals in 't schildeken staen, ende loopen al gorgelende inde mont
sonder een druppel te storten, 'twelcke zij doen door groote reynigheyt,
omdat niemant het aende mont souden setten; ende wanneer daer jemant
eerst nieuw van Portugal comt, ende wil dan beginnen te drincken, op
haer manier als voorseyt is, en door die onghewoonte hem bestort, hebben
dan een groot playsier ende belachen hem.”
Het blijkt tevens uit deze plaats dat gorgelet weder een woord is,
dat onze voorvaderen in Indië van de Portugeezen hebben overgenomen.
In het Portugeesch Woordenboek van Moraes Silva wordt _Gorgolèta_ dus
omschreven: „Quarta de barro de gargalo largo, no qual ha un raro, e
passando agua por elle caindo umas bolinhas que estâo no fundo, faz a
agua um som ao beberse”, d. i.: „Een aarden vat met wijden hals, waarin
zich een zeef bevindt, waarop onder het drinken balletjes vallen, die op
den bodem liggen, zoodat het water, er doorgaande, een geluid maakt.”
Kipersol.
_Kipersol_ of _Quipersol_ is eene Nederlandsch-Indische verbastering van
het Portugeesche _quitasol_, zonnescherm. In oudere boeken vindt men het
nog in den echten Portugeeschen vorm, b. v. in „Begin en Voortgang”,
Eerste schipvaerd der Hollanders naar O.-I., bl. 77, waar wij lezen:
„Te Panarucan zijn veel swarte Christenen. Zij gaen gekleedt met een
paar lange indiaensche boxens [broek], ghelyck men ghemeynlick in
Persiën draeght, maar heel barrevoets; altoos eenighe slaven achter
haer hebbende, die hun een _quitasol_ ofte sonneweerder over 't hoofd
houden.” Later vindt men verbasterde vormen, b. v. bij Valentijn, II,
1, bl. 257, _Kitasol_. Bij Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl.
45, leest men: „Alle personen van enig aanzien dragen een _quiperzol_
boven hun hooft, om de hette der zonnestralen af te keren, en de vrouwen
zouden zich schamen uit te gaan, indien een slaaf dezelve niet nadroeg
of haar boven het hooft hielde”; en bl. 96: „de kinderen der Europeanen
worden doorgaans zorgvuldig bewaart voor de stralen van de zonne,
gebruikende als zij uitgaan zonneschermen, _quipersols_ genoemt”. De
meest verhollandschte vorm, _kipersol_, is ook de jongste. Men leest
dien b. v. in „Batavia in derzelver gelegenheid” enz., D. III, bl. 6,
waar van de Bataviasche dames gezegd wordt: „Deeze fraay versierde
juffrouwen kunnen niet naar de kerk gaan, of zij moeten ten minsten één
slaaf achter zich hebben met een grooten _kipersol_ of zonnescherm, om
de hitte af te keeren.”
_Quitasol_, waarvoor men ook _guardasol_ zegt, is samengesteld uit
_quitar_, verlaten, verwijderen, afschaffen, afweren, en _sol_, zon. Men
gebruikt het ook voor een zonnehoed.
Kaste.
Deze naam, dien wij bestendig gebruiken waar van de scherp gescheiden
erfelijke standen bij de oude Egyptenaars en bij de Hindoe's sprake is,
moet bij ons stellig van romaanschen oorsprong zijn. In het Spaansch en
Portugeesch beteekent casta _ras_ en wordt ook voor de rassen van dieren
gebruikt. Algemeen wordt aangenomen dat het afstamt van het latijnsche
_castus_, rein, onvermengd. Ik kan mij dit slechts zóó voorstellen,
dat het oorspronkelijk een adjectief was als een soort van epitheton
perpetuum behoorende bij een substantief dat _ras_ of _stam_ beteekende,
b. v. _gente_. Dit substantief zal dan in het spraakgebruik zijn
weggevallen, zoodat van de uitdrukking _gente casta_, d. i. onvermengd
ras, alleen het adjectief _casta_ overbleef, om hetzelfde te beteekenen.
Eene merkwaardige beschrijving der kasten in Hindostan wordt gevonden
in Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 147, die door de volgende
definitie van het woord kaste wordt voorafgegaan: „Een kast dan is een
zeeker geslagte van menschen, welke uit kragt van hunne geboorte
verbonden zijn zekere bedieningen en plegtigheden waar te nemen, uit
kragt van welke zij ook zeekere voorregten bezitten”.
Fust.
Het woord _fust_ komt bij Nederlandsche schrijvers in twee beteekenissen
voor. Het zijn eigenlijk twee waarschijnlijk van elkander geheel
onafhankelijke woorden, die slechts door toeval aan elkander gelijk
zijn. Het eerste, nog algemeen in gebruik, heeft de beteekenis van
schacht, onderstel, vat; het tweede, sedert lang geheel verouderd,
heeft zelfs geene plaats in de Nederlandsche woordenboeken gekregen,
niettegenstaande het ontelbare malen bij onze oude schrijvers over
de geschiedenis onzer vestiging in Indië en onzer oorlogen met de
Portugeezen en Spanjaarden voorkomt. Wel een bewijs dat deze weinig
gelezen worden!
Het is het Spaansche en Portugeesche _fusta_, door Da Costa e Sá
omschreven als: „Genero de embarcaçao comprida e de baixo bordo, que
anda a vélas e a remos”, d. i. „een lang, platboomd vaartuig, geschikt
om naar omstandigheden te zeilen of geroeid te worden”. Ik sprak reeds
over dit woord in mijn „Java”, D. II, bl. 283.
Amok.
_Amok_ komt reeds bij onze oudste schrijvers over Indië dikwijls voor,
en is later zoozeer een Nederlandsch woord geworden, dat Prof. Pijnappel
in zijn „Maleisch Woordenboek” het Maleische _amoek_ en den verbaalvorm
_mengamoek_ door _amokken_, _wanhopig aanvallen_, kon verklaren. Voor
hen echter die minder met de schrijvers over Indië vertrouwd zijn, zal
het niet overbodig zijn op te merken, dat het evenzeer Javaansche als
Maleische _amok_ eigenlijk een soort van woede of razernij beteekent,
die den inlander (bovenal den Makassaar; zie Wallace, „Insulinde”, D. I,
bl. 306) soms bevangt, wanneer zijne hartstochten in de hoogste mate
zijn opgewekt, en waarbij hij wanhopend aanvalt op ieder die hem in
den weg treedt, en moord tracht te plegen, onverschillig aan wien. Het
_amok_ is zeer verwant met hetgeen de inlanders _mata glap_, d. i.
_verduistering der oogen_ noemen; juister misschien de amokmaker doet
gaarne het mata glap voorkomen als een symptoom van zijn toestand, om
daardoor zijn niet altijd geheel onwillekeurig moorden te vergoelijken.
Zie v. d. Burg, „de Geneesheer in Indië”, D. II, bl. 786. Een ander
verschijnsel dat er mede gepaard gaat, is het luide schreeuwen, waarbij
doorgaans het woord _amok_ zelf vernomen wordt, waarom men in het
Javaansch Wdbk. van Prof. Roorda op _amoek_ ook de verklaring vindt:
„een _uitroep_ van iemand die in dolle woede gaat moorden.” Vandaar
verder de uitdrukking _amok roepen_ of _amok schreeuwen_, b. v. bij W.
Schouten, „Reistocht naar en door O.-Indië”, 4e dr., D. I, bl. 27:
„Binnen Batavia werden eenen zwarten Indiaan de borsten afgenepen, omdat
hij _amok geroepen_ had.... Dit was reeds de derde _amokroeper_ die in
mijn tijd geradbraakt werd.” Zoo ook bij van Rees, „de Bandjermassinsche
Krijg”, I, bl. 64: „de priester vatte eensklaps een der wapens, riep
amok, en wilde den artillerist een houw toebrengen.” Maar ook de
omstanders roepen _amok_, wanneer iemand, zooals men gewoonlijk zegt,
_amok maakt_. Zie b. v. Ritter, „het Amok” in „Tijdschr. v. N.-Indië”,
Jg. VII, D. III, bl. 459: „Groot was de opschudding onder al die
reizende personen, toen zich op eens de noodkreet amok! amok! in den
omtrek deed hooren.” Stavorinus, „Reize van Zeeland naar Batavia”, Deel
I, bl. 236, schijnt de uitdrukking _amok spuwen_ als synoniem met _amok
roepen_ te beschouwen; want hij zegt dat de amokspuwers dus genoemd
worden, omdat zij het woord _amok_ veel in den mond hebben. Ik geloof
echter dat men daarbij tevens moet in het oog houden, dat den amokmaker
het schuim op den mond komt.
Bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Malabaar en Choromandel”, bl. 145,
komt de zonderlinge en minder gewone uitdrukking _amokspeelder_ voor;
een later voorbeeld van _amokspeler_ vindt men bij W. Schouten, a. w.,
D. II, bl. 134. _Amok slaan_ noemt men het alarmsein, dat door de
inlandsche wachters op de trom gegeven wordt, wanneer zich een amokmaker
vertoont.
Ik meen bij Nederlandsche schrijvers ook wel _amok loopen_ gelezen te
hebben. In allen gevalle is in het Engelsch _to run amuck_ een gewone
uitdrukking geworden. Daarbij heeft echter een kluchtig misverstand
plaats gegrepen, doordien men de eerste lettergreep van _amuck_ voor het
lidwoord _a_ of _an_ hield. Men schrijft dus meestal _to run a muck_
(zie b. v. Forrest, „Voyage aux Moluques”, p. 168), en vindt in de
Engelsche woordenboeken dikwijls het woord _Muck_, waarvan Johnson
erkende, de herkomst niet te weten. Dryden gebruikt de uitdrukking _to
run a muck_ in de volgende verzen in het derde deel van „the Hind and
the Panther”:
„Frontless and satire-proof he scours the streets
„And runs an Indian muck at all he meets.”
En Pope volgde hem na in zijne vertaling van Horatius:
„Satire's my weapon, but I'm too discreet
„To run a muck and tilt at all I meet.”
Dit Engelsche _muck_ heeft een Franschen schrijver, den heer Radau, in
de „Revue des Deux Mondes”, 1 Oct. 1869, p. 675, op den schranderen
inval gebracht, dat het Maleische _amok_ zou zijn: „une corruption du
mot Anglais _a muck_ (un enragé).”
Tegenwoordig wordt bij ons het woord _amok_ nu en dan gebruikt in de
verzachte beteekenis van _opschudding_, _straatrumoer_. Men zal daarvan
voorbeelden vinden in het art. _Amok_ in de thans ter perse liggende
aflevering van het groot „Nederlandsch Woordenboek”.
Kraal.
_Kraal_ is volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”, „een dorp of gehucht
der Hottentotten; eene opene plaats met staketsel afgeschut.” Weiland
zegt op het woord: „Zoo noemt men, in beschrijvingen van de Kaap de
Goede Hoop, de afgeperkte plaats waar de woningen der Hottentotten
staan: _een kraal van vier hutten_; ook eene groote open plaats,
met staketwerk omgeven, waarin men vee drijft.... Het schijnt een
uitheemsch woord te zijn.” Dit laatste kon met meer stelligheid worden
uitgesproken; het woord is ongetwijfeld van de Hottentotten zelven
afkomstig. Zoo lezen wij in het „Dagregister van de Voyagie naar het
Amaqua's [of Namaqua's] land” van Simon v. d. Stel, bij Valentijn:
„Beschrijvinge van de Kaap der Goede Hoop” (V. 2) bl. 592: „De
voorgedagte bergen.... worden bewoond van eene natie, genaamt
Hottentotten, dewelke zich met troepen van menschen en vee bij
malkanderen houden, 't welk zij _Kraalen_ noemen, waarvan wij er
dezen dag drie zijn gepasseert”. Ook de dorpen der Kaffers en andere
Afrikaansche stammen worden, bij uitbreiding van het gebruik des woords,
_kralen_ genoemd. Zie b. v. Th. Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”,
bl. 39; „D. Veth's Reizen in Angola”, bl. 359.
Maar dit Hottentotsche woord is door de Nederlanders ook naar Oost-Indië
overgebracht, en wordt bij onze oude schrijvers (door verwarring met
_kraal_, als samentrekking van _koraal_, polypenhuis) soms ook _Coraal_
geschreven. Zoo leest men bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Ceylon”, bl.
198: „Men vangt omtrent Mathure de Elephanten met _Coralen_, zijnde vele
boomen in de aarde geslagen, die in 't eerste een ruymen ingank geven,
maar van langhzamerhand enger worden, met valdeuren”. Een anoniem
schrijver over Ceilon, door Weiland aangehaald, spreekt evenzoo van
„eene groote en sterke houten kraal of bijkans rond palissadenwerk,
waarin zij de olyphanten drijven”.
Thans is het woord nog algemeen in Ned.-Indië in gebruik om de
afgeperkte ruimte voor de buffels aan te duiden. Zoo b. v. bij Pruys
van der Hoeven, „Een woord over Sumatra”, I, bl. 63: „Iedere vier jaar
nu vereenigen zich de eigenaars en drijven de buffels in een daartoe
gemaakte _kraal_, die, fuiksgewijze vervaardigd, uitloopt in een sterk
omheind moeras met een nauwe opening”.
Bonze.
_Bonze_ is in de talen van het hedendaagsch Europa de naam der
Boeddha-priesters in China en Japan, en wordt overdrachtelijk gebruikt
om alle priesters aan te duiden, die bijgeloof en fanatismus dienen.
Omtrent den oorsprong van dit woord ontving ik van wijlen Professor
Hoffmann, onzen uitstekenden kenner van het Japansch, de volgende
inlichting: „Het woord Bonze voor Boeddha-priester beantwoordt aan het
Japansche Bo-nzi, en werd door de Roomsche zendelingen in het meerv.
_Bonzii_, genit. _Bonziorum_, geschreven. Het is de algemeene naam aan
Boeddhistische geestelijken gegeven en de Japansche uitspraak van den
Chineeschen naam _Fă-szi_, die _wetmeester_, leeraar der wet
beteekent.”
Bij onze oude schrijvers leest men telkens het woord _Bonze_, ook
_Bonziër_, waar van Japan en China sprake is. Ik zal slechts enkele
voorbeelden bijbrengen. S. de Vries, „Curieuse Aenmerckingen”, II,
bl. 592: „Hij voeghden er bij hoedaenighe cierlycke redenen de
welspreeckende en hoogst voorname secte der Bonziërs bij de Japanners
hielden”. Valentijn, V, 2, bl. 145: „De Japanders hebben daartoe ook
hunne bijzondere priesters, _Bonzes_ genaamd”. „Batavia in derzelver
gelegenheid”, III, bl. 27: „Deeze afgodt Fo werdt uit de Indiën naar
China overgebragt door zijne priesters, gewoonlijk Bonzen genoemd,
omtrent in 't twee en dertigste jaar onzer tijdrekening.”
Bouw.
Bouw is de zeer gebruikelijke, ook in Nederland algemeen bekende,
verhollandschte vorm van het Javaansche _bahoe_, synoniem met het
ons minder bekende karjô. _Bahoe_ beteekent oorspronkelijk zooveel
akkergrond als één man met zijn gezin bewerken kan; maar toen wij
begonnen zijn ons met den grond der Javanen te bemoeien, hebben wij ons
ook hunne landmaat meer of min toegeëigend, en niet alleen haren naam
vernederlandscht, maar ons ook veroorloofd hare waarde nauwkeuriger te
bepalen. Een bouw wordt thans in alle Gouvernementsstukken gerekend
op 500 vierkante Rijnlandsche roeden. Het is te eer noodig op den
Javaanschen oorsprong van dit woord opmerkzaam te maken, daar de
onkundige licht geneigd zou zijn het voor een echt Nederlandsch woord,
in den zin van een stuk _bebouwden_ grond, aan te zien.